Zoeken

 

 
Op 26 december 2004, tweede kerstdag, werd de wereld opgeschrikt door een enorme vloedgolf bij het eiland Sumatra die honderdduizenden doden tot gevolg had. Iedereen had ineens het woord ‘tsunami’ in de mond. Het was werkelijk een onvoorstelbare ramp voor grote delen van Azië. Dankzij de moderne media kon je die helemaal meebeleven. Anno 2015 hoef je niemand meer uit te leggen wat een tsunami is.
   Een vloedgolf in Azië was op zich zelf niets nieuws. Maar vroeger hoorde je er in het westen niets van of soms pas heel veel later. Missionarissen die zich in dat deel van de wereld bevonden maakten het echter aan den lijve mee.  Eén van hen was Engel van Baar (Hensbroek 1898 – Epping, Australië 1989), lid van de S.V.D., de missie van Steijl bij Venlo. In 1973 legde de pater in een interessant document vast wat hij in zijn missiejaren allemaal beleefd had. Ingeborg Hoogland-Van Dam werkte het levensverhaal van haar heeroom uit.  

 
Tsunami 2004
 
 
Bouwactiviteiten
 
 
Op 27 september 1924 vertrok Engelmundus van Baar na een korte taalstudie vanuit de Engelse havenstad Liverpool naar zijn missiegebied: het oosten van Nieuw Guinea. Tot aan de eerste wereldoorlog was dat een kolonie van het Duitse keizerrijk geweest. Maar na de Duitse nederlaag in de ‘grote oorlog’ wees de Volkenbond het als mandaatgebied toe aan ‘Brits’ Australië. Het westelijk gedeelte was in die tijd een onderdeel van Nederlands-Indië.
   Op zijn missiepost in Sapara had Van Baar het maar druk met aardse activiteiten. “De huizen waren niet sterk genoeg omdat de witte mieren hun best deden het hout op te vreten. We konden niet verhinderen dat we geregeld opnieuw moesten bouwen. Zo blijft het werk in de wereld zegt men wel eens.
   Eind 1929, begin 1930, werd er gewerkt om genoeg hout uit het bos te halen voor een nieuwe kerk en een nieuwe missieschool. De kerk moest veel groter worden dan de vorige. Want in de loop van de laatste jaren waren er veel bekeringen en doopsels geweest. Voor de grote feestdagen kwamen er bovendien veel katholieken, ook van andere missie-staties, naar de hoofdstatie om die feesten te vieren.
   Net als vroeger hielpen de mensen met het kappen en halen van hout. Een heleboel bamboe werd klaar gemaakt om, gevlochten, als wanden te dienen. Het lange gras, kunai, werd op de grote grasvelden uitgetrokken, in de zon gedroogd en in grote, zware bundels gebracht [voor de daken].
   Maar het onderwijs en de instructies aan bekeerlingen, klein en groot, ging gewoon verder. Ik liet niet na al deze plaatsen te bezoeken. In 1930 zouden weer velen gedoopt kunnen worden en de kinderen hun eerste heilige communie ontvangen”.
 
Vooral de kerk was een belangrijk symbool voor de katholieke missie. “Bij het klaarmaken en timmeren van de gebinten was ik er bij. Alles moest heel precies afgemeten worden en de verstevigingen op de juiste manier aangebracht. Dit werkje gebeurde meestal op een open plaats. Dus genoeg zon om in de middaguren een goeie pauze te maken. Het was te warm op het midden van de dag. Het werd een kerk voor maximaal zeshonderd mensen. Het altaar en het hele priesterkoor werden hoger opgebouwd met sacristie en een kamer voor alle benodigdheden voor de feestdagen. Halverwege 1930 was de kerk klaar”.
 
 
Kathedraal Alexishafen, 1929
 
 
Op naar kerstmis 1930
      
 
Van Baar gebruikte de nieuwe kerk als een instrument om tot ver in de omtrek indruk te maken: “We wilden het feest van de nieuwe kerk met kerstmis vieren, samen met de staties uit de omgeving. Bovendien zouden ook mensen uit andere plaatsen kunnen participeren om dan de mensen in de verre bossen te animeren. Dan konden we daar later ook onderricht beginnen”.
   De kerkelijke viering van kerstmis moest aantrekkelijk genoeg zijn om papoea’s te laten komen. “Om met allen een werkelijk feest te vieren had ik de bisschop gevraagd om zakken met rijst, sago, vis in karton en vlees in blik.
   Enige dagen voor kerstmis werden de versieringen gereed gemaakt. Het zag er prachtig uit met de verschillende guirlandes in en buiten de kerk. Lange slingers met allerhande gekleurde bladeren en bloemen met vaandels ertussen gaven de nieuwe kerk een feestelijk aanzien. De catechisten [inlandse helpers] zouden hun volkje meebrengen daags voor kerstmis. In de sacristie had ik de laatste dag alles gereed gemaakt voor de grote dag. De monstrans stond gereed om allen die dag de zegen met het Allerheiligste te geven.
   De laatste dagen vóór kerst kwamen de meesten biechten. Op 24 december was ik er vroeg bij om nog anderen te helpen. De nieuwe kerk stond direct naast mijn huis en even ver van de zee als van mijn huis”.  
 

 
Een bijzonder natuurverschijnsel op 24 december 1930
 
 
De missionaris uit Hensbroek had die dag een unieke ervaring. “Het was ’s morgens, daags voor kerstmis, om half acht. Ik wachtte of er misschien nog enigen zouden komen om te biechten. Ik had echter geen toog aan. Toen hoorde ik opeens een grote ruis van de zee. Ik keek naar de zee die met een grote golf verder op het land kwam dan gewoonlijk.
   En toen. De zee ging met geweld terug, ging terug – altijd en altijd meer en met zulk een geweld en geruis dat oren en doven verging. En altijd nog meer terug. De riffen van de kust kwamen bloot te liggen. Met geweld en oorverdovend leven [lawaai] werd het water uit alle gaten van de riffen gezogen – heel vlug, in een paar minuten. Ik kon de bodem van de zee zien. Grote riffen kwamen bloot te liggen”.
 
Als je pater Van Baar anno 1973 mag geloven, begreep hij meteen wat er aan de hand was. “Er werden vele vissen op de riffen geworpen. Een paar jongens, die niet ver van mij weg stonden, renden naar de riffen om de vissen te vangen. Ik riep hen terug. Maar ze bleven nog vissen verzamelen. Ik schreeuwde nog luider. Ze hoorden het niet wegens het overgrote geruis van de zee”.

 
Engel van Baar vlucht voor de tsunami uit
 

Vervolgens gebeurde wat de mensen eind 2004 op hun televisiescherm konden zien. “De zee kwam terug met zulk een geweld dat het water in één keer tegen de kerk aankwam. Ik hoorde de kerk en mijn  huis kraken. Toen zette ik het op een lopen om voor de golf uit te blijven en de huizen niet op mij te krijgen. Lopen wat ik kon!
   Om van de golf weg te komen vloog ik naar het dorp Meriman wat aan mijn rechterhand lag. In het dorp was niemand meer te zien. Er was daar geen zeewater gekomen omdat het dorp buiten de inham van de haven lag. Ik hoorde de zee nog ruisen. Ik dacht: ‘Wanneer de zee nog eens komt, dan komt de golf veel verder omdat alles al onder water staat. Daarom liep ik verder in het bos.
   Ik ging al tot in mijn knieën in het zeewater. Ik probeerde de weg te volgen. Mijn engelbewaarder hielp me dat ik juist het midden van de weg hield. Want niet ver weg was een groot gat, waar de lui altijd water putten. Gelukkig ben ik ernaast gelopen. Als ik erin gelopen had was ik wis en zeker verdronken want er was niemand in de nabijheid”.

 
Slachtoffers
 
 
Engel van Baar met helpers
 

 
Engel van Baar wist zich in veiligheid te brengen. Dat gold niet voor iedereen. De missionaris zocht met name naar zijn directe helpers, de catechisten en hun vrouwen. “De zee ruiste verder en ik liep verder. Daar lag Regina, de vrouw van Werner, een van mijn catechisten. Ze was aan het sterven. Ik kon haar nog juist de absolutie geven en ze was dood. Ze was hoogst zwanger. Ik kon haar niet helpen. Ik liep vlug terug of ik misschien Werner zou kunnen vinden. De zee was nog aan het lawaai maken.
   Ik waagde het toch terug te gaan. Ik vond een paar jongens en vroeg naar Werner. Niemand had hem gezien. Ze zouden hem gaan zoeken en met hem naar Regina gaan nadat ze hem zouden verteld hebben wat er gebeurd was. Later vonden ze Werner en zijn vrouw. Ze brachten haar naar het dorp om haar te laten begraven.
   Daar kwamen ze met de vrouw van een andere catechist. Een huis was gebroken en op haar gevallen. ’s Morgens was ze juist bezig de kelk en andere dingen zoals kandelaars van de kerk te poetsen. Onverwacht werd ze overrompeld door het huis dat brak en op haar viel. Ze had verschrikkelijke pijn in haar rug. De vrouw werd in veiligheid gebracht.
   Ik ging nog wat verder en daar kwam ik op de missiestatie. Er stond niets meer, geen huis meer. Het water was ongeveer weg. Overal lag alles verspreid. Overal lag een half huis of iets dergelijks. De gehele tuin lag vol. Ik miste de vrouw van de derde catechist. We zochten onder de weggesleepte halve huizen in de tuin. Ja, daar lag iemand dood onder een huis – een katholieke jongen. Het werd tijd om hem direct te begraven. We gingen verder en vonden een meisje, een nog niet gedoopte bekeerling [catechumeen], eveneens onder een huis bedolven. Ook haar moesten we meteen begraven. Zeker is dat zij direct naar de hemel is gegaan. Het brave meisje, op weg om gedoopt te worden, zou haar kerstmis in de hemel vieren.
   We waren altijd nog aan het zoeken naar de vrouw van catechist Alois. Ondertussen kwam bericht van een man van het dorp, die zijn huis dicht bij de statie had. Een baby van hem was verloren. We hebben ernaar gezocht maar konden niets vinden. De baby is waarschijnlijk met een golf meegenomen naar de zee”.
 
De hele dag was pater Van Baar bezig. “Het werd donker en wij allen waren moe. Het was onmogelijk nog iets in het donker te vinden. We hadden ook geen licht, geen lamp of iets dergelijks. Wij trokken ons terug naar de plaats waar alle dorpelingen zich te zamen geschaard hadden en wel in een bananen tuin. Daar zouden we de kerstnacht doorbrengen.
   De mensen brachten me wat eten want zelf had ik niets meer. Daar lag ook Scholastica met haar waarschijnlijk gebroken rug. Ze had erg veel pijn en ik kon haar niet helpen. Ik bleef de hele nacht bij haar en helpen waar en wanneer ik maar kon”.

 
Kerstmis 1930
 

De volgende dag, 25 december, realiseerde de missionaris zich dat het kerstmis was. “Kerstmorgen... Maar wat een kerstmorgen. Overal vierden ze feest: in de nacht, in de morgen en overdag. Maar hier? Toch konden we niet bij de pakken blijven neerzitten. We moesten zoeken. Geen heilige mis. Ik had niets meer – alleen droefheid. Iedereen had grote vreugde en wij? We gingen naar de kust en begonnen bij een grote hoop die tegen een kokosboom gekwakt lag. Voorzichtig. Enige stukken weggeruimd”.Daar vonden ze een van de vrouwen die ze zochten. “Ja daar lag ze... Vol bloed... Wat een ramp. Ook zij had de dood gevonden op de dag voor kerstmis. In alle droefheid werd ze in het dorp begraven”.
 
Gelukkig gaf het geloof steun aan de pater, ook na de tsunami. ‘Ik kon het hoofd niet laten hangen. Het was het grootste offer dat ik gebracht had. Maar ik wist Wie het geoorloofd had. Zijn Naam Zij Altijd Geprezen”, noteerde hij 43 jaar later.

 
Omslag van de autobiografie
 

 
Na zich over de slachtoffers ontfermd te hebben was het tijd om aan zijn eigen onderkomen te denken. “Alles lag op hopen. De dikke posten van mijn huis waren gebroken als een lucifertje. Alles boven en door elkaar. Daar lag het tabernakel. Ik probeerde het te openen, maar geen sprake van. Het Allerheiligste was er nog in. Ik brak de deur open. De heilige hosties lagen door elkaar. Alles was nat. We losten de hosties zo goed mogelijk op in water, maakten een gat in de grond en begroeven het.
   En de monstrans? Die lag op het dak van mijn totaal vernielde huis. Niemand had het nog aangeraakt. En misschien helemaal stuk? De monstrans was geheel intact, ongerept. Zelfs van al die fijne versieringen was er niet eentje verbogen. Een wonder?
   Deze monstrans was een geschenk geweest aan een zuster. Deze zuster was een enige jaren eerder in zee verdronken”.
 
 
Een nieuwe toekomst
 
 
Die zelfde dag nog liet Van Baar zijn bisschop in Alexishafen op de hoogte brengen. Enkele jongens brachten namens hem verslag uit. “Toen ze er kwamen zaten allen aan tafel, ’s middags om twaalf uur. Een jongen gaf een brief aan de bisschop en hij vertelde wat er in Sapara gebeurd was. Ze waren allen onder de indruk. Daar was stilte, geen gesprek meer. Het lekkere eten was afgelopen”.
   Het voedsel dat hij ontvangen had voor de beoogde festiviteiten deelde de pater uit. “De zakken rijst heb ik direct aan de inboorlingen gegeven met de opdracht het onmiddellijk goed te koken en te eten, evenals de kippen, die omgekomen waren. De grote kist met twintig zakken sago lag ver in de tuin – tweeduizend kilo. Wat heeft het water toch een kracht”.
 
Er was nog meer. “Mijn kleren waren nat en smerig van het zeewater. We spreidden ze uit op het zand in het dorp zodat de zon het een beetje kon drogen. Een volgende dag maar goed wassen. Mijn kleren zouden later naar Alexishafen gebracht worden, waar de missiezusters alles in orde konden brengen.
   We verzamelden nog iets voor de keuken, wat borden die nog heel waren en andere dingen van de keuken. Boeken waren nauwelijks meer te gebruiken. Het was waardeloos om er iets van te bewaren. Ik leefde die dagen in het dorp, samen met de mensen die voor mijn eten zorgden. Want ik had niets meer”.
 
Twee dagen later arriveerde het missieschip Stella Maris (‘Sterre der Zee’) dat de bisschop had laten sturen. Aan boord was een pre-fab woning. “Verschillende broeders waren meegekomen en ook een regeringspersoon. Die wilde weten wat er gebeurd was en of de omgekomenen begraven waren. Het nieuwe huis zou niet in Sapara maar in Ulingan gebouwd worden. Daar was een uitstekende haven, waar men te allen tijde in kon varen en men altijd veilig lag. Wat ik nog kon gebruiken werd op het schip geladen en ik ging zelf ook mee naar Ulingan”.
   De missiepost werd dus verplaatst naar een plek waar een volgende tsunami minder kwaad kon aanrichten. Bovendien lag Ulingan strategischer om van daaruit missie-activiteiten op te zetten. “Het stuk grond aan de haven van Ulingan was groot genoeg om er een grote statie te bouwen. De lui van het dorp hadden er niets op tegen. Later zouden we wel zien aan wie de grond toebehoorde. Broeder Hyginus, de timmerman, zette het huis, samen met zijn jongens op. Dat ging binnen een week omdat alles in Alexishafen pasklaar gemaakt was. Nu had ik een betere woning dan in Sapara – een huis met twee kamers en een veranda tussen de twee kamers”.

 
Baai van Ulingan (oostelijk Nieuw Guinea)
 

Na de ramp aan het einde van het jaar kon Engel van Baar in 1931 werken aan een nieuwe toekomst voor de oostkust van Nieuw-Guinea. “De inboorlingen hielpen zeer goed om al het nodige hout voor kerk, keuken en jongenshuis uit het bos te halen – en naderhand het gras voor de daken. Het was voor mij een prachtige gelegenheid om met de mensen in aanraking te komen en hen beter te leren kennen. Dit laatste was nodig. Deze mensen waren niet zo ijverig als die in de dorpen bij Sapara. Ze waren wat langzamer”.
   Er moest dus meer discipline komen. “Ik bepaalde de dagen dat ze naar de statie moesten komen voor onderricht. Dat gaf ik altijd zelf om te zien wie er regelmatig kwamen. Want iedere keer werden hun namen afgeroepen en genoteerd wie absent waren. Dat hielp hen de lessen iedere keer te volgen. Ze begonnen regelmatig en goed naar de missie-school te komen en op zondag naar de kerk”.
   Engelmundus van Baar had de tsunami dus weten te gebruiken om zijn positie te versterken. De toekomst van de katholieke missie in het Britse mandaatgebied zag er positief uit. Totdat de Japanners er tijdens de tweede wereldoorlog binnenvielen...

 
Harry Knipschild
4 juni 2014 – 7 december 2015