Zoeken

 
 
Na het neerslaan van de grote Indiase opstand in 1857 (‘The Great Mutiny’) probeerden de Britten hun aanwezigheid in de regio steeds verder uit te breiden. ‘Brits-Indië’ bestond in die tijd uit grote stukken van het huidige India, Pakistan, Birma en Bangla Desh.
   De Engelsen kwamen bij hun territoriale groei in het hart van Azië echter in botsing met de troepen van de Russische tsaren die vanuit het noorden in zuidelijke richting trokken. Eén van de gebieden waar de Britten en de Russen met elkaar in conflict kwamen was Afghanistan.
 
In 1878 leek het erop dat de Russen het voor het zeggen hadden in Kaboel. Britse diplomaten werden bij de Khyberpas aan de Afghaanse grens zelfs tegengehouden en moesten onverrichterzake naar India terugkeren.
   Een reactie liet niet lang op zich wachten. De Engelsen stuurden maar liefst 40.000 soldaten, die Afghanistan op drie verschillende plaatsen binnen marcheerden. Dat leek de doorslag te geven. In mei 1879 werd het Verdrag van Gandamak gesloten, waarbij Afghanistan een gebied aan Brits-Indië afstond en permanente Britse vertegenwoordiging in Kaboel accepteerde.
   Maar toen de Engelse soldaten het land verlaten hadden werd Pierre Cavagnari, de Britse gezant, samen met de andere leden van het Britse gezantschap op 3 september om het leven gebracht. Brits-Indië liet niet met zich sollen en stuurde een nieuw leger naar Afghanistan.
 
Europese missionarissen, onder wie ook Nederlanders, kregen Afghanistan toegewezen om er die westerse troepen geestelijk bij te staan en de inwoners tot het christendom te bekeren. Arnulf Camps heeft in Studies in Asian Mission History, 1956-1998(Leiden 2000) een hoofdstuk gewijd aan de missieactiviteiten in het moeilijk onder controle te krijgen land .
 

(Nederlandse) missionarissen van Mill Hill

 


Jan Aelen

 
Herbert Vaughan was in de jaren zestig van de negentiende eeuw de stichter van de Britse Mill Hill missie. Paters van Mill Hill werden ingezet in gebieden waar de Britten het voor het zeggen hadden. Pater Browne kreeg de leiding over de activiteiten in Afghanistan (‘Upper India’).
   Vaughan reisde ook naar Nederland om er jonge priesters op de klein-seminaries te werven. Hij was er heel succesvol. In 1874 waren er op dertig seminaristen in Mill Hill (bij Londen) niet minder dan acht Nederlanders. Jan van Eijndthoven (uit Vianen), Jan Aelen (Tilburg), Gerard Raatger (Rossum, Overijssel) en Alexander Prenger (Millingen) kregen Engelse namen (Endhoven, Allen, Rodger). Met de Britse troepen trokken ze mee naar en door Afghanistan.
   Met Van Eijndthoven, 29 jaar oud, liep het al snel slecht af. Hij was nog geen maand in Afghanistan toen hij een gevaarlijke ziekte (cholera) opliep en op 18 juli 1879 kwam te overlijden.
 

Father Browne naar Kaboel

 
Als leider van de missie van Mill Hill in het gebied trok pater Browne vanuit Peiwar Kotal en Ali-Kheyl met generaal Roberts en zijn troepen mee. Op 3 november 1879 deed hij vanuit de hoofdstad Kaboel verslag. Zijn brief, in het Nederlands vertaald, werd een paar maanden later afgedrukt in Katholieke Missiën.
   “Ik zag mij genoodzaakt al mijn boeken en een gedeelte mijner miskleeren en altaarlinnen achter te laten”, moest hij bekennen.
   Het werd de missionaris voorlopig niet makkelijk gemaakt zijn activiteiten als priester uit te oefenen. Onverwacht kwam de legermacht in beweging. “Ik had mijn vasten gebroken en kon dus geen Mis meer lezen. Het eenige wat ik kon zeggen was: ‘Heer, uw wil geschiede’”.
   De pater had wel iets anders aan zijn hoofd. “Heel vroeg rukten wij op. Ik marcheerde den ganschen dag, wijl de weg zeer ruw, en mijn paard slecht beslagen was. Op dezen tocht werd onze achterhoede aangevallen en twee man licht gewond. Wij overnachtten te Karatiga en trokken den volgenden morgen naar Kushi, waar generaal Roberts zijn kwartier had opgeslagen”.
 


Britse leger rukt op, 1879

 
De bergen waren zo steil dat iedereen volkomen uitgeput raakte. Daar zaten ze dan ’s avonds, boven op een berg. “Wij waren meer dan 13.000 voeten [ruim vier kilometer] boven de oppervlakte der zee, op een plateau geheel ontbloot van plantenleven, zonder voer voor onze lastdieren, zonder zout om ons eten te koken. Mijn kok moest rondsnuffelen om een beetje mest te vinden om daarmee te stoken. Tot overmaat van ramp was de nacht zoo koud, dat het water twee duim in de emmers bevroor”.
   Militaire zaken bleven prioriteit nummer een. Dat was duidelijk in het verslag van de missionaris. “Onze divisie maakte halt, om onze provisie op te brengen. Den volgende dag, het feest der Onbevlekte Ontvangenis, weer op marsch en dus weer geen Mis”.
 

Aankomst bij en bezetting van de Afghaanse hoofdstad

 
De Britse troepen moesten nog enkele keren in actie komen. Maar op 12 oktober 1879 waren ze bij Kaboel. Browne keek persoonlijk toe. “Zondag trok generaal Roberts in triomf de Bali Hassar binnen, plantte de Union Jack (Engelsche vlag) op de voornaamste poort en deed zijn proclamatie. ’s Maandags was er groote parade van al onze troepen door de stad.
  Een menigte volks werd gebezigd om de puinhoopen der hoofdstad weg te ruimen. Alles toonde hoe verschrikkelijk de strijd en hoe heldhaftig de verdediging was geweest. Menschenbeenderen lagen nog in elke richting verspreid, overal zag men bloedvlekken op den muur, en sommige puinhoopen rookten nog. Men zocht nog lang [vergeefs] naar de beenderen van [de vermoorde Britse gezant] Cavagnari. Een groot getal der in den moord op Cavagnari betrokkenen zijn opgehangen, anderen wachten hun lot nog af”.
 


Kaboel 1879

 

 
De pater van Mill Hill vatte zijn waarnemingen samen met de woorden: “Kaboel is in onze macht”. Maar kort na aankomst van de Britten was er nog een ernstige ontploffing (een aanslag?) die aan ongeveertig dertig man het leven kostte. Het was nog lang niet veilig in Kaboel en omgeving.
  Pater Browne ging echter aan het werk. Om te beginnen deelde hij in de buit. “Ik heb drie Afghaanse vlaggen bemachtigd, een helm, twee zwaarden en twee geweren. Ik zal ze overzenden als ik kan. Gij kunt het gebruiken in het museum. De vlaggen zijn van zeer fijne zijde”.
  Vervolgens bereidde hij zich voor op andere activiteiten. “Mijn altaarwijn was op en zoo zag ik uit naar nieuwe voorraad. Ik ontmoette eenige Armeniërs, die mij twee flesschen gaven, zonder eenig geld te willen aannemen”.
 
De Armeniërs zochten echter hulp bij de missionaris van Mill Hill. “Eenige dagen later ontmoette ik hun hoofd. Ik bezocht hunne kapel. Gij kunt u de vreugde dezer arme lieden voorstellen nu zij zoo gelukkig waren weer een priester te zien. Sinds jaren hadden zij er geen gehad. Ik kon hun het kussen mijner voeten, handen en van mijn toog niet beletten. Daarbij zaten zij in groote zorg. Generaal Roberts had elkeen geboden [de stad] te verlaten. En hunne huizen zoowel als de kleine kapel en de rest dier plaats moest onbewoonbaar worden gemaakt. Zij waren buiten raad”.
  De missionaris gebruikte zijn relaties. “Ik sprak generaal Roberts, en hij beloofde sommige der verbeurd verklaarde huizen in de stad aan te wijzen, en zorg te dragen voor een kleine kapel”.
  Dat opende perspectieven voor de missie. “Zij zijn nu slechts zestien in getal. Zij zeggen dat zij dag en nacht hebben gebeden voor de bekeering van Afghanistan, en dat er ongeveer twintig man in Kaboel in hun hart christenen zijn die tot nog toe bevreesd zijn geweest het te bekennen. Zijn deze misschien bestemd om de kern uit te maken van een christenkerk hier? Laat ons vurig bidden”.
 

Een nieuwe toekomst voor Mill Hill in 1879?

 

Frederick Roberts, hoofd van de Britse troepenmacht


 
Browne zag mogelijkheden voor de toekomst. Hij wist dat hij hulp ‘van boven’ had. “God zegent voornamelijk onze katholieke soldaten. Slechts één is gestorven, sinds wij dezen veldtocht begonnen, terwijl ongeveer 25 protestanten stierven, en toch de katholieken maken hier een vijfde gedeelte der soldaten uit. Mijn gezondheid is uitmuntend, en ik ben Goddank gelukkig en tevreden”.
  Toch besefte hij dat hij hulp nodig had voor het bekeringswerk. “Ik verlang te hooren of de nieuwe missionarissen reeds zijn vertrokken. Ik verlang hen hier in Afghanistan te hebben. Zoolang ik geen hulp heb, kan ik er niet aan denken mijn aandacht op de inboorlingen te vestigen”.
 
Er kwamen nieuwe missionarissen, maar veel succes hadden ze niet in het land waar het Westen in 2009 nog steeds in conflict is met ‘inboorlingen’ als de Talibaan. Jonge Nederlandse priesters als Jan Aelen, Alexander Prenger en Gerard Raatger werden spoedig overgeplaatst naar Madras en Borneo.
  Aelen had nog een grote kerkelijke toekomst voor de boeg. In 1890 was hij de stichter van het missiehuis van Mill Hill in het Brabantse Roosendaal. Mill Hill werd een Brits-Nederlandse organisatie. “Het kleine Nederland staat aan de spits” schreef de Tijd over het grote aandeel van de Nederlanders in de organisatie van Herbert Vaughan. Aelen werd in 1911 zelfs aartsbisschop van Madras (het huidige Chennai). Hij overleed er op 10 februari 1929.
 
Harry Knipschild
28 maart 2009

Clip
 
De 'verovering' van Aghanistan

Dit artikel werd in het voorjaar van 2009 gepubliceerd op de website www.katholiek.nl
6 november 2014