Zoeken

 
Pierre Vrancken werd op 8 november 1806 geboren in Montenaken (Belgisch-Limburg). In het begin van de negentiende eeuw waren België en Nederland nog niet gescheiden. Het was dan ook niet uitzonderlijk dat Vrancken als kapelaan in Wijlre en later als pastoor in Sint Geertruid (Zuid-Limburg) werd aangesteld. Cornelis van Bommel, een Nederlander die als bisschop in Luik zetelde, benoemde de priester uit Montenaken in 1838 tot deken van het stadje Sittard.
   In een artikel dat J. Vleeshouwers publiceerde in het historisch jaarboek voor het land van Zwentibold (1992) wordt Vrancken als een ondernemende man afgeschilderd. Als deken van Sittard nam hij contact op met pastoor Johannes Lambertz in het Belgische Tildonck. Lambertz (1785-1869) was de stichter van een Ursulinen-klooster in zijn woonplaats. De twee priesters wisten de zusters, volgelingen van Angela de Merici (Brescia, Italië, zestiende eeuw), te bewegen ook in Nederlands Limburg neer te strijken. Op 27 april 1843 vestigden de Ursulinen zich aan de Oude Markt in Sittard. Mère Olive (Angelica van Noten) werd moeder overste.
   De zusters gingen katholiek onderwijs geven aan de meisjes in Sittard en zeer verre omgeving. Vanuit St-Calvaire, het eerste Ursulinen-klooster in de streek, verspreidden ze zich over de wereld. Na verloop van tijd kwamen er vanuit Sittard Ursulinen-kloosters in onder andere Breust (Eijsden), Roermond, Kerkrade, ’s Gravenvoeren (Belgische Voerstreek), Geilenkirchen (over de grens in Duitsland), Upton bij Londen en zelfs Transvaal in Zuid-Afrika.
 


 

In 1830 kwam België in opstand tegen het bewind van de Nederlandse koning Willem I. De definitieve scheiding had plaats in 1839. Het protestantse Nederland was voorlopig nog missiegebied. De in Bree (België) geboren Joannes Paredis werd benoemd tot missie-bisschop (apostolisch vicaris) in Nederlands Limburg. Pas in 1853, bij het herstel van de katholieke hiërarchie, vestigde hij zich formeel als ‘gewone’ bisschop in Roermond.
   In het koninkrijk der Nederlanden waren er voor de katholieken nog heel wat weerstanden te overwinnen. In Nederland verzetten de protestanten zich tegen de opkomst van de katholieken in de zogenaamde april-beweging. In Indië werd bisschop De Grooff zelfs het land uitgezet en naar Nederland verbannen. Er was behoefte aan een ondernemende bestuurder. Pierre Vrancken werd gevraagd om vanuit Sittard als helper (co-adjutor) en opvolger van De Grooff naar Batavia te vertrekken.
 

Van Sittard naar Batavia

 


Mgr. Pierre Vrancken
 

 
Veel priesters die als missionaris de wijde wereld introkken deden dat omdat ze zich geroepen voelden het ware geloof uit te dragen. Bij Vrancken, lijkt het, was hiervan geen sprake. Toen hij gevraagd werd missie-bisschop te worden vroeg hij zelfs bedenktijd. Pas na een aantal dagen stemde de deken van Sittard toe ‘uit medelijden jegens die ongelukkige en arme Indische broeders’. Paus Pius IX benoemde Vrancken tot bisschop van Colophon. De nieuwe missionaris sprak van ‘vrees en benauwdheid bij die schrikkelijke onderneming welke Rome mij oplegt’. Binnen enkele maanden vertrokken er op twee schepen zes nieuwe priesters naar Nederlands-Indië. Vrancken nam zelf Adam Claessens mee. Die was in Sittard geboren maar opereerde voor zijn vertrek in december 1847 als kapelaan in Venlo.
 
Vrancken mocht niet klagen over de ontvangst in Batavia. “In een rijtuig met vier Javaanse paardjes bespannen werd Mgr. als in triomf in zijn nieuwe residentie binnengevoerd”. Daarna begon het harde missiewerk. Er was heel wat te doen. Batavia, is te lezen in een recent boek over de geschiedenis van de Nederlandse missionering (Jan Derix, 2009) telde ‘600 katholieken waarvan er maar 25 hun paascommunie ontvingen’. Aan alles was gebrek: geld, jonge priesters en zusters om goed onderwijs te geven. De bisschop van Colophon nam contact op met de Ursulinen in Sittard. Of die hem niet wilden komen helpen. In 1854 was hij weer in Nederland. Pas in september 1855 slaagde hij erin negen religieuzen in Rotterdam op de boot naar Batavia te zetten. Onder hen vijf Sittardse Ursulinen. Vrancken reisde zelf grotendeels over land naar Nederlands-Indië.
 
Heel wat jonge mensen die vanuit Europa naar het Verre Oosten trokken om het christendom uit te dragen werden niet oud. Sommigen stierven de marteldood. De meesten bezweken echter aan ziektes. Zelfs de reis kon al een hachelijk avontuur zijn. In het reisverslag van de eerste Ursulinen is te lezen wat ze te verduren hadden. In de Golf van Biskaje kwam de Herman, het zeilschip waarmee ze reisden, in een zware storm terecht. Twee weken lang kwam het schip zelfs geen meter vooruit. Het was meer proberen te overleven dan verder te komen. De ervaren kapitein vertelde de Ursulinen dat hij zo’n storm niet eerder had meegemaakt. Gelukkig waren er ook andere momenten aan boord. Zo ontvingen de zusters op 21 oktober 1855, het feest van de patrones van de orde, de heilige communie, zongen het lof en de vespers, terwijl ze hun kloostergeloften plechtig hernieuwden. Elke zondag zongen ze psalmen.
   Er kwam bijna geen einde aan de tocht, vanwege een nieuwe bulderende storm. “Een soepketel met bonen sloeg van het fornuis, golven sloegen over het dek, de wastafel van pater Franssen die met haken was verankerd was omgevallen, flessen water en lampetkannen vielen in stukken en de passagiers schommelden van de ene naar de andere kant van de verblijfsruimte. Het schip lag zo schuin, dat zuster Ursule vreesde dat het zou zinken”.
   Zuster Emmanuel was al een tijd ziek. De storm maakte haar situatie alleen maar erger. Ze kreeg ernstige bloedspuwingen. De hevige schommelingen van het schip verergerden de situatie. De religieuse kreeg het Heilig Oliesel aan boord toegediend. Kort na aankomst in Batavia (het tegenwoordige Jakarta) kwam er een einde aan het aardse leven van de zuster uit het Sittardse klooster.
 

Vooruitgang in de missie

  


Klooster Ursulinen in Tildonk
 

 
De komst van de Ursulinen bleek een aanwinst voor de missie op Java te zijn. Het klooster waar ze zich vestigden leek bovendien wel een aards paradijs. In twee grote tuinen groeiden allerlei vruchten als bananen, mango’s en granaatappels. Op de prachtige bloemen en bomen raakten de zusters niet uitgekeken. In 1856 openden ze een meisjesschool met internaat, het ‘Groot Klooster’. De belangstelling was groot. Op 10 december 1856 schreef mgr. Vrancken enthousiast naar Sittard dat er behoefte was aan meer zusters. “Het klooster wordt prachtig – voor Europese begrippen wellicht te prachtig. Sittard en zelfs Tildonck vallen af tegen ons instituut, zowel in grootheid als in deftigheid. De zusters zijn bijzonder in hun schik”. Niemand had ook maar de minste behoefte om naar Nederland terug te keren aldus de missiebisschop wat later.
   Op 6 april 1858 kwamen negen nieuwe zusters uit Nederland over. In 1859 volgde in Weltevreden (ten zuiden van Batavia) de stichting van het ‘Klein Klooster’ en daarbij bleef het niet. In Soerabaja, Malang, Madioen, Buitenzorg (nu Bogor), Bandoeng, Soekaboemi, Pekalongan, Tjaruban – overal verschenen scholen en weeshuizen. “Onze gestichten gaan bij voortduring gunstig onder Gods zegen vooruit”, meldde Vrancken aan Sittard na een aantal jaren. “Het pensionaat telt in de zestig [meisjes] uit de gegoede stand. Ons tweede gesticht telt reeds 94 [leerlingen]”. In 1866 waren er 12 priesters en 46 Ursulinen op Java. In die tijd was er bij de Ursulinen in Venray zelfs een apart noviciaat voor de missie gekomen.
   De vooruitgang van de missie op Java werd, lijkt als je het artikel van Vleeshouwers bestudeert, vooral belemmerd door dodelijke ziektes als cholera en tyfus. En er bleef natuurlijk altijd een tekort aan Nederlandse jongemannen en vrouwen voor het rijk van Insulinde.
  
Ook Pierre Vrancken had het moeilijk in de tropen. Vanwege problemen met zijn gezondheid moest hij regelmatig naar Nederland terugkeren. In 1874 verklaarden zijn artsen dat het medisch gezien niet langer verantwoord was dat hij opnieuw naar Batavia zou vertrekken. Het werd hoogtijd voor een opvolger. Op advies van Vrancken werd Adam Claessens tot zijn opvolger als bisschop in Batavia benoemd. De in Sittard geboren missionaris kreeg de titel bisschop van Transpolis. Aan het einde van het jaar arriveerde de uitverkorene in zijn geboortestad. Op 2 februari 1875 werd Claessens in Sittard door zijn superieur Vrancken persoonlijk tot bisschop gewijd. Zo bleef het Zuid-Limburgse stadje een voorname rol spelen in de missie op Java.
   Ondanks de Japanse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog bleven de Ursulinen zich handhaven. Bij de viering van honderd jaar missie in 1955 waren er 400 zusters van die orde op Java. In twaalf kloosters gaven ze les aan 11.500 kinderen. In Sittard was het allemaal begonnen.
 


School Ursulinen in Bandoeng

 
Harry Knipschild
9 november 2010, 10 september 2014
Dit artikel werd eerder geplaatst op website www.katholiek.nl