Zoeken

 
 
In het midden van de jaren zeventig was de Australiër Mike Chapman een van de meest succesvolle producers en songwriters in Groot-Brittannië. Samen met zijn Engelse muzikale partner Nicky Chinn – en met Mickie Most, eigenaar van RAK Records en muziekuitgever – wist hij keer op keer de top van de Britse hitlijsten te bereiken. Mud, Suzi Quatro, Smokie en The Sweet waren de acts waarmee hij zich kon etaleren.
  In de Verenigde Staten van Amerika, het land met de aantrekkelijke dollars, wist Mike Chapman minder te bereiken. ‘Funny Funny’ bijvoorbeeld, zijn eerste Britse nummer één-hit, werd aan de overkant van de Atlantische Oceaan totaal niet opgepakt. Opvolger ‘Co Co’ sloeg evenmin aan. De grote Europese hits van Mud, Smokie en Suzi Quatro vielen (met uitzondering van het Chris Norman-Suzi Quatro duet ‘Stumbling In’) hetzelfde lot ten deel in de VS.
  Mike Chapman in 1982: “That glitter rock thing never happened in America”.
 
 
 
Amerika
 
 
Mike en Nicky meden Amerika natuurlijk niet. Ze gingen er sowieso op vakantie. Op de radio hoorden ze er andere muziek dan ze in Londen gewend waren.
   Chapman: “In 1974, when I first came to America, my trip to Beverly Hills was a huge turning point in my life, because not only did it convince me to move here, it also gave me a different insight into music. For the first time in my life, I really heard American music – I turned on the radio, and didn’t hear Gary Glitter or Slade or T. Rex or Suzi Quatro or The Sweet, and instead I heard the Eagles and music that I didn’t understand for a minute”.
   Amerika werd voor Mike een bron van inspiratie.
 
 
333 1 Rufus
 
Een van de songs die hij oppakte tijdens dat uitstapje in 1974 was ‘Tell Me Something Good’ van Rufus (met zangeres Chaka Khan), geschreven door Stevie Wonder.
  Chapman: “I came back with this wonderful idea to make a record that sounded something like ‘Tell Me Something Good’, so we wrote a song called ‘Your Mama Won’t Like Me’ – I happen to think that both that one and ‘I Bit Off More Than I Could Chew’ were two of Suzi Quatro’s best records, technically.
   In Amerika hadden ze echter geen behoefte aan muziek die ze ook zelf konden maken. “Unfortunately, that sort of music was not as appealing to the public outside America as I thought it was going to be, so Suzi didn’t really get off the ground with that musical image”. Pas met het originelere ‘Stumbling In’ lukte het Quatro aan de top van de Amerikaanse hitlijsten te krijgen.
 
 
Wonen in Amerika
 
 
Een jaar later, in 1975, zette Mike Chapman een volgende stap – hij besloot in Amerika te gaan wonen. Naar eigen zeggen was dat om puur persoonlijke redenen. “My reason for moving was that I met a girl with whom I immediately fell in love. Since I considered that falling in love was a serious event, which I hadn’t done for a few years, and although I was playing around London and having a good time, I was genuinely in love with this girl, so I had to move”.
   Het klimaat speelde eveneens een rol. “I didn’t want to live in London with her, because the sunshine and everything in California was too much for me”.
   Mike ging een ander leven leiden. “It was a huge turn around in my life – all of a sudden, I had someone to share my life with, and so a lot of my attitudes changed”.
 
 
Crisis in de samenwerking
 
 
Voor Chapman, de Australiër, was verhuizen van Engeland naar de VS een minder grote stap dan voor Chinn. Die maakte er evenwel geen probleem van dat hij achterbleef in zijn geboorteland. Mike: “He said it could only be a good thing”.
   De hulde van de muziekbusiness (met uitzondering van kritische popjournalisten) ging in Europa nu meer dan ooit uit naar Nicky Chinn: “I was in London having the hits, so I was basking in the glory, which was very nice”.
   Er moest natuurlijk wel heel wat gevlogen worden om de hits in Europa gaande te houden. Als er nieuwe songs nodig waren was Nicky gedwongen in het vliegtuig richting Los Angeles te stappen.
   De samenwerking – het kon haast niet anders – verwaterde. Nicky Chinn: “The commuting and everything else at that particular time didn’t do our relationship any good”.
   Michael Chapman: “Our partnership was suffering at the time, we were fighting, and we both had our problems. I remember we had a meeting in Geneva. We had a lot of serious problems existing between us as far as the partnership went. So I was in Montreux recording with Suzi Quatro, and Nicky and I, through our business manager, decided to have a meeting to iron out some of the problems which were caused by us living on separate continents”.
 
Door te praten wisten ze er op dat moment uit te komen. “We met up one afternoon, and talked and talked and talked, and opened up all our feelings towards each other and decided that if we were going to go on with the partnership, we would have to put it back together in a way that wouldn’t hurt either of us. We patched it up, and slowly but surely, after that day things began to improve”.
   Nicky Chinn besloot ook zelf in Amerika te gaan wonen. Intussen was Chapman alweer gescheiden.
 
 
Moeizame Chinnichap-start in Amerika
 
 
De twee ontdekten dat hun Britse producties, die in de VS niet doorgebroken waren, bij insiders wel een zekere bekendheid genoten. Chinn: “It took us a couple of years to find out that a lot more people knew about us than we’d realised – I met people in radio who talked about our Mud records, and they had them, even though they never happened here, and half the recrds weren’t even released here”.
   Chapman: “For example, the guy at WNEW in New York, Scott Muni, told me recently that he’d been a fan of mine since 1971”.
   Mooi om te horen, maar dat opende voorlopig nog geen deuren in de Amerikaanse muziekbusiness.
 
 
Exile
 
 
333 2 Exile
 
Het duurde tot 1978 voor Chinnichap pas iets wist te bereiken in de VS. Evenals bij The Sweet, Mud en Smokie ging Mike werken met een groep die het ondanks veel ploeteren nog niet gemaakt had. J.P. Pennington, geboren in 1949 en oprichter van de Exiles, vanaf 1973 Exile, was al in de jaren zestig actief met het maken van popmuziek.
   Mike hoorde een demo van Exile die hem ertoe bracht een concert bij te wonen. Daarna duurde het nog meer dan een jaar voor hij de basis van een pakkende song voor de Amerikanen wist te schrijven. Dat was ‘Kiss You All Over’. De Australiër was nog bezig zich aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden. Hij leefde in een ander land en schreef zijn materiaal nu door middel van een keyboard. Maar ineens, vond hij, had hij de smaak te pakken. Vervolgens moest hij zijn partner, die nog in Londen woonde, mee zien te krijgen.
   Chapman: “I called up Nicky and said, ‘Nicky, I swear you’ve got to come over here, we must write this song immediately. Get on a plane today’”.
   De volgende dag arriveerde de Brit en samen perfectioneerden ze ‘Kiss You All Over’, een productie die inderdaad geweldig aansloeg. Als Chinn en Chapman een hit maakten, in Engeland of Amerika, was het vrijwel altijd een mega-hit – ook nu weer. De Chinnichap-song ‘Kiss You All Over’ haalde in Amerika de nummer één positie in 1978.
 
Opvallend vond ik dat Nicky Chinn deze keer niet als producer op het label vermeld stond. Het was bovendien allemaal nog wennen, zodat er van een opvolger geen sprake was.
   Nicky Chinn: “I think that was all part of the transitional period, of being apart. I truly believe that if we’d both been here together then, when ‘Kiss You All Over’ got to number one, that we’d have written the follow-up. We weren’t together, and by the time we were, that adrenalin or whatever it is that makes you write the follow-up just wasn’t there. It didn’t happen, and we wrote the wrong song, and then we wrote another wrong song – and it was just one of those things”.
 
 
Nick Gilder
 
 
In 1978 kwam Mike Chapman pas goed op gang in zijn nieuwe vaderland. Behalve met Exile wist hij in dat jaar tevens te scoren met Nick Gilder. De artiest, geboren in Londen, was met name in Canada bekend geworden door ‘Roxy Roller’, een song die RAK-directeur Mickie Most vergeefs gecovered had met Suzi Quatro.
   In Amerika kreeg Chapman een telefoontje van Terry Ellis, samen met Chris Wright oprichter van Chrysalis Music (‘Chris-Ellis’). Mike hapte toe toen hij uitgenodigd werd om een plaat met de artiest te maken. Een van de drie tracks die hij opnam was ‘Hot Child In The City’, door de zanger zelf geschreven. Het resultaat was opnieuw een nummer één hit in Amerika. Zoals gezegd: als Mike Chapman een hit maakte, was het een mega-hit.
   Ook in dit geval was er geen sprake van continuïteit. Sterker nog: naar eigen zeggen vond Chapman het zonde van zijn tijd om een hele langspeelplaat voor zijn rekening te nemen. Dat liet hij over aan technicus Peter Coleman.
 
 
333 3 Billboard
Billboard. 14 oktober 1978
 
 
Op 14 oktober 1978 gebeurde er iets bijzonders in de hitlijst van Billboard. Op die dag was ‘Kiss You Al Over’ van Exile op nummer 1 geklasseerd en ‘Hot Child In The City’ van Nick Gilder op nummer 2. De man die eerder met zijn songs en producties Groot-Britannië en de rest van Europa had veroverd, wist met een ander soort repertoire zijn succes definitief in Amerika te herhalen.
 
 
Belangstelling voor Blondie
 
 
Tijdens zijn verblijf in de States kwam Mike Chapman in contact met Blondie, de new wave groep uit New York van Debbie Harry en haar partner Chris Stein. In 1982 deed hij verslag.
   Chapman: “I went to the Whisky A Go Go to see them in early 1977, and I couldn’t believe what I saw. I was so knocked out with this band, I was dying of laughter – they were funny, they were intense, they were very very much a part of what was brand new in music, so I saw them three nights in a row”. Mike liet enkele leden van de groep en manager Peter Leeds enthousiast weten dat hij belangstelling had om producties met hen te maken.
   Op dat moment werkten ze in de studio echter samen met Richard Gottehrer, die korte tijd later in Europa furore maakte met de Blondie hit ‘Denis’. Het Europese single-succes van de groep ging echter aan Amerika voorbij.
   De opmerking van Mike Chapman bleef blijkbaar ‘hangen’. Want toen Blondie besloten had van producer te veranderen klopten ze bij hem aan. Het contact verliep nog soepeler omdat de groep besloot in zee te gaan met Chrysalis, de platenmaatschappij waaraan Mike de nummer één single ‘Hot Child in the City’ had geleverd.   
     
Nicky Chinn en Mike Chapman schreven voor alle zekerheid een song voor Blondie, ‘Some Girls’, en daarmee togen ze naar New York. Maar was dat wel nodig? Blondie had zelf prima materiaal. “I didn’t really want to record our songs with Blondie, because that wasn’t the intention in producing them – I wanted to produce Blondie because I loved them. I’d seen them live and couldn’t wait to get into a studio with them, so our songs weren’t really part of the deal at all, but we wrote one anyway, in case”, verklaarde hij enkele jaren later.
 
 
Eerste ontmoeting met Debbie Harry en Chris Stein
 
 
In het interview met John Tobler en Stuart Grundy legde Mike Chapman uit hoe moeizaam zijn eerste ontmoeting met Debbie Harry en Chris Stein verliep. Blondie had een eigen ‘progressieve’ achterban en wilde die natuurlijk niet teleurstellen. En Mike was geen ‘punker’ – zo zag hij er ook niet uit. Zijn vak, als je het zo zou willen noemen, was het maken van singles voor het grote publiek.
   “I found Debbie Harry the most frightening person I’d ever met in my life. I sat down in this little hotel room in New York with the two of them, and Debbie didn’t say a word. She just stared at me. It was three o’clock in the morning, and I said, ‘I’ve come up here to talk about the possibility of producing you’. I didn’t want to force myself on them.
   De artieste viel de man met zoveel nummer één hits op zijn naam niet meteen om de hals. “Debbie was just sitting there going, ‘Yeah, yeah, is that right?’ It was a horrible atmosphere”.
   Mede-bandlid en partner Chris Stein nam maar het initiatief. “He eventually said that they were sort of interested”.
   Mike was niet voor niets naar New York gevlogen. “I asked them if they had any songs they could play me to give me an idea”.
   Eindelijk reageerde Debbie. “Yeah, we’ve got a couple of things”. Ze vroeg Stein wat te laten horen. ‘Sunday Girl’ was een van de nieuwe songs die hij recentelijk geschreven had.
   Mike Chapman: “I said it was incredible”.
   Debbie keek de producer aan en reageerde met de woorden: “Do you really think so?”
   Toen Chapman op zijn manier liet weten dat hij ‘Sunday Girl’ fantastisch vond – een hit! – bleef Debbie zich gereserveerd opstellen: “Oh yeah? I’ve heard all that before”.
   Wat kon de producer anders doen dan naar voren brengen: “Please – I’ve come up here for a reason, so let’s try to put this thing together”.
 
 
‘Heart of Glass’
 
 
333 4 Stein Chapman Harry
vlnr Chris Stein, Mike Chapman, Debbie Harry
 
 
Ook bij de tweede ontmoeting, een repetitie, durfde Mike Chapman, 31 jaar, (nog) niet met eigen liedjes voor de dag te komen. ‘Some Girls’ liet hij maar niet horen. Er was – besefte hij later – nog steeds een hoge muur tussen de ‘conservatieve’ hitproducer en de 33-jarige zangeres die er nogal andere ideeën en gevoelens op na hield. “She didn’t want to let her defences down for anybody – I was just another jerk record producer who was going to interfere with her life, as far as she was concerned”.
   Op die dag hoorde Mike voor het eerst ‘Heart of Glass’, een song die Debbie samen met Chris Stein geschreven had. Chapman gaf meteen aanwijzingen wat je moest doen om het nummer te perfectioneren voor een mogelijke single.
   Dat viel in goede aarde. Op straat na de repetitie sloeg Debbie onverwacht een andere toon aan. “Mike, I really like what you did with our songs today. As a matter of fact, what you did to ‘Heart of Glass’ sounds really good”.
   Dat was even wennen. “Thank you, Debbie”.
   Eindelijk was het ijs een beetje gebroken, besefte Chapman.
 
De Australiër wist met zijn aanpak opnieuw de hoogste regionen in de platenbusiness te bereiken. Het eerst scoorde hij in Nederland, waar ‘Denis’ op nummer één gestaan had. Blondie’s versie van de Buddy Holly-song ‘I’m gonna love you too’ haalde alleen bij ons de top tien.  
   ‘Heart of Glass’, de eigen song van Debbie en Chris, door Mike Chapman bewerkt, leverde Blondie voor het eerst een hitsingle in Amerika op – in 1979. En zoals gebruikelijk bij Mike Chapman was zijn aanpak meteen goed voor de nummer één-positie.
   Blondie wist zich nu eindelijk een toppositie in de muziekmarkt te verwerven. Binnen een paar jaar volgden andere Amerikaanse nummer één-hits als ‘Call me’, ‘The tide is high’ en ‘Rapture’. De albums ‘Parallel Lines’ en ‘Autoamerican’ waren eveneens bestsellers. Totdat de groep uit elkaar viel.
 
In 1982 verklaarde Chapman: “Debbie Harry, I must say, has become the most important artist I’ve ever worked with in my life, both as a friend and as an artist. It went from those very awkward first moments to being a relationship and a friendship”.
 
 
Racey
 
 
Terwijl Mike Chapman zich nu vooral bezig hield met de Amerikaanse en internationale muziekmarkt, bleef hij ook ‘gewone’ hits maken in Europa.
   Een nieuwe act in Engeland heette Racey. De eerste single, ‘Baby, it’s you’ van Smokie-zanger Chris Norman, mislukte. Chinn en Chapman werden door Mickie Most benaderd om materiaal te leveren. Met ‘Lay all your love on me’ was het meteen raak. In Nederland bereikte Racey met die song de nummer één-positie in de top 40.
 
 
333 5 Racey
 
Chapman: “We write these songs, Mickey cuts them – and that’s fine. It’s fun for us. I like writing those tight pop songs – and, God knows, they sell. I mean, I’m not crazy about some of the records”. De tijden waren veranderd. Mickie Most had Chinnichap nu nodig voor zijn imperium. Hoe groot de afstand was bracht Chapman naar voren met de opmerking: “Racey...I don’t know what Racey is. I have never seen them, never even talked to them”.
   De jongens van Chinichap konden eindelijk hun nummer ‘Some Girls’ slijten. In de uitvoering van Racey werd het in diverse Europese landen een waardige opvolger van ‘Lay all your love on me’.
   Een van de songs die Chinnichap voor Racey schreef, ‘Kitty’, werd een paar jaar later onder de titel ‘Mickey’ voor Toni Basil een internationale hitsingle (maar nauwelijks in Nederland).
 
 
Tanya Tucker
 
 
Mike Chapman probeerde zijn ‘Europese’ songs nu ook uit voor de Amerikaanse muziekmarkt. Hij zette de Smokie-hit ‘Lay back in the arms of someone’ in 1979 op de plaat met country-zangeres Tanya Tucker. Dat was blijkbaar ‘een brug te ver’. ‘Lay back in the arms of someone’ werd geen succes in de VS. Een andere Chinnichap-song van het album ‘Tear me apart’, de titelsong, leverde evenmin de airplay/verkoop op die men ongetwijfeld verwachtte.
   In 1982 legde Chapman uit waarom het fout gegaan was. “I had been aware of Tanya for a long time, I’d been a fan of hers, and I’d been wanting to record her, because she has what I considered to be one of the best voices in the world, an incredible voice.
   So when the opportunity came to produce her, I was thrilled. But it was at a time when my marriage was in the process of falling apart. So I made a wonderful album with Tanya, but unfortunately, the whole thing became too personal because Tanya and I got involved with each other. We both lost direction”.
   Dat zou hem nooit meer overkomen. “We were in the studio as lovers rather than record producer and artist, and that’s a mistake I will never in my life make again. I’ll never get involved with one of my artists again, because it’s too dangerous. I can’t be objective enough, I lose my perspective – the Tanya Tucker album is a nice album, but it didn’t mean anything to Tanya, or anything to me in the long run, or to Nicky. A couple of our songs are on there, but basically, it was a waste of time”.
   Mike Chapman bleek een mens te zijn. Bovendien was Tanya Tucker een zangeres die ondanks haar jeugdige leeftijd (21 in 1979) al heel wat hits op haar naam had staan. In tegenstelling tot die andere acts was de country-zangeres niet de geflopte artiest die eindelijk eens geholpen moest worden.
   Chapman in 1982: “It was a pretty disastrous time in my life, between August 1979 and January 1980, and anything I made in that time was a disaster”.
 
 
Dreamland en RSO (Robert Stigwood)
 
 
333 6 Dreamland
 
Een andere mislukking in die tijd was de opzet van een eigen label, Dreamland. Chinn en Chapman besloten in zee te gaan met de Amerikaanse organisatie van Robert Stigwood, die zich in de tweede helft van de jaren zeventig onder meer presenteerde met de filmsoundtracks van ‘Saturday Night Fever’ en ‘Grease’.
   Al Coury, de Amerikaanse directeur van RSO Records, leek in 1980, nadat die albums hun beste tijd eindelijk gehad hadden, de ideale partner om samen mee op te trekken. In maart van dat jaar werd een contract getekend waarbij Dreamland in de VS gelanceerd werd met artiesten als Shandi, Spider, Holly Penfield, Nervus Rex, Michael DesBarres en Suzi Quatro.
   Maar op het moment dat RSO van start moest gaan zakte de platenmarkt in elkaar. PolyGram, met Robert Stigwood eigenaar van RSO, was gedwongen ingrijpende maatregelen te nemen zodat de aanpak van Dreamland niet van de grond kwam. Driekwart van het personeel van RSO vloeide bijvoorbeeld af. Werken aan nog onbekende acts was er nauwelijks bij.
   In 1981 stapten Nicky en Mike dan ook naar het hooggerechtshof in Californië om hun (financiële) gram te halen. Ze vroegen een schadevergoeding van 7,5 miljoen dollar.
 
 
Mike Chapman en Holly Knight
 
 
RSO was bereid geweest flink in de buidel te tasten vanwege de enorme reeks successen die Mike Chapman jaar in jaar uit had weten te creëren. Zijn laatste aanwinst in die reeks was ‘My Sharona’ met de nog onbekende groep The Knack uit Los Angeles, een single die wekenlang op de bovenste plaats van de hitlijsten gestaan had.
   Maar in 1981, na het debacle van Dreamland, moest Chapman een nieuwe draai aan zijn leven geven. Die vond hij in de groep Spider. Holly Knight, de zangeres, bleek hem te evenaren in het schrijven van sterke songs. Op haar eigen website is te lezen: “Holly Knight has had a wild 36-year ride in the music business that ignited when she first met songwriter/producer Mike Chapman with her band Spider. Citing Chapman as her mentor, together, they penned Spider’s single, ‘Better Be Good To Me’, which music icon Tina Turner recorded six months later on her 1984 multi platinum album, ‘Private Dancer’. It won a Grammy for Record of the Year.
   Knight’s meteoric rise to success continued when she wrote the chart-topping, ‘Love Is A Battlefield’ and ‘Invincible’ for Pat Benatar, ‘The Warrior’ for Patty Smyth, ‘Change’ for John Waite, ‘Baby Me’ for Chaka Khan, ‘Never’ for Heart and ‘Pleasure And Pain’ for Divinyls".
 
 
333 7 Holly Knight
Holly Knight
 
 
Einde van Chinnichap
 
 
Holly Knight gaf het aan: samen met Mike Chapman leverde de zangeres songs voor diverse Amerikaanse artiesten. Pat Benatar, bekend van hitjes als ‘Heartbreaker’ (1979), ‘Hit me with your best shot’ (1980) en ‘Shadows of the night’ (1982), zette bijvoorbeeld in 1983 de Chapman/Knight song ‘Love is a battlefield’ op de plaat. De single leverde de rockzangeres voor het eerst een wereldhit op – met een nummer één notering bij ons in Nederland.
   Van ‘Love is a battlefield’ werd een video-clip gemaakt. Een nieuw tijdperk was aangebroken, dat van Sky Channel en MTV (Music Tele Vision).
   Chapman was al eerder, nog met Nicky Chinn, als producer in de weer geweest voor Pat Benatar. Op haar eerste album had hij nieuwe versies gemaakt van eerdere songs die ze samen voor The Sweet en Smokie geschreven hadden zoals ‘If you think how to love me’. Maar langzamerhand kwam er een einde aan de samenwerking met Nicky Chinn en aan zijn succes als platenproducer.
   Misschien had Chapman wel te veel hooi op zijn vork genomen, bijvoorbeeld door samen met Chin een eigen platenlabel te beginnen. In 1982 legde hij uit: “It may be that we’ve been spreading ourselves a little too thin. We were signing too many people too quickly. Years ago, we got used to having 100 per cent success rates, and now we have to get used to the fact that we are a record company, and record companies don’t have 100 per cent success rates, it’s only small companies like Chinnichap that can achieve that. So were going to fail with certain artists, there’s no avoiding that”.
 
Mike Chapman zag tevens zijn beperkingen in. “I’m still not an album producer, not a great one, because I don’t have the patience. If I’m making an album now, I like to make an album with some sort of concept to it, but it has to include hits. I could never go to the studio and record a band that was totally involved in abstract music. I have to have a reason to produce music, and that’s either got to be that it’s going to be a hit or a creative masterpiece which may not have a hit single on it, but will go to number one as an album”.
   Met die oriëntatie deed hij niet wat de Amerikaanse platenmarkt vroeg. Singles waren er wel uitermate belangrijk maar niet meer als doel op zich. Ze waren er ‘verworden’ tot gangmakers voor albums. En dat was iets waar Chapman zich nooit bij had thuisgevoeld. Maanden in de studio doorbrengen voor het produceren van een album, daar was hij niet voor in de wieg gelegd.
 
In 1982 – het zat er al een tijd in – kwam er een einde aan Chinnichap zoals Nicky en Mike dat begin jaren zeventig hadden opgezet. Door die verandering begon er een nieuw muzikaal leven voor Mike Chapman.
 
 
Andere tijden
 
 
333 8 Chapman Michael Agnetha Michael Tretow
vlnr technicus Michael Tretow, Mike Chapman, Agnetha Fälstkog
 
 
Een van zijn nieuwe projecten was het solo-album dat Agnetha Fälstskog opnam nadat ze bekend gemaakt had dat ABBA er tijdelijk mee gestopt was. In haar boek ABBA van binnenuit liet de Zweedse zangeres vastleggen: “Agnetha en de platenmaatschappij hadden lang nagedacht voor ze Mike Chapman kozen. Zij vond het een goede keuze omdat hij veel ervaring had als de ene helft van het bekende duo Chinnichap, dat hij samen met Nicky Chinn vormde.
   Mike was een pragmatische producent die Agnetha’s suggesties zo goed als altijd overnam. Agnetha en Mike hadden allebei een goed gevoel voor nuances en zaten vaak op een lijn.
   Agnetha werkte geconcentreerd en nauwkeurig, tot op het pietluttige af. Ze luisterde naar de opnames en zong weer verder. Ze had zelf ervaring als producent, dus ze kende het klappen van de zweep.  Ze wist precies wanneer het goed was. Ze werkte ruim vijftien uur achter elkaar, iedere dag.
   In het intensieve tempo dat ABBA aanhield had Agnetha geen inspraak gehad, maar nu ze haar eigen LP na ABBA uitbracht, had ze dat wel. Althans, gedeeltelijk. In ieder geval kon ze een thuiswedstrijd spelen.
   ‘Wrap your arms around me’ werd in mei 1983 in Zweden uitgebracht, daarna in Amerika en de rest van de wereld. In het eerste jaar werden er al 1,2 miljoen exemplaren van het album verkocht”.
   Zo’n tekst is maar moeilijk te rijmen met de manier waarop Chapman in 1982 over zijn eigen loopbaan praatte.
 
De muziekwerelden van de VS en Europa verschilden nogal van elkaar. Het repertoire van Chinnichap was wezenlijk anders dan de songs waar Mike mee voor de dag kwam. Dat wil echter niet zeggen dat zijn sterke liedjes vergeten werden. Evenals de composities van ABBA bleven ze steeds opduiken, totdat de dag van vandaag.
   In 1995 bijvoorbeeld bracht Peter Koelewijn onder het pseudoniem Gompie een nieuwe versie uit van Mike Chapman’s ‘Living next door to Alice’, origineel van Smokie. De productie van Rob Peters leverde Peter zelfs een positie op in de Britse hitlijsten. Het was meer dan een grapje. Bij zijn optredens heeft de nu 76-jarige Koelewijn het nog steeds in zijn repertoire. Sterke liedjes gaan niet zo snel verloren…
 
 
Harry Knipschild
30 juni 2018
  
 
Clips
 
 
Literatuur
Harold Bronson, ‘Mike Chapman, producer’, New York Rocker, September 1978
Nick Kent, ‘Blondie: Parallel Lines (Chrysalis)’, New Musical Express, 9 september 1978
Harry Doherty, ‘Chinn & Chapman: Ballroom Blitz & Hearts of Glass’, Melody Maker, maart 1979
Rosalind Russell, ‘Blondie: Gimme Shelter’, Record Mirror, 16 augustus 1980
‘Dreamland Records sues RSO for $7.5m’, Record World, 22 augustus 1981
John Tobler, Stuart Grundy, ‘Chinn and Chapman’, The Record Producers, 1982
Roy Trakin, ‘Pat Benatar: Seven the Hard Way’, Creem, april 1986
Brita Ahman, Agnetha Fälstskog. ABBA van binnenuit, Haarlem 2009
Website Holly Knight, 2018