Zoeken

 

Honderd negentig jaar geleden, in 1814, gaf de Chinese keizer Jiaqing (1799-1820) duidelijk zijn mening over opium: “Opium is ontzettend giftig. De mensen die het gebruiken deinzen voor niets terug om er aan te komen. Wie er aan verslaafd is, gaat er langzaam aan onderdoor en zal uiteindelijk sterven”. De beste manier om de verslaving te bestrijden, aldus de keizer, is om alles te doen om de import tegen te gaan. Jiaqing: “Opium wordt met schepen van buitenlandse barbaren naar Canton gebracht en vandaar door heel het rijk gedistribueerd. Buitenlandse handelaren schenden onze wetten door de opium aan onze kooplieden te verkopen. Ze moeten worden opgespoord en gestraft”.

 

Jiaqing
 

Aan het einde van de achttiende eeuw kreeg de Britse East India Company het grootste deel van India in handen. De Britten hadden hun hoofdstad in het oostelijk gelegen Calcutta, aan de monding van de Ganges; aan diezelfde rivier lag ook Patna, het centrum van de Indiase opiumwereld. In het Verre Oosten lonkte het rijke China met honderden miljoenen inwoners. In eerste instantie had alleen de Chinese bovenklasse, vooral provinciale en regionale bestuurders, de financiën om het genotmiddel te kopen, te gebruiken en er verslaafd aan te raken. Maar toen Britse handelaren en Chinese smokkelaars de aanvoer gingen opvoeren en de prijzen dus kortstondig daalden, groeide het aantal gebruikers in rap tempo. In 1837 was de totale waarde van de export uit India ongeveer negen miljoen Engelse ponden, bijna drie miljoen van de opbrengst kwam tot stand door de export van opium naar één land: China.

 

Oorlog om de handel in opium, 1839-1842 en 1856-1860

 

Daoguang, de nieuwe keizer (1820-1850), stuurde een sterke man naar Canton, Lin Zexu, om voorgoed aan einde aan die wantoestand te maken. Lin constateerde dat bijna tachtig procent van alle Chinese ambtenaren intussen in meer of mindere mate verslaafd was. Als gevolmachtigd vertegenwoordiger van de keizer pakte hij de zaak resoluut aan, misschien wel te resoluut. Want toen hij de kostbare handelswaar confisqueerde en vernietigde, verklaarde de Engelse regering de oorlog aan het ‘Rijk van het Midden’. De Opium Oorlog (1839-1842), waarbij Londen een vloot naar Oost-Azië stuurde, werd een overwinning voor de Europese grootmacht. In het verdrag van Nanjing (1844) werd de Chinese regering gedwongen om niet alleen de import van opium te legaliseren, maar ook een aantal havens open te stellen voor de buitenlandse handel en het eiland Hongkong aan de Engelsen af te staan.

   Twaalf jaar later kwam er een tweede grote oorlog, deze keer ook met de Fransen, nadat de Franse missionaris August Chapdelaine in Zuid-China vermoord was. De Qing-dynastie werd in deze periode van alle kanten belaagd: van binnenuit door burgeroorlogen, vanuit het noorden door de Russen, en vanaf zee door de Fransen en Engelsen. Het leek er even op dat de dynastie aan zijn einde gekomen was, maar door aan een groot aantal onmogelijke eisen toe te geven, in de zogenaamde Ongelijke Verdragen (1860), konden de regerende Manchus hun bewind nog tot 1911 voortzetten. Een van de eisen, die werden ingewilligd, was de formele toestemming om missionarissen en zendelingen onder keizerlijke protectie in het binnenland toe te laten.
 
 
1-2 oorlog
Opiumoorlog
 

Missie komt onvermijdelijk in aanraking met opium

 

Al voor de Opium Oorlog van 1839 waren gedreven zendelingen, zowel katholiek als protestant, actief langs de Chinese kusten. Predikers als de Pruis Karl Gützlaff reisden meestal mee in de schepen die opium vervoerden en ze werden in hun missie-optreden gesponsord door handelsmaatschappijen die hun inkomsten te danken hadden aan de lucratieve opiumhandel. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat in de ogen van menige Chinees christendom en opium onlosmakelijk met elkaar verbonden waren.

   Ook na de verdragen van 1860 bleven de missionarissen zich verplaatsen met opiumschepen. De eerste Scheut-karavaan (1865), bestaande uit Verbist, Vranckx, Van Segvelt, Hamer en hun helper Paul Splingaerd, legde het laatste stuk van de zeereis, van Shanghai naar Dagu, af in het Engelse stoomschip de Gérard, met aan boord vijftig kisten opium. Ook de tweede Scheut-karavaan, met Verlinden, Guisset, Meyer en Thijs, maakte de reis tussen de kisten opium. Op 24 oktober 1866 schreef Remi Verlinden in Hongkong aan zijn broer: “In de buurt van mijn cabine bevond zich een lading opium met een waarde van zeven miljoen francs [ongeveer 1,6 miljoen euro]. Alleen al de vrachtkosten bedragen zeshonderdduizend francs. De eigenaren van deze handelswaar waren drie Perzen, aanbidders van de zon, de echte joden van het Oosten. […] Hun opium was niet verzekerd, je had ze moeten zien tijdens de orkaan!”

 

Eenmaal aan land gekomen werden de missionarissen zozeer met opium geconfronteerd, dat ze vaak alleen nog maar terloopse opmerkingen in hun brieven aan het thuisfront maakten. Zo schreef Ferdinand Hamer begin 1867 over de gemeenschappelijke ‘kang’ in de Chinese herbergen: “Sommigen slapen er, anderen praten er met elkaar, weer anderen eten er en er zijn er ook die opium roken”. Dat gebeurde dus gewoon in het openbaar. De paters, die overigens zelf sigaren rookten en regelmatig een pijp opstaken, deden er alles aan om hun bekeerlingen van de opium af te krijgen. Dezelfde Hamer kreeg dat voor elkaar met belonen en dreigen. Zusters uit een huis van de Heilige Kindsheid beloofde hij mooie gekleurde prentjes als ze een tijd lang van de opium afbleven, in de hoop dat ze het dan verder wel zouden laten. Maar ook dreigde hij in de biecht geen absolutie meer te geven als hij mogelijkheden zag om zijn gelovigen op die manier van de opium af te houden en weer gezond te maken.

   De paters waren zich terdege bewust van het kwaad dat door de opium werd aangericht; bovendien zagen het als een belemmering voor hun missiewerk. Scheutist Gerard Muiteman meldde in 1874 heel duidelijk: “Opium, dat verschrikkelijk gif, volgens mij door de duivel in eigen persoon uitgevonden, heeft zo’n vreselijke uitwerking op de mensen, zowel op het lichaam als op de ziel, dat het door de missionarissen als een van de grootste obstakels voor de bekering van de Chinezen gezien wordt. En wat nog erger is: als je er aan verslaafd bent is het bijna onmogelijk, maar in elk geval buitengewoon moeilijk om er weer vanaf te komen”.

 

Gansu, epicentrum van opiumteelt

 

In 1878 werd de missie van Scheut uitgebreid met een gigantisch gebied in het binnenland van China, de huidige provincies Gansu, Qinghai en Xinjiang. De jonge bisschop Hamer (38) en zijn medebroeders Gueluy, Van Ostade en Jansen reisden naar Lanzhou, de hoofdstad van Gansu, en hadden al snel in de gaten dat zij in het epicentrum van de opiumteelt terecht waren gekomen. Opium was intussen in economische zin steeds belangrijker geworden. In juni 1890 deed de Scheutist Cyril Van Belle (Gansu) er in het missieblad Missiën in China en Congo verslag van: “Al in 1854 was de handel opgelopen tot 170 miljoen franc [± 40 miljoen euro] en na de oorlog van 1860, toen de invoer door de Engelsen helemaal geforceerd werd, steeg de waarde tot 220 miljoen. Het Rijk der Bloemen is intussen herschapen in een opiumveld”.

   Van Belle vertelde dat de Chinezen op het idee waren gekomen om de opium niet alleen te importeren, maar de papaverplant zelf te gaan telen. “De Chinezen zijn begonnen met heul te zaaien en tegenwoordig wordt hij in heel het land gekweekt. Die plant groeit hier zeer goed. Wanneer zij in bloei staat lijkt heel de streek op een onmetelijke bloementuin die het oog verrukt, maar tegelijk tot verdriet stemt; er steekt immers een dodelijk gif in de bontgekleurde kelken”.

 

In Gansu was de akkerbouw voor een niet onaanzienlijk gedeelte vervangen door het kweken van de lucratieve opiumplant. Een papaverveld bracht driekeer zoveel op als een gewone akker. Dat ging niet altijd goed. In een periode van droogte was er misschien wel voldoende papaver, maar bijvoorbeeld in 1878 stierven de mensen mede van de honger omdat er onvoldoende voedsel verbouwd werd. Voor de Scheutisten die zich in Gansu vestigden om daar de missie te bedrijven was het kweken, het handelen en het gebruiken absoluut taboe. Missionarissen weigerden de biecht aan diegenen die zich niet aan het verbod hielden. Dat zal het bekeringswerk in de Gansu-missie niet altijd gestimuleerd hebben. En niet zelden kregen zij en hun bekeerlingen het terechte verwijt te horen dat het juist de Europeanen waren die de opium aan China opgedrongen hadden. Het opiumverbod had nog een andere consequentie: de katholieken, diegenen die zich niet met het kostbare product bezig mochten houden, behoorden per definitie tot het armste gedeelte van de bevolking.

 

1-3 van belle
 

In zijn verslag van 1890 meldde Van Belle dat in Lanzhou, de hoofdstad van Gansu, driekwart van de mannen opiumgebruiker was. “Niet zelden is het jongens van 12 tot 15 jaar tegen te komen, bij wie je aan hun doods gezicht kunt zie hoe diep ze gezonken zijn. Sinds enige jaren ziet men ook menige vrouw de algemene mode volgen. En als niets de vooruitgang belet zijn binnenkort zelfs de kinderen in de wieg niet beschermd tegen die plaag. Wat een droevig toneel!”

 

Afkicken als missiemethode

 

De missionarissen van Scheut maakten in hun brieven regelmatig melding van opiumverslaafden die bij hun kwamen aankloppen om hulp. In een brief uit Gansu van 24 juni 1897, eveneens gepubliceerd in Missiën in China en Congo schreef Constant Daems, later algemeen overste van de congregatie, dat hij van de Franse zusters van Shanghai een middeltje in handen gekregen had om de verslaafden van hun ‘yin’ af te houden. Dat deed hij overigens niet zomaar. “Daar het middel alleen in de kerk te vinden is zijn de heidenen verplicht zich tot ons te wenden. Wij aanhoren hun vraag eerst nogal koeltjes. Om ons te overtuigen beginnen ze dan te spreken van bekeren. Als ze aanhouden nemen wij ze in onze residentie op gedurende twee of drie weken. Ze moeten dan beloven dat zij zich gedwee aan ons gezag onderwerpen. Intussen leren zij de catechismus. Op die manier hebben wij heel wat bekeringen tot stand gebracht”.

   Je kunt je afvragen of deze vorm van bekeren wel blijvend was. Daems stelde zichzelf deze vraag, en hij had er ook een duidelijk antwoord op: “Het lezen van de catechismus, waartoe wij hen aanzetten, doet in hun hart een zeker verlangen naar bekering ontstaan. Langzaam groeit hun verlangen, naarmate zij grondiger onderwezen worden. De ziel van de mens is nu eenmaal geschapen voor de waarheid, zoals zijn ogen voor het licht. Bovendien zijn die mensen wekenlang uit hun normale leefwereld gelicht. Ze wonen de diensten in de kerk bij, ze bidden gezamenlijk met onze katholieken en het duurt niet lang of ze beseffen hun waardigheid en hun plichten, ze voelen zich in zekere zin al christen. De goddelijke genade werkt op hun hart, de liefde van de christenen voor elkaar brengt die arme heidenen in verrukking. Meestal vragen de opiumverslaafden, als hun lichaam weer gezond is, of wij door middel van het doopsel ook hun ziel weer gezond mogen maken”

 

1-4 opium 3a

 

Afkicken in de moslimwereld van nu

 

Afkicken als missiemethode, het lijkt misschien archaïsch. Maar zo vreemd is het nu ook weer niet. Op 27 maart 2002 plaatste NRC Handelsblad het artikel ‘Privéhulp voor Pakistaanse junks’. Daarin beschreef Wim Brummelman een moslim-kliniek voor heroïneverslaafden, die gerund wordt door ‘haji’ Muhammad Shafiq (43), eigenaar van een computerwinkel maar ook algemeen secretaris van de ‘Hervorming van de Jonge Generatie’. In een ontwenningskliniek, drie kamers op de bovenste verdieping van een gebouw behandelt de stichting 43 verslaafden. Drie maanden lang mogen ze het pand niet verlaten. Om de ontwenningsverschijnselen tegen te gaan krijgen ze zo nodig homeopathische middelen die worden verstrekt door een arts. Elke ochtend voor zonsopgang staan ze op, douchen zich, bidden en luisteren naar de preek. Ze praten met elkaar, doen spelletjes en steunen elkaar bij het overwinnen van hun afkickverschijnselen. Dag en nacht brengen ze gezamenlijk door op hun drie kamers. Basis van de behandeling is de fysieke en geestelijke discipline die hun wordt opgelegd. ‘Haji’ Shafiq: “Zeventig procent van de verslaafden die de kliniek na drie maanden verlaten, is voorgoed van de verslaving genezen”.

 

De missiemethode van de Scheutist Constant Daems was in zekere zin zijn tijd een eeuw vooruit….

 

Harry Knipschild

28 december 2003

geplaatst in Verbiest Koerier, Leuven, 2004
 
Literatuur
Cyril van Belle, over opium, Missiën in China en Congo, nr 17, juni 1890, 257-264
Constant Daems, brief aan baron, 24 juni 1897, Missiën in China en Congo, nr. 109, februari 1898, 1-10
Hu Sheng, From the Opium War to the May Fourth Movement, Peking 1991
Wim Brummelman, Privéhulp voor Pakistaanse junks, NRC, 27 maart 2002

Clips
* Het leven in Hongkong, inclusief opium (aan het einde), 1952
* Jonathan Spence over China tijdens symposium, april 2013