Zoeken

 
 
“Stormachtig applaus daverde door de anders zo stille eetzaal. Z’n kleine, sympathieke figuur stond er als een blijde lichtstraal op die sombere regenachtige januari-dag. Breed lachend zwaaide hij met zijn handen door de lucht om het daverend gejuich te doen ophouden. Het nam nog toe. Geen wonder, we wisten maar al te goed dat we in die kleine gestalte een van onze grootste missionarissen van het noorden begroetten: broeder Berens.
   We hadden gehoord dat hij teruggekeerd was – op en gebroken door het ruwe poolklimaat. In zijn post aan de IJszee had hij maandenlang het bed moeten houden. Hartziekte, reuma, maagziekte. Verzorging was bijna onmogelijk. Daarom achtte men het noodzakelijk hem naar het vaderland terug te sturen.
   Dat was ook zijn wens. ‘In Europa zal ik eerder kans hebben om te genezen. Hier zal ik de laatste jaren van mijn leven nuttiger kunnen maken dan daarboven, waar ik een last zou geweest zijn’.
   Nu ziet men hem iedere morgen om kwart over vijf zijn plaats innemen in de kapel, ondanks zijn ziekte en zwakheid. Voorbeeld van regelmatigheid en bovennatuurlijk kloosterleven. Zachtjes en zonder veel ophef heeft hij de deur van z’n bewogen missionarisleven achter zich gesloten”.
 


Broeder Berens

 
Met deze woorden ving pater B. Verbrugge van de Oblaten in 1939 een artikel aan in het tijdschrift ‘De Missiekoningin’. Broeder Berens was in 1910 op 24-jarige leeftijd naar het noorden van Canada vertrokken en had er 28 jaar gewerkt aan de verbreiding van het geloof onder de indianen en later de eskimo’s. In het artikel werd geen melding gemaakt van enige klimaatverandering of opwarming van de aarde. Het was er gewoon koud, ijskoud. “Open en vlak ligt er het land. Het is de kale eenzaamheid van de oneindige sneeuwvelden, waar de kou als meester heerst. De thermometer daalt er soms tot de ongelooflijke laagte van 55 graden onder nul. Die wordt nog onderstreept door de ijzig-striemende poolwind. Daar is geen houden aan”.
   In die extreme koude was het bovendien ’s winters maandenlang nagenoeg donker. Elektrisch licht bestond in die eenzame streken niet. Het leven stond in het teken van wat we tegenwoordig ‘survival’ noemen.
 

Survival - overleven

 
Overleven moest je ook temidden van wilde dieren. Berens had het persoonlijk meegemaakt. “‘De verschrikking is de grizzly, de grote, grijze beer. Een wild bloeddorstig beest, dat steeds de mensen aanvalt en hen tussen zijn voorpoten tegen zijn borst verplettert’.
   Er ligt nog een lichte huivering in de stem van de broeder als hij van die ontmoetingen vertelt. ‘We waren eens met tweeën op reis – een andere broeder en ik – op zoek naar kariboes [rendieren] voor de missie. Niets te vinden... We liepen en liepen. In de namiddag zagen we plotseling een grizzly op ons afkomen. Aan vluchten viel niet te denken. De missie was ver en de grizzly zou blijven vervolgen.
   We keken vlug de geweren na. Er waren 12 kogels op, gereed voor de ontvangst. Werkelijk, gerust was ik niet en ik wenste liever hier of daar op het dak te zitten. De beer naderde snuivend en met bloed-doorlopen oogen. Op een afstand ging hij op z’n achterste poten staan...
   Ik verschrok toen werkelijk. M’n hart was maar een boon meer. Het beestje, dat voor ons stond, was rechtstaande 3 ½ meter hoog. Hij sloeg wild zwaaiend met z’n enorme poten. We namen al onze moed bijeen en openden het vuur. Het werd verschrikkelijk. Bij zijn eerste wonden brulde hij als een bezetene. Ik weet niet wat er van ons geworden zou zijn, als we toen waren gevlucht. Maar we hielden vol, en tegen kogels bleek hij op den duur niet bestand... Zo’n avontuurtjes met grizzlys heb ik 6 – 7 maal met goed geluk doorleefd’”.
 

Eskimo-woning

 
De potentiële bekeerlingen, eskimo’s, waren soms niet minder gevaarlijk. De paters Rouvière en Leroux waren door hen vermoord. Daar hield het niet bij op. De eskimo’s aten vervolgens hun lever op en dronken hun bloed. Dat was in deze streken niet uitzonderlijk. Als ze zeehonden vingen deden ze hetzelfde, rapporteerde Berens. Het woord ‘eskimo’ zou volgens sommigen zelfs letterlijk ‘eter van rauw vlees’ betekenen. De broeder vertelde dat het vlees van de gedode zeehonden ‘in het kamp te rotten gelegd werd. Als het in staat van ontbinding was, smulde de eskimo het lekkerst’.
   Berens noemde hen ‘erg primitieve mensen, die met weinig blanken in aanraking waren geweest’. “Het materiaal dat ze gebruiken is dan ook nog, buiten enkele geweren, van eigen fabrikaat: messen, harpoenen, bijlen, zelfs naalden, slaan ze met een ongelooflijk geduld – met behulp van een steen uit grote blokken koper. Die blokken vinden ze op de kust van de IJszee. Ze wegen soms 3.000 kilo. En alhoewel vlugger bot, snijden hun messen even goed als de onze.
   De eskimo’s leven voornamelijk van de jacht op zeehonden en kariboes. De zeehond vangen ze bij de gaten in het ijs, die het dier gemaakt heeft en waar hij regelmatig komt ademhalen. Als het gat door zijn hond gevonden is, gaat de eskimo er in gebogen houding bij staan, de harpoen gereed. Zo kan hij uren en uren staan, zonder enige beweging. De minste beweging kan het dier verschrikken en dan zou het een verloren jacht zijn”.
   Broeder Berens had die houding ook wel eens uitgeprobeerd. Verkleumd en verstijfd had hij het na een half uurtje moeten opgeven.
   De bewoners op de kust van de IJszee hielden het langer vol. Ze wisten dat hun leven ervan af hing. “Als de zeehond aankomt hoort de eskimo het wel. Als hij van de gelegenheid gebruik gemaakt heeft om een dutje te doen, schiet hij wakker. Zodra het beest de kop vertoont, heeft hij de koperen harpoen al in het lijf. Het touw, van kariboe-pezen gemaakt, ontrolt zich achter het wanhopig spartelende dier. Dat moet zich na een tijdje overgeven”.
 

Het bestaan van de eskimo’s

 
Van bekeringen onder de schaarse bevolking in het zeer hoge noorden van Canada maakte de broeder geen melding. Het was ook niet makkelijk om het leven met de eters van rauw vlees te delen. “Veel missionarissen hebben geprobeerd te leven als zij. Maar tot nog toe is er slechts één in geslaagd. Pater Binamé heeft zijn Europese smaak opzij gelegd om makkelijker met de eskimo’s om te gaan”.
   Over dat bestaan, dat Binamé deelde in de hoop de eskimo’s tot het katholieke geloof te doen overgaan, vertelde Berens: “Ondanks hun onbegrijpelijk eten zijn ze weinig ziek. Het zijn kerels zo hard, taai en buigzaam als staal. Maar worden ze ziek, dan hebben ze soms de neiging zelfmoord te plegen. Ze voelen zich het leven onwaardig, nu ze niet meer voor vrouw en kinderen kunnen zorgen. Erge zieken moest de tovenaar – voor de komst van de paters – zelfs ophangen”. Met ‘tovenaar’ bedoelde de verslaggever waarschijnlijk iemand die godsdienstige rituelen voor de mensen daar verrichtte. Die religie werd door Berens uiteraard met ‘bijgeloof’ aangeduid.
   “De eskimo’s waren niet nauwlettend in hun bijgeloof. Oude mannen en vrouwen werden [voor onze komst] achtergelaten. Alle kinderen die na het tweede kwamen, eveneens. Zodat ze van de kou op het ijs stierven. Nu begint dat gelukkig te veranderen”. De geestelijke vertegenwoordigers van het westen brachten de beschaving mee. Toch was er nog heel wat ruwheid in hun bestaan. Het leven van de eskimo-mannen bestond immers uit jagen. Het leek wel Darwin, ‘survival of the fittest’ in het dierenrijk. De mensen bij de IJszee stonden nauwelijks op een hoger plan.
 

Vliegtuig voor de bekering van de eskimo's

“De ijsbeer, het traditioneel beest van het hoge noorden, is een concurrent van de mensen. In tegenstelling met hetgeen men er soms van vertelt is de ijsbeer echter zeer schuw. Ook hij leeft van zeehonden en is werkelijk meester in die jacht. Iedere keer als hij in een of andere scheur van het ijs verdwijnt, mag men er zeker van zijn dat hij met een zeehond boven komt,
   Een concurrent van de eskimo dus. Deze maken dan ook jacht op hem. Omdat de ijsbeer, zoals we zeiden, erg schuw is, moet de eskimo er een middeltje op bedenken. Hij hakt een gat in het ijs, plaatst er de kolf van een oud geweer in – de loop naar boven gericht. Rond de kolf giet hij water dat natuurlijk aanstonds bevriest. Het geweer staat vast.
   Na het laden wordt er een flink stuk vers vlees aan de uitmonding van de loop gebonden. Aan het vlees zit een touw, dat in verbinding met de haan staat. De ijsbeer rukt het stuk vlees van de loop en schiet zich zelf een kogel door de kop. Een tamelijk gemakkelijke vangst dus”.
   Ook op de kariboe werd veel gejaagd, noteerde pater Verbrugge uit de mond van de uit de poolcirkel teruggekeerde en versleten 52-jarige broeder. “Ze zwerven in kudden rond, soms grote, soms kleine. Broeder Berens heeft eens een grote kudde gedurende drie dagen en drie nachten voorbij de missie zien trekken. Sommige jaren verschijnt er echter geen enkele. Valt dan de jacht op de zeehond nog tegen, dan moeten ze onder het ijs gaan vissen, een ontzettend lastig werk. De broeder heeft het meermalen verricht om de missie van de hongersnood te redden.
   Of het nu nacht of dag is, steeds moet er geleefd, dus steeds gejaagd en gevist worden. Omdat de nacht er van december tot januari duurt, brengt ook dat z’n moeilijkheden mee. Maar men doet alsof het dag is en men vertrekt in de duisternis. De eskimo zal met z’n instinctief oriënteringsvermogen niet verloren lopen. Toch is zo’n nacht ook voor de eskimo geen lolletje”.
 

Feest van de zon

 
Je kunt je voorstellen dat de komst van de lente aanleiding was tot grote feesten. Zeker in zo’n donkere en ijskoude omgeving.
   “Als de zon verschijnt, vieren de eskimo’s het blijde zonnefeest. Ze bouwen een grote iglo waar 300 mensen in kunnen. In het midden vormt zich een kring. De tovenaar zet de dans in die, eenmaal begonnen, twee dagen en twee nachten moet voortgaan zonder dat de kring onderbroken wordt. De dansers lossen elkander af om te eten of wat te praten.
   Het gesmolten vet van de zeehond dient om de lamp in een iglo te onderhouden. De eskimo-vrouw moet de lamp steeds verzorgen. Brandt de lamp te hard, dan smelt de iglo. Brandt de lamp te zacht, dan is het te donker en te koud.
   Het vet is voor de eskimo’s tevens een bijzondere lekkernij. Vóór de komst van de blanken en nu nog is het hun enige drank. Dat olieachtig goedje drinken ze met bekers vol en met een gezicht of ze aan de beste champagne zitten.
   Mocht er soms te veel eten en drinken zijn, dan weten ze er wel raad mee: een huid wordt met pezen dichtgenaaid. Daar gaat het restantje in. Huidhaar, vlees, olie, ingewanden, maag enzovoort. Het geheel wordt stevig dichtgebonden en op een andere plaats achtergelaten. Na één, twee of drie jaar, als hij eens toevallig langs komt, dan vergeet de eskimo z’n lekkernij niet. De zak met het rottend boeltje wordt open gemaakt, en de maaltijd begint. De stank is op 100 meter afstand reeds onverdragelijk”.
 
In hun kajakken lieten de eskimo’s aan de paters wel eens zien hoe stoer ze waren. Berens: “Ook een eskimo is wel eens ijdel. Zo slaat hij bijvoorbeeld driemaal achter elkaar met boot en al om in het water, zonder er uit te vallen en peddelt dan rustig door. Eens was er zo’n demonstratie. De eskimo was al verscheidene malen met kajak en al onder water verdwenen, maar kwam telkens weer, behouden en fier over zijn eigen kunnen, boven. Op den oever lachte men.  Plots verdween hij om niet meer te verschijnen. De kajak was misschien vol gelopen? Hij verdronk. Het lachen op den oever werd toen onbedaarlijk, want dat iemand zo verdronk was toch wel het mooiste van de grap!”
 


Eskimo-landschap met ijsberg
 

Broeders, onmisbare helpers van de paters

Aan het einde van het relaas van Berens stelde pater Verbrugge de rol van de broeders in de missie aan de orde. Daar was hij uiterst positief over. Berens zelf had grote verdiensten gehad als jager. Bovendien had hij met de motorboot Immaculata (vernoemd naar de onbevlekte ontvangenis van Maria) voor de proviandering van de missie aan de IJszee gezorgd.
   De priesters in het noorden noemden de broeders ‘onmisbaar en de voorzienigheid van de missie’.
   Verbrugge: “Ze helpen het bekeringswerk hard vooruit omdat ze de priester-missionaris van veel zorgen ontlasten. Ze vergezellen de missionaris op al zijn reizen. Zij zijn het ook die voor het levensonderhoud van de missie zorgen. Voornamelijk zij die scholen en kerken bouwen. Door het werk en lijden geven zij het goede voorbeeld aan de heidenen. Hier of daar, waar geen priester komen kan, dopen ze een stervend kindje. Broeder Berens heeft tweemaal dit geluk gehad. Het zijn de broeders ook, die door hun gebeden en offers soms de meeste genade verdienen voor de bekeringen, die de Voorzienigheid onder de handen van de priesters bewerkt”.
    Het was zaak ‘deze grote missionaris van de Noordpool’ in de gebeden nog lang indachtig te zijn, legde hij anno 1939 vast... 

Harry Knipschild
24 augustus 2013, 28 januari 2015
Foto’s uit de ‘Missiekoningin’, 1939

Clips

* Eskimo's in 1922
* Eskimo's in de zomer van 1943 
* Missie van de Oblaten bij de eskimo's, jaren vijftig
* Missie van de Oblaten bij de eskimo's, jaren vijftig, 2
    
Dit artikel werd eerder gepubliceerd op de website www.katholiek.nl