Zoeken


 
Als je vanuit de Chinese hoofdstad Peking naar het westen reist, het binnenland in, kom je na ongeveer zeshonderd kilometer in een gebied dat de Ordos heet. Het ligt pal te noorden van de (voormalige) Chinese Muur en ten zuiden van de Gele Rivier, die er een grote bocht maakt.
   Ruim tien jaar geleden werd er midden in de streek een grote nieuwe stad gebouwd: Ordos City. Er kunnen een miljoen mensen wonen. Maar dat is niet het geval, is te lezen. Ondanks alle voorzieningen is de stad meestal ‘leeg’. Op YouTube zijn diverse filmpjes te zien van de vrijwel ‘verlaten stad’.
 
Anderhalve eeuw geleden, in 1865, werd de Ordos als missiegebied toegewezen aan de congregatie van het Onbevlekte Hart van Maria. Die opereerde vanuit Scheut bij Brussel. Als ware pioniers reisden Vlaamse en Nederlandse missionarissen naar het gebied dat ze omschreven als een woestijn en een prairie. Jan-Baptist Steenackers was één van hen. Hij werd op 24 september 1848 geboren in Kasterlee bij het Belgische Turnhout. Op 23 maart 1874 vertrok hij als pater naar China. Twintig jaar later legde hij zijn ervaringen vast in het missieblad van Scheut.
 


Ordos City (2014)

 

Klein Brugge

 
Steenackers was in 1879 de stichter van een missiepost midden in de Ordos. Die noemde hij ‘Klein Brugge’. Even was hij tevreden: “Wij zijn eindelijk genesteld. Wij hebben een woning, een kapel en een kudde ossen”. Vervolgens ging Jan-Baptist aan het werk. “Wij zijn niet in ballingschap gegaan, ver van ons vaderland, om koewachter of metselaar te spelen. Het is om als missionarissen te arbeiden en zielen te redden”.
   Steenackers hoefde zich niet al te veel zorgen te maken of er wel voldoende Chinezen waren om te bekeren. “De provincies van China worden bijna jaarlijks geteisterd door hongersnood of overstromingen. Talrijke families wijken uit naar de steppen ten noorden van de Grote Muur. Ze worden door de honger hierheen gedreven. Als de missionarissen in staat zijn deze gezinnen bij hun aankomst op te nemen en hun het leven te redden, dan worden ze wellicht aanhoorders der christelijke leer. Dan komt het er enkel nog op aan door dagelijkse catechismus-lessen hun de ware beweegredenen van een ernstige bekering uiteen te doen”.
   Klein Brugge was al snel bevolkt.
 
In een missiepost moest gebouwd worden. Een verblijf voor de missionaris, een weeshuis voor opgevangen kinderen en een kerk. In één van zijn talrijke artikelen legde de Belgische pater uit hoe de kerk van Klein Brugge tot stand kwam. Hij begon met te zeggen dat Jaak Bax, de bisschop van Scheut in het noorden van China, hem een bedrag van zeshonderd franken (135 euro) gestuurd had. Dat was lang niet genoeg. Gelukkig beschikte de missie over eigen middelen. “Wij bezaten talrijke kudden. Het onderhoud kostte ons bijna niets”.
   Om aan bouwmaterialen te komen werd in natura gehandeld. “Aan de houthandelaar bijvoorbeeld zegt men: ‘Laten we de waarde van de beesten vaststellen. En van de andere kant de prijs bespreken van uw balken, pilaren enzovoort. De ossen en paarden, door u gekozen, zullen in onze kudde blijven totdat uw materialen afgeleverd zijn’”.
   Op dezelfde manier, aldus de priester, ging hij te werk met de steenbakker. Het was allemaal uiterst eenvoudig. “Hier is uw waar. Daar is die van ons. Nu zijn we elkaar niets meer schuldig”.
 

Bouwen op z’n Chinees

 


Jan Baptist Steenackers

 
Ingewikkelder was volgens Steenackers het aantrekken van bouwvakkers. In China ging het heel anders toe dan in België. “De Chinese werkman is doorgaans doodarm. Om zijn familie te onderhouden moet hij zijn loon, of een groot deel daarvan, op voorhand trekken. Bij een klein werk, zeker als men de mannen kent, is dat mogelijk. Maar als er sprake is van een onderneming met honderden arbeiders, merendeels heidenen, dan bestaat het gevaar dat de kerels hun werk staken zodra zij hun loon ontvangen hebben”.
   De missionaris uit Kasterlee was er blijkbaar achter gekomen hoe je zoiets in dit land vol ‘vreemde Chinezen’ moest oplossen. “Men moet het werk verdelen tussen verschillende aannemers. De ene wordt belast met het grondwerk, de ander met het timmerwerk, een derde met het metselen. Die aannemers ontvangen het loon naarmate de werken vooruitgaan. Zelf moeten ze voor het betalen van de arbeiders instaan”.
   Toch was het ook in de Chinese bouwwereld maar moeilijk bindende afspraken te maken. “Ondanks die voorzorg heeft men niet zelden onaangename tegenslagen. Die mensen vergissen zich dikwijls grof in hun schatting. Dan hebben ze hun geld al opgemaakt voor het werk af is. Het gebeurt ook dat zij het werk staken om opslag te krijgen”.    
 

Bidden ‘tot de tanden uit de mond vallen’

 
Jan-Baptist Steenackers liet zich door dat gedoe niet uit het veld slaan. Meteen bij aankomst, tijdens het opdragen van de eerste mis, had hij tot de bouw van de kerk besloten. De kerk moest de naam krijgen van Johannes de Doper, zijn patroon. Wat de Chinezen daarvan vonden leek geen rol te spelen.
   Het was de bedoeling dat de bouw een aanvang zou nemen op 24 juni 1884, de feestdag van Johannes de Doper. Die dag had hij, bleek, niet goed gekozen. De streek was namelijk getroffen door hongersnood en veepest. “Vanaf de winter was er op onze dorre akkers nog geen druppeltje regen gevallen. Diezelfde oorzaak had ook een verschrikkelijke sterfte in onze kuddes teweeggebracht. Zestig beesten waren al bezweken”.
   De pater had de blik omhoog gewend. “Drie dagen lang hebben we in het openbaar gebeden. De tanden vielen ons zowat uit de mond. Zonder verhoord te worden”.
 
Tijdens het opdragen van de mis op 24 juni kreeg de pater plotseling een idee, schreef hij. “Ik stond aan het altaar in tegenwoordigheid van al mijn bedrukte en ontmoedigde christenen. Onze droevige toestand kwam mij eensklaps levendig voor de geest. Ik herinnerde mij het lijden van de vorige hongersnood, van 1877 en 1878”.
   Steenackers richtte zich rechtstreeks tot Johannes de Doper, zijn patroonheilige. “Ik heb u beloofd in Klein Brugge een kerk te bouwen. Men is er mee bezig. De kerk zal er komen. Maar de beesten sterven. Die hebben we nodig om de kerk nog groter en mooier te maken”.
 
Tijdens het bidden nam de missionaris in overleg met Johannes de Doper een beslissing. “Als er regen valt, als de pest ophoudt, zullen wij het bedrag voor het bouwen bestemd verdubbelen en de kerk wijden aan het Heilig Hart van Jezus. Een heilige kan toch niet afgunstig zijn? De kerk zal toegeheiligd worden aan Jezus, uw bloedverwant. U bent toch zijn voorloper geweest.
   Als dat plan u bevalt, gelieve het te tonen door ons de gevraagde gunsten te verlenen. Als de gunsten ons geweigerd worden, dan zal de kerk aan u toegewijd worden. In dat geval houden wij ons aan het oorspronkelijke plan voor de bouw”.
 

Onderhandelen op het scherpst van de snede

 
Aan de lezers van het missietijdschrift legde Steenackers alles nog eens uit. “Ik poogde de Heilige Johannes te dwingen. Op dat ogenblik was ik er zeker van dat deze me mijn ‘stoutheid’ niet kwalijk zou nemen. Integendeel. Zodra de mis uit was, wendde ik me tot onze arme christenen. Ik zei: ‘Als u mij wilt bijstaan om de kerk waardiger te maken, dan komt er regen’”.
   De pater wist dat zijn volgelingen weinig te missen hadden op dat moment. Uitstel was noodzakelijk. “Schrijf in met de belofte om na de oogst te betalen”. En met resultaat. “De arme mensen volgden mijn raad. Samen droegen ze nog eens 500 franken bij. Gezien de omstandigheden was dat een behoorlijke som geld”.
   Steenackers straalde een en al optimisme uit. Bij het verlaten van de kapel, waar hij de mis opgedragen had, raakte hij in gesprek met twee mannen. Heidenen. “Ze hadden mijn redevoering afgeluisterd en vroegen: ‘Priester, weet u wel zeker dat het weldra zal regenen?’
   ‘Ja!’
   ‘Zal er bij ons ook regen vallen?’
   ‘Ja, als u ook een financiële bijdrage levert’”
   De ‘heidenen’ waren leveranciers van bouwmaterialen. Ze lieten zich door het optimisme van Steenackers overtuigen. “Wij beloven drie balken voor de kerk”.
 

Reddende regen

 
De missionaris vroeg zich af of hij niet te ver was gegaan. Met name in de relatie tussen Johannes de Doper en het Heilig Hart. “Op dat ogenblik speelde er maar een gedachte in mijn hoofd: zou Sint Jan kunnen weigeren als het Heilig Hart in het spel is?”. Dat was voor hem de grote vraag.
   Jan-Baptist Steenackers hoefde zich, legde hij vast, echter geen zorgen te maken. “Dezelfde dag draaide de wind naar het zuidoosten. De volgende ochtend, en drie dagen lang, goot het emmers water. Geen enkel beest stierf meer. De houtverkopers deden wat ze beloofd hadden. Ze brachten ons drie mooie balken, ieder zeven meter lang en meer dan een halve meter dik. De balken werden pilaren voor het koor van de kerk van Klein Brugge. Later zullen de mensen zich herinneren hoe positief het vertrouwen in de Heilige Johannes en het Heilig Hart heeft uitgepakt”.
   De kerk van het Heilig Hart kwam er.
  


De kerk in Klein Brugge

 
In het jaar 1900 kregen de missionarissen het in Klein Brugge opnieuw te verduren. De missiepost werden wekenlang door de boksers belegerd. Opnieuw werd er gebeden. In eerste instantie tot het Heilig Hart, maar ook tot de Heilige Michael, de aanvoerder van het leger van engelen. En voor alle zekerheid tot de Heilige Jozef. Dankzij hoge verdedigingsmuren en standvastig doorvechten bleef Klein Brugge met zijn kerk overeind.
 
Harry Knipschild
14 maart 2012 – 29 juli 2015    

Clip

* Ordos City, 2013

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op www.katholiek.nl.