Zoeken

 
Carolijn Visser (geb. 1956, Leiden) is een van de meest prominente auteurs van reisboeken. Van haar hand verschenen onder meer Hoge bomen in Hanoi (Vietnam), Buigend bamboe (over de tochten die ze maakte in de voetsporen van VOC-reiziger Johan Nieuhof), Verre reizen, Brandend zout en Grijs China. Dit voorjaar ontving ze de tiende VPRO Bob den Uyl-prijs voor Argentijnse avonden. Dat reisverslag werd uitgeroepen tot ‘beste journalistieke Nederlandstalige reisboek van het afgelopen kalenderjaar’

In 2008 publiceerde Carolijn Visser Shanghai Skyline. In één van de hoofdstukken, ‘Zuster Adolphine en de katholieken van Taiyuan’, deed de schrijfster verslag van haar ervaringen op de plek waar Kaatje Dierckx vermoord werd, of zoals dat vroeger heette: tot het martelaarschap verheven.
 

 
Kaatje Dierckx (geb. 1866, Ossendrecht) was een straatarm meisje. Als zuster Marie Adolphine (van de Franciscanessen) werd ze in 1899 naar China gestuurd. In een eerder artikel schreef ik:
  “De eerste maanden verliepen niet plezierig voor Kaatje. Ze sprak de taal niet en in het gesticht, waar tweehonderd Chinese weesmeisjes verbleven, waren al Chinese vrouwen die de nieuw-aangekomen Europese zusters als concurrenten zagen en hen met argwaan bekeken. Bovendien werd Kaatje, zoals de meeste Europeanen die in China arriveerden, getroffen door de tyfus. Maar ze wist alle problemen te boven te komen. In de correspondentie met Europa werd ze geprezen: ‘Zuster Marie Adolphine doet de keuken. Het is een ziel waarmee men alles kan doen wat men wil. Het is een van die religieuzen die waarlijk God zijn toegewijd en die altijd bereid zijn te gehoorzamen’”.
 
Het arme meisje, zo lijkt het, werd ingezet voor het vuile werk. Ze trof het bovendien niet. Kort na haar aankomst brak de Bokseropstand in volle hevigheid uit. Zuster Adolphine was een van de slachtoffers. Tijdens het zogenaamde ‘bloedbad van Taiyuan’ (9 juli 1900) werd de Brabantse vrouw samen met een aantal andere religieuze westerlingen onthoofd. Kaatje Dierckx was een martelares geworden. Dertien jaar geleden werd ze samen met een aantal lotgenoten door paus Johannes Paulus II heilig verklaard.
 


Franciscanessen in China (zuster Adolphine eerste van links?)

 

Processie in Ossendrecht

 
Carolijn Visser reisde naar Ossendrecht en liep mee in de processie die ter ere van Kaatje plaats vond. “In de vensters van de huizen waar ik met andere processiegangers aan voorbij was gegaan, stonden beeldjes van de inmiddels heilig verklaarde zuster. Achter een in wit en rood geklede pastoor duwden vier mannen een kar vooruit waarop een donkerhouten beeld van Adolphine oprees uit boeketten rode en witte rozen.
   Daarop volgden luidruchtige dorpsjongens verkleed als Chinese Bokseropstandelingen in satijnen pakken en met revolutionaire rode banden om het hoofd. Hun gezichten waren geel geschminkt, hun ogen tot streepjes gemaakt. Dreigend zwaaiden ze met hun speelgoedzwaarden.
   Achter de uitgelaten kinderen kwam rustig schrijdend de persoon om wie het allemaal te doen was: Adolphine, in levenden lijve. Een plaatselijke amateur-actrice had zich gekleed in het lange witte habijt van toen. Zelfs haar gezicht leek op dat van de vermoorde zuster door de witte sluier die tot over haar schouders reikte en al het haar verborg.
   Het was bijna griezelig hoe de ernstig kijkende, in het wit geklede vrouw het verleden naderbij bracht. Hoe haar verschijning het voorstelbaar maakte dat een arm Brabants meisje non werd, vervolgens naar China ging om missie te bedrijven en daar werd vermoord.
   Tot slot was er een mis ter ere van de heilige. In de kerk zat ik onder een glas-in-loodraam waarin het korte leven van Adolphine werd uitgebeeld. In het midden zijzelf, imposant en metershoog met een kruisbeeld in haar handen, omringd door de zes andere zusters met wie ze een jaar lang in Taiyuan had geleefd en gewerkt. In een volgend tafereel knielde de Brabantse voor een Chinees met een zwaard: haar laatste moment was gekomen”.
 


'Chinese' processie in Ossendrecht, 2011
 

Van Ossendrecht naar Taiyuan

 
Carolijn Visser reisde vervolgens naar de plek waar Kaatje om het leven gebracht was. Het laatste stuk in haar voetspoor ging over rails. In 1899 was het anders gegaan, besefte de schrijfster. “De Brabantse zuster Adolphine had in 1899 per trein niet zo ver kunnen komen. Het spoor reikte toen nog niet tot hier. Met haar medezusters en een paar priesters was ze tot aan de rand van het laagland gereisd. Daar moesten ze twee aan twee overstappen in draagstoelen, die gedragen werden door een muilezel voor en een muilezel achter.
   De zusters hadden Chinese tunieken over hun habijten aangetrokken om niet nog meer op te vallen dan ze al deden. Onder hen gaapten diepe kloven. Verschillende malen schoot een van de draagstoelen los en tuimelden de zusters eruit, maar geen van hen raakte gewond. Daarin zagen ze Gods hand, schreven de zusters later aan hun moeder-overste.
   Op de negende dag zagen ze Taiyuan beneden zich liggen. De glooiende gele daken van boeddhistische tempels glansden in de zon. Daartussen ontwaardden ze, tot hun grote vreugde, hun kathedraal. Bij de stadspoort werden ze verwelkomd door monseigneur Grassi, de Italiaanse bisschop van Taiyuan.  Ze werden van top tot teen bekeken door honderden nieuwsgierige Chinezen die waren toegestroomd. Met volle overgave, zo zou een van de zusters schrijven, zongen ze toen een Te Deum”.
 
Taiyuan fungeerde als hoofdstad van de Chinese provincie Shanxi. Een populair toeristenoord was het nooit geworden. “In Taiyuan kwamen nog steeds niet veel buitenlanders. In de trein waarmee ik gekomen was en op straat had ik er niet één gezien”, legde Carolijn vast.
   Visser wist waarom ze gekomen was. De volgende ochtend ging ze meteen op stap. “Door een taxi liet ik me naar de roze kathedraal vervoeren. De stoep ervoor stond vol geparkeerde fietsen. Aan de kerkgevel opgehangen luidsprekers versterkten de woorden die op het altaar werden gepreekt. Blijkbaar waren religieuze woorden niet meer verboden in China. Wandelaars vertraagden hun pas, fietsers hielden op met peddelen en een man met een paardenkar was gestopt om te luisteren”.
   De hedendaagse kathedraal van Taiyuan was een knots van een gebouw. “In een wit omlijste nis vouwde Maria haar handen, in een andere nis droeg Jozef het kindje Jezus op zijn arm. Twee torens werden bekroond door goudgerande koepels. Daartussen een timpaan waarop een kruis prijkte. De kathedraal zou in Florence passen, in Napels niet misstaan, maar hij was hier gebouwd, midden in China”.
 



Kathedraal van Taiyuan

 
“Nadat mijn ogen gewend waren aan de duisternis binnen, ontwaarde ik een op kussentjes neergeknielde menigte. Mannen, vrouwen, kinderen, jong en oud, iedereen was keurig maar eenvoudig gekleed. Een sjaal, een gekleurde haarklem, een nieuw overhemd leken speciaal voor deze dag te zijn uitgekozen.
   Vijf tienermeisjes knielden op kranten die ze op de tegelvloer hadden uitgespreid. Er was nergens meer plaats voor hen. Ook zij waren in gebed verzonken. Door een glas-in-loodraam met een voorstelling van de Drie Koningen viel een bundel gekleurd licht die de immense ruimte doorkliefde”.
 

Opgenomen in katholiek China

 
De blanke Europese bezoekster werd meteen opgenomen in de Chinese katholieke gemeenschap. “Een hand omsloot mijn arm. Ik werd door een kleine, grijze vrouw meegevoerd naar voren. Ze gebaarde me tussen twee grootmoeders plaats te nemen. Voor ons verhief zich een groot Maria-beeld. De Maagd was gewikkeld in een doek en leek op Guanyin, de barmhartige boeddhistische godin. Zeker tweeduizend monden om me heen mompelden het Onze Vader. Daarna vormde zich een rij voor het ontvangen van de hostie. De mis was voorbij.
   Een van de grootmoeders wenkte me. We belandden in een complex achter de kerk, met hoge gangen. In een stille kamer zat een man, gekleed in een zwart pak met een witte boord, achter een bureau: Paul Meng. ‘Welcome to our church’, zei hij in vloeiend Engels. ‘Ik ben de hulpbisschop’.
   Ik gaf hem een bidprentje van zuster Adolphine en hij reageerde verheugd: ‘U bent zeker familie van de Nederlandse zuster!’
   ‘Niet echt’, bekende ik.
   ‘Goede vrienden van de familie’, besloot de hulpbisschop. Het was alsof er meer dan honderd jaar geleden een brief was uitgegaan en nu eindelijk antwoord kwam. ‘Wij koesteren de herinnering aan al onze honderdtwintig martelaren!’ vervolgde pastoor Meng dankbaar”.
 

Carolijn Visser en pastoor Meng

 
Carolijn Visser maakte van de gelegenheid gebruik om de feiten door te nemen. Aan haar woordgebruik merkte je dat ze geen expert was op het terrein van de katholieke missie in verre landen als China. Dat maakte haar verhaal echter niet minder interessant. “In het jaar 2000 had de paus honderdtwintig westerse missionarissen en Chinese katholieken, onder wie zuster Adolphine, heilig verklaard. ‘Allemaal mensen die gestorven zijn tijdens de Bokseropstand in 1900, toch?’ verifieerde ik.
   ‘Nee, nee’, antwoordde pastoor Meng opgewekt. ‘Daarvoor en daarna is er ook van alles gebeurd. Veel mensen hebben voor onze katholieke kerk hun leven gegeven’.
   Die heiligverklaring, wist ik nog, had tot een fel afkeurende reactie van de Chinese regering geleid. Verschillende martelaren zouden misdaden hebben begaan en met westerse imperialisten hebben gecollaboreerd. Hier in de kathedraal van Taiyuan dacht men daar blijkbaar anders over. Ik keek op naar het hoge plafond boven ons. ‘Zuster Adolphine kan dus in deze kamer zijn geweest’, merkte ik op.
   Pastoor Meng schudde beslist het hoofd. ‘In 1900 zijn de kerk en alle bijbehorende gebouwen tot de grond toe afgebrand. Daarna zijn nieuwe priesters uit Italië gekomen. Die moesten weer helemaal opnieuw beginnen’.
   Na de slachting door de Boksers waren geallieerde oorlogsschepen de Chinese rivieren op gestoomd. Duitse, Franse en Britse soldaten hadden de opstandelingen neergeslagen. Er werd een vredesverdrag gesloten met strenge voorwaarden: voortaan zou het christendom in alle vrijheid mogen worden uitgedragen in China. ‘Aan de Italianen die na 1900 kwamen hebben we veel, heel veel te danken’, vervolgde pastoor Meng zijn verhaal. ‘Alles wat je hier ziet, hebben we van hen gekregen, ook onze mooie kathedraal’”.
   Voor de schrijfster werd het duidelijk: “Martelaren worden herdacht, maar zij die tastbare zaken achtergelaten, blijven sterker aanwezig. De arme Adolphine en haar medezusters hebben geen tijd gehad om ook maar iets te voltooien”.
 
In het gesprek dat Visser met de pastoor voerde kwamen de gebeurtenissen van ruim honderd jaar eerder nog eens aan de orde. Met name de zeer korte tijd dat Kaatje in China actief kon zijn in de missie.
   “Een maand voor hun dood maakten ze nog een begin met de bouw van een nieuw klooster. De rest van de tijd die hun gegund was in Taiyuan, waren ze bezig geweest met overleven. Ze moesten orde op zaken stellen in het weeshuis dat aan hun zorgen was toevertrouwd. Daar hadden ze een bende aangetroffen. Van de tweehonderd kinderen waren er maar twaalf gezond.
   Sommige kinderen waren zo vuil ‘dat hun huid wel bedekt lijkt met de schubben van een vis’. Een meisje dat aan tyfus leed was ‘vijftig dagen niet gewassen of verschoond. We maakten haar broek bij de enkels los en tot onze verschrikking viel er uit elke pijp een handvol ongedierte’.
   Elke dag werden er nieuwe weesmeisjes bij de poort achtergelaten. Meestal waren ze zo ziek en verzwakt dat ze binnen een paar dagen stierven. Maar in de tussentijd werden ze gedoopt. De meisjes gingen dus als engeltjes naar de hemel, stelden de zusters zichzelf gerust.
   Zuster Adolphine werkte in de wasserij. Zij moest zorgen voor schone kleren voor de weesjes, de nonnen en de bisschoppelijke residentie. ‘Tijdens het werk bidden we en de was wordt goed wit’, schreef haar nedezuster Amandine naar de moeder-overste in Rome”.
 

Berisping voor Carolijn Visser

 


Bisschopswijding Paul Meng (midden)

 
Visser, een vrouw van deze tijd, vond het maar niets dat een missiezuster als Kaatje Dierckx bij aankomst nauwelijks opgevangen werd door de Europese geestelijken die er al woonden en werkten. “‘Toen Adolphine en de andere zusters hier aankwamen’, begon ik tegen pastoor Meng, ‘was er eigenlijk niets voor hen in gereedheid gebracht. Er was geen klooster, het hospitaal waar ze zouden gaan werken was nog niet gebouwd en de bisschop sloot zijn ogen voor de problemen in het weeshuis’”.
   Met dat soort ideeën moest je in China niet aankomen. “Pastoor Meng keek me berispend aan. Klagen over een bisschop, ook al leefde die honderd jaar geleden, was natuurlijk ongepast.
   ‘De zusters werden allemaal ziek. Ze waren niet gewend aan het klimaat en aan het eten’, haastte ik me een andere wending aan de zaak te geven.
   ‘Nee, nee, natuurlijk niet’, beaamde pastoor Meng, blij dat ik de bisschop er nu buiten hield. ‘In die tijd heersten de vreselijkste epidemieën’.
   Wat heet! Een Franse zuster had binnen een paar weken tyfus gekregen, met hoge koortsen. Ze bleef leven, maar uit de brieven die naar Rome zijn geschreven, is op te maken dat ze er een hersenbeschadiging aan overhield. ‘Sinds haar ziekte gedraagt ze zich ongewoon, alsof ze een kind is’.
   Adolphine en een andere zuster moesten vaak het bed houden met difterie. Amandine, de Vlaamse zuster, braakte weken achter elkaar”.
 

“Wij zijn té katholiek”

 
Het leven van Kaatje Dierckx en de andere Franciscanessen was in Taiyuan blijkbaar allerminst een lolletje. En na een jaar werd ze om het leven gebracht. Toch, kun je achteraf constateren, had het katholieke geloof dank zij al die westerse inspanningen wel goed wortel geschoten. Dat werd nog eens duidelijk in dit gesprek van de reisboekenschrijfster uit Nederland met de hulpbisschop die in Ierland en het Belgische Leuven had kunnen studeren.
   “Pastoor Meng sprong op en schonk gedienstig thee uit een thermosfles, alsof hij het leed van de zusters wilde gladstrijken. ‘Heb je iets van de mis kunnen volgen?’ wilde hij weten.
   ‘Ik kwam erg laat’, excuseerde ik me.
   ‘Geeft niet’, stelde pastoor Meng me gerust, ‘dit was de tweede mis, er volgen er nog vier’.
   ‘Zes missen op één zondag?’ vroeg ik verbijsterd.
   Pastoor Meng straalde. ‘Die zijn nodig om alle gelovigen van Taiyuan te kunnen bedienen’. Hij liep naar een kaart aan de wand. ‘Dit is ons bisdom’, wees hij. ‘Al deze stippen zijn dorpen met een katholieke kerk. Meer dan honderd’.
   ‘Zoveel gelovigen!’ zei ik bewonderend. ‘En blijkbaar zo trouw!’
   ‘Ik denk wel eens: wij zijn té katholiek’, bekende pastoor Meng. ‘Negentig procent van de mensen komt elke zondag naar de mis, veertig procent verschijnt ook nog elke ochtend. In Europa zie je dat niet meer. Alleen met Kerstmis en met Pasen zitten in die landen de kerken vol’”, wist hij uit ervaring. “‘De rest van het jaar zijn ze leeg’”.
   Het katholieke geloof was sinds de komst van de missionarissen van generatie op generatie overgeleverd. Zo was het ook pastoor Meng vergaan, legde hij aan Carolijn Visser uit. “‘Ik ben streng katholiek opgevoed. Mijn familie is al vele generaties katholiek. Als ik naar bed ging en ik had niet gebeden, maakte mijn moeder me wakker. En dan spreek ik over de tijd van de Culturele Revolutie!’ Hij lachte”.
 
Over een tijdje zouden er wel eens Chinese missionarissen naar Nederland kunnen komen, bedacht ik toen ik het reisverslag las. Geholpen door een Aziatische zuster...
 

Bloedbad van Taiyuan, juni 1900 (uit een missieblad)

 
Harry Knipschild
29 juli 2014
 
Dit artikel werd in 2013 gepubliceerd op website www.katholiek.nl