Zoeken

 
Het zat Kaatje Dierckx niet mee in de eerste jaren van haar leven. Drie jaar nadat ze in maart 1866 in Ossendrecht (Noord-Brabant) geboren was, ging haar zusje dood. In hetzelfde jaar verloor ze ook nog een broertje. Twee jaar later werd haar moeder slachtoffer van een pokkenepidemie: Judoca Dierckx-Withaegs overleed in 1871 samen met haar pasgeboren baby in het kraambed. Tot overmaat van ramp vertrok vader Petrus Dierckx, die broodbakker was, in 1872 met de noorderzon naar Brussel.

Kaatje, zonder moeder en zonder vader, kreeg op allerlei plaatsen onderdak. Op haar twaalfde moest ze echter op de inpakafdeling van een fabriek in Ossendrecht gaan werken. In 1884, op haar achttiende, wist Kaatje haar positie aanzienlijk te verbeteren: ze werd dienstbode bij een welgestelde familie in Antwerpen.

 

 
Zusters Franciscanessen uit het nabijgelegen Oudenbosch hadden jaar in jaar uit voor de opleiding en juiste instelling van Kaatje gezorgd. Als jong meisje ging ze er op school. Toen ze in de fabriek werkte volgde ze er vormingscursussen. Dankzij haar belangrijke positie als dienstbode kon Kaatje het wel en wee van de overgebleven familieleden goed in de gaten houden. Haar vier jaar jongere zusje Betje dreigde op het verkeerde pad te raken. Kaatje greep in. Ze haalde Betje naar België, waar het meisje een paar jaar later in een klooster belandde.

In 1889 besloot Dierckx ook zelf zuster te willen worden. Nadat haar werkgeefster in 1893 overleden was meldde Kaatje zich bij de Franciscanessen van Maria, een Franse congregatie die in een Antwerpse volkswijk arbeidersvrouwen en -meisjes hielp. Tijdens haar proeftijd, die liefst vijf jaar duurde, werkte ze in de keuken en in de wasserij. Maar in 1898 mocht ze dan eindelijk haar geloften afleggen, die van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid. 
 

Bij de Franciscanessen

 
De congregatie van de Franse Franciscanessen had een mooie taak voor Kaatje, die voortaan door het leven ging als zuster Marie Adolphine. Aan het einde van de negentiende eeuw immers rukten de Europeanen steeds verder op in China. Dat gaf kansen aan de katholieke missie. Steeds meer missionarissen trokken het binnenland van China in om er het ware geloof te verbreiden. Eén van de methodes van de paters was het (vrij)kopen van kinderen waar de Chinese ouders niet meer voor konden zorgen. De missie bouwde er weeshuizen voor in het vertrouwen dat die kinderen, nadat ze een goede katholieke opvoeding genoten hadden, later katholieke gezinnen zouden stichten. De missionarissen vroegen Europese zustercongregaties om hulp in die tehuizen.
 

Naar Shanxi (China) in 1899

 


Kaatje Dierckx, zuster Marie Adolphine

 
De Franciscanessen verklaarden zich in 1898 bereid acht zusters te sturen naar Taiyuan, de hoofdstad van de Chinese provincie Shanxi. Een van de meisjes die werden aangewezen was Marie Adolphine uit Ossendrecht.  Ze zou niet alleen over de juiste karaktereigenschappen beschikken, maar had ervaring in de bakkerij en de wasserij. Op 12 maart 1899 gingen de acht zusters in Marseille aan boord van een schip dat hen naar Shanghai in China bracht. Met een kleinere boot, vervolgens per trein en tenslotte in een karavaan van muilezels reisden de Europese vrouwen verder. Op 4 mei kwamen ze aan in Taiyuan.

De eerste maanden verliepen niet plezierig voor Kaatje. Ze sprak de taal niet en in het gesticht, waar tweehonderd Chinese weesmeisjes verbleven, waren al Chinese vrouwen die de nieuw-aangekomen Europese zusters als concurrenten zagen en hen met argwaan bekeken. Bovendien werd Kaatje, zoals de meeste Europeanen die in China arriveerden, getroffen door de tyfus. Maar ze wist alle problemen te boven te komen. In de correspondentie met Europa werd ze geprezen: “Zuster Marie Adolphine doet de keuken. Het is een ziel waarmee men alles kan doen wat men wil. Het is een van die religieuzen die waarlijk God zijn toegewijd en die altijd bereid zijn te gehoorzamen”.
 


Kaart van de provincie Shanxi, rechts boven Peking

 

Bokseropstand

 

Het onheil bleef Kaatje Dierckx achtervolgen. Ze was, zoals dat heet, op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Veel Chinezen hadden langzamerhand genoeg van het opdringen van de Europeanen. De buitenlanders gingen zich steeds arroganter gedragen. Zo hadden ze bijvoorbeeld de Chinese regering gedwongen om Yuxian, die gouverneur was in de belangrijke kustprovincie Shandong, in 1899 over te plaatsen naar het verre binnenland.
   Yuxian kreeg een nieuwe functie, deze keer in het binnenland. Evenals de zusters belandde hij in Taiyuan, de hoofdstad van Shanxi.

Grote groepen Chinezen kwamen kort voor de eeuwwisseling in opstand. Als gevolg van een periode van droogte was er nauwelijks te eten. De Chinezen gaven de Europeanen de schuld. Opstandige boeren en jongelui kregen de steun van de machthebbers in Peking om af te rekenen met de Europeanen. Ze zagen een doelwit in iedereen die iets te maken had met het christendom, de godsdienst van het Westen. Katholieke missionarissen, protestantse zendelingen en hun familie, Europese zusters en hun bekeerlingen, iedereen kreeg het te verduren. In Shanxi troffen ze het wel helemaal slecht.
   Bovendien hadden missionarissen met instemming van de Belgische overste Bermijn in de omgeving van de stad een aantal Chinezen met wapengeweld van hun land verdreven waarbij nogal wat doden waren gevallen.
 

Het bloedbad van Taiyuan, 9 juli 1900

 


Vaandel zuster Marie Adolphine in Ossendrecht

 
Yuxian, met keizerlijke decreten die hem een vrijbrief tot handelen gaven, nam het heft in handen. Hij had sowieso nog een appeltje met de Europeanen te schillen. De gouverneur van Shanxi besloot handelend op te treden. In het boek ‘China in Convulsion’, gepubliceerd in 1901, deed Arthur Smith verslag van wat zich in Taiyuan afspeelde op 9 juli 1900.
  “Nergens was er zoveel wreedheid als in Taiyuan”, noteerde hij aan de hand van een Chinese bekeerling die getuige was van hetgeen zich op die dag afspeelde. “Hij zag dat buitenlandse dominees en hun vrouwen en kinderen, katholieke priesters en zusters, en verscheidene Chinese christenen, naar de gouverneur gevoerd werden. Hij wist dat ze gedood zouden worden. De eerste was dominee Farthing, een Engelse baptist. Zijn vrouw klampte zich aan hem vast, maar hij schoof haar vriendelijk terzijde en knielde voor de soldaten neer zonder een woord te zeggen. Met één klap van de beul werd hij onthoofd”. Anderen volgden, mannen en vrouwen.
  Gouverneur Yuxian werd ongeduldig en gaf gewone soldaten opdracht mee te doen. “Mevrouw Farthing hield haar kinderen, die zich aan haar vastklampten, stevig vast. Maar de soldaten haalden hen uit elkaar en met één klap onthoofden ze de moeder. De beul doodde alle kinderen en deed dat heel vaardig, elke keer met een klap. Maar de soldaten waren onhandig en sommige dames leden veel pijn voor ze dood waren. Mevrouw Lovitt droeg haar bril en hield de hand van haar zoontje vast, zelfs toen ze gedood werd. Tegen de mensen zei ze: ‘We kwamen allemaal naar China om u het goede nieuws en de redding door Jezus Christus te brengen. We hebben u geen kwaad gedaan, waarom behandelt u ons zo?’ Een soldaat nam de bril van haar hoofd af alvorens haar te onthoofden. Hij moest twee keer slaan.
  Toen de protestanten waren gedood, werden de Rooms-katholieken voorgeleid. De bisschop, een oude man met een lange, witte baard, vroeg de gouverneur waarom hij al dit kwaad deed. De gouverneur trok zijn zwaard en sloeg de bisschop over zijn gezicht met een krachtige klap. Bloed stroomde langs zijn baard naar beneden en hij was onthoofd. De priesters en zusters volgden hem snel in de dood”, aldus de getuige.

Het verslag eindigde met de volgende woorden: “Op die dag werden 45 buitenlanders onthoofd, 33 protestanten en twaalf Rooms-katholieken. Ook een aantal inlandse christenen werden gedood. De lichamen werden achtergelaten waar ze gevallen waren tot de volgende morgen, omdat het al avond was toen het werk klaar was. ’s Nachts waren ze beroofd van hun kleren, ringen en horloges. De volgende dag werden ze naar een plaats binnen de zuidpoort gebracht, behalve sommige van de hoofden die in kooien geplaatst werden opgehangen in de poorten van de stadsmuur. Iedereen was verrast over de standvastigheid en rust van de vreemdelingen. Op twee of drie van de kinderen na huilde niemand of maakte ook maar enig geluid”.  
 

Het vervolg

 
Arthur Smith besteedde slechts één zin aan de dood van 34-jarige Kaatje Dierckx en haar medezusters, die nog geen vijftien maanden op de plaats van hun bestemming vertoefd hadden. Maar de verklaring liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Geen wonder dat er al in 1926 een proces op gang kwam om de zusters te erkennen als martelaren.
 

 
Paus Pius XII sprak in 1946 de zaligverklaring uit. Paus Johannes Paulus II deed de definitieve stap in het proces waarbij de katholieke kerk erkende dat de slachtoffers van Taiyuan, inclusief Kaatje Dierckx, omwille van hun geloof waren vermoord en daarom konden worden beschouwd als martelaren voor God en de Kerk. De paus koos 1 oktober van het jaar 2000 uit voor de heiligverklaring van zuster Adolphine en 119 andere personen die met met de Chinese missie verbonden waren. Die datum was misschien niet handig gekozen. Het was de nationale feestdag van de Volksrepubliek China. Het Chinese communistische bestuur besloot van de heiligverklaringen een politieke zaak te maken. Het politbureau reageerde dan ook uitermate verontwaardigd.
  Op 9 juli 1572 werden de zogenaamde martelaren van Gorcum door ophanging om het leven gebracht. Om die reden is niet 9 juli maar 8 juli door de Kerk bepaald als de feestdag van Kaatje Dierckx, zuster Marie Adolphine, uit Ossendrecht.
 


Heiligverklaring in Rome, 2000

 
Harry Knipschild, 22 oktober 2008
Dit artikel werd geplaatst op de website www.katholiek.nl
10 mei 2014

Clips
* Feest van zuster Marie Adolphine, Ossendrecht, 12 juli 2009
* Stripboek over Kaatje Dierckx, november 2009
* Het paadje van Kaatje, 2014