Als je als historicus bezig bent met de voorbereiding van je proefschrift (voor je promotie) word je wel eens nadrukkelijk uitgenodigd om een artikel te schrijven. Meestal is er haast bij. Achteraf blijkt – zo is althans mijn ervaring – dat de redactie er niet zeker van is dat een gerenommeerde wetenschapper het eigen beloofde artikel op tijd zal inleveren en daarom alvast een reserve artikel laat maken.
    Als hij of zij dat alsnog doet word je als ‘beginneling’ medegedeeld dat je artikel niet geplaatst wordt. Een reden (of de werkelijke reden) blijft in vele gevallen uit. Je onderzoek en schrijfwerk is voor niets geweest. Zo leer je hoe de wereld van de wetenschap ‘georganiseerd’ is.
     In 2001 bijvoorbeeld maakte ik dat mee toen ik op instigatie van het tijdschrift BMGN (Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden) een artikel schreef dat gebaseerd was op mijn onderzoek naar het optreden van Herman Daendels in Oost-Indië, het tegenwoordige Indonesië.  
    Onderstaand vind je mijn tekst.
 
Harry Knipschild, 26 oktober 2018
 
 
 1 1 Daendels
 
 
Daendels en zijn Grote Postweg. Een Franse connectie
 
 
1.  De Grote Postweg in 1858
 
 
In 1861 publiceerde James Money, advocaat te Calcutta, in Londen zijn reisverslag Java; or how to manage a colony. Showing a practical solution affecting British India. Het boek maakte grote indruk, met name op Leopold II. Op basis van Java ontwierp de Belgische koning zijn koloniale model. “Java is een onuitputtelijke goudmijn. De kwestie kan dus als volgt worden samengevat: is het voordelig goudmijnen te bezitten?”.[1]
  Nadat Britse troepen in India de ‘Mutiny’ (1857) bedwongen hadden, werd alom druk gediscussieerd over hoe het nu verder moest met die kolonie. Money besloot om samen met zijn zieke vrouw in de zomer van 1858 een reis door Java te maken en daar eens rond te kijken. Hij had gehoord dat het zo’n mooi eiland was, met een aantrekkelijk klimaat, een opera en ‘easy travelling’.
  Toen hij erover wilde lezen kwam hij niet verder dan het toen ruim veertig jaar oude boek van Raffles (History of Java) en De zieke Reisiger (‘Rambles in Java in 1852 by a Bengalian Civilian’), waarin een Britse ambtenaar verslag deed van zijn te korte reis. Ondanks het prachtige landschap en de kwaliteit van het wegennet had deze het eiland voortijdig verlaten, onder meer omdat hij de Hollands-Indische keuken niet had kunnen verdragen.
  Verder navragen, in India en en route in Singapore, gaf Money een negatieve indruk. De regering van Java leek wel een geheim en tiranniek genootschap dat gehaat werd door de plaatselijke bevolking, die niets liever wilde dan het Nederlandse juk verwerpen en (uiteraard) terugkeren naar het vreedzame Engelse bestuur van weleer (1811-1815).
 
Bij aankomst in Batavia kwam Money weldra tot heel andere gedachten. Zijn boek werd uiteindelijk één lofzang op de Nederlandse aanpak. Van het Cultuurstelsel daar konden de Britten heel wat van leren! Money droeg Java dan ook op aan ‘the memory of that great statesman, General Johannes van den Bosch, governor-general and commissary-general of the Dutch East Indies from 1830 to 1834, author of the Java culture system’.
 
In hoofdstuk één gaf hij echter eerst een beschrijving van de manier van reizen en van de wegen. “The main roads through the whole length of the island”, zo schreef hij, “and across it in some places, were originally made, at the beginning of this century, by Marshal Daendels, who had learnt the importance of roads from Napoleon”.
  Reizen over die wegen was niet echt goedkoop maar wél een waar genoegen. Voor 850 gulden had hij in Batavia een koets gekocht, die hij na afloop van zijn verblijf  met vijftig gulden verlies weer van de hand deed. Bij een postkantoor huurde Money zes paarden, eigendom van het gouvernement. Dat kostte hem omstreeks een gulden per kilometer maar daarvoor kreeg hij dan ook alle service van de overheid.
  De residenten zorgden ervoor dat er geen vertraging mogelijk was, zodat Money met zijn gezelschap een snelheid van tien mijl per uur haalde. Elke vijf mijl was er een overdekte overstapplaats, waar nieuwe paarden startklaar stonden. De residenten gaven elkaar berichten door, zodat een paardenwissel niet langer dan een minuut in beslag nam.
  ’s Avonds reisde men met fakkels die zo gehouden werden dat de reizigers er geen enkele last van hadden. Bij rivieren en bergen stonden inlanders klaar om de reizigers te helpen. Op vaste afstanden waren controleposten en uitstekende herbergen, waar bier, wijn en allerlei soorten voedsel verkrijgbaar waren".
 
Money was verbaasd, temeer daar het gouvernement zonder enig probleem bereid was om verlies te lijden op het in stand houden van deze paradijselijke verbindingen, die in zijn beschrijving doen denken aan de romantiek van de eerste autoroutes du soleil.
  Volgens Money waren de ‘Java posting’ en een paar korte spoorlijnen in India de enige beschaafde mogelijkheden om in het Oosten over land te reizen.
  Hij begreep evenwel niet waarom zo’n wegenstelsel nu juist op een smal en lang eiland als Java was aangelegd. Overal zat je betrekkelijk dicht bij zee. Veel van het verkeer tussen de drie hoofdsteden Batavia, Semarang en Soerabaja ging sowieso over zee. Was het niet veel efficiënter geweest om wat wegen naar de kustplaatsen aan te leggen?
 
 
2. Inleiding en verantwoording
 
 
Al tijdens het leven van Herman Willem Daendels (1762-1818) verschenen pamfletten over zijn optreden in Indië. De voormalige gouverneur-generaal (1807-1811) gaf zelf de aanzet door direct na afloop van de Franse tijd (1795-1813) zijn optreden te verheerlijken in het boek Staat der Nederlandsche Oostindische bezittingen onder het bestuur van den gouverneur-generaal Herman Willem Daendels.
  Daendels stond niet bekend om zijn diplomatiek optreden, noch om zijn sympathieke karakter. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de publicatie een groot aantal reacties opriep, vooral van zijn tegenstanders, zoals Nicolaus Engelhard, de door hem afgezette gouverneur van Oost-Java, Johannes van den Bosch, door hem op de boot naar Holland gezet, en Rogier van Polanen, de door hem gedwarsboomde ambassadeur van Lodewijk Napoleon in de Verenigde Staten.
  Voor- en tegenstanders in Nederland polemiseerden de hele negentiende en twintigste eeuw over het bestuur van Daendels. Voorstanders wezen op zijn daadkracht en prestaties, tegenstanders kleineerden die en wezen op de schaduwkanten van zijn handelen. Zo zouden er bij de aanleg van de Grote Postweg duizenden doden gevallen zijn.
  Voor een evenwichtig oordeel over Daendels kan men volgens H.W. van den Doel, in zijn standaardwerk Het Rijk van Insulinde, pas terecht bij Daendels. Maarschalk van Holland (1963) van Paul van ‘t Veer.[2] Maar Van ’t Veer was journalist, géén historicus. Hij verantwoordde nauwelijks hoe hij tot zijn bevindingen gekomen was.
 
Daendels was gouverneur-generaal in de Franse Tijd. Niet vreemd dus dat ook de Fransen over hem gepubliceerd hebben. In 1972 schreef Joël Eymeret het artikel ‘Les archives françaises au service des études indonésiennes: Java sous Daendels’ en een jaar later: ‘L’administration napoléonienne en Indonésie’. Eymeret heeft tevens bijgedragen aan de lijvige Dictionnaire Napoléon (1987).
  Andere Franstalige historici die over Daendels geschreven hebben zijn Octave Collet en Henri Prentout. In 1890 promoveerde Isidore Mendels in Leiden op een proefschrift over het optreden van Daendels vóór zijn benoeming tot gouverneur-general van Indië, waarbij hij zich met name baseerde op Franse bronnen.
 
Terwijl de Nederlandse historici zich twee eeuwen lang vooral druk gemaakt hebben over de conflicten van Daendels met zijn landgenoten, plaatsen de Franse historici hem als Frans georiënteerd generaal in de context van de grote Frans-Engelse machtsstrijd in de achttiende en begin negentiende eeuw.
  Zoals wij in Nederland de Engelsman Geoffrey Parker in zekere zin nodig hadden om de Nederlandse Opstand (1568-1648) in een breed Europees kader te zien, zo wordt het misschien tijd om Daendels ook eens vanuit een andere invalshoek te beoordelen.
  Met die gedachten heb ik onder meer het Daendels Archief, en andere contemporaine (uitgegeven) bronnen, bestudeerd. Bovendien heb ik onderzoek gedaan in de Archives Nationales in Parijs en in Caen, Normandië, waar zich de Papiers Decaen bevinden, de nagelaten documenten van Charles Decaen, die door Napoleon (Eerste Consul Bonaparte) op 1 januari 1803 uitgezonden werd als kapitein-generaal van Frans-Indië.
  In dit licht kunnen we ons nu afvragen hoe Daendels gehandeld heeft bij de aanleg van ‘zijn’ Grote Postweg.
 
 
3. Daendels en de Franse bemoeienis met Nederland; tot de komst van Louis Bonaparte
 
 
Frankrijk en Engeland waren in de tweede helft van de achttiende eeuw met elkaar in conflict om de macht in Europa en daarbuiten. In de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) verloren de Fransen hun Amerikaanse kolonie Québec aan de Engelsen. Na het uitroepen van de Amerikaanse onafhankelijkheid, op 4 juli 1776, stelde Parijs zich tegen Londen op.
  Lafayette stak in 1777 over naar Amerika en vocht samen met George Washington tegen de Engelse vijand. Het kwam de Fransen zeker niet slecht uit dat er in de Republiek na de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) een patriottische beweging ontstond die zich afzette tegen stadhouder Willem V en zijn Engelse sympathieën.
  De patriotten wisten zich door Parijs gesteund. Zij waren er dan ook van overtuigd dat zij konden rekenen op Franse militaire assistentie na het incident bij Goejanverwellesluis (1787), waarbij Wilhelmina, de Pruisische echtgenote van de stadhouder, werd verhinderd Den Haag te bereiken. Het pakte echter anders uit. De Franse staat was niet meer bij machte daadwerkelijk op te treden toen een Pruisisch leger, door Londen betaald, de Republiek binnenviel en de patriotten verjoeg.
  De onmacht van Frankrijk droeg er toe bij dat het vertrouwen in de Franse staat ondermijnd werd. Twee jaar later brak daar de revolutie uit.
  Veel patriotten vluchtten naar het noorden van Frankrijk. Eén van hun leiders, de hoogleraar Johan Valckenaer, slaagde erin Lodewijk XVI te overtuigen dat hij en zijn landgenoten recht hadden op een uitkering om in hun levensonderhoud te voorzien. Zo kregen ze in Watten, bij St. Omer, een oud jezuietenklooster toegewezen, waar een groep van hen als een soort hippie-kolonie in leven bleef.
 
Herman Willem Daendels, geboren in Hattem (1762) en in Harderwijk afgestudeerd als meester in de rechten, bracht, 25 jaar oud, met zijn 19-jarige bruid Aleida de wittebroodsweken in Watten door. Hij had zich in Hattem en later Duivendrecht onderscheiden door campagne te voeren tegen Willem V en de binnenvallende Pruisische troepen. In Frankrijk maakte hij nu snel carrière door eerst allerlei bedrijfjes op te zetten. Hij handelde in wapens en handelde juist door na 1789 in Franse krijgsdienst te treden.
 
Het revolutionaire Frankrijk had voor zijn verdediging soldaten nodig, veel soldaten, zonder aanziens des persoon. Zo werd Lazare Hoche (1768-1797), de zoon van een stalknecht, al snel generaal, een loopbaanontwikkeling die een paar jaar eerder volstrekt ondenkbaar geweest zou zijn. Begin jaren negentig wist het ‘nieuwe’ Frankrijk de binnenvallende buitenlandse troepen te verslaan en zette daarna zelf een Grande Armée op, waarmee het achtereenvolgens de Oostenrijkse Nederlanden (België) en generaliteitssteden als Maastricht, Venlo en Den Bosch onder de voet liep en de zuidelijke Nederlanden omzette in Franse provincies.
  Tijdens die veroveringstocht van het Noorderleger onder Pichegru werd ‘citoyen’ Daendels op 30 december 1794 (10 nivôse, l’an troisième de la République française) benoemd tot Frans brigadegeneraal.[3] Daendels wist uit ervaring wat de gevolgen zouden zijn van de ‘bevrijding’ van Nederland door de Fransen. Daarom riep hij in Den Bosch op dat de Nederlanders zich zélf zouden bevrijden:
  “Ontwaakt […]. De tijd is gekomen, dat wij ons zelf moeten verlossen van de slavernij, waaronder het land […] gezucht heeft. Schroomt niet de wapenen op te vatten en u te ontdoen van uwe drosten, hoofdschouten, richters, ambtsjonkers, schouten, collecteurs, pachters en andere beulen en bloedzuigers. […] Ik zal in korte dagen mij bij u voegen. […] Groeten en broederschap! Lang leve de vrijheid!”[4]
  Maar vergeefs. Het waren Franse troepen, waaronder de nieuwe ‘général de brigade’, die in de eerste weken van januari 1795 Willem V en de Engelse ‘bezettingstroepen’ richting Londen verdreven.
 
Nederland was binnen de Franse invloedssfeer beland. Zo sloot de nieuwe Bataafse Republiek bij het Haags Verdrag (16 mei 1795) ‘voor altijd’ een alliantie tegen Engeland en had met Frankrijk ‘in eeuwigheid’ vrede, vriendschap en goede verstandhouding. De Bataafse troepen stonden voortaan onder Frans opperbevel, en een Frans bezettingsleger werd door de Bataafse Republiek onderhouden.[5] De Franse onderhandelaars slaagden er bovendien in om met een bedrag van honderd miljoen gulden naar Parijs terug te keren.
  De Nederlandse politiek werd steeds meer een verlengstuk van wat zich enkele honderden kilometers zuidelijker afspeelde. Een nieuwe ontwikkeling in Parijs werkte weldra door in Den Haag.
 
Daendels, teruggekeerd in Nederlandse krijgsdienst en benoemd tot luitenant-generaal, rapporteerde rechtstreeks aan het Franse opperbevel. Met zijn Franse militaire achtergrond beschikte hij over een uitstekend Frans ‘netwerk’.
  Via Rouget de Lisle, een broer van de componist van de Marseillaise, legde Daendels kontakten met Talleyrand, de invloedrijke minister van Buitenlandse Zaken. Ook Fouché, de latere minister van Binnenlandse Veiligheid, wist hij voor zich te winnen toen die als ambassadeur in Den Haag fungeerde.
  In 1798 pleegde Daendels, in nauw overleg met zijn Franse achterban, maar liefst twéé staatsgrepen, op 22 januari én 12 juni, iets wat voor hem en na hem niemand in ons land ‘presteerde’. Op 14 juni vroeg hij Rouget de Lisle om aan Talleyrand te melden dat de ‘vreugde en tevredenheid algemeen is; overal heerst grote orde, [bijna] nergens is er een spoor van revolutie’.[6] De pax daendeliensis.
  Een jaar later stond hij klaar om met een grote Bataafse vloot op te rukken naar Java, maar de Fransen hadden hem nodig bij de verdediging tegen een mogelijke Engelse inval, die inderdaad plaatsvond in het najaar. Daendels was het die de eerste klappen in de kop van Noord-Holland moest opvangen.
 
Eind 1799 kwam Napoleon Bonaparte aan de macht. Met de vrede van Amiens (1802) bereikte hij een rustpauze in de oorlog met de Engelsen. Daendels was voor het moment overbodig en werd met pensioen gestuurd. Met de Bataafse zelfstandigheid was het nu vrijwel afgelopen.
  In 1803 liet de Eerste Consul aan vertegenwoordigers van het Staatsbewind nog weten dat ‘hun lot even hecht met dat van Frankrijk verbonden was als een satelliet aan zijn planeet’.[7] Als keizer liet hij Nederland in 1810 nog eens weten dat hij het gebied in bezit had volgens ‘het meest heilige recht, dat van de verovering’.[8]
  De oproep van Daendels vanuit Den Bosch in 1794 aan zijn landgenoten om zich toch vooral zelf te bevrijden en dat niet aan de Fransen over te laten getuigt in dit licht van een vooruitziende blik.
 
  1. 4. De Franse invloed in Indië
 
 
In de tweede helft van de achttiende eeuw wierp Frankrijk begerige blikken naar de specerij-eilanden. In 1760 vestigde een expeditie onder leiding van Charles Déodate op de westkust van Sumatra de ‘Forts et Etablissements français’.[9] Tijdens de Vierde Engelse Oorlog beschermde de Franse vice-admiraal P.A. de Suffren de Nederlandse koloniën in Zuid-Afrika en Ceylon en hij wist de Engelse marine uit Indië te weren.[10] In 1782 overwinterde hij in Atjeh.
  Op 9 augustus 1795 kwam in de haven van Batavia het bericht binnen dat de Fransen nu de bondgenoten en de Engelsen de vijanden waren.[11] Maar Willem V, opperbevelhebber van leger en marine, had eerder dat jaar in Londen de Kew Verklaring getekend waarbij hij de Britten machtigde om namens hem op te treden als protector van de Nederlandse gebieden in het verre oosten.
  Een grote Britse vloot rukte onmiddellijk uit en verraste met wapens en de verklaring van de stadhouder de bestuurders van Zuid-Afrika, Ceylon, Malakka, Padang, Ambon en Banda. In feite was de macht van de Bataafse Republiek in het oosten plotseling gereduceerd tot niet veel meer dan Java. Bovendien werd Batavia nu bedreigd door de Engelsen.
  Vanaf dat moment stuurde de Raad van het Indië, het bestuurscollege van de VOC op Java, bij voortduring verzoeken om hulp, om schepen, om manschappen.
  Een Bataafs eskader onder Engelbert Lucas voer in 1796 uit om samen met een Franse vloot Zuid-Afrika te ontzetten, maar werd door de Engelsen ingerekend.[12] Een vloot onder leiding van Daendels in 1798/99 kreeg van de Fransen geen toestemming om naar het oosten te vertrekken.[13]
  Op Java was een acuut tekort aan Europese soldaten. Dirk van Hogendorp, gouverneur van oostelijk Java, richtte in Soerabaja twee bataljons op met inlanders. Later begon men duizenden Chinezen, Madoerezen en zelfs slaven onder te wapens te roepen. Mede als gevolg van ziekte en sterfte werd het Europese aandeel in de verdediging steeds geringer.[14] Bovendien, waarom zou men op Java loyaal zijn aan de Fransen met hun nieuwerwetse ideeën?
 
De Fransen riepen in 1789 een nieuwe samenleving uit van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Ze maakten een einde aan de oude standenmaatschappij, niet alleen in Frankrijk, maar ook in de koloniën. Gold dat ook voor de slaven?
  In oktober 1790 brak op het rijke Franse koffie-eiland Santo Domingo een opstand uit onder leiding van Toussaint l’Ouverture, een voormalige slaaf die in het Franse leger gevochten had. Dit resulteerde in 1794 in een vrije ‘zwarte staat’ en dat was meteen het einde van de Franse hegemonie in de koffiecultuur.[15]
  Het is begrijpelijk dat de Europeanen in andere kolonies de ontwikkelingen met enige afschuw volgden. Het Franse Directoire stuurde in 1796 twee agenten en een vloot naar het eiland Mauritius (in die tijd: Isle de France) in de Indische Oceaan, om daar de nieuwe orde af te dwingen. Maar de kolonisten, bang voor Santo-Dominicaanse toestanden, wisten de troepen in de kazernes te houden en de agenten naar Parijs terug te sturen.[16]
 
Dirk van Hogendorp wilde de Molukken, met hun specerijen, heroveren. Toen er maar geen hulp uit Nederland kwam opdagen, herinnerde hij zich de militaire actie van Suffren en vroeg Isle de France om hulp.[17]
  De koloniale machthebbers hadden nu een mooie gelegenheid om van de daar gelegerde soldaten af te komen. En zo arriveerde op Java het twaalfde Franse bataljon onder leiding van J.G. Gosson. Deze speelde in die jaren zo’n belangrijke rol, dat hij zelfs werd opgenomen in de Raad van Indië.[18] Gosson was betrokken bij de verijdeling van een coup van de Bataafse commissaris Nordman[19] en droeg bij aan de verdediging van Batavia toen een Engels eskader onder leiding van kapitein-ter-zee Henry Ball daar in 1800 opdook en de eilandjes voor de kust vernielde.
  Maar aan het einde van de achttiende eeuw werd Java nog niet écht bedreigd. Dat was voornamelijk te danken aan het optreden van Napoleon in de Middellandse Zee en Egypte, waardoor de Britse eskaders in Azië naar hun thuisbasis werden teruggeroepen.[20]
 
 
5. De bemoeienis van Napoléon en Louis Bonaparte met Azië
 
 
Eind 1799 pleegde generaal Napoléon Bonaparte een succesvolle coup. Hij werd Eerste Consul en vervolgens consul voor het leven. In maart 1802 sloot hij met de Engelsen de vrede van Amiens, waarbij de Bataafse Republiek zuidelijk Afrika en de Molukken terugkreeg. De Fransen dwongen bij de Republiek echter het definitieve opgeven van Ceylon af.
  Bonaparte had belangstelling voor het verre oosten. Zo benoemde hij Denis Decrès, een man met een grote staat van verdienste tijdens het ‘ancien régime’, tot minister van Marine én Koloniën. Voor de zaken in Azië had hij zijn oog laten vallen op Charles Decaen, een veteraan van het Rijnleger. Op 1 januari 1803 stelde hij Decaen aan als kapitein-generaal van de ‘Franse bezittingen in Indië’.
 
In zijn aanstellingsbrief erkende Bonaparte de beperkingen van de Franse zeemacht. “Pour nourrir la guerre des Indes, pendant plusieurs campagnes, il faut raisonner dans l’hypothèse que nous ne servions pas maîtres de la mer”. Al heel kort na de vrede van Amiens verklaarde hij: “Les Anglais sont les tyrans des Indes”.
  De Eerste Consul gaf Decaen opdracht zich voorzichtig op te stellen, hem op de hoogte te houden van de ontwikkelingen en vriendschappen te sluiten met de ‘peuples ou les princes qui supportent avec les plus d’impatience le joug de la compagnie angloise’.
  Decaen moest zich verschansen op een versterkte plek en niet vergeten zich verzekerd te weten van de Hollanders. “On ne conçoit par aujourd’hui que nous puissions avoir la guerre avec l’Angleterre, sans y entrainer la Hollande. Un des premier sois du capitaine général sera d’assurer de la situation des établissements hollandais […] et des ressources qu’ils pourraient offrir”.[21]
 
Decaen bereikte Isle de France, nam de macht over en begon zijn opdrachten uit te voeren. Het dikke brievenboek dat hij bijhield begint op 7 oktober 1803 met de beschrijving van zijn eerste actie: een nieuwe expeditie naar Java, weer onder leiding van Gosson, maar met de kennelijke bedoeling om op basis van het Haags Verdrag ook op Java de touwtjes in handen te nemen.[22]
  Bij aankomst was er geen directe Britse bedreiging en toen Gosson op blufferige toon liet weten dat hij door Bonaparte persoonlijk gestuurd was maar dat niet kon aantonen, was hij niet meer welkom.
  Toch kwam er nog een compromis tot stand.[23] Het twaalfde bataljon bleef gelegerd in Batavia en zo kon landsarchivaris J.A. van der Chijs later melding maken van ‘eene curiositeit op staatsrechterlijk gebied’: Jauffret, commandant van het Franse batallion, legde op 27 december 1804 in opdracht van Decaen, ‘capitain-generaal der Fransche bezittingen beoosten Cabo de Goede Hoop’, en in het bijzijn van twee leden van de Hoge Regering van Indië, de eed van gehoorzaamheid aan de Franse Constitutie en trouw aan de nieuwe Keizer af.[24]
 
In datzelfde jaar, 1804, richtte Napoleon de blik op het buitenland. Op 27 april vroeg hij aan generaal Marmont, zijn adviseur in de Bataafse Republiek, wie daar te vertrouwen was.
  Op 18 juli (29 messidor, jaar 12) liet hij minister Talleyrand een brief aan de uitgerangeerde Daendels sturen en maakte hem lid van het Légion d’honneur.
  “Sa Majesté impériale desirant vous donner un témoignage de ses sentimens pour vous, en vous envoyant le grand Aigle de la légion d’honneur. […]
  En composant une légion où Sa Majesté impériale s’est réservé l’avantage d’admettre des étrangers, elle s’est plue à jetter les yeux sur les personnes qui comme vous, Monsieur, appartiennent à cette institution par d’honorables services rendus à leur pays, et par l’estime qu’elles ont particulièrement inspirée à Sa Majesté”.[25]
  Daendels was begonnen aan zijn comeback in Franse dienst.
 
Het volgende jaar, 1805, was cruciaal in de Frans-Engelse oorlog. De Grande Armée had zich te land goed ontwikkeld. Al in 1772 had Guibert het Essai général de tactique geschreven voor een leger dat zich over land, niet over water, verplaatste. Oude Romeinse wegen werden hersteld en uitgebreid. In 1795 waren de Fransen Holland niet over water binnengevallen, maar staken de bevroren rivieren over. Napoleon bouwde dit systeem verder uit. Op 2 december 1805 haalde hij zijn grote landoverwinning bij Austerlitz.
  Maar eerder, op 21 oktober, werd de Franse marine vernietigend verslagen bij Trafalgar. Frankrijk werd een uitgesproken landmacht die door middel van het Continentaal Stelsel aan economische oorlogvoering deed. In januari 1806 werd Zuid-Afrika voor de tweede keer door de Engelsen veroverd.
  Het eiland Java, waar na de slavenopstand op Haiti een rijke koffiecultuur op gang was gebracht, lag open voor de Britse suprematie ter zee. In feite bestond de Frans-Indische marine nu nog maar uit drie grote schepen, die vanuit Isle de France opereerden in een gebied dat zich uitstrekte van Kaap de Goede Hoop in het westen tot Mexico in het oosten: Linois op de Marengo, Motard op de Sémillante en Bourayne op de Cannonière.[26] Kapers als de gebroeders Robert en Nicholas Surcouf waren een welkome aanvulling.[27]
  Nederland stuurde een vloot onder vice-admiraal Hartsinck.[28]
 
In het voorjaar van 1806 zette Napoleon Schimmelpenninck aan de kant en gaf Nederland als het koninkrijk Holland aan zijn jongere broer Louis (Lodewijk). Meteen al na zijn aanstelling vermaande hij hem al om de strijdkrachten te land en ter zee in stand te houden en de koloniën niet te verliezen.
  Lodewijk reageerde per ommegaande op 1 juli: “J’ai commencé, à l’égard des colonies, par expedier un ordre de confirmation au gouverneur de Batavia. […]
  J’ai pris connaissance de l’état de ceux possessions aux deux Indes. Elles ne me paraissent pas dans dans une sureté parfaite si la guerre doit continuer. […] L’escadre [van Hartsinck] qui est aux Indes Orientales est dans un état d’épuisement. […] J’enverrais alors à Batavia un bon officier de terre”.[29]
  Het moet een typisch Franse manier van denken geweest zijn om in deze situatie aan een officier van de landmacht te denken. Lodewijk Napoleon, zoals Louis Bonaparte bekend werd, benoemde Paulus van der Heim tot minister van Koophandel (later Marine) en Koloniën.
 
Op 15 augustus 1806 schreef Napoleon weer aan zijn broertje: “Je crois que vous n'avez pas de conscription en Hollande. Vous avez besoin de troupes pour vos colonies et pour le continent”.[30]
  Waarnemend gouverneur-generaal van Indië, Albert Wiese, klaagde dat de ‘form der Regeering, geschikt voor voorige gelukkiger en vreedzame tijden, in de tegenswoordige noodlottige omstandigheid van zaken niet zodanig is, dat eenheid in de oogmerken en daden der Regeering daarvan kon worden verwagt. Langwijlige deliberatiën, tot over de minste aangelegenheden, en van welken den uitslag afhangt van een wisselvallige meerderheid van stemmen, […] verlammen [het] bestuur”.[31]
  Kortom, volgens de gouverneur-generaal, was er behoefte aan een sterke man, die knopen mocht en zou doorhakken.
 
Franse spionnen waren met Louis Bonaparte naar Holland gereisd. Over generaal Daendels rapporteerden ze: “C’est un homme qui a des talens, de l’acquis en matière d’agriculture, du courage à toute épreuve. Il est l’ennemi des Anglomanes; et s’il est arrivé à mettre pied à terre à Batavia, les Anglais n'auront jamais cette colonie”.[32]
  Als híj voet aan land zet in Batavia zullen de Engelsen die kolonie nooit in handen krijgen…
 
 
6. Daendels als maarschalk op weg naar Indië
 
 
In het eerste jaar van zijn bestuur over Holland (1806-1810) was Lodewijk Napoleon nogal ingenomen met Herman Willem Daendels. Al op 16 juli benoemde hij hem tot Staadsraad in buitengewone dienst (sectie oorlog). In het najaar nam hij hem mee om in Duitsland strijd te leveren tegen Pruisische troepen. Na de verovering van Westfalen annexeerde de koning het gebied voor Holland  en daarvan werd Daendels op 8 november de gouverneur-generaal. Dat was zijn allereerste civiele functie.
  Begin 1807 werkte Lodewijk een nieuwe bestuursstructuur uit. Als tegenhanger van het Légion d’honneur stelde hij de Orde van Verdienste in, waarbij hij Daendels als drager van het Grand-Croix indeelde in de hoogste klasse. Op 18 januari benoemde hij hem eerst nog tot kolonel-generaal van de cavallerie, maar tien dagen later, op 28 januari, maakte hij hem tot  ‘gouverneur général des grandes Indes’.[33] En op 17 februari, kort voor zijn vertrek naar Batavia, mocht Daendels zich zelfs maarschalk van Holland noemen.
 
Uit de instructies die Daendels meekreeg is duidelijk dat hij vooral met een militaire opdracht naar Indië gestuurd werd. Vóór 1806 was het militairen verboden om lid te zijn van de Raad van Indië, terwijl maarschalk Daendels zélf een militair was. Een tamelijk korte instructie gaf hem bevoegdheden die geen enkele gouverneur-generaal vóór hem en na hem ooit gehad heeft. Zo mocht alleen hij bepalen wat in de Raad van Indië besproken werd, alleen hij bepaalde bovendien wie leden van die Raad mochten zijn. En tot slot kreeg hij volmacht om desnoods zijn instructies te overschrijden.[34]
  Lodewijk Napoleon stuurde hem in feite als alleenheerser naar Batavia. Aan zijn broer, de Keizer der Fransen, rapporteerde hij op 22 februari 1807 over Batavia: “J’y ai envoyé le général Daendels avec de bonnes instructions”.[35]
 
De eerste opgave van de pas benoemde gouverneur-generaal was om Batavia te bereiken. Dat was geen eenvoudige zaak. De internationale wateren werden beheerst door de Britten en die lagen op de loer.
  Zo meldde de Franse Moniteur op 9 januari berichten uit Holland dat het schip le Hasard bij Portland door de Engelsen was aangevallen waarbij eenenveertig man verdronken en twee gedood waren. Op 24 januari lazen de Fransen in dezelfde krant dat de vijand le prince Régent van de Portugese bondgenoten op weg naar de haven van Lissabon had opgepakt. En op 8 februari meldde de Moniteur dat het Deense (neutrale) schip la Lisette tijdens de reis van Batavia naar Kopenhagen door Engeland was buitgemaakt.
  Op 27 december 1806 vaardigde Lodewijk Napoleon een decreet uit, waarin hij een einde probeerde te maken aan het deserteren van zeelui op Hollandse schepen. Op 31 maart 1807 schreef de Hollandse minister van Marine, C.A. Verhuell, aan de koning dat hij maatregelen had genomen om desertie van matrozen met alle mogelijke middelen tegen te gaan.[36]
  Blijkbaar was menigeen bang geworden om zich op zee te wagen.
 
In een aantekening die Anton Reinhard Falck, toentertijd afdelingschef van het ministerie van Buitenlandse Zaken, maakte, schreef hij dat er twee vloten voor Daendels gereed lagen, een op Texel, de ander in Hellevoetsluis, maar dat de ‘bestemming gevaarlijk was, omdat zij bekend was’.[37] De vijand was paraat.
  Maar ook in Holland was men begonnen met het aanleggen van landverbindingen. Op 28 augustus 1806 meldde de Moniteur bijvoorbeeld: “Depuis long-tems on désirait voir faciliter la communication par terre de nos deux villes les plus commerçantes, Amsterdam et Rotterdam, avec la Haye, entre lesquelles le sable, d’un côté, et de l’autre le terrein tourbeux, rendaient les chemins presqu’impraticables. Les travaux entrepris à cet effet touchent à leur fin par la construction, en briques, d’un chemin entre La Haye et Harlem”.
 
Daendels ging eind februari in Hellevoetsluis aan boord, maar de volgende dag besloot hij met een klein gezelschap over land naar het zuiden te reizen. Volgens Falck kwamen de orders rechtstreeks van Lodewijk Napoleon.
  Na een oponthoud in de hoofdstad, wellicht mede om zijn Franse netwerk in stand te houden, vertrok hij op 16 april 1807 in zuidelijke richting. Van de Hollandse koning had hij gehoord dat er in Lissabon een schip voor hem klaar lag.
  Slechts acht dagen later, op 24 april, was hij in Bordeaux, op 6 mei in Madrid en nog geen drie weken later, op 26 mei, in de Zuid-Spaanse havenstad Cadiz. Lissabon had hij laten schieten, en terecht, want toen zijn medewerkers met de Orozembo uitvoeren waren zij een makkelijke prooi voor de Engelsen. Op 1 juni was Daendels in Tanger en weldra bevond hij zich op Tenerife voor de kust van Afrika.
  Bij Tanger was Daendels van zijn geld beroofd[38] en aan boord van de Orozembo waren zijn papieren verloren gegaan. Maar één ding is duidelijk: dankzij het Franse continentale wegennet had de gouverneur-generaal van Indië zich snel verplaatst en ongedeerd alle Engelse schepen weten te ontwijken. Dat moet zeker indruk op hem gemaakt hebben.
 
In een van de eerste brieven vanuit Indië aan minister Van der Heim meldde Daendels dat hij niet alleen de vijand had ontweken, maar tevens was ‘ontsnapt aan de gevaren der zee’.[39] Hij voelde zich blijkbaar geen zeeman.
  Maar ongedeerd was de sterke man, die gouverneur-generaal Wiese zo nadrukkelijk nodig vond, op 1 januari 1808 op de westkust van Java geland.  Hij spoedde zich over land razendsnel richting Batavia. Onderweg ontving hij de sultan van Bantam en de daar gelegerde Franse resident DuPuy, en liet de bouw van een fort, waar hij langs kwam, meteen stopzetten. Op een deputatie uit Batavia, die hem onder leiding van Wouter van IJsseldijk tegemoet kwam maakte hij een grote indruk. ‘Vif als buspoeder’,[40] een man van dynamiet, noemde deze hem in een brief.
  In Batavia aangekomen, zette de maarschalk alle zaken zonder dralen naar zijn hand. Hij ontsloeg de opperbevelhebber van de troepen en de gouverneurs van Oost Java en de Molukken. Het thuisfront, de koning van Holland, schreef hij op 9 januari dat men op Java door zijn optreden al een impressie had gekregen van de ‘grandeur et du pouvoir de Sa Majesté l'Empereur Vôtre frère’.[41] En toen hij zich vijf dagen later liet installeren als de nieuwe gouverneur-generaal begon hij zijn toespraak met te wijzen op ‘de roem en luyster van het Fransch keizerlijk geslacht waarvan de straalen zig tot de uiterste grenzen der Oosterlijke waerelddelen uitspreiden’.[42]
  Daendels schafte de VOC op Java af en vestigde een nieuw bestuur, op de Franse leest van die tijd geschoeid.
 
 
7. De Grote Postweg als onderdeel van de verdediging van Java
 
 
Daendels was op een heel bijzonder moment aangekomen. Een paar maanden eerder, in het najaar van 1807, was een Engelse vloot onder commando van Pellew voor de kust van Java verschenen.
  Wiese smeekte Charles Decaen op Isle de France wanhopig om soldaten, Franse officieren maar ook vijf- of zeshonderd creolen, tegen welke prijs ook. Java miste immers de mogelijkheid om zich te verdedigen.
  De Engelsen vielen ongehinderd de havens van Soerabaja en Grissee (op de oostkust) binnen en gingen daar zelfs aan land. Daar lagen de laatste Nederlandse oorlogsschepen, de vloot van Hartsinck.
  De Nederlanders waren graag bereid de Engelsen van proviand te voorzien, als die maar vertrokken. En in ruil voor hun vertrek gaven ze de Britten toestemming om de laatste Hollandse vloot in brand te steken. Op Java waren nu geen Hollandse oorlogsschepen meer!
 
Op 30 december, twéé dagen voor de komst van Daendels, schreef Wiese vanuit Batava aan Charles Decaen op Isle de France: “Courier de Sourabaija, m’apportant l’heureuse nouvelle que les Anglais avaient quitté Grissé […] sans avoir commis d’autres hostilités, que de detruire les deux vaisseaux de guerre et un batiment de la Compagnie, et de plus d’avoir exigé la démolition du fort Sambilangang”.[43]
  Indië lag er nu volledig onbeschermd bij, maar de uitgebluste gouverneur-generaal was verheugd.
 
De verwarring rond het optreden van Pellew en zijn vloot had voor Daendels grote gevolgen. Enerzijds was hij in staat om in de verwarring van het moment, zonder zijn aanstellingspapieren, de macht aan zich te trekken. Maar als gevolg van de vernietiging van de laatste schepen van de vloot was hij nauwelijks in staat om Indië te verdedigen.
  Daendels beschouwde het als zijn belangrijkste taak om de Indische bezittingen te behouden. Zijn brieven aan de koning hadden voornamelijk een militair-strategisch karakter.
  Lodewijk Napoleon stuurde Daendels persoonlijk slechts één brief terug, maar al in de eerste regels bevestigde hij de juistheid van het militaire optreden van de maarschalk: “J’ai fort approuvé toutes vos dispositions miltaires, et je suis bien persuadés que vous justifierez toujours ma confiance en ne perdant point de vue que le but de votre mission est de conserver cette colonie”.[44]
  Indië moest met alle militaire middelen verdedigd worden tegen een Engelse invasie.
 
Een van de eerste structurele problemen waar Daendels mee te maken had was het ontbreken van behoorlijke verbindingswegen. Op 27 april 1808 bekende hij de koning: “J’ai été obligé d’envoyer par mer à Samarang, mon chef d’état major, qui se trouve par là en danger d’être pris par les Anglais”.[45]
  En op 23 november ging hij er nader op in: “A mon arrivée dans cette Isle il n’y existoit des chemins pour les voitures, que dans les environs de la capitale et des Residences qui etoient separées entre eux par des montagnes, forêts et marais, inaccesibles pendant six mois de l’année pour un passanger à cheval”.[46]
  Daendels beloofde Lodewijk dat hij hem op de hoogte zou brengen van de wegen waarmee hij bezig was, het project dat later bekend zou worden als de Grote Postweg.
 
Het vak van wegenbouwer bestond in die tijd nog niet. Daendels maakte gebruik van het al eeuwen bestaande systeem van ‘herendiensten’, onbetaald werk als belasting.
  Een Franse koopman, Jannaud, schreef in 1810 over de grote tegenslagen waar de bouw mee gepaard ging: “On traça des grandes routes sur une étendue d’environ cent cinquante lieues dans l’interieur de Java; lesquelles en beaucoup d’endroits doivent être recom­mencées, tous les ans; parce qu’a chaque mousson d’ouest c’est à dire dans la saison des pluies continuelles qui dure cinq mois.
  Les torrens qui se précipitent des montagnes dégradent entierement les chemins construis à grands fruix”.[47]
  Het was dus opstaan en opnieuw beginnen.
 
Bij Van der Heim diende Daendels een begroting in van 72.000 gulden voor de [hele!] Grote Postweg. Maar de minister, voor een voldongen feit gesteld, was verre van enthousiast. Hij verzocht de maarschalk om de werkzaamheden te ‘temporiseren, totdat een sterk vertier van producten de kassa zal stijven. Het zal mij bijzonder aangenaam zijn dat […] nog iets naamwaardigs kan worden bespaard en dat de instandhouding der wegen geen al te aanmerkelijke kosten zal vereischen’.[48]
 
Behalve het opzetten van de op dat moment enig mogelijk infrastructuur nam Daendels nog diverse andere beslissingen die alle wijzen op militair-strategische belangen. Bij Soerabaja liet hij een fort midden in zee bouwen, tussen Java en Madoera, en hij noemde het, naar zijn koning, Fort Louis. Ook in Bantam, op de zuidwestpunt van Java, begon hij met de bouw van een fort.
  Omdat het aantal blanke, Europese soldaten zeer beperkt was, 2500 man inclusief creolen, waarvan velen wegens ziekte tot niets in staat waren, bouwde hij zijn leger uit met troupes noires, zoals hij ze noemde: ongeveer tienduizend slaven en andere inwoners van de archipel.
  Voor de troepen liet hij een gigantisch exercitieveld aanleggen in Weltevreden, het huidige centrale plein van Jakarta. Hij voerde een ijzeren discipline in met strenge straffen. De Nederlandse officier Eikeboom veroordeelde hij om als gewoon soldaat tussen de troupes noires te dienen, een vernedering die deze ‘afkocht’ door zelfmoord te plegen.
  Een van zijn beste vrienden, voorzover Daendels vrienden had, de Fransman Jean Philippe Filz, die als opperbevelhebber Ambon naar Daendels’ inzicht te gemakkelijk aan de Engelsen prijsgaf, liet hij in het centrum van Batavia executeren te midden van alle aanwezige troepen, meer dan achtduizend soldaten.
 
Om een nieuwe vloot te kunnen bouwen legde hij een speciaal accent op het aanplanten van bossen met jati-bomen, zeer geschikt voor de scheepsbouw. Daarnaast bouwde hij bruggen, kazernes, hospitalen (voor de soldaten), verblijven voor officieren, magazijnen voor wapens en koloniale waren, vooral koffiebonen, de valuta waarmee Daendels zijn oorlogseconomie verwachtte te financieren.
  En ook in bestuurlijke zin zette de maarschalk Java naar zijn hand. Zo ruimde hij het oude Batavia aan zee op en verplaatste dat naar het binnenland. Omdat hij weinig vertrouwen had in de rol van Batavia maakte hij in het oosten, bij Fort Louis, van Soerabaja een nieuwe hoofdstad.
 
In dit kort bestek is het onmogelijk een uitgebreide opsomming te geven van alle maatregelen die Daendels afkondigde. Een aardig beeld geven de Plakkaatboeken (met regeringsbesluiten) die de Indische landsarchivaris Van der Chijs aan het einde van de negentiende eeuw publiceerde. Voor de meeste gouverneurs-generaal van rond 1800 had hij enkele honderden pagina’s nodig, bij Wiese (1805-1808) bijvoorbeeld 370. Voor het eveneens (ruim) driejarige bewind van Daendels (1808-1811) trok Van der Chijs meer dan tweeduizend bladzijden uit, waarbij hij zich nog verontschuldigde dat zijn stukken bij lange na niet compleet waren.[49]
 
 
8. De Grote Postweg in bedrijf
 
 
Ruim elf maanden na zijn aankomst op Java, op 12 november 1808, legde Daendels nog eens uit waarom hij begonnen was met het opbouwen van een infrastructuur op Java.
  In een brief aan minister Van der Heim sprak hij over de ‘relatie tot het nut ’t welk het Gouvernement Generaal daaruit door het etablisseren eener zekerder en meer geregelde correspondentie met al de delen van het eiland zal trekken, en bovenal uit een militair oogpunt, als het eenige middel om, onafhankelijk van het lot der hoofdplaats Batavia, bij eene vijandelijke attaque het behoud der geheele Kolonie te kunnen bewerken’.[50]
  Hij legde uit dat hij bij Semarang, in het middelpunt van het eiland, zijn troepen geconcentreerd had en dat hij vandaar alle bedreigde punten te hulp kon snellen.
  Daendels zag niet alleen gevaar in een potentiële Engelse invasie. Hij had het tevens voorzien op de Javaanse vorsten, die wel begrepen dat de Hollanders aan kracht hadden ingeboet.
  Op het moment dat de maarschalk zijn verslag schreef, was er een onrust uitgebroken in het westen van het eiland. De sultan van Bantam had zich beklaagd over de vele doden die gevallen waren bij de bouw van een fort, waarschijnlijk als gevolg van malaria, en wilde de Hollanders niet langer helpen.
  Daendels stuurde de resident, de Fransman DuPuy, maar die werd in Bantam samen met enkele anderen bij aankomst vermoord.
  Vliegensvlug trok Daendels aan het hoofd van zijn nieuwe troepen over land naar Bantam, verwijderde de vorst letterlijk en figuurlijk van zijn troon en lijfde het gebied in. De aanleg van de nieuwe wegen had zijn nut bewezen en Daendels ging door.
 
In de zomer van 1809 vertelde hij Lodewijk Napoleon vol trots persoonlijke ervaringen: “Les chemins sont achevés à peu de chose près et surpassent beaucoup ceux de la Hollande. J’ai fait trente six lieues par jour, et on peut faire le chemin d’içi à Sourabaya en cinq jours. La diligence marche dejà sur différents points et dans quelques mois la poste et les relais seront établis à l’instar de la France”.[51]
  Uit de woorden van Daendels vallen twee dingen op te merken. Ten eerste dat hij zich spiegelde aan de wegen in Frankrijk en het koninkrijk Holland. Ten tweede dat de wegen uiteraard ook een civiele functie hadden. De burgers van Java profiteerden mee.
 
Infrastructuur betekende trouwens niet alléén vervoer over de weg. Ook het water had zijn aandacht. Eind 1809 meldde hij aan de koning: “D’autres travaux pas moins utiles, comme un canal de Samarang et de Japara jusqu’a Rembang sont commencés […]. Et je projette actuellement un autre canal de Cheribon jusqu’a Batavia, qui serait dans tous les tems, mais principalement en tems de guerre, d’une grande utilité”.[52]
  Bovendien liet hij schepen bouwen van het jati-hout uit de bossen van Java.
 
Al eerder heb ik gewezen op de vele nieuwigheden die Daendels introduceerde. Zo liet hij vanaf januari 1810 een eigen krant uitgeven, de Bataviasche Koloniale Courant, in navolging van de Franse Moniteur. Het eerste nummer begon met de volgende tekst, die ongetwijfeld door hem zelf was geïnspireerd, zo niet geschreven:
   “Heden wordt het twee jaren, dat Zijne Excellentie, de Maar­schalk en Gouverneur Generaal Daendels in deze kolonie kwam. Nimmer werd een Gouvernement aanvaard in ongunstiger en moeie­lijker omstandigheden. De zwaarigheden zelve vuurden den ijver van Z.E. te sterker aan. Waar kreeg immers eene kolonie binnen zoo korten tijd, in weerwil van opgehoopte hinderpaalen, zulke verandering van gedaante?
  Onderneeming en uitvoering gingen met gelijken spoed voort. Het gene te vooren nooit beproefd of gedacht was, zag men daarstellen, het schier onmogelijke gehouden gelukken. De nuttigste inrigtingen komen nog bij aanhoudendheid te voorschijn. Tot een versch bewijs strekke dit beginnend weekblad, en het stuk, welk hier de eerste plaats ontvangt”.
 
Daarna volgde, in tientallen punten, een reglement voor de ‘Grote Postweg’, waarin een zeer groot aantal verordeningen tot in de kleinste details was vastgelegd.
  Zo regelde hij niet alleen de ‘transporteering van post-brieven, de voorspanning voor reizenden en publieke postwagens’ (artikel 1), maar ook alle benoemingen van personen, hun functies, salarissen en verantwoordelijkheden, de lokaties, de herbergen, het wisselen en verzorgen van de paarden enzovoort.
  De postillons, zo had Daendels bepaald, moesten gekleed zijn in een blauw jasje met rode omslag, een rode broek en een witte posthoorn op de linker arm (artikel 18). Voor ’s nachts waren er speciale wegbereiders die met brandende toortsten voorop reden om wilde dieren af te schrikken (artikel 19).
  Veel van de regels die Daendels in 1809 uitdacht, herkennen we in de kleurrijke beschrijving van de Engelsman Money, vijftig jaar later!
 
In de loop van 1810 werd het Daendels duidelijk dat Holland, en dus ook Java, bij het Napoleontische keizerrijk gevoegd zou worden. Mede daarom richtte hij zijn brieven voortaan aan de keizer persoonlijk, en aan Decrès, diens minister van Koloniën.
  Daendels maakte Napoleon duidelijk dat hij bereid was zijn leven te geven voor de verdediging van Java tegen de Engelsen. Ook vertelde hij hem dat hij was opgetreden tegen de sultan van Mataram (Jogjakarta) en hoe hij dat in een paar dagen tijd had kunnen doen:
  “Je me suis rendu dans cette partie de l’isle, il y a quelques jours, avec une division de l’armée, pour rétablir l’ordre dans la cour du Sultan du Mataram: un des princes de cette maison […] s’est déclaré souverain indépendant, menaçant également la puissance des deux cours Javannes et celle du Gouvernement Hollandais”.[53]
 
Napoleon en Decrès besloten echter om Daendels te vervangen door de voormalige gouverneur van zuidelijk Afrika, Jan Willem Janssens. In het voorjaar van 1811 landde een Franse vloot op de oostkust van Java.
  Daendels voelde zich geroepen om nog één keer aan de Fransen te laten weten, waar hij voor gestaan had de afgelopen jaren. Op 22 april schreef hij in zijn Indische ‘memoires’ aan minister Decrès over zijn grande route:
  “Il n’y avait point de grande route dans tout l’isle de Java si n’est aux environs de Batavia et près de quelques Résidences de la côte et il eut été difficile de transporter des troupes, et impossible de transporter de l’artillerie d’une partie de l’isle à l’autre; en deux ans de tems, il a été créé un grand chemin depuis d’Anjer, dans le détroit de la Sonde, jusques près de Banjoewangie; et une poste regulière a été établie: de manière que depuis un an, les diligences et voitures particulières vont de Batavia à Sourabaya, et vice versa, aussi promptement que par la poste en Europe.
  Nous devons à cette route en grande partie, la conservation de cette colonie, si nous avons le bonheur de repousser l’ennemi”.[54]
 
In de laatste maanden van zijn verblijf op Java had Daendels het eiland en zijn soldaten, de troupes noires, in de hoogste staat van paraatheid gebracht. Hij had de discipline tot het maximum opgevoerd, forten gebouwd, de haven van Batavia geblokkeerd. Java stond klaar voor de verwachte Britse invasie. Maar Janssens, de nieuwe gouverneur generaal, draaide de meeste maatregelen van Daendels terug. Toen deze op weg was naar Europa vielen de Engelsen aan. En binnen enkele weken was Frans Indië in Engelse handen. Het tijdperk van Stamford Raffles brak aan.
 
 
9. Conclusie
 
 
In de publikaties die tot op heden over Herman Willem Daendels verschenen zijn is zijn optreden in Indië altijd beoordeeld in Nederlands perspectief. Dat kon soms wel eens positief zijn, vaak ook zeer negatief.
  Maar Nederlandse historici hebben er nauwelijks aandacht aan besteed dat Daendels leefde in de Franse tijd. Ze gingen er volledig aan voorbij dat hetgeen hij in recordtijd op Java tot stand bracht een aanpak was die voor een groot gedeelte uitgelegd kan, en misschien wel moet worden, als een strategie om Indië te behouden voor het Franse imperium en te beschermen tegen een te verwachten Engelse invasie.
  Daendels handelde als een kind van zijn tijd. Hij stelde een Frans georiënteerd centralistisch bestuur in, op militaire leest geschoeid, zoals dat op het kontinent van Europa overal gebeurde. Hij maakte op Java een einde aan het particularisme (de VOC). De staat nam alle touwtjes in handen, en Daendels, maarschalk van Holland en gouverneur-generaal van eerst Hollands en daarna Frans Indië, deelde de lakens uit. Vanwege zijn aanpak is hij wel eens een kleine Napoleon genoemd.
 
Daendels heeft in zijn correspondentie nooit over de Grote Postweg gesproken. Hij sprak soms van de Grande Route of gebruikte vage termen. Hij heeft nooit uitgelegd hoe hij op het idee van de aanleg van dat wegenstelsel gekomen is, maar bij de bestudering wat hij gedaan en geschreven heeft, en wat anderen over hem geschreven hebben, ben ik tot de conclusie gekomen dat hij op basis van zijn Europese ervaringen onderweg naar Indië en uit noodzaak van het wegvallen van de verbindingen over water, gedaan heeft waar hij zich, militair gezien, toe gedwongen zag.
  Toen die weg er eenmaal was, was het logisch om hem ook voor andere doeleinden te gebruiken. En zoals nu de touristen bijvoorbeeld over de Boulevard Hausmann in Parijs ronddolen, een weg die onder Napoleon III  is aangelegd voor een eventuele snelle opmars van militairen tegen het revolutionaire gepeupel, zo werd de Grote Postweg een voorloper van de autoroutes à péage. In diezelfde geest kan een vergelijking gemaakt worden met de Autobahnen van Hitler.
 
Koloniale geschiedenis heeft in Nederland een negatieve bijklank gekregen. Herinneringen aan Van Heutsz krijgen een andere naam of worden verwijderd. Daendels is vrijwel vergeten bij het grote publiek.
  In Indonesië is dat heel anders. Toen ik voor mijn onderzoek in november 1999 door het land reisde bleek Daendels bij vrijwel iedereen, jong en oud, vanzelfsprekende bekendheid te hebben. Wie kent daar niet ‘zijn’ Grote Postweg, de Jalan Raya, letterlijk ‘grande route’…
 
 
 
[1] Wesseling, H.L., Verdeel en heers. De deling van Afrika, 1880-1914, Amsterdam 1992, 106.
[2] Doel, H.W. van den, Het Rijk van Insulinde. Opkomst en ondergang van een Nederlandse kolonie, Amsterdam 1996, 307.
[3] Algemeen Rijksarchief , Archief Daendels (2.21.046), inv. nr. 161.
[4] Veer, Paul van 't, Daendels. Maarschalk van Holland, Bussum 1983, 47-49.
[5] Servaas van Rooijen, A.J. , ‘Het Haagsch Verdrag van 1795’, in A.J. Servaas van Rooijen (red.), Haagsch Jaarboekje voor 1897, Den Haag 1897, 328-333.
[6] Mendels, Isidore, Herman Willem Daendels vóór zijne benoeming tot gouverneur-generaal van Oost-Indië (1762-1807), Den Haag 1890, bijlage XXXVI.
[7] Schama, Simon, Patriotten en bevrijders. Revolutie in de Noordelijke Nederlanden 1780-1813, Amsterdam 1989, 513.
[8] Ibidem, 732.
[9] Collet, Octave J.A., L’ile de Java sous la domination française. Essai sur la politique coloniale de la monarchie et de l’empire dans la malaisie archipélagique, Brussel 1910, 119.
[10] Goor, J. van, De Nederlandse koloniën. Geschiedenis van de Nederlandse expansie 1600-1975, Den Haag 1994, 179-180.
[11] Eyck van Heslinga, Elisabeth Susanna van, Van Compagnie naar koopvaardij. De scheepvaartverbindingen van de Bataafse Republiek met de koloniën in Azië 1795-1806, Amsterdam 1988, 63.
[12] Schutte, G.J., De Nederlandse Patriotten en de koloniën. Een onderzoek naar hun denkbeelden en optreden 1770-1800, Groningen 1974, 150.
[13] Mendels, Daendels, 229.
[14] Eyck, Van Compagnie naar koopvaardij, 72-73.
[15] Merriman, John, A History of modern Europe from the Renaissance to the Present, New York/Londen 1996, 515.
[16] Collet, Java, 141-142.
[17] Ibidem.
[18] Ibidem, 145.
[19] Haan, F. de, ‘Jacobijnen te Batavia’, in Tijdschrift voor Indische taal-, land- en volkenkunde, Batavia/Den Haag 1899, 162.
[20] Deventer, M.L. van, De opkomst van het Nederlandsch gezag in Oost-Indië. Verzameling van onuitgegeven stukken uit het oud-koloniaal archief. Uitgegeven en bewerkt door Jhr. Mr. J.K.J. de Jonge, Dertiende en laatste deel, Den Haag 1888, IV-V.
[21] Bibliothèque Municipal, Caen, Papiers du général Decaen, inv.nr. 78.
[22] Ibidem, 77.
[23] Deventer, Nederlandsch gezag, 251.
[24] Chijs, J.A. van der, Nederlandsch-Indisch Plakaatboek 1602-1811. Vijftiende deel 1808-1809, Batavia/Den Haag 1896, 725.
[25] Archief Daendels, inv.nr. 164.
[26] Tulard, Jean (red), Dictionnaire Napoléon, 1987, 86.
[27] Cobban, Alfred, A History of modern France. Volume 2: 1799-1871, Londen 1991, 51.
[28] Eyck, Van Compagnie naar koopvaardij, 75.
[29] Archives Nationales, Parijs, Particuliere brieven van Lodewijk Napoleon aan zijn broer, de keizer van Frankrijk, AF IV 1683.
[30] Archives Nationales, Parijs, Particuliere brieven van Napoleon aan zijn broer Lodewijk Napoleon, 400 AP 25.
[31] Mackay, Donald Jacob, De handhaving van het Europeesch gezag en de hervorming van het regstwezen onder het bestuur van gouverneur-generaal Mr. H.W. Daendels over Java en onderhoorigheden (1808-1811), Den Haag 1861, 2-3.
[32] Colenbrander, H.T., Gedenkstukken der algemeene geschiedenis van Nederland. Van 1795 tot 1840, Vijfde Deel, Koning Lodewijk Napoleon 1806-1810, Den Haag 1909/1910, 382.
[33] Archives Nationales, AF IV, inv.nr. 1748, doc. 96.
[34] Deventer, Nederlandsch gezag, 354.
[35] Archives Nationales, AF IV 1683.
[36] Archives Nationales, AF IV, inv.nr. 1739, doc. 263.
[37] Colenbrander, H.T., Gedenkstukken Vijfde Deel, Den Haag 1909/1910, 643.
[38] Ibidem.
[39] Archief Daendels, inv. nr. 105 (9 januari 1808).
[40] Roo, L.W.G. de, Documenten omtrent Herman Willem Daendels, Gouverneur-Generaal van Ned. Oost-Indië.Verzameld en van inleidingen voorzien, Den Haag 1899, 33.
[41] Archives Nationales, AF IV inv.nr. 1740, doc. 137.
[42] Roo, Daendels, 31.
[43] Papiers Decaen, inv. nr. 106.
[44] Collet, Java, 529.
[45] Archief Daendels, inv.nr. 103.
[46] Ibidem.
[47] Papiers Decaen, inv. nr. 106.
[48] Roo, Daendels, 192.
[49] Chijs, J.A. van der, Nederlandsch-Indisch Plakaatboek 1602-1811. Veertiende deel 1804-1808, Batavia/Den Haag, 1895, 550-551.
[50] Deventer, Nederlandsch gezag, 314.
[51] Roo, Daendels, 204.
[52] Archief Daendels, inv.nr. 103.
[53] Deventer, Nederlandsch gezag, 519.
[54] Archief Daendels, inv.nr. 108.