Zoeken


 
In het kader van de ‘missieactie’ gaf de priestermissiebond in 1922 een boekje uit waarin H.A. Bijvoet (Haarlem) de belangrijkste organisaties en personen uit heden en verleden van de missie presenteerde. Er waren foto’s van onder anderen paus Pius XI, kardinaal Van Rossum, bisschop-martelaar Ferdinand Hamer en ruim een dozijn Nederlandse missiebisschoppen van dat moment in opgenomen.
    Bij de tekening op de omslag, eveneens van de hand van Bijvoet, was vermeld: “Het geloof in Christus moet over geheel de aarde heerschen. Het ontspringt als een bron aan den voet des Kruises en besproeit geheel de aarde. De duivel als vorst der duisternis, wil de wereld niet prijsgeven, maar wordt door den Aartsengel Michael, de verdediger der Kerk, overwonnen”.
 


Tekening van H.A. Bijvoet in missieboekje

 
In het boekje wees C.J. Zwijsen op het grote belang van de H. Kindsheid. “Dit genootschap, thans algemeen verspreid, deed zijn intrede in Nederland in het jaar 1849, toen het in de parochiekerk van ’t Heike te Tilburg door Mgr. J. Zwijsen werd opgericht. Hij, die dat vruchtbare zaadje naar Nederland overbracht, was de Hoog.Eerw. P.M.F. de Beer, eerste superior-generaal der fraters te Tilburg.
   Tijdens zijn noviciaat te Parijs en te Issy, had hij Mgr. Forbin-Janson, den oprichter van het toen nog jeugdige genootschap, leeren kennen en vormde aanstonds het plan om diens schoone werk naar Nederland over te planten. Dit geschiedde op bovenvermelden datum. Van uit Tilburg verspreidde zich het werk eerst over het diocees van Den Bosch, vervolgens ook over de andere bisdommen en bereikte zulk een bloei, dat de parochieën waar het niet is opgericht, en de kinderen, die er niet in opgenomen zijn, heden tot de zeldzaamheden behooren”.
 

Forbin Janson, de stichter

 
De Fransman Forbin Janson had vernomen dat kinderen met name in China op niet al te veel liefde konden rekenen. Menig kind zou kort na de geboorte te vondeling gelegd of door de ouders om het leven gebracht zijn. Als de katholieke kerk die kinderen vóór hun dood wist te dopen zouden ze rechtstreeks in de hemel belanden, was zijn redenering. En als ze in leven bleven konden Europese missionarissen ze in een weeshuis opnemen, gedoopte jongens en meisjes een katholieke opvoeding geven en hun later kinderrijke katholieke gezinnen laten stichten. Op den duur zouden er zo veel Chinese katholieken komen.
   Forbin Janson stichtte met dit doel in 1843 de Sainte-Enfance die in Nederland de naam Heilige Kindsheid kreeg. Missionarissen deden hun uiterste best zoveel mogelijk kinderen te redden. Ze waren zelfs bereid ze van hun ouders te kopen. Later werd deze methode ook elders in de (derde) wereld toegepast.
 

 
In Nederland kwam het goed uit dat ons land vanaf 1853 weer ging beschikken over een kerkelijke hiërarchie, met bisschoppen, parochies, pastoors en kapelaans. In elke parochie moest een afdeling van de H. Kindsheid komen. Iedereen die meewerkte werd beloond met aflaten. Hoe meer je deed hoe korter je na je dood in het vagevuur hoefde te branden. Dat was een aantrekkelijk vooruitzicht. De afdelingen van de H. Kindsheid schoten dan ook als paddestoelen uit de grond.
   De oprichting van zo’n afdeling ging meestal met de nodige feestelijkheden gepaard. Voor de kinderen was het een uitje en speciaal voor de meisjes een gelegenheid om mooi voor de dag te komen.
 

Neeritter, 8 juni 1873

 
Zo bijvoorbeeld in Neeritter bij Weert op 8 juni 1873. “Heden namiddag”, kon men later lezen in de Annalen van het genootschap der H. Kindsheid, “was het blijde uur geslagen, waarnaar Neeritter’s jeugd zoo lang verlangd had. Ten twee ure nam de schoone plechtigheid een aanvang. Eene schaar in ’t wit gekleede bruidjes, door een herderke aangevoerd, eene lange en blijde kinderenrij met sierlijke vaantjes in de hand, gevolgd door het zangkoor der kerk, alsmede door een vijftal geestelijken, trokken naar een, op korten afstand buiten het dorp gelegen, kapelletje.
   Daar stond tusschen het frissche loof, tusschen bloemen en vlaggetjes, het aanvallige beeldje van het kindje Jezus. Vier bruidjes namen het beeldje hier op, en nu toog de stoet onder klokkengelui en zang in plechtigen optocht kerkwaarts.
   O, hoe schoon was het onze feestvierende kleinen, als eene keurbende, rond het beeld van het kindje Jezus geschaard, met stille ingetogenheid, te zien tempelwaarts te gaan, terwijl hunne zoetluidende stemmen den naam van hunnen goddelijken kindervriend loofden en prezen. Alle toeschouwers waren gesticht, vaders en moeders waren overgelukkig.
   A. Meuwissen, kapelaan te Weert en bestuurder van het genootschap, besprak het doel en de voordeelen van het genootschap, terwijl hij tevens de ouders aanspoorde, om al hunne kinderen aan dit echt christelijk liefdewerk te laten deelnemen. Met gespannen aandacht werd hij aangehoord. Zijne aanmaning werd gretig ontvangen. De zegening der kinderen bracht op het gemoed van alle aanwezigen den diepsten indruk te weeg”.
 

Helden, 16 oktober 1881

 
In de loop van de negentiende eeuw kreeg het missiewerk steeds meer een krijgshaftig karakter. Dat valt goed waar te nemen in het verslag van de oprichting van de H. Kindsheid in Helden, bij Venlo. Ook hier de gebruikelijke processie naar de kerk. Maar de toon was anders dan in Neeritter.
   “Men verbeelde zich eene karavaan, die in slagorde gereed staat, om een heiligen krijg te gaan ondernemen. En waarlijk een oorlogskreet was er vernomen van uit het barbaarsche heidendom en had haar uitgedaagd, om voor de eer des konings, die Jezus is, ten strijde te trekken tegen den bloeddorstigen Herodes.
   Nadat de verschillende afdeelingen der karavaan voorzien waren van de noodige wapenen en den voorraad van levensmiddelen, werd het teeken gegeven en togen zij met heldenmoed bezield haren vijand te gemoet.
   Voorafgegaan door een vaandrig, snelden drie wapenbroeders vooruit, om in naam huns konings aan te kondigen, dat zij en al hunne volgelingen bereid waren te vuur en te zwaard zich te verdedigen. Onmiddellijk na hen volgden de dappere strijders, die als eene koninklijke lijfwacht gekleed, onder de banier van hunne machtige aanvoerders geschaard, zich vooruit bewegen, om met hunne ijzeren wapenen de boeien te verbreken, waarmede hunne arme medemenschen gekluisterd waren”.
 
Ook in Helden waren de meisjes in het wit uitgedoste bruidjes. In het verslag van de oprichting van de afdeling van de H. Kindsheid hadden zij echter ‘het besluit genomen, om onder hoede van een aanvoerster zich aan te sluiten bij hare wakkere broeders, ten einde hen aan te moedigen in den strijd’.
   In die jaren presenteerde de kerk zich in militante vorm. Dat gold bijvoorbeeld voor de missie van Steyl, eveneens in de omgeving van Venlo: “Wanneer een regerend vorst een expeditieleger uitrust tegen een overzeese vijand, zal dat leger groter moeten zijn, naarmate de uitgestrektheid van het te veroveren vijandelijk gebied groter is. Welnu, ook de Kerk heeft een vijandelijk gebied te veroveren dat zich uitstrekt over de halve aardbol. Kruissoldaten worden opgeleid en gevormd teneinde een bruikbaar keurkorps te leveren van geloofsverkondigers”.
 


Kruissoldaat in gevecht met de vijand

 

Het succes van de Heilige Kindsheid

 
De H. Kindsheid had een taak te vervullen en die was, zo kon men in het missie-actie boekje uit 1922 lezen, duidelijk omschreven:
   “Door gebeden en aalmoezen, vooral der kinderen, de arme verlaten kindertjes in de heidensche landen trachten te redden voor hun tijdelijk [aards] en eeuwig leven”.
   De middelen, meldde C.J. Zwijsen, waren “tweevoudig: een dagelijksch klein gebedje bestaande uit een ‘Wees gegroet’ met de aanroeping: ‘H. Maagd Maria, bid voor ons en voor de arme ongeloovige kindertjes’, en een bijdrage van 2½ cent per maand. Die kleine bijdrage van duizenden kinderen vormt jaarlijks een aanzienlijke som.
   Nemen wij b.v. het jaar 1920. In dat jaar bracht de H. Kindsheid in Nederland op: de kapitale som van 670.000 francs [ruim 150.000 euro] en over geheel de wereld 8.000.000 francs. En dat alles saamgebracht door de halve stuivertjes, die de kinderen op hun snoeperijen uitsparen!”.
 
Dank zij de H. Kindsheid, ‘werden in 1921 400.000 kinderen gedoopt (meest in stervensgevaar) en 450.000 kinderen in weeshuizen opgevoed. Voorwaar, uitkomsten, wel in staat om den ijver aan te wakkeren. Aan duizenden en duizenden kinderen was de eeuwige zaligheid bezorgd. En wie een ziel redt, redt ook de zijne’, aldus pater Zwijsen...
 
Harry Knipschild
26 december 2008 – 29 februari 2016
 
Dit artikel werd eerder gepubliceerd op de website www.katholiek.nl