Zoeken


 
 
Op 8 september 1906 overleed Gerard Vonke in Meiguiyingzi, een klein dorpje ten noorden van de grote Chinese Muur. Hij werd vierenveertig jaar oud. Vonke was missionaris van de Belgische congregatie van het Onbevlekte Hart van Maria (Scheut). Op 25 juli, zes weken voor zijn dood, schreef hij nog een brief aan zijn familie. Die werd later afgedrukt in het Nederlandse missieblad Annalen van Sparrendaal (Vught).
 

 

Een laatste brief uit Rozenkransdorp in China

 
In de brief sprak de Nederlander over zijn missiepost als ‘Rozenkransdorp’. Het was een landbouwdorp waar Vonke pastoor was en dus de algehele leiding had over 1600 katholieke Chinezen en 300 bekeerlingen. De laatste groep werd nog onderwezen in de ‘katholieke waarheden’ en zou te zijner tijd gedoopt worden. Het ging hem redelijk goed liet hij weten. Het afgelopen jaar had hij 200 Chinezen kunnen dopen en 37 nog heidense kinderen in een tehuis van de Heilige Kindsheid opgenomen.
 
Gerard Vonke was op 27 april 1862 geboren in het Overijsselse dorp Raalte. Op 21 september 1896, 24 jaar oud, was hij uit België vertrokken. Samen met tien andere Scheutisten, onder wie Henri Hanraath uit Roermond en Jan Mallet uit Hechtel in Belgisch Limburg, stapte hij op de boot naar China. In de laatste dagen van zijn leven dacht hij terug aan zijn geboorteplaats. “Soms betrap ik mij op een uitstapje [naar Raalte]. Dan, ja, bevind ik mij te midden der gehele familie, en zie de verwonderde blikken van Raaltes jong geslacht, dat mij slechts kent door mijn afbeeldsel”.
  De familie Vonke had de pater uitgenodigd om Raalte te komen bezoeken. Daar ging Gerard echter niet op in. “Waarlijk, ik heb er geen tijd voor. Die bijna 2000 zieltjes vragen dagelijks, neen elk ogenblik mijn zorgen, zolang Onze Lieve Heer of mgr Van Aertselaer er niet anders over beschikken. Dus zal ik maar stilletjes op mijn post  blijven, en mijn reisje naar Raalte in de geest maken. Met hulp uwer brieven, der nieuwsbladen en van eenige lichtprenten [foto’s], is dat geen moeilijk werk en vordert weinig tijdverlies”.
 

Geen rustig leven

 
De familie Vonke moest niet denken dat Gerard een rustig leven leidde. “Gij zoudt eigenlijk wel eens hier mogen komen, om een recht denkbeeld van ons leven en doen te krijgen. Zend ik U bijvoorbeeld de afbeelding van ons nieuw woonhuis, dan zult ge zeggen, dat ziet er nogal aardig en rustig uit. Aardig is het nog wel, maar rustig? Zie eens beneden aan de trap die naar de voordeur leidt. Een hele bende kleine schalken, die zich daar neergezet hebben, om met hun priester op één plaat [foto] te staan. Zonder bellen of kloppen komen zij gedurig als een zwerm bijen mijn kamer binnen gevlogen. Alles moeten ze zien en besnuffelen, alles moeten ze uitvragen. Portretten van missionarissen en familie kennen ze op hun duimpje. En komt er een volwassene dan zullen zij triomfantelijk de nodige uitleg geven”.
 
Zes jaar eerder was de priester maar ternauwernood ontsnapt aan een aanval van de Boksers. Bijna was ook hij omgekomen. Daar had hij in eerdere brieven details over gegeven.
 

Aanvallen van de Boksers in 1900

 
Vonke was zich bewust van de ernst van de situatie. Een paar dagen geleden, schreef hij op 20 augustus 1900, ‘hebben de mandarijnen op verraderlijke wijze de paters Heirman en Mallet naar het gerechtshof gelokt, onder voorwendsel dat de grote mandarijn van de Blauwe Stad hen over eene belangrijke zaak verlangde te spreken. Gisteren vertelde een Mongool hier dat de beide confraters door de mandarijn zelf vermoord waren”.
  Ook elders hadden de Chinezen huisgehouden. “De verblijfplaats van mgr Hamer is vernietigd. De nieuwe kerk, de bisschoppelijke residentie, de woningen der christenen zijn afgebrand, en bijna al de christenen vermoord. Na tweemaal teruggeslagen geweest te zijn, hebben de Boksers de residentie overrompeld en verwoest. Monseigneur zelf werd gevangen genomen. Zijn dood is zo goed als zeker”.
 


Gevaarlijke Bokser

 
Het woord Boksers was betrekkelijk nieuw voor pater Vonke in augustus 1900. “Rond half juni hoorden wij voor het eerst spreken van een nieuwe geheime sekte, I-houo-tsuan of ‘Boksers voor eigen haard’ genaamd, die zich met een ongelooflijke snelheid tot in de kleinste dorpjes uitbreidde, en vooral onder de jonge lieden ontzaggelijk veel aanhangers vond. Er werden miljoenen strooibriefjes verspreid, waarin men trachtte de noodzakelijkheid te bewijzen van de Europeanen uit het land te jagen, en de christengodsdienst uit te roeien”.
 

Hoe word je Bokser?

 
Vonke had zich verdiept in het wezen van de Boksers. “Om lid van het genootschap te worden, behoeft men slechts gedurende enige dagen zekere toverspreuken te lezen, enige bijgelovige oefeningen te doen, en zich te bekwamen in het hanteren van lansen en sabels. Met die toverspreuken te lezen en de bijgelovige oefeningen stipt te verrichten, zouden de mannen volkomen onkwetsbaar worden. En de vrouwen zouden de kunst verkrijgen van in de lucht te zweven, om vuur op de kerken en woningen der christenen te werpen”.
  De priester liet zich echter niet voor de gek gouden. “Weldra bleek het duidelijk dat al die dommigheden door de duivel zelf ingeblazen waren. Immers, in de tegenwoordigheid van christenen, die inwendig enige gebeden lazen of een gewijd voorwerp bij zich hadden, gelukte het de Boksers niet de geesten tot zich te trekken, in bezwijming te vallen of andere kuren uit te steken. Met die onnozelheden werd [door de christenen dan ook] gelachen. Wat kwaad konden die jonge snaken ons doen, dacht men”.
 

Aanval op het missiedorp van pastoor Vonke

 
De Boksers rukten echter snel op. Bekeerlingen kwamen in groten getale bescherming zoeken bij de Europese missionaris. Vonke was genoodzaakt zijn ideeën in de praktijk te brengen.
  De priester deed er later verslag van. “Hier hebben wij te doen gehad met over de duizend Boksers, door zeventig soldaten gesteund. In twee benden verdeeld, kwamen zij op onze residentie af. Daar wij innig overtuigd zijn dat de vijanden geen gewone mensen zijn, maar woestaards door de duivel bezeten, begonnen wij hun van verre wijwater toe te werpen”.
  Wijwater, hielp dat?
  “Het scheen dat onze zegeningen de boze geesten, die hen naar zij menen onkwetsbaar maken, verjaagd hadden. Want tegen hun gewoonte in kwamen zij slechts aarzelend en als besluiteloos vooruit”.
  Wijwater alleen was echter niet voldoende. “Toen zij onder schot gekomen waren, ging men op hen aan het vuren. Drie der aanvallers rolden morsdood op de grond. Velen werden gekwetst. De overigen weken haastig achteruit. Zij lieten een menigte voorwerpen [achter] als geweren, lansen, sabels, en schoenen, waaronder men zelfs verscheidene vrouwenschoenen gevonden heeft”.
 
De Raaltenaar besefte dat voortleven betrekkelijk was. “In verscheidene plaatsen zijn verordeningen uitgeplakt om zo haast mogelijk al de Europeanen van kant te maken. Ons leven hangt dus klaarblijkelijk aan een zeer dun draadje. Als Onze Lieve Heer er niet op een bijzondere wijze tussenkomt, geloof ik dat men weldra korte metten met ons zal maken”.
  Maar dat gaf niet. “Gods wil geschiede! De enige vrees die wij hebben en deze gedachte doet ons hart bloeden, is dat de een of andere onzer nieuwe bekeerlingen, door schone beloften uitgelokt, zijn geloof zou verzaken. Dat zou hem toch niet voor de dood behoeden”.
  In moeilijke tijden was het toch het geloof dat kracht en eeuwige bescherming bood. “De gesteltenis onzer christenen is bewonderenswaardig. Het spreekt van zelf dat de arme mensen bang zijn. Toch wachten zij gelaten hun lot af. Zij betrouwen op God en op Onze Lieve Vrouw. In het dikwijls ontvangen der H. Sacramenten trachten zij kracht en moed te putten om, als het nodig is, edelmoedig hun leven voor God en hun geloof ten beste geven. Wij zien de dood gedurig voor onze ogen zweven. Maar God versterkt ons. Sedert ik in de missie ben heb ik nog nooit zoveel werk gehad als tegenwoordig, en nooit heb ik zo goed aan de vermoeienissen kunnen weerstaan”.
 


Martelaren van de Bokseropstand

 

Eind goed, al goed

 
Aan het einde van zijn betrekkelijk korte leven kon de missionaris uit Raalte toch tevreden terug kijken naar wat er de afgelopen jaren in het hoge noorden van China gebeurd was. “Ondanks de vervolging, of liever ten gevolge derzelve, zullen wellicht met Gods hulp binnen korte tijd onze christenheden [missieposten] vermenigvuldigd worden. Sinds het ogenblik der onlusten hebben wij reeds verscheidene geloofsleerlingen aangeworven”.
  Geallieerde troepen hadden een einde gemaakt aan de opstand van de Boksers. De Chinese keizer was gedwongen allerlei concessies aan het Westen te doen. De hoogtijdagen van de missie in China waren aangebroken.
  Gerard Vonke uit Raalte had op een belangrijk moment stand weten te houden. Het christendom moet hem daar dankbaar voor zijn.
 
 
Harry Knipschild
26 juni 2009 – 8 juni 2015
Dit artikel is eerder verschenen op de website www.katholiek.nl