Zoeken


  
In 1865 vertrokken de eerste missionarissen van de Belgisch-Nederlandse congregatie van Scheut naar het Verre Oosten. Vanuit Rome hadden ze het hele noorden van China als missiegebied toegewezen gekregen. De eerste vier paters vestigden zich in het dorpje Xiwanzi, ten noorden van de Chinese Muur in de omgeving van Peking.
   Van de pioniers waren er na drie jaar nog slechts twee in leven. Maar gelukkig kwamen er elk jaar nieuwe priesters over uit Europa om een bijdrage aan het bekeringswerk te leveren. Ondanks de sterfgevallen nam het aantal missionarissen in het noorden van China geleidelijk aan toe.
 


Xiwanzi

 
De eerste paters konden moeilijk anders dan zich ophouden in Xiwanzi en de nabije omgeving. Maar langzamerhand trokken ze steeds verder weg van hun hoofdkwartier. In 1871 werd besloten het missiegebied flink in westelijke richting uit te breiden. Tussen de Muur en de Gele Rivier was een woestijnachtig gebied dat de Ordos genoemd werd. Kort voor aankomst van Scheut had daar een opstand van moslims gewoed. Er had heel wat bloed gevloeid. Zoveel zelfs dat er van de oorspronkelijke bevolking op sommige plaatsen nauwelijks meer iemand over was.
 

Nieuw missiegebied voor Scheut: de Ordos

 
De Ordos was zo ‘leeg’ geraakt dat de grond er spotgoedkoop was. Alle aanleiding dus voor de missie om er zich te vestigen. Het in Europa bij elkaar gebedelde geld werd ingezet om grond te verwerven. Op eigen grond wilde men zich zo wel richten op de Mongolen die er rondtrokken als op de Chinezen die vanuit het eigenlijke China steeds meer ten noorden van de Muur neerstreken.
   De eerste twee missionarissen die naar de volstrekt onbekende Ordos trokken waren de Vlamingen Remi Verlinden en Alfons De Vos. Het tweetal kwam ter plekke tot de conclusie dat er kansen waren voor de missie. Verlinden bleef achter. De Vos keerde terug naar Xiwanzi. Hij slaagde erin zijn superieur, Jaak Bax, te overtuigen meer paters naar het gebied te sturen. Samen met hen reisde De Vos voor de tweede keer naar het woestijngebied.
 
Jan-Baptist Steenackers (geb. 1848, Kasterlee, België) was in 1874 als jonge missionaris in China gearriveerd. Hij trok met De Vos mee en deed later verslag in het maandblad van Scheut. Het ging er nogal ruw toe in het Mongoolse gebied dat door de Chinezen onder de knoet gehouden werd.
   Na een avontuurlijke tocht door het ijskoude landschap arriveerde Steenackers in januari 1875 op de plek waar De Vos zijn medebroeder achtergelaten had. Remi Verlinden werd Vader Verlinden genoemd. Hij stond bekend als ‘de man met het gouden hart voor zijn broeders en met een voorhoofd van staal tegen de vijanden van God’.
   “Wij waren aan het einde van onze reis. Ver in de vlakte toonde De Vos ons het lemen hutje waar Vader Verlinden sinds vier maanden alleen woonde. Hij, de onbekende medebroeder, wiens eigenaardige en wondere daden, ons menigmaal verteld, onze jonge harten met geestdrift vervuld hadden. Ongeduldig en gejaagd als wij waren om ons in zijn armen te werpen, zweepten wij onze rijdieren in volle ren door de vlakte voort”.
   Verlinden was niet thuis. “Wij vonden de kruipruimte leeg. De medebroeder was op jacht gegaan om zich een middagmaal aan te schaffen. Een van ons kroop dadelijk op het platte dak van het hutje. Hij schoot zijn twee revolvers met twaalf schoten leeg. Ogenblikkelijk hoorden wij in de verte twee geweerschoten het geknal beantwoorden. Weldra zagen wij met grote schreden een man aankomen. Hij was kloek gebouwd en sterk gespierd . Zijn ogen konden bliksemstralen schieten. Maar nu schitterden ze van vreugde”.
 


Ordos-woestijn in onze tijd

 

Vreugdevol weerzien

 
De missionarissen hadden elkaar heel wat te vertellen. Steenackers deed verslag van de laatste ontwikkelingen in België. “Ik, die nauwelijks Europa verlaten had, moest van Scheut vertellen, van het verre vaderland, van bloedverwanten en vrienden, die men waarschijnlijk hier beneden niet meer zou wederzien.
   Van zijn kant verhaalde ons Vader Verlinden de voorvallen van zijn eenzaam leven. Hij had pogingen aangewend om de heidenen te bekeren. Maar de duivel had hem gedwarsboomd”.       
 
Wat Steenackers en Verlinden in hun jargon de ‘duivel’ noemden waren in werkelijkheid de ‘mandarijnen’, afgezanten van de bestuurlijke macht in de Ordos.
   Verlinden: “Op zekere dag had ik verscheidene uren besteed aan het onderricht van mijn geloofsleerlingen, die van dag tot dag talrijker werden, toen ik voor mijn deur vijf mandarijnen zag afstappen. Mij werd bevel gegeven uit de regio te verdwijnen”.
   Voor dat soort eisen leek iemand als ‘Vader Verlinden’ ongevoelig. Hij beschikte immers over een door Peking afgegeven paspoort. En in verdragen tussen China en Europa was formeel vastgelegd dat hij het recht had het katholieke geloof te verkondigen. Tijdens hun eerste reis naar de Ordos waren Verlinden en De Vos bij een Mongoolse vorst op audiëntie geweest. Die had van hun aanwezigheid geen punt gemaakt.
   De Vlaming wees de opdracht om snel te vertrekken dan ook zonder meer van de hand.
 
Omdat Remi Verlinden een Europeaan was, kon hem weinig gebeuren. Europeanen stonden op basis van de eerder gemelde verdragen min of meer boven de wet. Voor de Chinezen die het met de buitenlanders aanlegden, lag dat volstrekt anders. Die waren zeker niet onkwetsbaar. De potentiële bekeerlingen werden in eerste instantie met woorden geïntimideerd.
   Maar wie niet luisterde, moest voelen. “Uit hun lood geslagen door de bedreigingen, bedreigingen waar het niet altijd bij bleef, maar die bij velen met geduchte stokslagen gepaard gingen, verwijderden zich langzamerhand de Mongolen van Vader Verlinden. Zij die tot hiertoe met hopen naar zijn onderricht kwamen luisteren, zich grotelijks verheugden met hem vertrouwelijk te mogen omgaan en met een kinderlijke nieuwsgierigheid hem van Europa’s wonderen deden vertellen, durfden niet meer zijn hut binnentreden”.
 

Mongoolse bekeerlingen in de problemen

 
Een Chinees die zich nu sterk voelde klaagde de missionaris formeel aan. “Hij ging naar het gerechtshof van de plaatselijke mandarijn en beschuldigde de christenen de Europeanen geroepen te hebben om de goden van het keizerrijk te bestrijden en aldus de wraak van de hemel over het volk te brengen”.
   Dat kwam de plaatselijke overheid goed uit. Wat kon één zo’n pater uitrichten, dacht men waarschijnlijk. “Twee gerechtsdienaars werden erop uitgestuurd om de twee aanzienlijkste christenen te pakken. Geboeid, met beledigingen overstelpt, bont en blauw geslagen, werden ze naar een somber hok gesleept. De andere christenen werden bang. Zij die in het geheim hun godsdienstige vergaderingen hielden, zagen zich behandeld als misdadigers. Gevang, folteringen, de dood misschien stond hen te wachten, indien zij weigerden hun God te verzaken”.
 


Remi Verlinden

 
De missionaris begreep dat hij in actie moest komen. Hij moest wel. Anders stelde zijn positie niets meer voor. Aan de nieuw-aangekomen missionarissen, onder wie Jan-Baptist Steenackers, vertelde hij hoe het verder gegaan was.
   “Vader Verlinden liet twee paarden zadelen. Hij zweepte ze in volle ren tot aan het tribunaal. Zonder de minste twijfel reed hij, daar aangekomen, te paard het gerechtshof binnen. Talrijke dienders bewaakten de poort maar, verstomd door de bravour van die zware, sterke Europeaan, stonden zij roerloos als een paal”.
   De Belgische priester bleef op zijn paard zitten. Dat stond schuimend en ongeduldig te stampen. Met een donderende stem daagde hij de mandarijn uit. Toen die op hem afliep sprong hij naar eigen zeggen van zijn rijdier en duwde hem opzij. De missionaris ging zitten. “Kalm en koelbloedig, met een glimlach op de lippen, begon Vader Verlinden met de meest hoogdravende bewoordingen die de Chinese beleefdheid maar kon verzinnen. Daarna stond hij op, haalde uit de zak zijn paspoort, voorzien van het zegel van de keizer, ontvouwde dit stuk statig en langzaam en zei hem: ‘Lees dat eens’. En Vader Verlinden, de brief in handen latend van de mandarijn, die van schrik doodsbleek was, begon met wijde schreden heen en weer te wandelen in de zaal, waarvan hij de vloer deed dreunen onder de met spijkers beslagen hielen van zijn zware laarzen”.
 

Missionaris geniet bescherming van de Chinese keizer

 
De mandarijn kreeg, als het relaas dat Steenackers te horen kreeg juist was, nog een preek van Vader Verlinden te verwerken. “Ik, een vreemdeling, ga u zeggen wat die brief bevat. Er staat in dat de keizer van Peking, uw meester, ons volle vrijheid geeft om heel het rijk door te reizen, wonen en prediken. Er staat nog in dat alle onderdanen van de keizer christen mogen worden en dat het geen enkele mandarijn geoorloofd is een van onze gelovigen aan te pakken”. Dat waren enkele punten uit het verdrag van 1860 dat Europese troepen hadden afgedwongen.
   Verlinden zou met een dreigement geëindigd zijn. “Laat de gevangenen ogenblikkelijk los. Zo niet, ga ik naar Peking om u van opstand tegen het wettig gezag te beschuldigen!”
 
Vol trots vertelde de missionaris aan de jonge Belgische missionaris. “Op staande voet werd de kerker ontgrendeld. De christenen werden losgelaten. Vader Verlinden keerde zachtjes huiswaarts, zo kalm en rustig als een Brusselaar die terugkomt van een wandeling door het Ter Kamerenbos”.
   Jan-Baptist Steenackers had geleerd dat je met vriendelijkheid niet ver kwam bij het verkondigen van het geloof. “Nooit zal ik de diepe indruk vergeten die het eenvoudig verhaal van de heldendaden van Vader Verlinden op mij maakte. Vol bewondering staarde ik de vergrijsde missionaris aan. Alleen en door vijanden omringd, trotseerde hij de woede van de heidense bevolking. Zijn enige wapen was zijn onwrikbaar betrouwen op God en zijn koelbloedige onbeschroomdheid. Ook ik smachtte naar het geluk te mogen strijden voor God en de zielen. Inwendig zei ik: ‘Alles kan ik door Hem die mij versterkt. Al komen er rampen en tegenslagen, thans weet ik hoe een missionaris daarover triomfeert'”.
   Met de missie in het noorden van China zou het zo wel goed komen.
 
Harry Knipschild
18 februari 2013 – 9 juli 2015

Een kaartje van de Ordos en omgeving vind je in dit artikel.     

Dit artikel verscheen eerder op www.katholiek.nl