Op 26 mei 1981 plaatste de New York Times een artikel van de hand van Robert Palmer, waarin deze in het kort terugkeek op het leven van de een dag eerder overleden artiest Roy Brown. Terecht maakte de journalist melding van twee van zijn songs: ‘Let The Four Winds Blow’ uit 1957 en vooral ‘Good Rocking Tonight’ uit 1947.
   Palmer: “Roy Brown originated a style that influenced Elvis Presley, Jackie Wilson, James Brown and other leading rock and soul vocalists”. Andere artiesten voor wie hij een bron van inspiratie was geweest, aldus de redacteur: Clyde McPhatter, Bobby (Blue) Bland en Little Richard.
   Voor de geschiedenis van de popmuziek was volgens Palmer vooral van belang dat een jonge Elvis Presley zich door hem had laten beïnvloeden. “Echoes of Mr. Brown’s approach can be heard in Elvis Presley’s singing, and Mr. Presley recorded ‘Good Rocking Tonight’ at one of his first sessions”.
 
 
295 1 Roy Brown
 
John Broven laat Roy Brown aan het woord
 
 
Al lang voor zijn overlijden was Roy Brown uit de publiciteit verdwenen. Daarom was er niet veel over hem geschreven in de tijd dat popmuziek steeds meer het onderwerp werd van verantwoorde artikelen en boeken.
   Een uitzondering waren de twee lange artikelen die John Broven vier jaar voor zijn dood publiceerde in Blues Unlimited. Broven liet Brown ‘alles’ openhartig over zijn leven vertellen en zette het op papier. Het is een mooi tijdsdocument geworden.
 
“Ik ben op 10 september 1925 in [de omgeving van] New Orleans geboren”, zo begon Roy Brown zijn levensverhaal. “Mijn moeder speelde orgel en had de leiding over een koor. Haar afkomst was indiaans (Algonquin) en ‘negro’. Yancy, mijn vader, werkte in de bouw en daarom trokken we veel rond. De lagere school volgde ik in Eunice (Louisiana). Toen wilde ik al zanger worden.
   Meestal zong ik in de kerk. Op dertienjarige leeftijd zette ik een kwartet op dat spirituals vertolkte. Veel van wat we zongen had ik zelf gecomponeerd. Liedjes schrijven ging me makkelijk af. Op een avond – ik had wat bessenwijn gedronken – waren we helemaal in de stemming. De vrouwen klapten met hun handen en stampten met hun voeten. Je hoorde ze steeds ‘Amen’ roepen. We had them rolling, you know”.
   Roy voelde zich trots als een aap, vooral omdat zijn moeder erbij was. Eenmaal thuis pakte het anders uit dan hij dacht. De jongeman kreeg een flink pak slaag. “I’m gonna teach you to jazz up spirituals”, hoorde hij uit haar mond. “That wasn’t a spiritual you were singing. I don’t know what it was, but it wasn’t a spiritual!”
   Toen Roy Brown zijn belevenissen van vóór de Tweede Wereldoorlog in 1975 vertelde moest hij denken aan wat Ray Charles twee decennia later deed. “What catapulted Ray Charles to fame was things other quartets had done in the church and Ray merely substituted lyrics”.
   Als jongetje had Roy de spiritual ‘There’s A Man Taking Names, It Must Be Jesus’ gezongen. Ray Charles had de tekst in 1955 veranderd en zijn R&B-hit ‘I Got A Woman’ was geboren.
 
 
Van spiritual tijdens het werk in de velden tot crooner in de grote stad
 
 
Als jongetje moest Roy Brown op het land werken, in velden met rietsuiker, rijst en katoen. Per dag kreeg hij anderhalve dollar uitbetaald. “I could hear guys down the fields singing ‘I’m cutting this sugar cane, I’m cutting this sugar cane, I’m cutting this sugar cane, for the man, for the man upstairs’”, zongen de arbeiders.
   Roy deed met ze mee, maar als hij thuiskwam probeerde hij wat meer van zo’n simpele tekst te maken. Zijn eigen brouwsels zingen durfde hij niet. “I was always a little ashamed to be singing the stuff I was getting together”.
 
Toen hij veertien was overleed zijn moeder. Roy was ‘alleen op de wereld’ en moest zich maar zien te redden. Met boksen kon een zwarte jongeman wel geld verdienen. Door zijn werk op het land had hij stevige spieren ontwikkeld en hij deed het goed, won de ene wedstrijd na de andere. Roy’s enige probleem was dat hij geen bloed kon zien. “I had developed strong arms, but I couldn’t stand the sight of blood - it nauseated me”.
   Brown kwam op zeventienjarige leeftijd in Los Angeles terecht. Op aanraden van zijn ‘manager’ stopte hij maar met boksen.
   Vervolgens probeerde Roy de kost te verdienen in de muziek. De blanke crooner Bing Crosby was zijn grote idool. Tijdens een talentenjacht wist hij de eerste prijs te winnen met zijn vertolking van ‘San Antonio Rose’ (Bing Crosby) en ‘I Got Spurs That Jingle Jangle Jingle’ van Gene Autry, een andere crooner, die zijn zaken regelmatig liet behartigen door de Nederlandse immigrant Dries van Kuijk (Tom Parker).
 
 
295 2 Bing Crosby
Bing Crosby
 
 
Een zwarte die zich op het toneel gedroeg als een blanke crooner – dat was bijzonder. Door goed te scoren bij talentenjachten in Los Angeles was Roy niet alleen in staat zijn opgelopen huurschuld eindelijk af te lossen, maar zich ook nog redelijk in leven te houden aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Intussen breidde hij zijn crooner-repertoire uit met songs als ‘Stardust’, ‘Temptation’, ‘Blue Hawaii’ en ‘South Sea Island Magic’.
   Op zoek naar meer en beter-betaald werk belandde Roy na de oorlog in Shreveport (Louisiana). De eigenaar van een ballroom was op zoek naar iemand die kon zingen en een praatje houden. Roy Brown leek hem wel wat. “Hey, here’s a negro who sounds white, perhaps you’d be a novelty for my club, would you like to work for me?”
   Tot zijn verbazing was Billy Riley’s Palace Park bereid om 125 dollar per week neer te tellen. Roy zou al tevreden geweest zijn met minder dan de helft.
 
 
Blues
 
 
In Shreveport ontdekte Roy de blues. “The first blues song I ever learned was Buddy Johnson and Ella Johnson’s ‘When My Man Comes Home’ and Billy Eckstine’s ‘Jelly Jelly’”. Met dat soort repertoire stroomden extra dollars binnen. “I started singing those songs because the other singers on the show were doing the blues and the people were throwing their money. Dollar bills, half-dollar bills, they were making pretty good tips”.
   Als het aan Roy Brown gelegen had was hij gewoon doorgegaan als zwarte vertolker van Bing Crosby-hits. Blues, gespeeld door een combo met een saxofonist, gitarist en bassist, was niet zijn favoriete muziek. Dat repertoire zong hij een beetje tegen wil en dank.
   Nadat de club in vlammen opging moest Roy Brown opnieuw werk zoeken. In Galveston (Texas) kwam hij aan de bak als vocalist bij een groep onder leiding van Joe Coleman. “We played orchestrations, all the tunes on the hit parade at that time. I did all the songs, Ink Spots impersonations, I did Frank Sinatra all that stuff. No blues!”
 
 
295 3 Billy Eckstine
Billy Eckstine
 
 
Good Rocking Tonight
 
 
In Galveston wist Roy Brown zijn positie te verbeteren door met een eigen groep op te treden in Club Grenada, een dubieus oord. Mary Russell, die de baas speelde, had connecties met de onderwereld. “She had everyone on the payroll. She had the mayor down on her payroll, the police commissioner, she had houses of prostitution, everything”.
   Als er ballads gezongen moesten worden nam Roy die als gebruikelijk voor zijn rekening. Voor de wat ruigere stukken schakelde hij een naamgenoot in: Wilbert Brown, die tevens trompet speelde. Voor hem ook schreef hij het nummer ‘Good Rocking Tonight’.
   Liedjes schrijven ging Roy Brown nog steeds makkelijk af. “I really don’t know what the inspiration of the song was. Words start forming in my mind and melodies. All of my notes are formed in my mind, it’s just a talent I guess, I can’t explain it”.
 
Bij een radio-uitzending ging het in zekere zin mis. Wilbert zou ‘Good Rockin Tonight’ ten gehore brengen maar werd op het laatste moment ziek. Wie anders dan de componist, Roy Brown, kon zijn rol overnemen?
   “He had an attack of acute indigestion and ‘Good Rocking Tonight’ was on the cue sheet, it was on the programme. And on the air, he just sat there and toppled over in his chair but the broadcast had to go on, so then the announcer said ‘Here’s Roy Brown and his Mellodeers and his new, original ‘Good Rocking Tonight’'.
   Roy Brown moest zijn stem helemaal forceren om ‘Good Rocking Tonight’ te kunnen vertolken. In de radio-studio werd hij door zijn begeleiders uitgelachen, vertelde hij in 1975 aan John Broven. Maar wat hij deed viel wel op. “The fellas looked at me, they wanted to laugh because I started shouting! The announcer, the typist, they all came to the glass screen, they looked in to see who was the new singer. We got telephone calls after the broadcast, ‘Who was the new singer?’ They didn’t associate my voice with the falsetto-type thing as compared to my baritone, you see”.
   ‘Good Rocking Tonight’ in de versie van Roy Brown, was zo’n succesnummer dat de artiest zich verplicht voelde het steeds opnieuw te zingen.
 
 
Wynonie Harris
 
 
Roy Brown, 21 jaar, Brownie werd hij vaak genoemd, moest na een aantal affaires (drugs, overspel) Galveston ontvluchten. Opnieuw vond hij wat werk, deze keer New Orleans. In zijn geboortestreek trad zijn idool Wynonie Harris (1915-1969) op. Als jongen had hij Wynonie al aan het werk gezien. “When I was at high school I used to attend the Auditorium dances when Wynonie Harris was singing with Lucky Millinder. During my high school days I’d go and hear him”.
   Zou ‘Good Rocking Tonight’ niet passen in het repertoire van zijn idool? Roy Brown trok de stoute schoenen aan. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. “There was no bottom in my shoes, I had cardboard”. Brown was, lijkt, aan lager wal geraakt. “I had one suit. I didn’t have a bus fare to the club”.
 
 
295 4 Wynonie Harris
 
Wynonie Harris had niet veel belangstelling voor hetgeen Roy Brown te bieden had.
   Tijdens een pauze van het optreden van Harris liep Roy naar hem toe. De tekst van ‘Good Rocking Tonight’ had hij op bruin papier gescheven (een zak waar je boodschappen in deed).
   Wynonie Harris wilde niet eens luisteren. Hij reageerde met “Don’t bother me, son”, draaide zich op en liep weg.
   De begeleiders van Harris hadden medelijden met Brown en vroegen hem zijn liedje voor hen te zingen. “Hey, boy, can you sing that song?”, zeiden ze.
   Roy greep zijn kans en met succes. “The guys started clapping their hands, and one guy said, ‘Hey, man, come with me, I know a guy who will give you a job, perhaps’”.
 
  
Onder contract bij De Luxe Records
 
 
Roy werd meegenomen naar de Dew Drop Inn, waar Cecil Gant optrad. De artiest was zo onder de indruk van de manier waarop hij zijn song uitvoerde dat hij midden in de nacht Jules Braun van De Luxe Records, zijn platenmaatschappij, belde. “He woke him up at two-thirty in the morning and had me sing ‘Good Rocking Tonight’ over the telephone”.
   Jules Braun zag wel kansen. Aan Cecil Gant liet hij weten: “Give him fifty dollars, and don’t let him out of your sight”.
   Roy Brown kreeg zijn geld. Bovendien mocht hij op kosten van De Luxe Records in de Dew Drop Inn logeren en eten. Braun zou kort daarna naar New Orleans komen om plaatopnamen met enkele van zijn artiesten te maken. Dan kon hij ‘Good Rocking Tonight’ ook vastleggen.
 
 
295 5 Cecil Gant
 
In afwachting van de komst van Jules Braun trad Roy Brown wel eens op in de Dew Drop Inn. Bij een van die optredens kwam Herman Lubinsky (van Savoy Records) zich aandienen. “He said to me, ‘I’d like to record you’ and I was very excited and said ‘You would?’”
   Lubinsky stopte hem 150 dollar in de handen. “He gave me a hundred dollar bill, two twenties and a ten”. Daarmee legde hij een claim op de zanger. Maar volgens Roy Brown liet hij daarna niets meer van zich horen.    
   Hoe dan ook, Jules Braun verscheen ten tonele. De J&M-studio, Tulane Avenue, had hij gereserveerd voor sessies met Annie Laurie en Paul Gayten. Aan Roy Brown liet hij weten dat één song (‘Good Rocking Tonight’) onvoldoende was. De eigenaar van De Luxe wilde vier nummers in één keer opnemen. Zo ging dat in die tijd.
   Volgens Brown was dat geen probleem. Tot verbazing van de platendirecteur verscheen hij in een mum van tijd met drie nieuwe liedjes.
  
In de studio (juni 1947) ging het er volgens Roy Brown nogal primitief aan toe. Er waren maar twee microfoons, een voor de piano en een voor de rest van het orkest. Of Roy Brown maar op zijn hurken bij de piano wilde gaan zitten. “So I got in a stoop, I squatted at the piano and I sang all those songs in this position, whilst squatting using the piano’s mike. I did ‘Good Rocking Tonight’, ‘Long About Midnight’, ‘Miss Fanny Brown’ and ‘Lollipop Mama’”.
   Drummer Bob Ogden had de leiding over het studio-orkest. “They did a very good job, they did the arrangements on ‘Good Rocking’, I merely sang the song. They supplied the introduction, it was an all-together thing. The trumpet player did the introduction, the tenor player, Earl Barnes, he composed the riffs. It was a good rockin’ thing, you know, and man I just started singing, the guy said just sing the words, and I did and I felt real at ease”.
 
 
‘Good Rocking Tonight’ is een eerste hit, meer volgt
 
 
Met de plaat ‘Good Rocking Tonight’ trof Roy Brown de roos. De song kwam bovendien alsnog op het repertoire van Wynonie Harris terecht die het voor King Records vastlegde en er een nummer één R&B-hit van maakte. De oorspronkelijke uitvoering van Brown kwam niet hoger dan 13 op die lijst.
   De artiest uit New Orleans had het wél gemaakt. ‘Long about midnight’, opvolger van ‘Good Rocking Tonight’ bereikte in 1948 de bovenste plaats van de ‘zwarte hitlijst’ en daarna volgde het ene plaatsucces na het andere. Vooral 1949 was een gouden jaar met zes titels in de top tien: ‘Rainy Weather Blues’, ‘Fore Day in the Morning’, ‘Rockin’ at Midnight’, ‘Miss Fanny Brown’, ‘Please don’t go’ en ‘Boogie at Midnight’.
   In 1950 leverde ‘Hard Luck Blues’ voor Roy Brown opnieuw de nummer één positie op, gevolgd door ‘Love don’t love nobody’ – op nummer twee. Daarna werd het langzaam minder. In 1957 scoorde Roy Brown voor het laatst – met ‘Let the four winds blow’, een single die tevens in de pop-charts opgenomen werd.
 
 
295 6 RB hitparade 18 februari 1949
R&B hitparade 18 februari 1949 (Billboard), met hits van o.a. Roy Brown en Wynonie Harris
 
 
In 1975 liet Roy Brown zijn eigen interpretatie vastleggen:
   “At that time King Records had Wynonie Harris, and as I said earlier he didn’t want ‘Good Rocking’. But after I did it and it became a hit he covered me and for a while he outsold me, he did it on King Records, because King was a big company and Wynonie Harris was a big name artist. De Luxe was virtually unknown and so was I.
   And in certain areas, especially the East Coast, Wynonie Harris just went haywire with the record, until later I did a little thing called ‘Long About Midnight’ and began to get some stature as a singer, then my ‘Good Rockin’’ started selling all over again. So it came twice, and once you become a name it’s easy to sell records, you become hot. That’s what happened to me.
   So sure enough I started to sing the blues and would you believe this, my first sixteen releases, the first sixteen releases made the Top Four in Rhythm and Blues. In 1949 I had four tunes in the Top Ten simultaneously, I was very happy about that.
   ‘Long About Midnight’ was a hit, ‘Rainy Weather Blues’ was a hit, ‘Rockin’ At Midnight’ was a follow-up to ‘Good Rockin’’, that was a hit. ‘Please Don’t Go’ was just a fair record. ‘Boogie At Midnight’ was one of my biggest records, it went to the white kids for the first time, the first time I sold to the whites.
 
 
Zaken
 
 
Uit het interview met John Broven, in 1977 gepubliceerd, blijkt dat Roy Brown niet goed wist hoe hij met succes moest omgaan. Dat bleek al enigszins uit zijn verhaal dat hij, in afwachting van de opname van ‘Good Rocking Tonight’ voor De Luxe Records, bereid was 150 dollar te accepteren van Savoy Records. Alle geld was goed voor iemand die zich op dat moment niet kon permitteren op de bus te stappen en op schoenen moest lopen met zolen van bordkarton.
 
Toen de plaat op de markt kwam verdiende Roy Brown niet meer dan vier dollar per optreden. Samen met Clarence Samuels trad hij in de Downbeat Club van New Orleans op. Het tweetal noemde zich The Blues Twins. De echtgenote van Samuels zat achter de kassa.
   Plotseling kwam ‘Good Rocking Tonight’ in roulatie. Nadat de plaat op de radio en in jukeboxen ten gehore gebracht werd, bleek Roy over heel wat vrienden te beschikken. “The fellas came and picked me up from my room in a pickup truck and took me to Rampart Street. And I could hear this sound, and they kept looking at me and I kept looking at them.
   Roy Brown herkende zijn eigen plaat niet, vertelde hij later. “They said ‘Man, don’t you hear the record!?’
   I said ‘Yeah, it sounds good’. I didn’t know it was me, I didn’t.
   So we went to the Downbeat Club, boy everybody was playing the record and then I realised it was me. And man, I stood by that jukebox all afternoon, just listening to me sing!”
 
Om een optreden van Roy Brown mee te mogen maken moest je nu flink wat meer gaan betalen. Het was stampvol in de club. “The admission went from seventy-five cents to two dollars”.
   De gage van Roy Brown ging vanzelf omhoog, terwijl zijn partner op vier dollar per avond bleef steken. De eigenaar legde aan Clarence Samuels uit: “I don’t need you, this man’s [Brown] got a big record”.
   Een paar dagen later al ging het salaris van Roy Brown opnieuw omhoog, van acht naar tien dollar. Bovendien werd hij uitgenodigd om gratis in de club te komen logeren. “You can have that room upstairs, that’s your room, I want you to move from Hamilton Street, bring all your things here. You’re gonna live with me now!”
   Roy Brown was in alle staten. “I was getting ten dollars, my own room, I was a big shot, all the girls I need and my blackberry wine!”
 
Daar bleef het niet bij. Een week later meldde zich een nieuwe zakenman met de woorden: “Son, how’d you like to work for me?”
   Roy maakte duidelijk dat hij al voor 10 dollar per avond optrad.
   Dat was geen probleem. “I’ll pay you fifty dollars a night”. Bovendien mocht hij zich een goed kostuum laten aanmeten.
   Roy Brown kon het niet geloven. Hij reageerde met de woorden “En dan ben ik zeker president Truman!”
 
 
De gevolgen van het succes
 
 
295 7 Good Rocking Toniight
 
Het is van alle tijden: als je als onbekende artiest een hit hebt, word je van alle kanten belaagd door vrienden en zakenmensen. Je moet uit het goede hout gesneden zijn om dan nuchter met twee benen op de grond te blijven staan. Voor het eerst in zijn leven haalde Roy Brown de krant (Louisiana Weekly). Er werd zelfs een fotoreportage van hem gemaakt. Probeer dan maar eens nuchter te blijven.
   Brown, 21 jaar: “I realised there was some money in show business”.
   Artiesten in New Orleans als Paul Gayten en Annie Laurie wilden nu bij hem horen. Dinah Washington kwam met haar manager naar de stad om samen met hem te mogen zingen, hoorde John Broven.
 
Als ‘beroemde artiest’ maakte je tevens jonge vrienden door ze te helpen.
   “I can recall when Fats Domino played with us, we had some dates in Kansas City in 1949, and Fats had started to record but he hadn’t come into his own yet. And something happened to my band coming out of Atlanta and they were supposed to meet me in Kansas City, but they couldn’t.
   So I hired Fats Domino and a few more guys, we got to Kansas City I guess at about two o’clock in the afternoon. We all got rooms, cleaned up and took a nap.
   We got ready to go. Fats Domino couldn’t find his shoes. They had stolen his shoes. He wore expensive shoes, his feet were bad. We had to get a guy get out of his bed, open up his store and buy Fats a pair of shoes. That was at the time he’d done a couple of things but they hadn’t hit yet. He was just hanging around New Orleans doing nothing. I gave him some money”.
 
Ook elders in de Verenige Staten kwam er steeds meer belangstelling dankzij ‘Good Rocking Tonight’. Maar Roy had geen zin om alsmaar op reis te zijn.
   In 1947 was er voor dat ‘probleem’ wel een oplossing. Een impresario vroeg Clarence Samuels (de andere helft van de Blues Twins uit New Orleans) om als dubbelganger te fungeren. “He knew my songs and he could sing something like me. So this guy Goldberg takes Clarence Samuels from New Orleans to California and passed him off as Roy Brown”.
   In Oakland (bij San Francisco) viel de verkeerde Roy Brown toch door de mand. Een oude schoolkameraad van de artiest zag de oplichter aan het werk. “He went up to this guy at rehearsal and said, ‘Man, are you Roy Brown?’.
   He said, ‘Yes’, and he said ‘You’re not Roy Brown, I know Roy – we went to school together’.
   So then they had to pay him to keep him quiet!”
   Samuels, die blijkbaar goed verdiende onder een valse naam, was bovendien slachtoffer van een roofoverval. Hij kreeg een pistool tegen zijn hoofd gedrukt. Pas toen hij met zijn rijbewijs kon bewijzen dat hij niet de echte Roy Brown was, wist hij het er levend van af te brengen.
 
Volgens Roy Brown verschenen er bovendien platen van hem op de markt, waar hij niets van wist. Het waren bijvoorbeeld opnamen met nummers van zijn concerten. “Bill Quinn bootlegged me. During the time we were performing, I’d seen these guys around with tape recorders, I thought nothing of it. But the guy had a company called Gold Star, and when De Luxe Records started releasing records on me, I became a star so to speak.
   This guy released some things on me that sounded terrible. I was on tour and went through some part of Texas and at this service station they were selling records, on Gold Star and Roy Brown.
   One of my boys brought one out to the car and my wife said, ‘Honey, when did you record for this company?’
   I didn’t even know who they were, and I discovered this guy who was in Galveston, Texas had taped some stuff on me and later on when I became famous he released the stuff. If you’re a big name almost anything will sell while you’re hot”.
 
 
Goede contacten met deejays én hun echtgenotes
 
 
Een ster als Roy Brown – dat was hij immers geworden – moest er voor zorgen dat hij steeds opnieuw en op zoveel mogelijk plaatsen gehoord werd. Het draaien van je platen op de radio was van belang.
   In de jaren veertig was dat niet moeilijk, vertelde Roy in 1975. “If you had something saleable, a record with potential sale, disc jockeys at that time, especially rhythm and blues because they were competing with each other, they wanted the new things, to play it, because they wanted this recognition from the fans.
   ‘Hey, I played this first, I broke this record in this city, this is my thing’ and if the artist came to that particular city the record company made sure the artist was on this guy’s show”.
   Als artiest kon je de platendraaier ‘helpen’. Volgens Roy verdiende een rhythm & blues-diskjockey niet meer dan 80 of 90 dollars per week. Met zo iemand kon je een ‘relatie’ opbouwen. “Naturally if the record artist was willing he’d put forty or fifty bucks on the guy, to make sure when he left that record would be played again and his next release would be played”.
 
Roy Brown had zijn eigen methode. Hij betrok de echtgenote bij de ‘payola’.
   “I would go to this guy’s house and meet his family. I’d go to the corner grocery store and give the man a hundred dollars, make him give me a receipt. I’d go back to the disc jockey’s wife and say, ‘Listen, for the next four weeks you can buy twenty-five dollars’ worth of groceries. Make sure your husband plays that Roy Brown record!’
   He was gonna play that record. Because every time he sat at the table he was eating some of Roy Brown’s food. That was my own idea, and the disc jockeys thanked me for it - I had the wives on my side!”
 
 
Aan de top en daarna
 
 
Ondanks het succes met ‘Good Rocking Tonight’ en andere eigen jump blues composities ging zijn hart, lijkt, nog steeds uit naar het crooner-repertoire. Dat zong hij nu voor zijn eigen plezier ter voorbereiding van het optreden. “I used to do Billy Eckstine or Frank Sinatra songs to get loosened up, I used to like ‘Cottage For Sale’ which Billy Eckstine did, ‘I Apologise’, ‘Jelly Jelly’ and I used to do ‘Summertime’, Frank Sinatra’s ‘Day By Day’ and ‘A Lovely Way To Spend An Evening’, I liked those kind of things. I did ‘Lucky Old Sun’, ‘When They Ask About You’.
   People would be frowning up and say ‘I thought you did the blues’, but they didn’t know I was warming up. Then I’d get into the blues”.
 
Het waren gouden tijden voor Roy Brown en zijn begeleiders aan het einde van de jaren veertig. “I bought a brand new limousine Cadillac for the band, I bought a brand new Ford van for the uniforms and instruments, I bought a brand new station wagon in case they wanted to bring their wives and girl friends along, and I had a Fleetwood Cadillac for myself. And this was all showing off I guess, because I paid seven/eight hundred dollars cash for the limousine in Richmond, Virginia and I bought the station wagon in New Orleans and I had four drivers.
   My payroll was five hundred and sixty-five dollars a night!”
 
Aan alles komt een eind, ook aan het succes van Roy Brown. Volgens de artiest lag dat aan de platenmaatschappij. Syd Nathan van King Records werd in 1951 volledig eigenaar van De Luxe Records. De platenmaatschappij had, blijkt uit de woorden van de artiest, tevens een exclusief management contract met hem.
   Volgens Brown had hij geen persoonlijk kontakt meer met de mensen die hem zouden moeten helpen. “I didn’t know my personal manager. The head of the recording company and the booking agency were brothers-in-law”. Het tegendeel gebeurde, als je Roy tenminste mag geloven: “They cleaned me out”.
   Na enkele jaren stond Roy Brown weer op de onderste sport van de ladder, totdat hij zich in 1957 onder de hoede stelde van Dave Bartholomew, die vanuit New Orleans en op Imperial Records in de weer was met Fats Domino. Voor hem schreven ze ‘Let the four winds blow’ dat hem in de top 30 van de hitlijsten bracht.
  
Tijdens de contacten bracht Bartholomew naar voren: “You should be a millionaire but I don’t think you are”.
   Brown: “No, I’m not a millionaire, I’m barely getting along right now, I had a lot of difficulties”.
   Bartholomew: “All the hit records you made, man you should have money in all the banks around here”.
   Al snel bleek dat Roy Brown er nauwelijks van op de hoogte was dat je rechten met bijbehorende inkomsten had als je je eigen songs schreef. In dat soort zaken had hij zich nooit verdiept, moest hij bekennen. Roy Brown had bij de dag geleefd en niet verder gekeken dan zijn neus lang was.
 
 
295 8 poster Roy Brown
 
Hoe was het mogelijk legde Charlie Gillett (1942-2010) vast in zijn boek The Sound of the City. Gillett kreeg Brown aan het eind van diens leven op bezoek in zijn radioprogramma ‘Honky Tonk’. “One of the greatest pleasures was to have a visit from Roy Brown to whom I had given credit for virtually inventing the gospel-blues style that was to permeate right through rhythm and blues in the fifties.
   Roy himself, gracious and appreciative about such credit, could only insist that his favourite singer was Bing Crosby, and his greatest disappointment was that nobody seemed to think much of his own crooning”.
   In zijn boek schreef Gillett: “Roy’s recollections of life as a rhythm and blues star were peppered with sad tales of the kind of cheating that went on in some of the pioneer indie companies.
   Soon after visiting Britain, Roy died back home in Los Angeles.
   We won’t forget you, Roy!”
 
 
Harry Knipschild
18 mei 2017
 
Clips
 
* Billy Eckstine. Jelly Jelly, 1941
* Bing Crosby, San Antonio Rose, 1941
* Roy Brown, Good Rocking Tonight, 1947
* Wynonie Harris, Good Rocking Tonight, 1947
* Cecil Gant, We're gonna rock, 1950
* Elvis Presley, Good Rocking Tonight, 1956
* James Brown, Good Rocking Tonight
* Dave Edmunds, Good Rocking Tonight, 1987
* Paul McCartney, Good Rocking Tonight, 1991
* Bruce Springsteen, Good Rocking Tonight, 2012
 
Literatuur
 
Harry Knipschild, ‘Let the four winds blow’, Rhythm & Blues, september 1961
Charlie Gillett, ‘The most influential singer of the last 25 years was Roy Brown’, Record Mirror, 22 augustus 1970
John Broven, ‘Good Rockin’ Tonight’, Blues Unlimited, januari 1977
John Broven, ‘Hard Luck Blues’, Blues Unlimited, maart 1977
Robert Palmer, ‘Roy Brown, a pioneer rock singer', New York Times, 26 mei 1982
Charlie Gillett, The Sound of the City, Londen 1991 (1983, 1970)
James E. Miller, Flowers in the Dustbin. The Rise of Rock and Roll, 1947-1977, New York 1999
Charles White, The Life and Times of Little Richard, Londen 2003 (1984)
Rick Coleman, Blue Monday. Fats Domino and the lost dawn of rock ’n’ roll, Cambridge, Ma. 2007 (2006)