Zoeken

 
Van Macao (of Macau) werd ik me voor het eerst goed bewust toen ik lang geleden ‘Het verboden rijk’ van J.J. Slauerhoff (1898-1936) las. Ik las het en herlas het. Als scheepsarts maakte hij een aantal tochten in het verre oosten. Aan boord van schepen van de Java-China-Japanlijn kwam Slauerhoff  terecht in Japan, China, het Britse Hongkong en het Portugese Macao. Het verre Macao was een bron van inspiratie voor hem.
   In het boek keek de Friese dokter terug naar het tamelijk recente verleden van de Portugese enclave in China: “In het midden van de 19de eeuw verloor Macao meer en meer zijn vroegere machtsbewustzijn. Door eigen land was het half, door Europa helemaal vergeten”. Het Britse Hongkong nam aan het einde van de eerste Opium-oorlog en de vrede van Nanking (1842) immers de vooraanstaande plaats van Macao in. Dat gebeurde niet meteen, schreef de arts. “Tegen de steile hellingen van het rotseiland [Hongkong] werden grote huizen gebouwd en weelderige tuinen aangelegd voor de rijken, die later zouden leven van de dokken en werven daarbeneden op de smalle zandstrook, die om het eiland heenliep, en van de schepen, die in de ruime, nog lege baai zouden komen laden en lossen”.
   “Macao verontrustte zich niet”, aldus Slauerhoff. “Nu en dan kwam nog een enkel groot schip, dat ver buiten de verzande haven bleef. Verder niets dan platte kustvaarders, de smalle lorcha’s, die gewild waren als gewapende escorte voor rijke Chinese koopvaarders en een enkel smokkelschip. Macao verroerde zich niet. De kooplieden waren en bleven rijk. De overige kolonisten en de Chinese bewoners waren en bleven arm.
   Bijna plotseling, na vijf jaar als een bij voorbaat dode, mislukte stad te hebben gelegen, nam Hongkong zijn opzwaai. De baai werd druk bezocht, rijke Chinese kooplieden uit het steeds rumoerige Kanton kwamen zich op het rustige eiland vestigen. Het werd een vrijhaven.
   Macao werd het ook. Wat gaf het nog, men verloor alleen de inkomsten van de douane erdoor. Men bleef smalen op Hongkong. Totdat ook een uittocht plaats had van vele voorname kooplieden, wier geslacht al eeuwen in Macao had gestaan, van bijna alle handwerkslui en winkeliers. Het leven in Macao werd bijna onmogelijk, men kon niets kopen, niets laten maken, alles moest van Hongkong komen. Als laatste noodmiddel voerde men speelhuizen in en waarlijk, nu kwamen, nu en dan, sommigen van Hongkong de daar verworven rijkdom in Macao verliezen. Macao behield een laatste restje kwijnend leven”.
   Slauerhoff schreef het in 1932: Omdat Hongkong de economische activiteiten van Macao grotendeels had overgenomen moest de Portugese buitenpost noodmaatregelen nemen om enigszins overeind te blijven. Gokken werd gelegaliseerd. Macao werd een gokstad. Dat is zo gebleven ook nadat het gebied op 1 juli 1997 ‘herenigd’ werd met de volksrepubliek China.
 
Aan het eind van de jaren negentig verdiepte ik me in de geschiedenis van China. Ik liet me vervolgens verleiden om te gaan promoveren op een onderwerp over de katholieke missie in het land. Macao, een rots in de Chinese zee, was de plek waar het allemaal begon in de zestiende eeuw. Vanuit Goa in India trokken de Portugezen verder naar het oosten. Macao werd hun basis op het Chinese continent. Van daaruit probeerden ze de aanhangers van het confucianisme hun christelijke waarden bij te brengen.  
 

Van Hongkong (rechts) naar Macao links 
 

De haven van Hongkong

 
In oktober 2012 bevonden Greetje en ik ons in Hongkong. Op uitnodiging van de universiteiten van Guangzhou (Kanton) en Shantou (Swatow) gaf ik er lezingen over de geschiedenis van de popmuziek en de katholieke missie in China. In Kanton vertoonde ik filmclips van o.a. Bob Dylan (‘The times they are-a-changing’), Rolling Stones (Scheveningen, Kurhaus), Elvis Presley (‘Hound Dog’) en Country Joe McDonald (‘Feel like I’m fixing to die’, Woodstock).
   De gelegenheid wat meer van het land te zien lieten we ons niet ontgaan. Vanuit Shantou vlogen we op 13 oktober naar Hongkong. We logeerden er in Hotel Regal Oriental, op de elfde etage. Voor de bewoners van de stad was dat niet hoog. Om ons heen werden gebouwen van vele tientallen verdiepingen neergezet. Op onze agenda stond bovendien een bezoek aan Macao.
   Macao bereiken vanuit Hongkong was niet al te moeilijk. De verbindingen waren overal goed in de regio. Als je maar eenmaal bij een metrostation in Hongkong was. Na twee dagen voelden we ons al een beetje thuis in de stadswijk Kowloon, waar we ons onderkomen hadden. Naar station Lok Fu lopen, een kwartier, was ondanks het zeer warme weer niet onaangenaam. Er was een park aangelegd op de plek waar zich tot kort vóór de overdracht aan China nog een ommuurde stad bevond. Niet voor niets had deze groene ruimte de naam ‘Park of the Walled City’ gekregen. Er was een speeltuin, je kon er in de schaduw of in de volle zon op een bank zitten. Zelfs in de open lucht, stond in het park aangegeven, was het verboden te roken.
   Vanaf Lok Fu bracht de metro (MTR) ons goedkoop en in volle vaart in zuidelijke richting. Wachten was er niet bij. Op de perrons zag je overal reclame voor een optreden van Sting op 2 december (Back to Bass Tour). De ene stampvolle trein was nog niet weg of de volgende kwam er al weer aan. In Parijs had ik dezelfde ervaring. Zo zou het in Nederland ook moeten zijn, bedacht ik. Maar wij hebben ons geld, miljarden euro’s, nu eenmaal uitgegeven aan de Fyra. Een hoge snelheidstrein die niet rijdt. In Hongkong hadden ze dat probleem niet. Onderweg een keer overstappen en na een half uur bevonden we ons in het havengebied.
 
Vanuit Hongkong waren er twee manieren om naar Macao te reizen. Per helicopter of ferry. Een kaartje voor de ferry kostte 150 Hongkong-dollar, vijftien euro, enkele reis. Zonder dat we erom hoefden te vragen kregen we als senioren meteen een korting van twintig procent. Om te kunnen vertrekken moest je door de douane. En papiertjes invullen. Deze dag kregen we heel wat stempeltjes in ons paspoort. En dan te bedenken dat we van de ene plek in China naar de andere reisden. Hongkong en Macao waren na de inlijving door China uitgeroepen tot afzonderljke speciale gebieden.
   In Hongkong kon je vrij voor je mening uitkomen merkte ik. Op een druk punt bij de haven had Falun Gong zich gewoon op straat opgesteld. Elders in China was dat ondenkbaar. De aanhangers mediteerden met de handen gevouwen en de ogen gesloten. Er was bovendien een comité dat de ‘wandaden van het communistisch regime’ zonder enige terughoudendheid aan de kaak stelde. Op uitgestalde foto’s bracht men in beeld hoe tegenstanders gemarteld en om het leven gebracht werden.
   Bij de stand van de actiegroep werd ons een Engelstalige krant en een dvd gratis aangeboden. Toen we die in ontvangst namen werden we nadrukkelijk bedankt voor de belangstelling. In hun Epoch Times (special edition, a fresh look at our changing world) las ik koppen als ‘On the Chinese Communist Party’s history of killing’, “How the Chinese Communist Party destroyed traditional culture’, ‘Using lies to justify violence’ enzovoort. Geen politieman greep in. Hier zag je met eigen ogen hoe de politieke realiteit was, althans op dat moment.
 


De boot in Macao, achtergrond de brug naar het nieuwe deel

 
De rode boten (turbojets) die overzee van Hongkong naar Macao voeren waren helemaal volgeboekt. Meteen instappen was dus niet mogelijk. Maar elk kwartier ging er een. Pas om kwart voor twaalf, eind van de ochtend, konden we mee om de 65 kilometer te overbruggen.
   In het havengebied was een compleet winkelcentrum gebouwd. Dat kwam goed uit, dachten we. Vanuit Nederland hadden we juist bericht gekregen dat aan de Chinese schrijver Mo Yan de Nobelprijs voor Literatuur was toegekend. In deze stad zouden we wellicht een of meer van zijn boeken vinden.
   Er was echter geen enkele boekwinkel te vinden. Laat staan een die de boeken van Mo Yan te koop aanbood. Een dag later probeerden we het opnieuw in een chique (dure) wijk van de stad. In een hotel werd ons geadviseerd naar het Princess-gebouw ertegenover te gaan. Daar was op de tweede verdieping een boekhandel met uitgebreid assortiment. En inderdaad, tussen alle chique zaken in met kleding, juwelen en parfum vonden we de winkel met een grote collectie Engelstalige boeken. Maar geen Mo Yan. Een Chinese vrouw die er verstand van leek te hebben zocht het nog eens na op haar computer. Ze hadden inderdaad geen van zijn boeken in voorraad. We vertelden dat de schrijver de Nobelprijs gewonnen had. Dat was nieuw voor haar.
   In het havengebied waren geen boeken, wel ‘glossy’ tijdschriften met Chinese teksten te koop. Ook, behalve veel voedsel, dure golfspullen. Winkels waar muziek-cd’s verkrijgbaar waren ontbraken, evenals elders in de stad. Alleen op de avondmarkt waren ze nog verkrijgbaar. En dat terwijl muziek wellicht populairder dan ooit was. In deze tijd, zeker in Hongkong, ging vrijwel ‘alles’ digitaal, vaak zonder rechten te betalen, met gedownloade muziek en e-readers. De mensen, vooral jongelui, zag je overal en continu op hun apparaatje turen, Waar moesten ze dan nog de tijd vandaan halen om bijvoorbeeld een boek te lezen. De tijden veranderen – wat daar de gevolgen van zijn zal later wel blijken.
   

Eilandjes in zee

 
In de grote boot hadden we gefixeerde plaatsen. Je kreeg een plakkertje met een nummer op je vervoersbewijs zodat je wist waar je moest zitten. Bij de ingang was een rij wachtenden. Als iemand niet op tijd kwam opdagen werd zijn of haar plaats door een ander ingenomen. Geen plek van het grote snelle schip bleef onbezet.
   Jammer genoeg waren de ramen vuil van het zeewater zodat het uitzicht behoorlijk beperkt bleef. Met enige moeite kon je waarnemen dat we ons tussen het vasteland en een aantal eilandjes in zuidwestelijke richting voortbewogen. Eén van die eilandjes, besefte ik, had een rol gespeeld in de geschiedenis van de katholieke missie. De Jezuiet Franciscus Xaverius (1506-1552), pionier van de missie in Azië, overleed er namelijk alvorens het vasteland van China te kunnen bereiken. In de missieliteratuur wordt het eiland aangeduid met Sanchan, Sangchuan of Sao Joao. Zou dat ‘Sanjia Mountain Island’ zijn dat we rond het middaguur passeerden?
   Het stoffelijk overschot van Francis Xaverius bracht men vanaf het eilandje eerst over naar (het toen Portugese) Malakka, later naar Goa op de westkust van India. De plaats waar de missionaris overleed, met ‘aan de zeekant een vooruit springende heuvel’, werd een bedevaartplaats. In een artikel in het tijdschrift Katholieke Missiën was in 1874 te lezen: “Sancian, het stervensoord en de begraafplaats van de grote apostel, bleef dierbaar aan alle apostolische harten. De missionarissen gingen daar neerknielen en bidden op het graf van hun schutspatroon. In 1640, enige jaren na zijn heiligverklaring [in 1622] richtten de Jezuieten van Macao een gedenkteken op bij zijn begrafenisplek”.
   Dat was nog maar het begin. “Toen in 1698 een Frans vaartuig in de wateren van Macao door een hevige orkaan werd overvallen, deden de angstige schepelingen een gelofte ter ere van degene die door zijn gebed en kruisbeeld zoveel stormen had doen bedaren. Zij zouden, mochten zij gered worden, een kapel bouwen op het graf van de Wonderdoener”. Hun gelofte werkte. Het schip kwam ongedeerd aan in Kanton.
   Twee jaar later bouwde men. “De oude begraafplaats en het oude gedenkteken bleven ongeschonden. Maar voortaan voerden zeven trappen naar een kapel waarbinnen een Xaverius-altaar was opgericht”. De Jezuiet Gasper Kastner, afkomstig uit München, had de leiding. Van de gelegenheid maakte hij vanzelfsprekend gebruik ook het evangelie op het eiland te verkondigen. “Ofschoon de eilanders aanvankelijk nogal schuw waren, mocht de missionaris vóór zijn vertrek het genoegen smaken 74 geloofsleerlingen te dopen”. Als de feiten juist zijn had hij dat in drie maanden bereikt. Hoe Kastner dat zo snel voor elkaar had gekregen, en wat het betekende, vermeldde het missie-artikel niet.

 

 

Aankomst in Macao

 
In tegenstelling tot de Fransen die zich in 1698 hier op zee bevonden werden wij niet door een orkaan overvallen. Het water was rustig zodat we de papieren zakken vóór ons niet nodig hadden. Om kwart voor één, na precies een uur, arriveerden we in Macao. Om de haven binnen te varen moesten we eerst onder een kolossale weg door. Die was op betonnen palen aangelegd om een nabij gelegen eiland (Taipa) met het ‘oude’ Macao te verbinden. In China schrikken ze niet terug voor grote bouwprojecten. Er is geld genoeg. Van bezuinigingen hebben we tijdens deze reis niets gemerkt.
 
Vóór we de voormalige Portugese kolonie binnen mochten moesten we opnieuw door de douane. Daarna kwamen we terecht in een grote hal. De meeste bezoekers, Chinezen, liepen meteen door naar de uitgang. De bussen stonden al gereed om hen naar een van de vele gokpaleizen te brengen. Omdat wij ons op onbekend terrein bevonden keken we wat onwennig rond. In het midden van de ruimte bevond zich een standje dat aan de VVV deed denken. Een man kwam lachend op ons afgelopen. Graag was hij bereid ons alle inlichtingen te geven over wat er in Macao allemaal te zien en te doen was.
   In werkelijkheid, dat voelde je al snel, was de man er alleen op uit ons iets te verkopen tegen een zo hoog mogelijke prijs. Bij aankomst van de boot uit Hongkong, elk kwartier, zocht hij een slachtoffer uit om zo intensief mogelijk te bewerken. Dat waren wij op dat moment. Om onze onervarenheid te testen vroeg hij nadrukkelijk of we voor het eerst in Macao waren. Toen we die vraag bevestigend beantwoordden pakte hij een gedetailleerde kaart. Daarop gaf hij aan wat we absoluut moesten zien. Een aantal highlights, die ver (zo ver mogelijk) van elkaar verwijderd waren.
   De ‘man van de VVV’ stelde een auto en een Engels-sprekende gids beschikbaar voor een tocht van drie of vier uur. Dan hadden we de hoogtepunten wel bekeken, legde hij uit. De kosten bedroegen, omgerekend in Europees geld, ongeveer 200 euro. Niet weinig voor een middag. Toen we niet meteen ‘ja’ zeiden maakte hij een groots gebaar. Omdat we senioren waren was hij bereid de prijs te halveren. Toch nog honderd euro. De hal was inmiddels leeg. Wij bleven als enigen over, als enig doelwit. We waren nog steeds niet op zijn voorstel ingegaan. De man keek ons nu recht in de ogen en sloeg een andere toon aan. Als we niet op zijn voorstel ingingen zouden we deze dag niets te zien krijgen. Dreigend vertelde hij erbij dat ‘alles’ om vijf uur dicht ging in Macao. Het was al twee uur in de middag. We moesten snel zijn anders waren we te laat.
   Mijn bedoeling was het om eens rustig over het schiereiland en door het centrum van de oude stad te lopen. Op het kaartje dat we hadden meegenomen zag je dat de afstanden niet groot waren. Maar er was wel een flink hoogteverschil en we kenden de weg niet. De man werd tamelijk hysterisch in zijn benadering, hetgeen bij mij nogal wat weerstand opriep. Toen we naar buiten liepen verlaagde hij de prijs nog naar 800 Hongkong dollars, oftewel 80 euro. Tenslotte liep hij ons achterna om te waarschuwen dat we zo nooit iets zouden zien. Voor een euro of twintig, zei hij, konden we desnoods een taxi naar het centrum nemen.
 

Op weg naar het centrum van het oude Macao

 
Hadden we wel juist gehandeld? Buiten was het druk. De mensen stapten de gereed staande bussen in om zich te laten vervoeren naar een speciale wijk waar het ene gokhuis naast het andere gebouwd was. In Macao werd meer gegokt, vergokt, dan in Las Vegas stond in ons reisboekje afgedrukt. In het havengebied zagen we werkelijk overal gokpaleizen, althans de buitenkant ervan. Er was een hoge kale rots die bij de ‘wharf’ in zee uitstak. Terwijl we er rondliepen passeerden we in open lucht-theater dat nagebouwd was alsof we nog in de Griekse oudheid leefden.     
   Na een tijdje werd duidelijk: in het voor ons onbekende gebied liepen we niet in de richting van hetgeen we wilden zien deze dag. Een jongeman, die we aanhielden, bevestigde dat. Hij adviseerde een taxi aan te houden en ons te laten afzetten bij het Portugese fort. Bussen gingen er vanaf deze plaats niet heen. Je kon, vertelde hij, met Hongkong dollars betalen. Je moest er echter niet op rekenen dat je wisselgeld terug kreeg. De inwoners van Macao hadden hun eigen munt, de pataca.
   Bij een bushalte stelden we ons langs de drukke weg op. Steeds hielden we de hand omhoog als er een taxi zichtbaar was. Maar die zaten steeds helemaal vol en reden in volle vaart door. Het duurde even voor een chauffeur halt hield. We vertelden hem waar we heel wilden. Dat was geen probleem. Hij keerde en pakte een weg omhoog. Evenals in Hongkong reed het verkeer hier links. Na een minuut of tien stapten we uit op de plek waar we wilden zijn. De kosten: een paar euro. Dat was een ander bedrag dan ons voorgeschoteld was.
 


Jezuit met zwaard boven de ingang van het fort

 
Boven de poort omhoog naar het fort was een stenen versiering. Een geestelijke had een zwaard in zijn rechterhand. Er waren engeltjes, een kruis en de vermelding: ‘Anno Dei 1626’. Bezoekers konden op een bord in het Engels lezen dat het fort door de Jezuieten (!) gebouwd was in de jaren 1617-1626. In 1622 hadden de bewoners van het fort een ‘Nederlandse invasie’ met succes afgeslagen. We bevonden ons even in het tijdperk van Jan Pieterszoon Coen (1587-1629), de dagen van wat premier Balkenende de ‘VOC-mentaliteit’ noemde.
   Er waren militaire barakken, een wapenarsenaal en bronnen met vers water. De troepen hadden maar liefst 32 kanonnen beschikbaar om eventuele aanvallers twee jaar lang tegen te houden. Die aanvallers waren géén Chinezen, las ik. “There are no weapons facing mainland China, indicating that the fortress was only built for defence against attacks from the sea”.
   Boven op het hoogste punt stond nog steeds een aantal kanonnen opgesteld. Of de lopen daarmee de zee bereiken konden was niet meer te zien. Het terrein om het fort was helemaal volgebouwd. Als je het zo beschouwde waren de kanonnen nu dus wel op de Chinezen gericht.
 


De Paulus-Kathedraal gezien vanaf het fort

 
Als je vanaf Forte Monte naar beneden keek zag je het overblijfsel van een grote kerk, de Paulus-kathedraal. Zoals Paulus, een van de vroege ‘apostelen’, in de eerste eeuw vanuit het ‘heilige land’ naar Europa was getrokken om Rome en de rest van Europa voor het ware geloof te winnen, zo trokken de bekeerde Portugezen 1500 jaar later naar het verre oosten om op hun beurt China voor het katholicisme te interesseren.
   Vooral de Jezuieten speelden een interessante rol. De missie op deze plek draagt met name de naam van Matteo Ricci. Tijdens ons verblijf schaften we een nieuw boek van Mary Laven aan. De titel was veelzeggend: ‘Mission to China. Matteo Ricci and the Jesuit encounter with the East’. Ricci vereenzelfde de historica dus met de missie in China. Die namen hoorden onverbrekelijk bij elkaar.
   Matteo Ricci was geboren in 1552, in het jaar dus dat Franciscus Xaverius in deze streken kwam te overlijden. Dertig jaar later in 1582, werd pater Ricci door de Jezuieten naar Macao gestuurd om het werk van zijn voorganger over te nemen: China bekeren. Xaverius was het land niet eens binnengekomen. Hetzelfde gold voor de Portugese kooplieden die op het stukje rots op de kust van China mochten verblijven. In Macao was een poort en daar mocht je als westerling niet doorheen.
   Ricci luisterde goed naar hetgeen eerdere Jezuieten als Valignano en Ruggieri al beseften. Als je iets in China wilde bereiken moest je zelf een soort Chinees worden. Een betere Chinees dan de andere Chinezen. Je moest de taal, met al die tienduizenden ‘karakters’ (lettergrepen)  bijvoorbeeld beter kennen dan de knapste Chinese geletterden. En dan proberen ‘vriend’ te worden van die mensen. Ricci slaagde met zijn aanpak. Door zich op de juiste manier op te stellen lukte het hem tot in Peking door te dringen. De katholieke missie in China had een begin.
   Wat zouden de Chinezen nu van deze activiteiten van weleer vinden?
   Die vraag werd ter plekke beantwoord. Op 7 augustus 2010, vierhonderd jaar na zijn dood en op de zelfde dag dat hij in Macao gearriveerd was, was er een meer dan levensgroot bronzen beeld van Ricci bij de restanten van de Paulus-kerk onthuld. Het was georganiseerd (en betaald?) door de ‘Macao Special Administrative Region Civic en Municipal Affairs Bureau’, met medewerking van de sociëteit van Jezus, de Jezuieten dus. Ricci werd bij deze gelegenheid aangeduid als de prominente ambassadeur van de Chinees-westerse cultuur. Dat was op een bord bij het bronzen beeld in diverse talen uitgebreid te lezen. “His profound knowledge of natural science and the humanities enabled him to develop friendships with numerous literati, scholar bureaucrats and officials in China. During his stay in China he composed ‘The True Meaning of the Lord of Heaven’ and jointly translated the Elements with several scholars, in addition to translating the Four Books and Five Classics into Latin and introducing Confucianism to Europe”.
   De Chinezen draaiden het dus ook een beetje om. Ricci bracht het Chinese gedachtengoed naar Europa. “He opened a gateway for the spread of Eastern knowledge in the West’. Maar ze voegden er toch nog aan toe: “Ricci was de eerste persoon die westerse kennis in het oosten introduceerde”.
 


Monument voor Ricci

 
Van de Paulus-kathedraal stond alleen de voorgevel nog overeind. De rest van het gebouw was in 1830 door een tyfoon verwoest op deze hoge plek in Macao. Op oude tekeningen (van George Chinnery, 1834-1835) kon je er zien hoe de kerk in een ruïne veranderd was. Als ze er niet tijdig wat aan gedaan hadden was zelfs van de losse voorgevel niets overgebleven. In de negentiende en twintigste eeeuw nam blijkbaar niemand meer de moeite, of er was geen geld beschikbaar, om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Dat gebeurde pas aan het einde van de twintigste eeuw. Zodoende bleef de voorgevel in elk geval behouden, al was het maar als toeristische attractie. De vlakte erachter, de vroegere binnenkant van de kerk, was ‘leeg’ gehouden. Wat losse stenen wezen op voormalige kapelletjes. Eén ervan was opgedragen aan de eerder omgekomen Franciscus Xaverius.
   Van beneden bereikte je de kathedraal via een soort ‘Spaanse trappen’ (zoals in Rome bij de Trevi-fontein). Op de gevel zag je een Portugees zeilschip, Maria (mater dei, moeder gods) omgeven door engelen met muziekinstrumenten, duivels (draken) en de dood, en links en rechts van de (voormalige) ingang het logo van de Jezuieten (IHS, Jezus).   
 

Camoes

 
In Macao waren niet alleen diverse katholieke kerken te zien maar ook ‘heidense’ Chinese tempels. De stad zelf was vernoemd naar de godin Ama, vandaar Amacao of Macao. Als het aan de Portugezen gelegen had zou de naam veranderd zijn in ‘Stad van God’.
   We liepen langs zo’n tempel naar de Sint Antonius-kerk (uit 1632) die in de steigers (van bamboe) stond. Binnen verwelkomde een vrouw ons hartelijk. Ze was blij met elke bezoeker. Een man speelde op het orgel aan de zijkant. In de kerk stonden beelden opgesteld, onder anderen van een man met een staf, de heilige Jacobus van Santiago de Compostela? Maar zonder schelp. De kerk was twee keer door brand vernield, en weer opgebouwd aldus een gedenksteen bij de ingang. Behalve de eenvoudige kruisweg hingen er nog tal van afbeeldingen uit het leven van Jezus Christus, die een paar duizend jaar eerder op vele duizenden kilometers afstand een jaar of dertig geleefd had.
   In het verlengde van de Antoniusweg (de straten werden in Macao nog met Portugese namen aangegeven) kwamen we in een park ter ere van de Portugese Homerus, Camoes (1524-1580), die schreef over de roemrijke heldendaden van de Portugese ontdekkingsreizigers.
   In NRC Handelsblad van 19 december 1997 bracht Harrie Lemmens zijn bewondering voor Camoes onder woorden met: “In 1498 bereikte de Portugese zeevaarder Vasco da Gama India via Kaap de Goede Hoop. Dit historische wapenfeit was driekwart eeuw later het onderwerp van een groots epos van de dichter Luis de Ca­moes, hét klassieke boek uit de Portugese literatuur: Os Lusiadas, de Lusiaden. In tien magistrale zangen verhaalde Camoes hoe de koene ontdekkingsreizigers na veel ontberingen hun doel bereikten dankzij de helpende hand van de goden, die de Lusitaniërs, oftwel de Portu­gezen, een warm hart toedroegen”.
   De verhalen over Camoes zijn legio. Hij zou zijn grote werk in een grot in Macao geschreven, beter nog: gecomponeerd, hebben. Toen het schip waarop hij terug naar Europa reisde door een storm ten onder ging, zwom hij naar de kust maar liet niet na zijn levenswerk boven water te houden zodat het niet verloren ging. Maar hoe dan ook, de dag waarop hij kwam te overlijden in 1580, 10 juni, is uitgeroepen tot de nationale feestdag van Portugal. De ‘Dia de Camoes’.
   De plek waar Camoes zijn teksten schreef, zou geschreven hebben, was in stand gehouden. De open grot, met daarin zijn hoofd, en in steen gebeitelde illustraties en teksten uit zijn werk, waren ondergebracht in een ruim park. Een korte beschrijving was zelfs in het Chinees vertaald. Oude mannen zater in de schaduw. Iemand die wat minder oud was deed aan gymnastiek in een van de hedendaagse apparaten voor bewegingsoefeningen die er opgesteld stonden.
 


Camoes in 'zijn' grot

 

Robert Morrison

 
In het tijdperk van vóór de Franse Revolutie waren het uitsluitend katholieke missionarissen die naar China trokken om de bewoners van het land duidelijk te maken dat het ware geloof nu eenmaal uit het westen kwam. In de achttiende eeuw waren het vooral Franse paters die zich nadrukkelijk manifesteerden. Toen de Fransen in het napoleontische tijdperk in de slag bij Trafalgar verslagen werden (21 oktober 1805) door de vloot van Horatio Nelson, braken er andere tijden aan. Britse protestanten namen het voortouw.
   Robert Morrison (geb. 1782) van de London Missionary Society was pionier van een nieuwe tijd. Op 4 september 1807 arriveerde hij in China, dat wil zeggen in Macao. De zendeling hoefde niet celibatair te leven en dat deed hij dan ook  niet. Op 20 februari 1809 trouwde hij met Mary Morton, toen 16 jaar oud. Binnen een paar jaar kwamen er drie kinderen. Het oudste (James) overleed al de eerste dag, echtgenote Mary werd in 1821 op 29-jarige leeftijd door cholera geveld.
   De zendeling stond niet bekend om zijn bourgondische karakter. Steeds werd hij gekweld door schuldgevoelens. Maar Morrison verrichtte nuttig werk door zich te verdiepen in de taal en vervolgens de bijbel in het Chinees te vertalen, een werk, een arbeid, van maar liefst vijftien jaar. Daarmee legde hij in zekere zin de basis voor het werk van talloze opvolgers die bijbeltractaten aan potentiële bekeerlingen uitdeelden.
   Eén van hen, een zekere Hong Xiuquan, las wat de westerlingen voor hem op papier gezet hadden. In een droom zag hij zich als de zoon van God, de broer dus van Jezus Christus. Met die zekerheid begon hij een opstand tegen de machthebbers in Peking. Het ging er nog al stevig aan toe bij de Taiping-opstand. Schattingen van het aantal doden komen meestal uit op ongeveer twintig miljoen. Dat is bijna de helft van het totaal aantal slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog waar ook op aarde. Hong probeerde op basis van vertaalde bijbelteksten een Chinees rijk tot stand te brengen met christelijke normen. Zelf riep hij zich tot keizer uit, totdat hij in 1864 ter dood gebracht werd door ‘Peking’.
   De man die er allemaal mee begonnen was, Robert Morrison, overleed in 1834 in Kanton. Zijn stoffelijk overschot, althans zijn graf, vonden we op deze middag van 15 oktober 2012 in het protestants kerkhof van de East India Company in Macao. En niet alleen van hem. Zijn hele familie lag er in afzonderlijke graven. Er was zelfs een aparte grafsteen voor James Morrison, die nog geen dag geleefd had.
   Grafstenen van Nederlanders waren er eveneens te vinden. Zoals: “Ter nagedachtenis van E.W.E. de Vogel, overleden in januari 1857’, ‘Hier rust Jacques Pierot, med. d., geboren te Leiden, overleden te Macao den 16 augustus 1841’ en ‘Ter gedagtenis van den WelEdelen Heer Jean Henry Rabinel, opperhoofd der Nederlandsche factorij, te Canton in China. Gebooren Deventer den 24 Decb 1750, overleeden Macao, den 24 Maart 1816’, om er enkele te noemen. Sommige graven waren recentelijk nog van eretekens voorzien. Het hele kerkhof was netjes bijgehouden.
   Bij het verlaten van het kerkhof en de Morrison-kapel liepen we tegen het Ricci-college aan. Wat zou men daar zeggen van de ‘ketters’ zo dichtbij?     
 

 

Lopen door het centrum

 
Op deze dag hadden we heel wat indrukken te verwerken gekregen. Het werd tijd het wat rustiger aan te doen. Tussen veel Chinese antiekwinkels door liepen we in de richting van wat je het centrum zou kunnen noemen.
   Aan de voet van de ‘Macao-trappen’ was het toeristische middelpunt van de stad. Overal waren kleurige Chinese versieringen aangebracht en lampjes die ’s avonds waarschijnlijk voor een feestelijke verlichting zouden zorgen. In een hoekje van het plein beneden bevond zich een DQ (Dairy Queen-ijswinkel). Een stukje Amerika in het nieuwe China. Ertegenover was het begin van de vernissage van een winkel in sportartikelen (Marathon, een Griekse stad uit de oudheid). Er stonden mannen in tenue klaar met trommels om te gaan dansen. Hapjes werden naar buiten gebracht. Overal hier in de straatjes kon je lange zoete reepjes (met spek?) proeven voor winkels die het verkochten.
   Wat wilden we allemaal nog zien hier in Macao? We moesten de tijd een beetje in de gaten houden. We liepen verder richting waterkant,  het grote plein op waar vroeger het Portugese bestuurscentrum was geweest. Ook hier volop Chinese kleuren. Er was een podium opgesteld waar later wel muziek vandaan zou komen. Een van de kerken, van de Dominicanen, die we nog even binnenliepen, de ‘Igreja de Sao Domingos’ (1587), was onlangs gerestaureerd las ik. Elders moest nog een seminarie zijn en nog veel meer oude kerken. Duidelijk was in elk geval dat vroeger hier katholieke Portugezen het voor het zeggen hadden. Het leek erop dat de huidige overheid dat vanwege het toerisme in stand wilde houden. Die restauratie van de gebouwen wees erop.
 
Hoog boven alles uit was een bloemvormig gebouw (‘groot Lissabon’) dat ik eerder in diverse filmpjes op YouTube gezien had. Hier namen we een taxi terug naar de ferryhaven (3 euro). De laatste Macao-pataca’s werden in M&M’s omgezet. Het ticket naar Hongkong was ’s avonds duurder dan overdag. We zaten nu hoger boven het water en hadden schone ramen. We vertrokken om kwart voor zes. Zeker in de buurt van Macao waren er nogal wat boten. En daarna voeren we weer tussen de eilanden door. Om kwart voor zeven arriveerden we op Hongkong Island. Met de metrotrein lieten we ons terug naar station Lok Fu brengen, en daarna terug naar de hotelkamer op de elfde verdieping.
 
Terug in Nederland besefte ik wat ik allemaal niet gezien had. De ‘poort naar China’, de plekken waar standbeelden van Portugese ‘helden’ gestaan hadden, de tempels van Ama en Lin Fung, waar Lin Zexu op 3 september 1839 met de Europeanen van gedachten wisselde. De afgezant van de keizer probeerde een einde aan de opium-handel te maken. Dat resulteerde in de Opium-oorlog en de Britse bezetting van Hongkong van 1842 tot 1997. In de tempel was zelfs een nieuw museum voor Lin opgezet. En natuurlijk de gokpaleizen, daar waren we helemaal niet aan toegekomen.
   Maar zo moet je er niet tegen aan kijken. Wat heb ik wél gezien, wél beleefd, op deze bijzondere dag, 15 oktober 2012...
 
Harry Knipschild
20 april 2013

Clips
Tempel van A-Ma in Macao, 2011
* Reportage over Macao, 2011
* Portugese reportage over de Portugese Nationale Feestdag in Macao, Dia de Camoes, 10 juni 2012  
* Seminar over de Jezuieten in China, Macao, november 2012
* Modern genieten in Macao, 2012
* Sting in Hongkong, Back to Bass Tour, Fragile, 2 december 2012

Literatuur
H.J. Allard, ‘Het graf van Franciscus Xaverius op het eiland Sancian’, Katholieke Missiën, 1874
J.J. Slauerhoff, Het Verboden Rijk, 1932
Jonathan Spence, God’s Chinese Son. The Taiping Heavenly Kingdom of Hong Xiuquan, Londen 1996
Christina Miu Bing Cheng, ‘On the border gate. Joao Maria Ferreira do Amaral and Vicente Nicolau de Mesquita’, in Review of Culture. Revista de Cultura, Macau 2010
Mary Laven, Mission to China. Matteo Ricci and the Jesuit Encounter with the East, Londen 2011
‘Nine Commentaries on the Communist Party’, Special Edition, The Epoch Times, 2012
‘Macau Temples, Macau 2012