Het is al weer twintig jaar geleden dat ik in Leiden als historicus afstudeerde bij Leonard Blussé en Femme Gaastra, met een eindscriptie over Herman Willem Daendels in Batavia. Blussé vond mijn internationale aanpak over Daendels zo de moeite waard dat hij voorstelde om er mee door te gaan en er een proefschrift aan te wijden. Het lukte hem evenwel niet de financiering rond te krijgen, zodat we moesten afhaken.
   In 2002 hadden we opnieuw contact. “Ik ga een werkcollege geven over opium in Nederlands-Indië”, vertelde de hoogleraar. “Wil je niet meedoen”, vroeg hij. “Als je belangstelling hebt lees dan het boek van Carl Trocki. In de bibliotheek kun je het zo opvragen. Laat me morgen maar weten wat je ervan vindt”.
   Hoewel ik me als doctorandus in de verste verte niet deskundig op dat terrein beschouwde vond ik het wel een uitdaging om als docent college te geven op de universiteit waar ik zelf gestudeerd had. Uiteraard moedigde mijn Greetje me aan om ja te zeggen. Een paar weken later was het al zo ver.
 
 
 38 1 Blussé
Leonard Blussé
 
 
 
Docent in Leiden
 
 
Ervaring op het gebied van lesgeven en als docent met studenten omgaan had ik niet. Maar de samenwerking pakte zo goed uit dat de hoogleraar me door de Universiteit Leiden in dienst liet nemen. Hij liet me een publicatie van M.C. Ricklefs zien, A History of Modern Indonesia (1981) en vertelde: “Aan de hand van dat boek ga ik vanaf morgen college geven aan studenten die begonnen zijn zich in Indonesië te verdiepen. Doe je weer mee?”
   Blussé had meteen zoveel vertrouwen in me dat hij me nog diezelfde week uitnodigde om hem eveneens te assisteren bij een ander werkcollege, nu voor gewone studenten over de geschiedenis van Zuid-Oost Azië – aan de hand van het boek In Search of Southeast Asia, dat in 1971 onder supervisie van David Joel Steinberg tot stand gekomen was.
   Tijdens mijn studie had ik me bekwaamd in de geschiedenis van Azië. Bovendien had ik met Greetje gereisd door China (1996), Indonesië (1999) en Vietnam (2000). Om zo goed mogelijk voor de dag te komen legde ik me dag in dag uit volledig toe op de geschiedenis van dat deel van de wereld. Dat stond mijn ‘gewone’ onderzoek en schrijfwerk, over missionaris Hamer in China, niet in de weg.
 
Blussé was niet altijd aanwezig tijdens de colleges. Regelmatig reisde hij de wereld over. Dan stond ik alleen achter tafel of lessenaar om de studenten leiding te geven met hun onderzoek. Ik maakte en beoordeelde schriftelijke tentamens, liet referaten houden en zette de studenten aan om werkstukken te maken over onderwerpen waar ze zelf belangstelling voor hadden.
   Volgens de hoogleraar ging het me goed af, zodat hij me meer en meer bij allerlei academische activiteiten betrok, tot zelfs eindscripties en het afstuderen zelf. Zoiets had ik nooit durven voorspellen in de kwart eeuw dat ik actief was in de muziekindustrie. Een mens heeft meer mogelijkheden dan hij beseft, tot dat soort conclusie moest ik gaandeweg wel komen.
 
 
Birma (Myanmar)
 
 
In de tijd dat ik opgroeide was het (voor mij althans) onmogelijk verre reizen te maken. Met enige moeite kwam ik in Frankrijk en het noorden van Spanje en Italië terecht. Met een vriend, Hans Jansen, liftte ik in 1965 helemaal naar Opatija in Joegoslavië. Een oom, Vös (Servé) Jongen, sprong helemaal uit de band door met het vliegtuig voor een lang weekend naar het Gardameer te gaan.
   Begin deze eeuw was het anders. Sommige studenten waren in landen van Zuid-Oost Azië geweest, die ik zelf niet bezocht had. Birma bijvoorbeeld. Vooral over de tempelstad Bagan hoorde ik lyrische verhalen.
   Om mijn promotie te vieren (14 december 2005) bood Greetje me een reis aan. Zo kwamen we in Birma terecht, volgens velen het ‘rijk van het kwaad’. Het werd immers geregeerd door rechtse militairen die door een coup aan de macht waren gekomen.
 
 
Naar Bagan
 
 
Na ons verblijf in Rangoon (Yangon), waar de Britten hun hoofdstad van gemaakt hadden, vlogen we op 9 januari 2006 in de vroege ochtend naar het noorden. We reisden met een ouderwets propellertoestel van onbekend merk.
   Vanuit het raam keek ik ruim een uur uit over bossen, de rivier (Irrawaddy) met één stad eraan – was dat Prome (Pyay)? Meer steden kon ik niet ontdekken.
 
 
 38 2 woud
Tempels van Bagan (januari 2006)
 
 
Bij de glijvlucht naar beneden was goed te zien dat zich onder ons allerlei tempels bevonden. Dat moest het romantische Bagan zijn, de streek met een woud van boeddhistische heiligdommen. Kort na de landing arriveerden we bij de controle, waar ons het boek Burmese Days van George Orwell (uit 1934) te koop werd aangeboden. Tevens kregen we te horen dat we per persoon tien dollar moesten betalen.
   Nandar, onze gids, die een paar meter achter de controlepost stond te wachten, was furieus toen ze vernam dat we zonder die financiële transactie niet verder kwamen. Ze stapte onverveerd op de ‘douane’ af. Een paar minuten later kregen we het betaalde geld in de handen geduwd. Dat gaf vertrouwen. We zouden immers een aantal dagen met haar optrekken. Bovendien zouden we – dat was ‘normaal’ – gebruik maken van een busje met chauffeur.
 
 
Toerisme in Birma
 
 
De overheid had zich in de jaren vóór onze komst ingespannen om het toerisme te stimuleren. Er waren luxe hotels gebouwd waar je tegen een aantrekkelijke prijs terecht kon.
   In 1994 had ik in een artikel van Denis Gray gelezen: “De generaals van Birma gokken erop dat het verlangen om het laatste onaangepaste exotische paradijs in Zuidoost Azië te zien, groter is dan de afkeer voor het militaire regime. Het ministerie van toerisme is opgericht. Generaal Kyaw Ba, de minister, verwacht dit jaar 60.000 toeristen, een verdubbeling ten opzichte van 1993. Over vijf jaar moeten er jaarlijks een half miljoen toeristen komen. De generaals zijn op zoek naar buitenlandse valuta en willen graag het internationale imago van Birma verbeteren”.
   Bij de politieburaus, ook in Bagan, was altijd een blauw bord te vinden en daarop, in het Engels, met grote witte letters: “Myanmar Police Force. Tourist Safety Unit. May I help you”. Buitenlandse gasten mochten geen problemen hebben.
   Als gevolg van de westerse boycot waren toch weinig kamers geboekt. Diverse hotels, zagen we, waren helemaal zonder gasten – en dat terwijl we in het Birmese hoogseizoen rondreisden.
 
 
 38 3 politie
Boodschap voor toeristen (januari 2006)
 
 
Wij waren ondergebracht in het Thazin Garden Hotel. Het busje moest een landweggetje oprijden. Na nog een paar honderd meter tussen de huizen van de plaatselijke bevolking doorgetrokken te zijn kwamen we bij een tuinachtig complex. De plaatselijke jeugd deed zijn best om ansichtkaarten en andere waren te venten tegen dollars. De euro was onbekend. De onverharde weg was Thazin Road Anawratha genoemd, naar de thazin-bloem en Anawrahta, koning van Bagan in de elfde eeuw.
   Op het internet had ik gelezen: “The hotel is ten minutes stroll of the main road and is quite secluded, thus offering a calm and quiet atmosphere”.
   Terecht werd gesteld: “The hotel comprises 59 rooms all of which are well furnished in rich teak wood, rattan furniture and charming traditional lacquer ware. The cottage style rooms are built in a row and scattered around the garden. A small but chic swimming pool is available for use”.
   ’s Avonds werd het eten in de tuin (het ‘buitenrestaurant’) met kortgeknipt gras geserveerd – in de onmiddellijke nabijheid de resten van een boeddhistische tempel. Op een rand van de pagode waren op een rij allemaal brandende theelichtjes gezet. Het nummer van onze kamer was op het gras in witte bloemblaadjes uitgeschreven naast het tafeltje dat we gereserveerd hadden. Honderden bloemblaadjes waren verzameld en zorgvuldig neergelegd – alleen maar om ons welkom te heten.
   Het personeel moest met het voedsel een eind lopen alvorens de gasten te bedienen. Maar gasten, die waren er nauwelijks. We dineerden met weinigen.
 
38 4 dinertuin van hotel
Diner-tuin van het hotel
 
 
Tempels en Anawrahta
 
 
We waren naar Bagan gekomen om tempels te zien. En we zouden ze zien, ik zou bijna zeggen: totdat ze onze strot uitkwamen. Niet omdat ze niet geweldig zijn maar omdat je op een bepaald moment ook oververzadigd kunt raken.
   Maar zo was het in het begin van ons verblijf natuurlijk nog niet. Bovendien had elke tempel wel iets aparts, waar je ook uit historisch oogpunt wat mee kon doen. We kwamen terecht bij de Shwezigon, dichtbij de Irrawaddy-rivier. ‘Shwe’ is het Birmese woord voor goud.
   Terwijl Yangon de Shwe-dagon tempel heeft, de grote gouden pagode, heeft Bagan de Shwe-zigon, eveneens een complex met een gouden stupa (‘zedi’) waar je omheen kunt lopen. In de Lonely Planet van Birma las ik dat de stupa van de Shwezigon hét protype is van alle klokvormige stupa’s in Birma. Het gebouw heeft dan ook een grote historische betekenis. Zo zouden er maar liefst vier replica’s van de tand van de boeddha van Kandy (Ceylon, Sri Lanka) in opgeborgen zijn. De pagode was in feite gebouwd om de tanden op te bergen.
 
De woorden van gids Nandar prikkelde om mij die dagen in te lezen over de geschiedenis van het gebied. Ik had diverse boeken meegenomen om dat mogelijk te maken. De grote man, werd op deze plek duidelijk, was Anawrahta, die in het jaar 1044 in deze regio aan de macht gekomen was. Ik schreef erover in ons eigen reisverslag uit dat jaar. De zoons van de oude koning Kunshau Kyaunghpyu hadden hun vader aangezet om af te treden en hem tevens gedwongen monnik te worden.
   Na een aantal moordpartijen bleef Sokkate, één van die zonen, over als nieuwe koning. Anawratha, een veel jonger zoontje van de afgezette koning, had de strijd om de troonopvolging blijkbaar weten te ontkomen. Maar toen de jongeman was opgegroeid daagde hij Sokkate in 1044 uit tot een tweegevecht en bracht hem met een speer om het leven.
   Na de moord op zijn oudere broer vond de jonge prins dat hij iets moest doen om zich van een goede toekomst in het hiernamaals te verzekeren. Anawrahta ging op pelgrimstocht naar het verre Ceylon en kwam terug met de zelfgekozen opdracht om zijn onderdanen te bekeren tot het vreedzame Ceylonese theravada-boeddhisme.
   Van het eiland had de vorst al wat relikwieën meegekregen en – volgens de legende – had hij op een ‘heilige’ witte olifant gezeten. Waar de olifant ging uitrusten moest een gouden stupa komen – dat werd de Shwezigon. Op allerlei kleurige afbeeldingen, die in het complex waren opgehangen, werd bevestigd dat het zo gegaan was.
 
Maar hoe ‘bekeer’ je een heel volk?
   Anawrahta was ervan overtuigd dat hij een belangrijk theravada-symbool in handen moest hebben. De monarch stuurde daarom Arahan, een monnik van het zuidelijke Mon-koninkrijk, als zijn persoonlijke gezant naar Thaton, de toenmalige hoofdstad.
   Volgens de overlevering had Anawrahta zijn ambassadeur een opdracht gegeven: vraag aan Mon-koning Manuha de heilige boeddhistische boeken, de tripitaka, aan mij af te staan. De tripitaka, de boeddhistische ‘bijbel’, hadden we een paar dagen eerder afgebeeld gezien op het complex van de Sule-pagode in Rangoon.
   ‘Vreemd genoeg’, aldus het verhaal, was koning Manuha niet bereid die boeken aan de monnik te overhandigen.
   Dat kwam hem te staan op een oorlogsverklaring. Anawrahta trok in 1057 met een leger van ‘vrijwilligers’ naar Thaton, versloeg de weigerachtige Mon-koning en voerde hem en zijn familie met nog wat andere Thaton-ners geketend naar zijn eigen vorstendom. Andere inwoners van Thaton werden gewoon op de slavenmarkt verkocht.
   Het doel was bereikt. Anawrahta bracht de boeddhistische boeken naar Bagan, op 32 heilige witte olifanten. Zo had hij een mooi alibi gevonden om zijn macht te tonen.
   Wie zou zich nu niet onmiddellijk bekeren tot het vreedzame boeddhisme?
 
 38 5 Anawrahta
Anawrahta trekt op naar het zuiden (januari 2006, schildering in tempel)
 
 
Bagan werd in elk geval een vooraanstaand religieus centrum in Zuidoost-Azië. Gelovigen uit India, Siam (Thailand), Laos en het zuiden van China (Yunnan) maakten verre reizen om er de heilige teksten in het pali-schrift te bestuderen.
   Evenals in de katholieke middeleeuwen betekende religieuze macht meer. De leiders van de Shan in het oosten kwamen zich onderwerpen. De koning trad zelfs met een Shan-prinses in het huwelijk. Met het aantreden van de ambitieuze vorst begon, zoals in het Dominicus-reisboek, gesteld werd, ‘een periode van onstuimige tempelbouw die ruim twee eeuwen duurde’.
   Anawrahta (r. 1044-1077) wordt wel de pacificator van Birma genoemd. Zijn troonsbestijging vormt het begin van het eerste Birmese koninkrijk. De vorst wist zijn rijk over een groot deel van het huidige Myanmar uit te breiden: voor het eerst in de geschiedenis stond het land onder één centraal gezag.
   Minder gelukkig waren de verslagen vijanden. Volgens de overlevering was dat hun eigen schuld: dan hadden ze maar niet moeten weigeren hun ‘aftandse’ boeken af te staan. Maar toch. Het lijkt erop dat de vanuit het zuiden als krijgsgevangen meegevoerde Mon-architecten, -bouwkundigen en -handwerkslieden zonder pardon ingezet werden om de bouw van talloze religieuze bouwwerken ter hand te nemen. Was dat nu het vreedzame boeddhisme in de praktijk?
   Manuha, de Mon-koning, werd, misschien vreemd, niet gedood maar in een piepkleine cel opgeborgen. Slechts enkele vierkante meters leefruimte. De contouren ervan werden ons getoond.
 
 
Boeddhistische verering in de praktijk
 
 
Op 11 januari 2006 kreeg ik alle tijd om de boeddha-beelden en het boeddhisme ook zelf eens goed te bekijken. Mijn schoeisel begaf het . Greetje ging samen met gids Nandar op stap om nieuwe spullen voor mij te bemachtigen. Ik bleef alleen achter bij de Ananda-tempel, die we samen wilden bezoeken.
   Op blote voeten – dat was verplicht op de heilige plaatsen in Birma – liep ik het heilige gebouw binnen, dat in opdracht van koning Kyanzittha (r. 1084-1113), opvolger van Anawrahta de Veroveraar, tussen 1090 en 1105 verrezen was. De toren, helemaal bedekt met goud, zag er uit als een gigantische maiskolf. Het goud was overigens pas recentelijk aangebracht – om precies te zijn in 1990, ter gelegenheid van de negenhonderdste verjaardag van de tempel. Volgens Leon Peterse, auteur van het Dominicus-reisboek, werd de architect op bevel van de koning geëxecuteerd ‘om te zorgen dat er nooit meer zoiets moois gebouwd zou worden’.
 
 
 38 6 monniken in de tempel
Monniken in de Ananda-tempel (januari 2006)
 
 
Binnen in de tempel zat een half dozijn wel-doorvoede monniken van alle leeftijden in rood-oranje kledij op de grond. De mannen dronken thee en aten rijst, vruchten en ander voedsel. Ze praatten en lachten af een toe. Een van hen zat geknield op een stoel achter een tafeltje met ervóór een microfoon en erop een stapeltje boeken en een mok met een onbekende vloeistof. Achter hem, links en rechts, stonden grote vazen met enkele tientallen roze en witte gladiolen. En vóór hem offergaven als groene palmvruchten met vers sap.
   De monnik zat er niet zo maar. Hij zong een stuk van de heilige teksten van het boeddhisme, de teksten die koning Anawrahta ruim negen eeuwen daarvoor op witte olifanten vanuit het zuiden van Birma had meegenomen. Vijftien minuten lang zong hij in zijn eentje in een hoekje van de Ananda-tempel. Moderne apparatur zorgde ervoor dat zijn muzikale gebed tot op grote afstand – buiten was een jaarmarkt – uitgedragen werd. Regel na regel prevelde hij.
   Na een kwartiertje kwam een collega-monnik naar het tafeltje toegelopen en nam plaats naast de ‘dienstdoende geestelijke’. Binnen een minuut – midden in een zin? – pakte hij de zang over en ging verder met de tekst.
   Op die manier, begreep ik, werd de bijbel van het boeddhisme vier etmalen lang, vierentwintig uur per dag, zesennegentig uur non-stop derhalve – voorgedragen tijdens het festival van de Volle Maan, dat nu gaande was.
 
 
 38 7 voorlezende monnik
Monnik leest zingend voor uit heilige boeken (januari 2006)
 
 
Het duurde wel een uur voordat Greetje en Nandar mij terugvonden. Het wachten vond ik niet erg, integendeel. De Ananda-tempel, een kopie van een grot in het noorden van India, was immers het religieuze centrum van dat moment.
   Een uur lang zag en hoorde ik de monniken de heilige teksten voorlezen. Af en toe kwam er een groepje Birmezen, vrijwel altijd vrouwen (soms met kinderen), op blote voeten naar het hart van de tempel. De bezoekers hadden offergaven bij zich, vruchten van het land en bloemen. Geknield boden ze die aan de monniken aan. Ze hielden hun handpalmen plat op elkaar en zogden ervoor dat de afstand tot de religieuzen minstens een meter was.
   Korte tijd heerste er een plechtige stemming. Vervolgens werd er gepraat en gelachen, zonder dat de vrouwen dichter naar de ‘paters’ toe kropen.
   Menige offergave (met papieren geld toegevoegd) belandde aan de voeten van een grote staande boeddha, een tiental meters verderop.
Ik vond dat ik iets bijzonders meemaakte. Voor de boerenbevolking in de omgeving was dit in zekere zin een religieus hoogtepunt van het jaar. Een uur lang volgde ik de zang, de vrouwen die zichtbaar onder de indruk uiting aan hun ‘geloof’ kwamen geven, en de monniken die zich verveelden, aten terwijl ze geen trek hadden, af en toe maar eens opstonden en wat rondliepen. In alle windhoeken van de Ananda-tempel was een staande boeddha van een meter of tien hoog opgesteld.
 
 
Nog veel meer tempels
 
 
Na een uur kwam Greetje terug met nieuwe slippers voor me. We konden onze tocht langs het onnoemelijk aantal tempels voortzetten. Niet al die gebouwen waren eeuwenoud, werd duidelijk gemaakt. Het bouwen van pagodes in deze omgeving was niet per sé een kostbare zaak. Bagan lag immers aan een grote rivier. Er was dus volop klei om stenen van te maken. Zelfs het (blad)goud dat je overal zag op de ‘parasols’ (‘htli’ of ‘tee’) van de torentjes op de pagodes, werd in de rivier gevonden en was dus in zekere zin ‘bij de hand’. Het marmer dat voor sommige boeddha’s gebruikt was, kon over de Irrawaddy op vlotten of boten worden aangevoerd.
   Ook in die tijd werden er nog volop nieuwe tempeltjes bijgebouwd. Die hoefden niet meer dan duizend dollar te kosten. Met allerlei giften van weldoeners uit het westen was dat geen onhaalbaar bedrag. Arbeidskrachten waren er altijd wel genoeg, al dan niet vrijwillig. Uit de vruchtbare grond kwam voldoende voedsel omhoog om iedereen in leven te houden.
    De dynastie van Anawrahta in Bagan duurde meer dan twee eeuwen. In tweehonderd jaar kon je best een aantal gebouwen neerzetten als iedereen ‘verplicht’ werd om samen te werken.
 
Door middel van oude tempels en grotten kon je een en andere over de geschiedenis van de Bagan-dynastie te weten komen. Niet alleen in het hotel maar ook in sommige tempels waren we zo ongeveer de enige bezoekers. Zo kwamen in de meer dan achthonderd jaar oude grot Kyanzittha Umin. Er moest speciaal iemand komen om de deur voor ons open te maken.
   Binnen zagen we allerlei muurschilderingen, waarop kunstenaars in het verleden onder meer muzikanten en dansers uitgebeeld hadden. Volgens de gids kon je ook Mongolen zien. Die hadden in 1287 de koning van Bagan verdreven, het koninklijk paleis verwoest en het gebied platgebrand.
   De neergang en het verval werden in een reisgids verklaard door het zwakke optreden van koning Narathihapati (r. 1256-1287). Door de enorme bouwactiviteiten zou de schatkist volledig uitgeput geraakt zijn. De vorst zou een tiran geweest zijn. Zijn meedogenloze optreden leidde tot opstanden. Bovendien leed hij aan hoogmoedswaanzin. Volgens een inscripte op een pagode ‘verorberde hij dagelijks driehonderd schotels curry’. Of dat laatste hem noodlottig werd vertelde het verhaal niet.
   Maar wat belangrijker was, hij weigerde tribuut te betalen aan de Mongolen. Aanleiding voor hen om het koninkrijk van Bagan binnen te vallen. De vorst vluchtte en verloor daarmee het respect van zijn onderdanen. Een van zijn zonen zou hem laten ombrengen. Zo kwam er een einde aan het twee eeuwen oude rijk.
 
 
 38 8 schildering
Schildering in de grot
 
 
Ik stuitte op een een verslag dat de Britse gezant Henry Burney in juli 1835 schreef tijdens zijn bezoek aan de toenmalige Birmese hoofdstad Ava (Inwa). Over het vertrek van de vorst uit Bagan las ik in 2006: “De koning voelde zich genoodzaakt te vluchten. Met duizend schepen vol schatten wilde hij de Irrawaddy afvaren naar het veilige zuiden. En nog eens duizend schepen met voedsel. En duizend schepen voor zijn ministers en officieren.
   Bleven over zijn concubines en ‘vrouwelijke dienaren’. Voor al die vrouwen was op zijn ‘royal barges’ te weinig plaats. Een oplossing voor dat laatste probleem was voor de koning van Bagan niet moeilijk, aldus de kronieken die Burney in Ava vond: ‘These women and servants are too numerous to be all embarked in the boats, and if we leave them here, the [enemies] will seize and take possession of them. Tie their hands and feet together, therefore, and throw them in the water’.
   Dat ging de ministers van de koning te ver en op hun advies schonk hij driehonderd vrouwen aan zijn onderdanen. Zo kon de koning nu vluchten in zijn gouden schip en ging Bagan ten onder”.
 
 
Zonsondergang op tempel
 
 
Greetje en ik waren natuurlijk niet alleen om de geschiedenis naar Birma gereisd. We verbleven er tevens als gewone toeristen en werden ook als zodanig behandeld in de stad met al die tempels. Dat bleek al op de eerste avond van ons verblijf.
   In de Lonely Planet werd af en toe de draak gestoken met de gebruikers van de gids. Onder het kopje ‘The sun’s falling!’ viel te lezen: “Each dusk at Bagan can see a great sunset chase, with scurrying tourists carrying cameras up pagoda stairways to watch the Bagan sprawl turn all shades of tangerine, lavender and rust. Some temples teem with tourists”.
   Wij waren ons op deze eerste dag in Bagan van geen kwaad bewust, bij wijze van spreken, toen de gids er plotseling op wees dat de tijd van de zonsondergang bijna was aangebroken. Die moesten we zeker uitgebreid ervaren, werd ons duidelijk.
   We reden naar een onbekend tempeltje. Op alle treden van een donkere stenen trap naar boven waren brandende vaccinelichtjes neergezet. Weldra bovenden we ons op een platform naast een handvol andere bezoekers. Een kilometer verderop was een hoge en grote pagode. Van alle kanten kwamen bussen aangereden. Drommen westerlingen werden er afgezet zodat ze het natuurverschijnsel in romantische omgeving konden gadeslaan.
   Ieders blik was nu gericht op het westen, de bergen van Arakan (Rhakine) aan de overkant van de Irrawaddy. Daar moest het gebeuren.
   Het onvermijdelijke moment kwam. De zon ging, zoals altijd en overal, onder aan het einde van de dag. Met alle kleurvarianten waar de Lonely Planet al op gewezen had.
   En inderdaad: een prachtig gezicht waarbij het woud van tempels langzamerhand vervaagde en verkleurde in een blauwachtige waas met puntjes van de pagode-parasols die er bovenuit bleven steken. Tevreden liepen Greetje en ik langs de kaarsjes weer naar beneden.
 
 
 38 9 zonsondergang
Zonsondergang in Bagan (januari 2006)
 
 
Harry Knipschild
24 maart 2020
 
Clips
 
 
* Festival Volle Maan, Ananda-tempel, Bagan, 2011
* Een bezoeker van Bagan, 2015
* Leven in Bagan, 2015
* Pagodes in Bagan, 2017