Zoeken

  
Pieter Nicolaas van Eijk (1887-1954) werd in 1935 in Leiden hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde. In 1947 ontving hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. Niet veel mensen zullen iets afweten van wat hij allemaal aan het papier toevertrouwde, behalve dat ene gedicht uit 1926 over de stad Isfahan: ‘De tuinman en de dood’.
 
Een Perzisch edelman:
 
Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: ‘Heer, heer, één  ogenblik!
 
Ginds in de rooshof, snoeide ik loot na loot.
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.
 
Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.
 
Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!’
 
Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.
 
‘Waarom’, zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
‘hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?’
 
Glimlachend antwoordt hij: ‘Geen dreiging was ’t, waarvoor uw tuinman vlood.
Ik was verrast, toen ’k smorgens hier nog stil aan ’t werk zag staan,
Die ik ’s avonds halen moest in Ispahaan’.
  


P.N. van Eijk

 

Naar Isfahan (Ispahaan)!

 
Op 14 augustus 2007 begaven Greetje en ik ons naar de stad Isfahan (Esfehan) midden in Iran. Vanaf Shiraz was het 484 kilometer rijden was op de borden te zien toen we de die stad verlieten. Helemaal zonder gevaar was de weg niet. Inhalen op berghellingen gebeurde niet altijd op een verantwoorde manier. Diverse automobilisten negeerden de witte streep in het midden van de tweebaans weg. Er was echter heel wat politie die het verkeer in de gaten hield. Een man in een Peugeot, die onze bus (met reizigers van Koning Aap) op onreglementaire manier inhaalde werd van de weg gehaald. “Twintig euro boete”, maakte onze Iraanse chauffeur duidelijk, “en dat is hier een heleboel geld”.
   Onderweg, we waren het inmiddels bijna gewend, zag je steeds borden met teksten uit de koran en billboards van historische moslimhelden met het zwaard, die er soms dreigend uitzagen. Bij een bekende van de chauffeur, in Abadeh, maakten we een stop. Aan het Nederlandse gezelschap vertelde de man, Sasan Izabi, dat hij een goede bekende was van zangeres Sandra Reemer.
 


Bord langs de weg
 

 
Isfahan was de laatste stad die we bezochten op de tocht door Iran die op 22 juli begonnen was en ons door een groot gedeelte van het immense land gebracht had. Wat voor steden hadden we niet allemaal bezocht: Teheran, Mashhad, Rasht, Ardabil, Tabriz, Qom, Kashan, Yazd enzovoort. Alleen in het olierijke zuiden en het oosten waren we niet geweest.
   Het bijzondere van Isfahan was al het water. In de omgeving was het een en al woestijn, maar op dit plekje was er water in overvloed. Misschien wel om die (economische) reden was Isfahan eens hoofdstad van Perzië gweest. In de stad zag je opspattende fonteinen en langs de Zayandeh Rud, een brede koeling brengende rivier, was het steeds zwart van de mensen. Zwart, niet alleen omdat er zoveel mensen waren, maar ook zwart omdat de vrouwen in de hitte van de dag gedwongen werden hun hele lichaam in donkere kledij te verhullen. Dat gold tevens voor bezoeksters uit niet-islamitische landen. Aan beide zijden van de brug over het water stond politie klaar met schietwapens gereed in de hand.
   Opvallend vond ik dat allerlei mensen in deze omgeving westerse symbolen droegen, merken als Esprit, Barbie, Yankees, t-shirts en petjes met daarop New York, Texas, Florida Sunshine State, Puma, ‘Never mind the bullocks’ (Sex Pistols), Eminem, Lacoste, Versace, Nike, University of California en zelfs U.S. Army. Een halskettinkje met ‘U.S. Army’ was bovendien bij een juwelier te koop. Op die manier, leek mij, was het mogelijk je hunkering naar een andere wereld (blijkbaar) ongestraft uit te dragen.
   Bij het water was een kiosk waar populaire tijdschriften en kranten te koop werden aangeboden. Maar geen Engelstalige. Boven het loket zag je een in het zwart gehulde hand die een kalashnikov geweer omklemde. Met erachter een wereldbol. De tekst, erbij geschreven, kon ik helaas niet lezen.
 Op deze toeristische plek was het bovendien vrijwel doodstil ondanks al die mensen. Je hoorde bijvoorbeeld geen muziek. Een bijzondere gewaarwording.  

  

 

De brug in Isfahan

   

Vrijdagmoskee

 
Tussen 18 en 22 augustus hadden Greetje en ik al heel wat gezien van de stad en ook het Armeense Jolfa, dichtbij. Maar ook die laatste (zater)dag probeerden we zoveel mogelijk uit te nutten. Van medereizigers vernamen we dat het de moeite waard was een bezoek te brengen aan de vrijdagmoskee (Jamah-moskee). We lieten ons verleiden de vriendelijke chauffeur van de taxi die voor ons hotel (Safir) altijd gereed stond als gids te accepteren. Dat hadden we beter niet kunnen doen. Tijdens de rondleiding bleek dat de man zich in het Engels nauwelijks kon uitdrukken en dat zijn kennis van het gebouw minimaal was.
 
In de boekjes, die we bij ons hadden, werd deze moskee met zijn 20.000 vierkante meter de grootste van Iran genoemd. Zoals wel vaker voorkomt bij belangrijke religieuze centra zouden er op deze plek ‘altijd al’ erediensten gehouden zijn, in dit geval dus ver voor de komst van de islamitische veroveraars (in 643). Opgravingen hadden aangetoond dat er al in de achtste eeuw een moskee stond. En waar eenmaal een moskee was vond de ene uitbreiding na de andere plaats. In de negende eeuw, in de tiende eeuw, in de elfde eeuw, in de twaalfde eeuw. In het tijdperk van de Seldsjoeken, de Mongolen, de Timuriden (volgelingen van Tamerlane) en Safaviden werden nieuwe ‘aanpassingswerkzaamheden’ uitgevoerd.
   Af en toe was er een tegenslag. In 1121 stond de moskee in brand. In 1985, toen de Iraniërs bij hun westerburen (de oorlog met Irak), flink wat geweld toepasten, en Kerbala en andere steden in Irak probeerden te veroveren, liet Saddam Hoessein Isfahan aanvallen. Tijdens een bombardement werd de Jamah-moskee verwoest. De taxi-chauffeur liet ons de plek zien, die de (geestelijke) autoriteiten snel hadden laten restaureren.
   In recordtijd werden we verder door het complex geloodst. In allerlei kamertjes en ruimtes was iets te zien van het glorieuze verleden en heden van deze heilige plek. Na de rondleiding las ik nog eens na wat we allemaal wel of niet gezien hadden. Zo moest er op de binnenplaats een fontein zijn, die bedoeld was als een imitatie van de heilige steen in Mekka. Pelgrims die van plan waren de grote reis, de haj, te ondernemen naar de stad van profeet Mohammed, konden bij en rondom de fontein oefenen in de rituelen die ze later in de islamitische wereldstad zouden verrichten.
 


Beschadiging in de moskee door bombardement Irak

 

Muziek

 
Popmuziek hadden we tijdens de rondreis door Iran nauwelijks gehoord. Maar hier in Isfahan, in een muziekzaak in een kelderverdieping, waren cd’s te koop. Onder de artiesten bevonden zich zowaar westerlingen als Kenny G., Jean-Michel Jarre, Al DiMeola, Julio Iglesias, de drie tenoren, de Japanse instrumentalist Kitaro en zelfs Pink Floyd en de Eagles. De muziek van Elvis Presley en de Beatles was alleen in een instrumentale uitvoering beschikbaar.
   De inwoners van Isfahan konden bij beluistering derhalve slechts vermoeden wat de idolen uit de vorige eeuw in hun teksten te vertellen hadden. Wie ‘westerse’ zang wilde horen kon zich natuurlijk altijd te goed doen aan de nieuwste opnamen van Yusuf Islam (de naam die het voormalige popidool Cat Stevens bij zijn bekering tot moslim had aangenomen).
   In de omgeving liepen we een winkel binnen waar muziekinstrumenten verkocht werden. Er werd bovendien les in Iraanse muziek gegeven.
   We vroegen of de twee mannen, die met elkaar in de weer waren, ook westerse muziek konden uitvoeren, de Beatles of zo.
   Daar begrepen ze maar weinig van. ‘Beatles’ werd opgevat als ‘Biet-hoven’. En dat was muziek uit een andere wereld. In het ‘officiële’ Iran bestond die nu eenmaal niet. Maar blijkbaar hadden ze er toch van gehoord. Greetje liet weten dat ze later nog eens zou terugkomen om te luisteren of de leerling in de winkel al geleerd had de muziek van Beethoven uit te voeren.
 

Een vervallen paleis

 
Een paar dagen eerder hadden we het indrukwekkende grote plein van Isfahan (en andere hoogtepunten) bezocht. Om de tijd te doden, kort voor het vertrek richting Nederland, brachten we een paar uur van de middag door in een park achter het grote plein. Op het heetst van de dag namen we plaats op een schaduwrijke bank onder een boom. Vanaf die plaats keken we uit op een familie die zich niet ver van ons vandaan op een kleed had geïnstalleerd. Natuurlijk werd er gegeten en gedronken. Overal in het land zagen we de mensen picknicken. Twee jongens liepen met goed-nagemaakte kalashnikovs in het rond te schieten. De vader van de familie liet niet na zijn islamitische gebedsoefeningen te doen.
   Achter ons bevond zich een nogal verweerd gebouw. Aan de buitenkant waren tegeltableaus met daarop mannen die herten neerschoten. En een tijger die een hert verscheurde. De Lonely Planet waarschuwde het gebouw niet (tegen betaling) te bezoeken. Binnen was het niet veel soeps. Het meest interessante zag je aan de buitenkant. “Unless you’re desperate to get upstairs, save your money” was het advies.
   Ik liep er nog eens omheen. Binnen zaten twee mannen achter de kassa te wachten op eventuele bezoekers. Voor de ingang werd de betekenis van het vervallen en verwaarloosde paleis voor iedereen nog eens uitgelegd op een groot bord. De tekst begon, zoals gebruikelijk in dit land, met hoofdletters: ‘IN THE NAME OF GOD”. Erachter werd in iets kleinere letters uitgelegd dat het ‘paleis van de acht paradijsen’ (Hasht Behesht) in de zeventiende eeuw gebouwd was toen Soleiman (van de dynastie der Safaviden) aan het bewind was. In rapporten van toeristen die Isfahan in die tijd bezochten was het gebouwd ‘for residence purposes of the princes of the king’s harem’.
   We bevonden ons klaarblijkelijk op een groot terrein waar in de eeuw van Abbas allerlei paleizen gestaan hadden en waarvan dit een van de weinige restanten was. Overal in het land, had ik zelf kunnen constateren, waren er bouwprojecten voor supergrote moskeeën. Maar er leek geen geld te zijn om dit ruim 300 jaar oude paleisje op te knappen of zelfs maar te behouden. Was het wachten op Unesco? Een paar stevige Hollandse maartse buien en er zou weinig meer van over zijn, bedacht ik ter plekke.
 

Afscheid van Isfahan

 


Oproep aan de dames om zich beschaafd te kleden

 
Bij het invallen van het duister werden we in het hotel opgehaald. Een bus bracht ons door de drukke stad naar het vliegveld ver weg. Vanuit Isfahan zouden we aan het einde van de avond met een binnenlandse vlucht van Iran Airways in een uurtje naar Teheran vliegen en van daar om vier uur in de vroege ochtend naar Amsterdam.
   Bij aankomst in de buurt van het vliegveld waren er, we waren het in zekere zin gewend, weer volop borden met de geestelijke autoriteiten Khomeini (r. 1979-1989) en Khamenei te zien. Maar, eveneens gebruikelijk, geen enkele afbeelding van president Ahmadinejad. Boven de plaats om in te checken werden wisselende digitale afbeeldingen vertoond, grote moskeeën en de kleurige poster die ons goed bekend was van deze reis, met daarop in het Engels de tekst: “A woman modestly dressed is a pearl in its shell”. Een dwingende oproep om het lichaam in het openbaar volledig te verhullen.
   In de hal van het vliegveld namen we afscheid van onze reisbegeleidster. Die ging niet met ons mee naar Teheran. Na een toespraak, een enveloppe en applaus, gingen we onze vliegtickets verzegelen. Althans dat dachten we. Toen de eerste koffer op de transportband gezet werd viel die plotseling stil. De vlucht van Isfahan naar Teheran had vertraging, zo bleek. Het toestel dat vanuit het zuiden (Bandar Abbas aan de Perzische Golf) moest komen, stond nog aan de grond. We moesten nog even wachten, was de boodschap.
   Na enige tijd werd duidelijk dat er een serieus probleem was. De vlucht vanuit de oliehaven, ver weg, ging wegens een technische storing tenslotte helemaal niet door. Daar stonden we dan in de hal van het vliegveld van Isfahan. Vijf uur later zou ons toestel in Teheran opstijgen.
 
Langzaam maar zeker werd duidelijk dat er iets moest gebeuren. Het had geen zin te wachten op het volgende vliegtuig. Dat kwam immers pas de volgende dag en dan hadden we geen aansluiting meer met de door Koning Aap gereserveerde plaatsen op de vlucht naar Amsterdam.
   Onze reisbegeleidster, nog aanwezig, was besluiteloos. Greetje niet. Ze vroeg haar dringend met de reisagent in Teheran voor overleg te bellen. Het duurde enige tijd voor ze daartoe overging. Een in het zwart ingepakte vrouw achter een loket was eerst nog een tijdje in de weer met het op orde brengen van haar sluier alvorens ze zich in het openbaar wilde vertonen.
   Tegen middernacht kwam er telefonisch contact. Men zou het in Teheran uitzoeken en ons terugbellen. Over een uur. Dat was toch ondenkbaar, merkte Greetje op. Je kon in deze omstandigheden toch niet een uur wachten.
   Na enig aandringen ging de vertegenwoordigster van Koning Aap opnieuw naar het loket. Opnieuw moest de vrouw haar zwarte hoofddoek achter het glas nog eens goed over haar hoofd trekken alvorens ze naar buiten durfde te komen. De urgentie van het probleem was nu wel duidelijk.
 

Per taxi vanaf het vliegveld van Isfahan

 
Gelukkig waren alle vluchten, binnenlandse en internationale, bij Iran Airways geboekt. Zodoende konden de autoriteiten in Teheran niet de schuld bij een ander leggen. Men voelde zich blijkbaar genoodzaakt ons enigszins ter zijde te staan. Enkele mannen kwamen te voorschijn en stelden voor dat we per taxi van Isfahan naar Teheran zouden reizen. In dat geval, beloofden ze mondeling, zouden ze de internationale luchthaven van onze aankomst over de weg op de hoogte brengen.
   De kosten waren voor onze rekening. Contant, in Europese valuta. De taxi’s die dan vele honderden kilometers dwars door Iran moesten rijden zouden per stuk 50 euro kosten. Koning Aap zou het later wel terugbetalen.
   Hadden we een keus?
   Wij vonden van niet. Anderen in onze groep waren bang hun rechten te verliezen omdat ze zich niet aan de regels hielden, zoals die schriftelijk waren vastgelegd. De discussie in de hal van het vliegveld duurde lang. Te lang vonden wij. Wij wilden maar één ding: rijden, zo snel mogelijk wegrijden. Elke minuut zou immers tellen.
   Intussen had Greetje al een alleenstaande reiziger uit het gezelschap (met weinig bagage) gecharterd om de auto met ons te delen. Toen eenmaal definitief bepaald was dat we het erop zouden wagen die nacht in een taxi door te brengen stonden wij dan ook als eerste klaar om te vertrekken.
   Er werden speciale chauffeurs uitgezocht om de lange rit te maken en ze kregen papieren in de handen gestopt. Waarschijnlijk hadden ze een aparte vergunning nodig om buiten hun district op te treden. En weg waren we. Zonder enig schriftelijk bewijs van wat dan ook. Onze reisbegeleidster bleef achter in Isfahan. Wat zou er gebeuren als we niet op tijd waren? Tijd om daar over na te denken was er niet.
 

Door de woestijn van Iran

 


Iran en omgeving

 
Onze auto was verre van nieuw. De chauffeur, een man met een ongeschoren gezicht, sprak nauwelijks een woord Engels. Hij gebaarde meteen dat hij wilde roken. Of we dat goed vonden?
   Wij waren al blij, zolang hij maar doorreed.
   Toen hij nauwelijks een paar kilometer verder was, hield hij echter al weer halt. Hij moest nog tanken. De man had nauwelijks brandstof bij zich. Blijkbaar alleen genoeg om korte ritjes in de omgeving van Isfahan te maken. Weer ging kostbare tijd verloren. Benzine in het olieland was overigens spotgoedkoop. Hij hoefde maar drie euro te besteden om genoeg bezine voor de verre reis naar het noorden in te slaan.
   Daarna konden we echt op pad. Vanuit de auto die over de snelweg voortraasde zagen we in het begin nog de lichtvlek van het verlichte Isfahan. Maar na een tijdje werd het goed donker. Af en toe reden we door een dorpje met met een paar spaarzaam verlichte huizen. En dan weer een lang stuk weg.
 
De afstand tot de hoofdstad van Iran was vrijwel nooit aangegeven. Het was dus moeilijk vast te stellen waar we ons bevonden. Ineens kwam er een bord. De afstand tot Teheran bedroeg nog 350 kilometer. En het was al ver na middernacht. Onze chauffeur stak nog maar eens een zelfgerolde sigaret op. En ik rekende. Als we een gemiddelde van ongeveer honderd kilometer per uur zouden kunnen handhaven waren we misschien net op tijd bij het internationale vliegveld.
   Links en rechts bevond zich de woestijn. Na enige tijd passeerden we de afslag naar Kashan, de stad waarvan we de koophuizen en het gerestaureerde badhuis op 8 augustus op ons gemak bekeken hadden. In het pikkedonker reden we nu door.
   We reden, dacht ik, trouwens niet altijd over de snelweg. Het wegdek was dan ook niet volmaakt. Was dat om politiecontrole te vermijden? Tijdens de eerdere reis door het land moest de chauffeur met de regelmaat van de klok zijn papieren laten controleren. Nu gelukkig niet. Was een ‘provinciale’ weg dan wel de snelste, de beste verbinding? Het was onmogelijk dat aan de chauffeur te vragen. Met hem van gedachten te wisselen of te overleggen was onmogelijk. Wat kon je anders doen dan vooruit kijken, de kilometers aftellen en proberen in te schatten of we op tijd zouden aankomen. Alsof je door te rekenen meer kansen had.

  

Omgeving Kashan

  

Qom

 
In het holst van de nacht bereikten we de heilige stad Qom, de stad van ayatollah Khomeini, de stichter van de huidige shiietische republiek. Langs de weg waren rijen winkels, met de deuren open en allerlei spullen uitgestald en groen verlicht. Klanten waren er niet op dit onmogelijke uur, maar bij de verkoop van zaken met een islamitische betekenis was dat misschien niet altijd van belang.
   Niet ver van ons vandaan waren de gouden koepels van de heiligdommen van het religieuze centrum van Qom met zijn honderdduizend studenten, die allemaal voor dezelfde studierichting (religie) gekozen hadden. Een giga-grote schildering liet een een afbeelding zien van moslim-martelaars die gewapend ten strijde trokken tegen de vermeende vijand. Ook die tekening was in het donker groenachtig verlicht en het zou mooi zijn om er een sfeervolle foto van te maken. Maar daar was natuurlijk geen sprake van. Ik keek er naar en een paar seconden later waren we het martelaren-icoon al weer voorbij.

  

Qom overdag

  
Na opnieuw allerlei helverlichte maar lege winkels te zijn gepasseerd, belandden we op een goede autoweg. Het was nog ongeveer honderd kilometer (de afstand van Maastricht tot Eindhoven) en dan zouden we de plek bereiken waar ‘ons toestel’ zich hopelijk nog bevond. Je moest er niet aan denken wat we moesten doen als we te laat zouden arriveren. Wanneer was er een volgende vlucht? Hadden we in die tussentijd een hotelkamer? Was er in geval van nood iemand om ons op te vangen? We spraken immers geen woord Perzisch. Perzische letters waren bovendien volstrekt onleesbaar voor een gewone westerling.
 

Teheran

 
Op het laatste stuk werd de afstand tot Teheran én tot het vliegveld in elk geval goed aangeven. Het vliegveld was dichterbij dan de stad. Dat scheelde weer een beetje. En het gaf hoop in de in het donker voortrijdende auto.
   Na vanaf Qom opnieuw ruim drie kwartier rijden kwamen we in de omgeving van het vliegveld. We waren op tijd, leek het. Onze chauffeur zou nu wel wat vaart verminderen en een zijweg inslaan.
   Maar dat deed hij niet. Hij reed gewoon door en liet de afslag voor wat die was. Toen we hem er met handgebaren op aanspraken wist hij duidelijk te maken dat dit goed aangegeven vliegveld niet het onze was. Tien minuten later zag ik een groot vliegtuig opstijgen. Ik hoopte maar dat de Iraniër wist waar hij mee bezig was.
   Dat leek niet zo te zijn. De man keek zenuwachtig om zich heen en was kennelijk op zoek naar de auto’s van collega’s uit het zuidelijk gelegen Isfahan. Plotseling zagen we medereizigers vanuit het niets opdoemen. De achterklep van hun auto stond wagenwijd open vanwege de grote souvenirs: Perzische tapijten en waterpijpen. Maar de collega-taxi reed te snel ten opzichte van onze chauffeur, die nogal wat vaart geminderd had. Hij miste de aansluiting. Het enige wat hij deed, nu kon doen, was doorrijden en om zich heen kijken.
   Een tijdje later bevonden was ons in Teheran zelf. Het was, bedacht ik op dat moment, of je op het Leidseplein in Amsterdam arriveerde, terwijl je eigenlijk naar Schiphol wilde.
  

Naar het Schiphol van Iran

 
De man die ons naar het vliegveld zou brengen bleek de weg in deze omgeving niet te kennen. Hij keerde om en sloeg een nieuwe route in. Terwijl de klok doortikte reed hij stapvoets. Langs de weg lag een stapel brandende autobanden. Er stonden mensen bij te kijken. Onze chauffeur stopte om de weg te vragen.
   Er werd in de verte gewezen. Een andere auto hield halt. Een woordenwisseling had plaats. Twee chauffeurs die met elkaar overlegden waar het Schiphol van Iran zich ergens bevond.
   Niet veel later reden we achter de andere auto aan. Het formele tijdstip van het vertrek van ons toestel was intussen voorbij. Wat deden we hier op een verlaten weg in het donker? Op geen enkele manier was duidelijk dat we de goede kant opgingen. Nergens waren er borden met ‘nog zoveel kilometer naar de internationale luchthaven van Iran’. Misschien was het ook wel niet de bedoeling om zoiets aan te geven. En toch bevonden we ons nu op de juiste route. We naderden een aantal gebouwen die de voorbode van het vliegveld waren. In de haast veroorzaakte onze chauffeur nog bijna een aanrijding.
 
Een paar minuten later belandden we voor de vertrekhal. De chauffeur bedanken, die de hele nacht voor ons had doorgereden, was er in de spanning van het moment niet bij. We stopten hem een biljet van 50 euro in de handen en weg waren we. Een druk gebarende dikke man wachtte ons immers op. Hij stond al een hele tijd naar ons op de uitkijk, werd duidelijk. Onze taxi was het eerst vertrokken en het laatst gearriveerd.
   Het toestel stond nog op ons te wachten. Onze helper, van het Koning Aap-agentschap in Teheran, baande zich samen met ons een weg door een drukke menigte. Voorrang bij het inchecken kregen we niet. Er moest met ellebogen geduwd en getrokken worden. Onze bagage ging op de band en, hoewel het waarschijnlijk niet meer nodig was, liepen we in gestrekte draf naar de ingang van het Iran Airways toestel.
   Het begon al licht te worden. We kregen een plaats in het middenpad toegewezen. We hoorden en zagen spreuken uit de koran en het toestel ging de lucht in. Greetje aarzelde niet. Haar hoofddoek ging af, hoewel we ons tijdens de vlucht formeel nog op Iraanse bodem bevonden.
 
Vijf uur later landden we op Schiphol. We namen de trein naar Leiden, de stad waar P.N. van Eijk in 1926 zijn gedicht over Isfahan, ‘De tuinman en de dood’, op papier gezet had.
 
Harry Knipschild
3 oktober 2013, de dag van het Leids Ontzet (3 oktober 1574)

Clips

P.N. van Eijk, De tuinman en de dood, 1926
* Brug in Isfahan
* Isfahan Song
* Cat Stevens, Yusuf Islam