Zoeken


 
Tijdens de Conferentie van Berlijn (1884-1885) kreeg Leopold II de persoonlijke zeggenschap over de zogenaamde Kongo-Vrijstaat in het hart van Afrika. De Belgische koning deed een beroep op de paters van Scheut, niet ver van Brussel, om hem de helpende hand toe te steken. Tot dan toe was Scheut alleen actief in China.
  Jeroom Van Aartselaer, algemeen overste van de Belgische missie-organisatie, liet zich door Leopold overreden. Op 22 augustus 1889 legde de Europese heerser van de Kongo in een brief uiteen: “Ik wil de familie van Christus doen aangroeien en ik wil tevens afzetgebieden voor onze industrie en ik zal in beide lukken”. 
 

Scheutisten helpen Leopold II in de Kongo

 


Een groep Scheutisten

 
Op 25 augustus 1888 vertrokken de eerste missionarissen van Scheut naar Afrika. Twee jaar later, op 6 juli 1890, was het de beurt aan Jules De Wilde, op 27 maart 1858 geboren in Moortsele, Oost-Vlaanderen. ‘Missiën in China en Scheut’, het nieuwe maandblad van de congregatie, publiceerde heel wat brieven die De Wilde meteen na aankomst in het binnenland van de Kongo schreef.
   Veel respect voor de plaatselijke bevolking hadden de Europeanen die naar het zwarte continent trokken meestal niet. In de correspondentie schreven ze over wilden, zwartjes, domme en luie negers. De Wilde was geen uitzondering. “De zwarten zijn grote kinderen met wie men nooit lange tijd een ernstig gesprek kan hebben”, rapporteerde hij. “Wat zij uitkramen is bij tijden zo dom, dat een spreker, die het bekrompen verstand van de negers niet gewikt en gewogen heeft, de eerste maal uit zijn lood zou gesmeten zijn”.
 
In een brief aan Van Aertselaer maakte de Vlaming melding van de ‘onoverwinnelijke luiheid van de negers’. Instemmend citeerde hij de woorden van een Afrikaanse bekeerling die zijn landgenoten toesprak met “Jullie zwarten kunnen niets dan liegen”. Voor De Wilde maakte dat allemaal niet uit. Niet voor niets offerde hij zijn leven op om, ‘op God steunend, die arme negers aan de barbaarsheid te ontrukken’.
 

Pater De Wilde vraagt om aandacht bij de bevolking

 
De missionaris ging dus gewoon aan het werk. Zijn standplaats was het dorp Sinte-Maria-Berghe. Van daaruit trok hij naar het negerdorp Buganda. ’s Middags om vier uur arriveerde hij. Wat de bewoners dachten toen ze de Europeaan zagen aankomen is niet bekend. We moeten het doen met het verslag van De Wilde zelf.
   “De inwoners waren in kleine groepjes hier en daar vadzig neergezeten voor hun hutten en praatten met elkaar. Ik ging recht op zo’n groep af en bracht het gesprek aanstonds op de godsdienst.
   De negers van de andere groepen deden niet eens de moeite om op te staan. Wellicht dachten ze dat ik kippen of broodwortels wilde kopen. Ik moest dus een middel verzinnen om de aandacht te wekken en meer aanhoorders te vinden.
 
Op mijn tweede tocht had ik een bel meegenomen. Nauwelijks was ik in het midden van het gehucht of een kind, dat mij tot tolk diende, slingerde de bel met volle zwier. Dadelijk kwam iedereen aangelopen: verschrompelde ouderlingen, moedertjes met gerimpelde gezichten, kinderen met dikke buiken, vrouwen niet al te veel gekleed – daar stonden ze ineens allemaal. Er waren weinig mannen, want die zijn bijna altijd op reis voor hun handel”.
 

Preken over hemel en hel

 
Nu de pater erin geslaagd was voldoende potentiële bekeerlingen om zich heen te verzamelen begon hij te preken. Een inleiding was blijkbaar niet nodig. “Ik bracht aanstonds de godsdienstige kwestie op het tapijt. Ik sprak van God, van hemel en hel, van de tien geboden. Ik ondervroeg. Ik gebruikte vergelijkingen en parabels. Ik luisterde naar de opwerpingen. Hun vragen beantwoordde ik”.
  
Aan inzet ontbrak het niet bij pater Jules. “Met veel vuur beschreef ik de hemelse glorie. De wijd geopende ogen en monden leken aan te tonen dat ik hun doorgaans ongevoelige harten diep geroerd had. Ik droogde het zweet af dat in dikke druppels van mijn voorhoofd afliep”.
   Toch had hij de boodschap bljkbaar niet over weten te brengen als hij gewild had. Dat bleek uit de vraag van een oude neger. “Hij vroeg me wat er al zo te drinken was in het paradijs, en of men er onbeperkt rijstepap mocht eten”. Alsof het daarom ging...  
   Tegenover de hemel, probeerde de Belg duidelijk te maken, stond de hel. Daar was het niet goed toeven. “Lieden van Buganda”, zou hij vervolgens geroepen hebben, “jullie willen dus allemaal naar de hel gaan!”
   De missionaris kreeg het antwoord waar hij op hoopte: “Nee, nee! Het deugt niet in de hel. Wij gaan naar de hemel!”
   Met dit antwoord kon hij vooruit: “Als het zo is vrienden, dan moeten jullie het doopsel ontvangen. En de tien geboden onderhouden. Luister scherp! Het eerste gebod – bemint één God. En jullie, die naar de hemel willen, denken nooit aan God. Jullie bidden nooit tot Hem”.
 
Eén voor één nam hij alle geboden met zijn gehoor door. Het was duidelijk, niemand hield zich aan de regels zoals die in Rome vastgesteld waren. Er was tovenarij in het gebied. Mannen trouwden met meer dan een vrouw. Kannibalisme tierde welig. “Zonder de minste knaging doden jullie mensen. Jullie eten ze zelfs op. Alsof de mens niet beter is dan een stom dier”.
   De wilden, dat was duidelijk, hielden zich nauwelijks met hun ziel bezig. Het zag er derhalve niet hoopvol uit voor zijn gehoor.
 

Missie biedt bescherming tegen kannibalisme

 

 
In de brieven van Jules De Wilde, zoals gepubliceerd in ‘Missiën in China en Congo’, waren de bekeerlingen vooral jongetjes. Waarom wilden die katholiek worden? De pater legde het uit. “Op het ogenblik tellen wij hier 22 kinderen, mijn geliefde leerlingen, van wie ik, met de gratie Gods, ordentelijke mannen en goede christenen zal trachten te maken”. De kinderen waren, gaf hij aan, meer dan eens jongelui die uit hun woonomgeving waren weggevlucht en de missiepost hadden weten te bereiken.
   “Een paar dagen geleden”, schreef De Wilde bijvoorbeeld, “kwamen hier twee wandelende lijken aan. Ik zeg: twee lijken, want de arme jongens hadden nog slechts het vel over de benen. Uit hun deerlijk uitgemergelde wezen puilden twee grote ogen, die ons welsprekender dan woorden hun uiterste nood te kennen gaven. Deze twee jongelingen waren slaven van een hoofdman. Een vriend van dat heerschap was gestorven. Daarom moesten de slaven op het graf van de overledene geslacht worden. Deze zou dan in de andere wereld zijn knechten hebben om hem te dienen.
   De negertjes slaagden erin hun boeien te breken. Bij nacht vluchtten ze weg. Ze reisden in het donker. Overdag sliepen ze in het hoge gras. Zo waren ze in onze omtrek gekomen. Daar vernamen ze dat blanken een goed hart hebben en nooit mensenvlees eten. De twee vluchtelingen hebben bij ons gekregen wat zij vroegen”. 
 
Uit de brieven van de missionaris bleek dat het opvangen van dit soort kinderen een succes was. “Het getal van onze jonge slaven vermeerdert van dag tot dag. Wij zijn genoodzaakt nieuwe gebouwen op te richten”.
   De Wilde kon hulp uit België goed gebruiken. Daarom vertelde hij verhalen over de ‘behandeling’ van zwartjes door hun omgeving. “De ‘vader’ [eigenaar] van Konambola stond op met een onweerstaanbare honger. Koste wat kost moest hij vlees eten. Hij had geen kippen en ook geen geiten. Een slaaf werd geslacht en opgesmuld”.
   Konambola begreep wat zijn eigen toekomst was en ging er vandoor. “Deze en andere vluchtelingen nemen wij barmhartig op. In de ogen van de mensen zijn het ellendige schepsels. Ze worden veracht door hun landgenoten. Maar herboren in Jesus Christus, door de wateren van het heilig doopsel, zullen zij hooggeacht worden door de engelen, die het aanschijn van God zien”.
 

‘Bekering’ van een stamhoofd

 
Niet alle kinderen waren slaven. Eén van hen was de zoon van Ebeke. Het stamhoofd probeerde waarschijnlijk zijn positie te versterken door het met de blanken aan te leggen. Om tot een echte samenwerking met de overheersers uit Europa te komen zou hij ook tot het katholieke geloof moeten toetreden. Maar dat ging de negerleider te ver. Dan zou hij niet meer dan één vrouw mogen hebben. “Ebeke is niet al te haastig om zijn leven naar het voorbeeld van het evangelie te schikken” – zo luidde de formulering van de Belgische missionaris.
   Ebeke was er veel aan gelegen de contacten goed te houden. “Hij heeft ons zijn zoon Banzinga toevertrouwd, om hem in de godsdienst te onderrichten. Die verblijft graag bij ons. Na een tocht die hij samen met zijn vader maakte kwam hij hier terug.
   Ik vroeg hem waarom hij niet liever thuis bleef.
   Het brave kereltje antwoordde: ‘Vader, als ik in mijn dorp blijf, dan zal ik veel moeite hebben om naar de hemel te gaan’.
   Dat zijn edele gedachten! Komt zijn vader te overlijden, dan wordt Banzinga tot hoofdman uitgeroepen. Want hij is de oudste van twee zonen. Welke diensten kan hij later aan de missie niet bewijzen!” 
 

 
In de Kongo stierven veel mensen op jonge leeftijd. Dat gold voor Europese paters die niet konden leven in het hete tropenklimaat. Voor jonge slaven. Maar ook voor stamhoofden.
   Op 13 oktober 1891 deed De Wilde verslag van de dood van Ebeke. Die was ziek geworden. Van verzorging was geen sprake, althans volgens het verslag. Toen de pater bij hem op bezoek ging was hij door iedereen in de steek gelaten. Omdat hij met de kolonialen heulde?
   “Ik had geen tijd meer te verliezen. Ik ging naast hem zitten. Ronduit verklaarde ik dat hij binnen een paar uur naar de hemel of naar de hel zou gaan. Ik vroeg hem berouw over zijn zonden te hebben. Wilde hij gedoopt worden?
   Ebeke spande al zijn krachten in om ‘Ja’ te zeggen. Praten kon hij niet meer. Zijn hevige begeerte van herboren te worden was duidelijk te lezen in zijn blikkende ogen en de trekken van zijn gelaat. Meteen goot ik het levend makende water op zijn voorhoofd. Ebeke, de heiden, was de christen Josef-Maria geworden”.
   Een dag later overleed Josef Ebeke.
 
Ook Jules De Wilde werd niet oud. Op 38-jarige leeftijd stierf de missionaris uit Moortsele in de Kongo aan een nierziekte.
 
Harry Knipschild
1 juni 2011 – 21 september 2015
Dit artikel werd eerder gepubliceerd op www.katholiek.nl