Zoeken


 
 
In de tweede helft van de negentiende eeuw werd Afrika in zekere zin opgedeeld onder allerlei Europese staten. Vooral de Fransen en Britten waren actief in het zwarte continent. Omdat E.H. Hewett te laat in Kameroen arriveerde kwam dat gebied echter in Duitse handen. De Britse consul ging de geschiedenis in als ‘Too-Late Hewett’. Een merkwaardige bijnaam.
   De situatie veranderde als gevolg van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Toen werden de Duitsers uit Kameroen en andere koloniën verdreven. Het land werd een protectoraat van de nieuw-gestichte Volkenbond. Vooral de Fransen kregen het nu voor het zeggen in het voormalige Duitse territorium.
 

Duitsers weg uit Kameroen

 


Mgr. Vieter

 
De Duitser Heinrich Vieter (1853-1914) was de pionier van de missie in Kameroen. Op 22 januari 1905 werd Vieter in de kathedraal van de Duitse stad Limburg tot eerste bisschop van Kameroen gewijd. Vanwege de oorlog moesten de Duitse paters (Pallottijnen) in 1916 uit de kolonie verdwijnen. Het duurde nog zes jaar, tot in 1922, alvorens nieuwe missionarissen het bekeringswerk opnieuw vanuit Europa konden oppakken. Dat waren de paters van de Heilige Geest. Die congregatie was in 1703 gesticht door de Fransman Claude François Poullaert des Places.
   Ook Nederland was vertegenwoordigd in het verre land. De congregatie was in Nederland onder meer in Weert gevestigd. In de Limburgse stad werd de ‘Bode van den H. Geest’ maandelijks uitgegeven. In het nummer van augustus 1933 kon men er lezen hoe populair de biecht wel was bij de Ewondo’s in Kameroen. Een pater omschreef het treffend: “In onze missies komt men te biechten, zoals men in Europa naar de bioscoop gaat”. Het waren de dagen van de doorbraak van hét nieuwe amusementsmedium, de sprekende film. De pater van de Heilige Geest liet zijn moeder weten: “Ik kan het niet lang maken met schrijven. Vóór overmorgen moet ik nog meer dan duizend biechten horen”.
   In het binnenland van Kameroen waren geen biechtstoelen. Daarom zochten missionaris en bekeerlingen samen naar een geschikte lokatie. In een garage stond een vrachtauto. Als de pater in de kabine van het stilstaande vehikel plaatsnam kon die dienen als plek om te luisteren naar de zonden van de Afrikanen. Bij nader inzien bleek dat niet zo praktisch te zijn. De priester stapte weer uit en ging op de treeplank van de Buick zitten. Zo hoorde hij, aldus het verslag in de bode, de biecht van de christenen. Die kwamen één voor één op de grond voor hem neerknielen.
 

 34 2 Claude François Poullart des Places

Claude François Poullaert des Places

 

Sacrament van het huwelijk

 
Meer problemen leverde het sacrament van het huwelijk op. Daar kon je over lezen in de rubriek ‘Penneschetsjes uit Kameroen’. De paters Braun en Valkering deden verslag van hun wederwaardigheden. Het leek erop dat ze niet goed wisten wat ze aan hun lezers nu wel of niet moesten vertellen. “Wat hoort u het liefst?”, stond er afgedrukt. “Dat de negers nog altijd zwart zijn en achterlijk en dat ze ook heden nog niet volgens alle voorschriften gekleed zijn? Goddank dat achterlijkheid en armoede hen niet verhindert om christen te worden”. De drang om zich te bekeren tot het ware geloof was volgens de missionarissen zo groot dat ze eisen konden stellen. De bekeerlingen moesten meehelpen de missie uit te bouwen. Alvorens gedoopt te worden deden ze zelfs examen in de katholieke leer.
   “Op zon- en feestdagen wemelt het van de mensen. De kerk zit op zondag tweemaal volgepropt als een vat haring. Om zes uur en om acht uur ’s morgens. Op feestdagen moeten drie missen gelezen worden. In de week voor grote katholieke feesten lijkt het een volksverhuizing. De mensen moeten soms vijf uur lopen om hier in Omvan te komen”.   
 
Eén van de meest heikele punten in de verkondiging van het geloof onder de Afrikanen was de huwelijksethiek. “De negers blijven trouw aan het geloof”, meldde de Bode van den H. Geest, “maar zo velen vallen in heidense gewoonten terug. Ze volgen dikwijls de begeerlijkheid van het vlees. Dat is het zwarte punt in het leven van de neger. Hij heeft geleerd en wist, vóór hij gedoopt werd, dat men maar eenmaal tegelijk huwt en slechts één vrouw. Maar vroeger hebben zij dit nooit gedaan. Veel ongedoopten geven nog zo’n slecht voorbeeld op dit punt. Voor ons is het steeds waken en preken. Het zou te mooi zijn als zij allemaal engelen waren na hun doop”.  
   Het invoeren van het monogame huwelijk was verre van eenvoudig, constateerden de Europeanen die in Afrika de beschaving importeerden: “Mijnheer heeft misschien al vijf, tien of twintig vrouwen. Op één na moeten die voor de doop ergens anders onderdak gebracht worden. En mejuffrouw negerin is misschien al hoeveel keer van echtgenoot verwisseld. Had zij een rechtmatige man? Want de vrouw heeft bij de heidense huwelijkssluiting weinig in te brengen. Zij wordt eenvoudig aan de meest biedende verkocht”.
 
Het roomse geloof bracht voordelen aan het zwakke geslacht. “Eerst in het christendom beginnen de vrouwen te weten dat zij ook nog een woordje mee te spreken hebben. Ze mogen zelfs ja en nee zeggen. Velen hebben het zelfs te goed begrepen. Om een kleinigheid werpen ze hun [potentiële echtgenoot] in het gezicht: ‘Ik wil je niet’”. Was de geïmporteerde huwelijksmoraal een reden voor vrouwen zich tot het katholieke geloof te bekeren?
   Volgens de pater die de missiebrief uit Kameroen in 1933 liet afdrukken moest je nu ook weer niet te zwaar tillen aan de houding van de vrouwen tijdens het sacrament van het huwelijk. “Zij willen zich alleen eens laten gelden. Ze willen wel eens zien of hun verloofde ook echt van hen houdt. Men moet niet vergeten dat ruzies in het negerleven thuis horen als het zout in de soep. Ruzies maken is voor hen een genot”.
 

Een nieuwe rok

 
Toch had de missionaris nog een interessante ervaring te vertellen. Onlangs had hij op één dag acht huwelijken ingezegend. Althans dat was de bedoeling. “Ik had me goed voorbereid. Maar op de grote ochtend ontbrak er een paartje. Ik trouwde de zeven aanwezigen. Na de Mis vertoonde zich het ontbrekende paar”. Man en vrouw hadden ruzie. “De vrouw was woedend. Ze verweet haar man: ‘Kan ik me laten trouwen? Kijk, alle andere vrouwen hadden een nieuwe rok. Ik niet’”.  
   De missionaris adviseerde de bruidegom die zelfde dag nog een rok voor zijn toekomstige vrouw aan te schaffen. “Een man als hij kon dat toch best doen. Mijn raad scheen aangenomen te zijn. De volgende morgen knielden beiden aan de trappen van het altaar. Ik merkte dadelijk dat de vrouw dezelfde oude rok droeg. Des te beter als het nu weer goed is tussen die twee, dacht ik.
   Maar dat had ik mis. Toen ik aan de vrouw de vraag stelde: ‘Wilt u met deze man trouwen’ – geen antwoord. Ik stelde de vraag nog eens en nog een derde keer. Niets! Ik stond vertwijfeld te kijken. Opeens zei ze hardop: ‘Ik wil niet voordat ik de rok heb!’ Vlug stond ze op en vloog de kerk uit.
   Pas vier weken later zijn ze getrouwd. Binnen haar eigen familie wachtte de vrouw eerst op haar nieuwe rok. Zij kreeg hem. Zo heel dom was zij niet. Want na het ja-woord had zij waarschijnlijk lang op een andere rok kunnen wachten”.
   Dankzij het katholieke huwelijk had de vrouw dus wat bereikt.
 


 
De paters moesten zich regelmatig achter hun oren krabben om iets te begrijpen van de huwelijksethiek in Kameroen waar ze gestationeerd waren. En ook andersom: de inboorlingen begrepen niets van de Europese praktijk. “Als men hier vertelt dat de ouders hun dochter een bruidschat meegeven, dan lachen de negers. Hier wordt de vrouw gekocht. Dat hebben wij tot nu toe moeten dulden. Deze handel geeft aanleiding tot ontelbare twistgesprekken. Als men gelooft dat alles goed geregeld is, dan duiken opeens vader of broer op. Of de voormalige man. Of zijn broer als die dood is. Dan worden er nieuwe eisen gesteld. ‘Het was geregeld voor vijf geiten. Ik heb maar twee geiten gezien’”. Dat moest die Nederlandse pater van de congregatie van de H. Geest uit Weert maar weer allemaal rechtpraten.
   In afwachting van de grote dag werden de toekomstige katholieke bruiden vaak in quarantaine geplaatst op de missiepost. Drie tot zes maanden verbleven ze in het zogenaamde bruidenhuis. “Daar worden ze goed onderricht en een beetje opgevoed. Zo zijn zij vóór de huwelijkssluiting aan het gevaar van vele zonden onttrokken”, kon men in de bode lezen.
 
Waar een missionaris zich niet allemaal mee bezig moest houden. En was hij voor deze problematiek wel geëquipeerd? Aan zijn verslag met alle moeilijkheden bij de voltrekking van het sacrament van het huwelijk was dan ook nog lang geen einde gekomen. Zoveel viel er te regelen in de missie van Kameroen.
 
Harry Knipschild
21 februari 2012 – 8 februari 2016

Clip

* Johannes Paulus II in Kameroen, 1995
 
Dit artikel werd eerder geplaatst op www.katholiek.nl