Zoeken

 
In 1845 reisden twee Franse missionarissen vanuit Mongolië naar Lhasa in Tibet met als doel het verbreiden van het katholieke geloof. Het waren Evariste Huc, 31, en Joseph Gabet, 36 jaar. Maandenlang trokken zij rond. Om niet op te vallen kleedden zij zich als boeddhistische monniken.
  Op 29 januari 1846 bereikten ze de hoofdstad van Tibet. De paters wisten door te dringen tot de regent van de nieuwe regeringsleider, de toenmalige dalai lama, die slechts negen jaar oud was.
 
Huc en Gabet raakten op het hoogste niveau in gesprek door te rapporteren over Europese technische vindingen als spoorwegen en luchtballonnen. De demonstratie van een meegebrachte microscoop met een luis maakte nog meer indruk. “Het dier is zo groot als een rat en een afschuwelijk monster”, riep de regent uit.
  De Franse Lazaristen kregen van de Tibetaanse autoriteiten toestemming hun geloof te verkondigen.
 


De route van Peking naar Tibet

 
De Chinezen in Lhasa hadden een andere kijk op de komst van de paters. Qishan was als gezant van Peking de hoogste Chinese autoriteit in Tibet.
  Tot voor kort was hij een van de machtigste ambtenaren van keizer Daoguang. Deze gaf hem het opperbevel toen de Britten in 1839 de Opium-oorlog begonnen waren. Qishan slaagde er echter niet in een voor China bevredigende overeenkomst tot stand te brengen.
  Het hof sprak hem daar persoonlijk op aan. “De keizer beval hem onverwijld naar Peking te komen”, schreven de paters in hun reisverslag, dat in 1856 in een Nederlandse vertaling verscheen. “Tegen verwachting schonk de verbolgen gebieder [Daoguang] hem bij zijne komst het leven, doch ontnam hem al zijne ambten, waardigheden, titels en onderscheidingen, verklaarde zijn goederen verbeurd, liet zijn huis slechten en zijne vrouwen aan de meest biedende verkoopen”.
  Maar Qishan had relaties in Peking. Die zorgden ervoor dat hij nog één kans kreeg: de invloed van China op Tibet te verstevigen. Als hij daar in slaagde zou hij opnieuw carrière kunnen maken. “De zending naar Tibet werd als eene soort van ballingschap beschouwd, schoon er toch weder eene trap beklommen was, waarop men hooger kon komen”.
 


Nederlandse versie van het reisboek van Huc en Gabet

 

Qishan, gezant van Chinese keizer Daoguang in Lhasa

 
Huc en Gabet troffen het niet. Qishan was met Chinese soldaten in Lhasa aangekomen en hem was er alles aan gelegen de jonge dalai lama en zijn regent onder de duim te houden. In de afgelopen jaren waren er maar liefst drie dalai lama’s met geweld om het leven gekomen.
  De nieuwe situatie was instabiel. Dat gaf de Chinezen alle kansen. De komst van twee Europeanen was echter een onverwacht obstakel dat uit de weg geruimd moest worden. De missionarissen legden hun ervaringen vast.
 

Verslag in het reisboek

 
Een Chinees trad binnen, meldde dat Qishan ons spreken wilde, en leidde ons in een op de Chineesche manier gemeubelde zaal, waar Qishan op een drie voet hoog, met rood laken bekleed rustbed zat. Aan elke zijde had hij twee schrijvers. In de zaal zaten vele Chinezen en Tibetanen in galakleeding. Qishan was om de zestig jaren oud, maar nog zeer krachtig en kloek. Van alle Chinezen, die wij gezien hadden, had hij het edelste en innemendste gelaat, dat buitendien eene zeer verstandige uitdrukking had.
  Hij wenschte te weten of wij naar Tibet gekomen waren om onze leer te verkondigen. Wij zeiden hem rondborstig de waarheid.
  “Bij wien hebt gij in China gewoond?”
  “Deze vraag mogen wij niet beantwoorden”.
  “En indien ik het u beveel?”
  “Dan zijn wij buiten staat te gehoorzamen”.
  Hij sloeg met de gebalde vuist op tafel, terwijl wij vervolgden: “Gij zult weten, dat de Christenen geen vrees kennen. Waarom zoekt gij ons dan schrik aan te jagen?”
 

***

 


Keizer Daoguang (r. 1820-1850)

 
Er ontstond om onzentwillen een geschil tusschen de Tibetaansche regering en den Chineeschen gezant. Qishan gaf aan de zaak eene listige wending, daar hij zich tot verdediger van de belangen van den dalai lama opwierp:
  “Ik ben door den keizer naar Lhasa gezonden, om den levenden Buddha [dalai lama] te beschermen. Het is alzoo mijne pligt alles te verwijderen, wat hem tot schade en nadeel kan zijn. Verkondigers van de leer van den hemelheer [christendom], menschen die voor het overige misschien de beste bedoelingen hebben, verbreiden eene leer die in den grond de strekking heeft om het aanzien van den dalai lama te ondermijnen en zijne magt te doen vallen. Hun verklaard doel is geen ander dan hunne religie in plaats van het buddhismus in te voeren en alle bewoners van Tibet, zonder eenige uitzondering, voor hunne leer te winnen.
  Wat moet er van den dalai lama worden, als hij geen vereerders meer heeft? De invoering van het christendom in dit land heeft de strekking om de Tibetaansche regeering te vernietigen. Ik ben hierheen gezonden, om den dalai lama te verdedigen. Mag ik menschen in Lhasa dulden, die zulke verderfelijke leeringen verkondigen? Wie wordt verantwoordelijk gesteld, als die eenmaal zulke diepe wortels geschoten hebben, dat men ze niet meer utroeijen kan? Wat zou ik aan den grooten keizer antwoorden, als hij mij van verzuim beschuldigde?
  Gij Tibetanen – zoo sprak hij, zich regtstreeks tot den regent rigtende – begrijpt niet, van wat ernstigen aard deze aangelegenheid is.
  Wijl deze beide mannen deugdzaam en braaf zijn, houdt gij hen ook voor niet gevaarlijk. Gij verkeert in dwaling. Want als zij nog langer in Lhasa blijven, zullen zij u spoedig verstrikt hebben. Gij zoudt hun geloof aannemen, en dan ware de dalai lama verloren”.
 

***

 
Qishan liet ons bij zich roepen. Na eene lange inleiding kwam hij tot de eigenlijke zaak door ons te zeggen, dat Thibet voor ons te koud en te arm was; wij moesten zeker wel verlangen, weer naar Frankrijk terug te keeren. Hij zeide dat op eene manier, alsof het iets was, dat vanzelf sprak en waartegen niets viel in te brengen.
  Wij vroegen evenwel, of zijn gezegde een eenvoudige raad was of een bevel.
  “Noch het een noch het ander”, antwoordde hij koeltjes.
  “Nu, dan danken wij u voor de deelneming, die gij ons betoont, door ons te zeggen, dat Tibet koud en arm is; maar gij moet ook weten, dat mannen als wij rijkdom noch gemak zoeken, want dan waren wij in ons vaderland gebleven, waarmede geen ander land op aarde gelijk staat. Wij antwoorden u: de overheid heeft ons verblijf in Tibet toegestaan, en wij kennen u noch iemand anders het regt toe, om ons hier te verontrusten”.
  “Wat, gij vreemdelingen wilt nog langer hier verblijven?”
  “O ja; wij weten, dat Tibet andere wetten dan China heeft. Wat moet de willekeur beteekenen, waarmee men Franschen uit een voor alle natiën geopend land verjagen wil? Als de vreemdelingen Lhasa verlaten moeten, waarom blijft gij dan? Reeds de titel van gezant wijst immers duidelijk aan, dat gij zelf slechts een buitenlander zijt”.
  Qishan sprong van zijn rood kussen op. “Ik een buitenlander, een vreemdeling; ik, die het gezag van den grooten keizer vertegenwoordig?”
  Qishan liet ons gaan met te zeggen, dat wij er op rekenen konden, dat hij ons wel uit Tibet verwijderen zou.
 


Evariste Huc

 

***

 
De twist werd van dag tot dag heftiger. Wij waren voor de Tibetanen onaangename gasten geworden. Het was geraden dat wij ons hoofd bogen. Het christendom moest worden bevorderd. Ons gedrag moest aan de Tibetanen het bewijs leveren dat wij met vreedzame bedoelingen gekomen waren. Wij namen in overweging dat een zoo tiranniek gezag der Chinezen tot den goeden uitslag der zendingszaak in Tibet bijdragen kon.
  Wij gingen dus bij den regent en verklaarden hem, dat wij tot vertrekken besloten waren. Hij was zeer neerslagtig en verlegen. Het was zijn warme wensch geweest ons een rustig verblijf in Tibet te verzekeren, maar hij kon niet op zijn souverein steunen. De Chinezen trokken sedert de minderjarigheid van den dalai lama partij, om zich ongehoorde regten aan te matigen.
 
Wij begaven ons naar Qishan en zeiden hem, dat wij besloten waren te vertrekken, doch dat wij tevens tegen zulk eene aanranding van onze regten protesteren moesten.
  “Ja, ja, gij kunt niets beters doen, dan toegeven; dat zal goed zijn voor u, voor mij, voor de Tibetanen, voor iedereen”.
  Op ernstigen toon verklaarden wij dat wij al deze barbaarschheden ter kennisse van de Fransche regering zouden brengen, waarop Qishan antwoordde, dat hij zich weinig bekommerde om wat deze denken of doen zou; hij rigtte zich alleen maar naar den wil van zijn keizer.
  “Wanneer mijn heer en gebieder vernam, dat ik aan twee Europeërs veroorloofd had, de leer van den hemelheer ongehinderd in Tibet te verkondigen, zou ik verloren zijn; ditmaal zou ik aan den dood niet ontkomen”.
 


Oude tekening van Lhasa

 

***

 
Na een roerend afscheid steeg alles te paard en reden wij door Lhasa. Buiten de stad wachtten ons velen op, met wie wij in nadere betrekking hadden gestaan. [Een bekeerling] droeg het kruis voor ieder zigtbaar op de borst. Wij stapten af en voegden al deze christelijk gezinde lieden eenige woorden van troost toe; inzonderheid wekten wij hen op, de bijgeloovige dienst van Buddha voor altijd af te zweren, den God der Christenen te vereeren en vertrouwen te stellen op diens oneindige barmhartigheid.
  Wij wierpen nog een laatsten blik op Lhasa, en spraken: “Heer, Uw wil geschiede!”. Dat was den 15 Maart 1846. Qishan werd niet lang daarna tot vice-koning van de provincie Sichuan benoemd, doch later op bevel van den nieuwen keizer [Xianfeng], ter dood gebragt, wij weten niet waarom. Hij was een uitstekend staatsman.
 


Plaquette op geboortehuis Huc in Caylus (foto oktober 2005)

 
Harry Knipschild
april 2008
  
Dit artikel werd in het voorjaar van 2008 gepubliceerd op de website die nu www.katholiek.nl heet.

Clips

* Huc en Gabet in Lhasa
* Reizen per trein in de voetsporen van Huc en Gabet naar Tibet (Qinghai-Lhasa), 2012
* Lhasa in 2012