In de tijd dat de Europeanen het voor het zeggen hadden in grote delen van de wereld, hadden missionarissen meestal dezelfde nationaliteit als hun landgenoten die er de macht uitoefenden. In het Britse rijk was dat moeilijk. Het was te groot en er waren niet genoeg Britten om er als missionaris aan de verkondiging van het katholieke geloof te werken.  
   De Britse missie, van St. Jozef, beter bekend als Mill Hill, wist heel wat gedreven jonge paters uit Nederland te interesseren. Vanaf 1890 had de congregatie, in 1866 gesticht door Herbert Vaughan (1832-1903), een eigen opleidingsinstituut in Roosendaal, Noord-Brabant. Nicolaas Hettinga, op 8 juli 1908 in het Friese Heeg geboren, studeerde er. In 1933 arriveerde hij te Rawalpindi in het noorden van Brits-Indië.
 


Nicolaas Hettinga in 1939

 
In 1947 moesten de Britten zich terugtrekken uit het subcontinent waar zij zich vanaf de achttiende eeuw met veel machtsvertoon en wapengeweld gemanifesteerd hadden.
   Het lag niet voor de hand dat een missionaris met de Britse nationaliteit de leiding zou krijgen over de missie in West-Pakistan, de moslimstaat die in het noordwesten van Brits-Indië in 1947 tot stand kwam. De keuze van Rome viel op Hettinga. In de St. Franciscus-kerk van Bolsward werd hij door mgr. J. Reesink tot bisschop van Rawalpindi gewijd. Rawalpindi werd na Karachi (tijdelijk) de hoofdstad van West-Pakistan totdat Islamabad die rol overnam.
 

Katholieken en moslims

 
In november 1965 besteedde het Nederlandse tijdschrift van Mill Hill aandacht aan de missie van Rawalpindi. Jac. van Schagen, missionaris van Mill Hill en afkomstig uit Heerhugowaard, poneerde bij die gelegenheid: “Pakistan is het grootste, nieuwste en vurigste mohammedaanse land ter wereld. Die vurigheid blijkt niet alleen uit de ernst waarmee zij hun godsdienst beleven maar ook uit het feit dat ze op hun manier missionair zijn en de islam ook buiten Pakistan willen verspreiden”.
   Toch was het wettelijk mogelijk, zelfs in die sfeer, door te gaan met activiteiten die eerder in gang gezet waren. “De grondwet garandeert vrijheid en bescherming voor de confessionele minderheden. De missie ondervindt die vrijheid niet alleen door de aanwezigheid van missionarissen en de uitoefening van zielzorg onder de christenen maar in zeer positieve zin door de wijze waarop het onderwijs der missie wordt gewaardeerd en... gezocht”.
 

Zeer bijzonder onderwijs

 
Onderwijs op katholieke missie-scholen was de sleutel tot instandhouding van de dialoog met de moslims in de hoofdstad van het land. De belangstelling van de in bevolking uitdijende stad was overweldigend.
   “Het gebeurt dat er zoveel aanmeldingen zijn van nieuwe leerlingen – mohammedanen wel te verstaan – dat selectie soms noodzakelijk is. Natuurlijk is het in het voordeel van de mohammedanen als ze hun kinderen naar een hoogstaande school kunnen sturen maar door het feit dat ze het doen tonen ze tevens aan dat ze niet vijandig staan tegenover de christenen.
   Er is vanzelf geen sprake van bekering maken onder de leerlingen. Zelfs is het tussen regering en missie zo geregeld dat het mohammedanisme onderwezen wordt in de scholen, die onder leiding staan van de missionarissen. Maar dat onderwijs geschiedt dan door van regeringswege gesalarieerde mohammedaanse leerkrachten en is zodanig in het lesrooster ingepast dat ook de christenleerlingen hun christelijk onderwijs ontvangen van hun leraren.
   Er is een zeer goede verhouding tussen de leiding van de school, die in handen is van de missionarissen, en de stafleden, die bijna allen mohammedanen zijn. Hier ligt dan ook de reden waarom de missie zo’n grote waarde hecht aan deze scholen. Missiewerk is toch niet op de eerste of enige plaats bekeringswerk maar de missie moet wederzijds begrip kweken om daardoor tot een vreedzame dialoog te komen.
   En die is er per se in Pakistan. De dagelijkse samenleving brengt vanzelf mee dat men elkaar leert kennen maar als de leerlingen de school hebben verlaten nemen ze hun herinneringen mee. Ze krijgen posities in de maatschappij waar ze nieuwe contacten hebben met het christendom en dan is het van grote waarde hoe hun eerste kennismaking op school is geweest”, aldus de missionaris uit Heerhugowaard.
 

Arme katholieke boeren

 
 

Mgr. Hettinga in 1957

 
Heel veel katholieken waren er niet in Rawalpindi en omgeving. Minder dan een half procent van de bevolking. Bisschop Hettinga: “Mijn bisdom telt 27.000 katholieken op een bevolking van elf miljoen. Elf duizend kinderen bezoeken de scholen van het bisdom”.
   De bisschop, die al vanaf 1933 in de regio actief was als missionaris, kon uit eigen ervaring heel wat vertellen over West-Pakistan. De mensen die er als katholieken leefden waren in feite afkomstig uit het gebied dat vanaf 1947 India geworden was. “Onze eerste christenen kwamen van het zuiden naar het noorden om werk te zoeken bij de Britse legerofficieren als kok, als bediende of als chauffeur. Zo maakte ik ook kennis met Tom, de chauffeur, die me bij aankomst hier in 1933 aan het station afhaalde en die me vertelde over zijn tocht per ossekar naar Rawalpindi, toen hij hier kwam.
   Naderhand, toen Britse ingenieurs de eerste bevloeiingskanalen lieten graven, kwamen weer duizenden mensen van het zuiden om werk te vinden op het nieuwe woestijnland. Zij wisten niet hoe hard die woestijn voor hen zou zijn.
   De kerk vond haar eerste bekeerlingen onder deze arme mensen. Missionarissen verdedigden de rechten van deze mensen tegenover de grote landeigenaars. Missionarissen hielpen hen met medicijnen en met kleine ziekenposten, later verzorgden zij ook scholen voor hen”.
 
De missie vond dus aanhangers, zelfs bekeerlingen, door zich op te werpen als helpers van een onderdrukte minderheid. Britse ingenieurs hadden woestijngebied in landbouwgrond herschapen. Dat gebeurde door keihard werken. Machines kwamen er niet aan te pas. Hettinga: “Voordat een woestijn verandert in vruchtbaar land is er veel en hard werk nodig. Je denkt hier niet zo gemakkelijk aan als je door een katoen-akker loopt of door een veld met suikerriet.
   Talloos vele gehuurde arbeidskrachten en pachtboeren hebben gezwoegd en gezweet voor weinig geld op deze landen. Velen van hen zijn zeer jong gestorven aan ziekten, die medische hulp uit Europa hadden kunnen genezen, maar voor deze mensen in de woestijn was er geen dokter en waren er geen geneesmiddelen. Zij stierven aan malaria, aan cholera en typhus en misschien ook pokken.
   Missionarissen hebben hen geholpen met geneesmiddelen, met apotheekjes, met dokters. Maar wat is dat voor zovelen, verspreid over zo grote afstanden? Ik ben zelf ooggetuige geweest, ik heb het opgenomen voor hen. Ik heb mijn missionarissen prachtig werk voor hen zien doen. Ik heb de missionarissen ook bewonderd in hun pogen om sociale rechtvaardigheid voor hen te bewerken. Zeer vaak ontvangen zij een uiterst karig of helemaal geen loon.
   Na de onafhankelijkheid heb ik 180 katholieke gezinnen zien vechten tegen dat woestijnland. Het was hun land; de regering van Pakistan had het hun gegeven. Soms braken de kanaaldijken door en werden we overstroomd. Overstromingen zijn verschrikkelijk als je in lemen hutten woont, zoals onze mensen hier. Soms begaven de dijken het op verdere afstand en dan zaten we wel tien dagen of langer zonder water. Alle geploeter en iedere onderneming was dan voor dat seizoen vergeefse arbeid geweest.
   Zo moeilijk als het is om woestijngrond te veranderen in vruchtbaar akkerland zo moeilijk is het ook om mensen te veranderen. Het is waarlijk niet gemakkelijk om goede christenen te vormen. De grote vraag is: doen wij genoeg?” Die woorden, ‘doen wij genoeg’, waren tevens het thema van de aandacht die in het Mill Hill-blad aan Pakistan besteed werd in 1965.
 

Katholieken hebben hoop op een betere toekomst

 

Het leven in het 'katholieke dorp' Chak 36

 
Jac. van Schagen kwam in de artikelen meer over als een man van de dagelijkse praktijk. De pater besefte wel dat dat de katholieken in zijn regio weinig in te brengen hadden. Maar dat lag niet per se aan enige vorm van onderdrukking.
   “Op het platteland zijn de christenen uit noodzaak naar elkaar toe gegroeid, uit zeker lijfsbehoud. De regering had hun grond gegeven; die hebben ze gezamenlijk bewerkt en daaruit zijn de katholieke dorpen ontstaan, zoals Mariakhel en Josephabad. Ze hebben daar hun eigen kerkjes, hun scholen, waar ook de omwonende moslim-kinderen worden toegelaten. In het dorp Chak 36 zijn van de 2000 inwoners 300 katholiek.
   Dat de christenen zo weinig aan bod komen om functies te bekleden of een behoorlijke positie in het zakenleven te veroveren komt niet door enige vorm van onderdrukking van overheidswege of anti-christelijke houding der mohammedanen maar door de minderheidssituatie in aantal ten opzichte van het overgrote merendeel der moslims.
   Wanneer omstandigheden aan capabele christenen gelegenheid bieden zich te doen gelden zullen zij op grond van hun overtuiging geen tegenwerking ondervinden. In het algemeen zien de missionarissen hun aanwezigheid en het leven van de christenen in Pakistan zo dat men in de samenleving door wederzijds begrip in onderling contact moet komen met de mohammedanen, die men dan ook zeer beslist au serieux moet nemen”.
 
In zijn aantekeningen over land en volk in Pakistan schreef pater Van Schagen: “Toen er voor de 100 miljoen mohammedanen in het vroegere Britse subcontinent een nieuw land en een nieuwe naam moest worden gevonden, kon niemand ergens anders aan denken als Pakistan, dat wil zeggen: het land der heiligen of zuiveren. Misschien is het beter vertaald als: Heilig Land. Er hangt hier dan ook een geest van entoesiasme. En het is alleen maar bewonderenswaardig dat zij in hun vuur het christendom niet onder de voet lopen”.
   De artikelenserie over het gebied dat anno 2013 bekend staat als Islamabad eindigde nogal hoopvol. “Laten wij hier dan ook in dezelfde zin de pauselijke missie-intentie voor november [1965] aan toevoegen: ‘Heer, leer de mohammedanen de verheven waarde van het Evangelie en zijn sociale betekenis steeds beter kennen’”.
 
Harry Knipschild
13 mei 2013 – 22 juni 2015

Clips

Karachi, 1942
* Pakistan, 1954
* Missie van de Dominicanen in West-Pakistan, 1963

  
Dit artikel werd eerder gepubliceerd op www.katholiek.nl