Zoeken

  
In de zeventiende eeuw besloot de VOC zich te vestigen op de zuidelijke punt van Afrika. Schepen op weg naar het oosten van Azië gebruikten Kaap de Goede hoop vanaf 1652 als verversingsplaats. Later kwam Kaapstad in trek bij de uit Frankrijk verbannen protestantse Hugenoten. Tijdens het Napoleontische tijdperk annexeerden de Engelsen zuidelijk Afrika en gaven het na Waterloo ondanks eerdere beloften niet aan Nederland terug. De blanken die er woonden kregen dus de Britse nationaliteit, of ze wilden of niet.
 
In de jaren dertig van de negentiende eeuw trokken groepen van hen, de zogenaamde ‘Boeren’, het binnenland van Afrika in. Ze waren de stichters van Transvaal en Oranje Vrijstaat. Toen er in ‘Het land der Boeren’ goud en diamanten gevonden werden gingen de Britten opnieuw tot de aanval over. In Nederland was men algemeen verontwaardigd, maar tegelijk machteloos. Wat kon men anders doen dan president Kruger een mooie ontvangst bereiden?
 


Paul Kruger op balkon van Hotel Des Indes in Den Haag


Doop van 58 Kaffers in 1900

 
Het Nederlandse tijdschrift Katholieke Missiën besteedde in 1901 heel wat aandacht aan de ontwikkelingen in Zuid-Afrika. Pater Noël, Oblaat van Maria Onbevlekt Ontvangen, vertelde aan de lezers:
  “De Boeren-oorlog heeft Transvaal nog meer doen kennen dan zijn goudmijnen. Zeer vele katholieken, die een levendig belang stellen in dezen oorlog, hebben er wellicht niet aan gedacht, dat in dit land Kaffers wonen, die voor het merendeel in het heidendom gedompeld liggen en dat missionarissen hun best doen, die ongelukkigen te bekeeren.
  De Kaffer-bevolking van Transvaal behoort bijna geheel tot de groote familie der Basoeta’s. Volgens min of meer nauwkeurige officieele statistieken bedraagt hun aantal ongeveer 800.000. De protestantsche missies zijn er zeer talrijk en sommigen beweren 30.000 bekeerlingen te hebben. Wij zijn verre van dit cijfer. De protestanten hebben zich vóór zestig jaar in dit land gevestigd, op een tijdstip, toen de toegang van Transvaal voor de katholieke priesters streng verboden was. Eerst in 1877 konden wij ons voorgoed in de Zuid-Afrikaansche Republiek vestigen.
  De snelle vermeerdering der steden, door Europeanen bewoond, als Pretoria, Potchefstroom, Johannesburg enz. heeft onze oversten genoodzaakt eerst missies op te richten voor de blanken. Daardoor was men gedwongen de Kaffers, wier aantal driemaal grooter is dan de blanken, te verwaarlozen. In Beetsjoeanaland zijn de Kaffer-opperhoofden allen onze vrienden. Het vorig jaar hebben wij er 58 personen het Heilige Doopsel toegediend”.
 


Een Kaffer-opperhoofd

Pater Hoendervanger in botsing met de oude ‘Hollandsche wet’

 
Pater Noël gaf het al aan, de missionarissen waren aanvankelijk niet welkom in het gebied. “Pater Hoendervanger was de eerste katholieke priester die de in 1838 gestichte republiek binnendrong. Hij trok de Vaal over en ging naar de hoofdstad Potchefstroom. De aankomst van den Roomschen priester bracht opschudding teweeg in het kamp der Hugenooten. Men zou gezegd hebben dat de republiek waarlijk in gevaar verkeerde”, was in 1901 in het tijdschrift te lezen.
  “De magistraat liet dan ook niet na aanstonds den stoutmoedigen indringer voor zich te doen verschijnen. Gij hebt het recht niet, riep de magistraat uit en hij gaf de lezing der oude Hollandsche wet, welken den katholieken priester den toegang tot het land verbiedt”.
  Hoendervanger kreeg nog toestemming een katholiek huwelijk in te zegenen maar moest daarna onmiddellijk vertrekken..
 

Pater Barret op de koffie bij Boeren (1859)

 
In 1850 wees paus Pius IX aan de oblaten van Maria een missiegebied toe dat bestond uit Natal, Kafferland, Zoeloeland, Basoetoeland, Oranje Vrijstaat en Transvaal.
  “Zonder uitstel trok men naar de Zwarten en God weet met welke krachtdadigheid, moed en geduld de eerste apostelen der Kaffers bezield zijn geweest. Terzelfdertijd moest men zich met de blanken bezig houden, die in de voornaamste centrums als Durban, Pietermaritzburg en Bloemfontein gevestigd waren”.
  Pater Barret schreef in 1859: “Ik keer terug van een apostolische zending in het land der Boeren. Deze lieden getuigen niet van hooge beschaving. Zij zijn onwetend en koesteren oneindige vooroordeelen te onzen opzichte.
  In de groote kamer, welke tot eetzaal dient, schijnt hun voornaamste bezigheid te bestaan in het goed oppassen van een soort nachtlicht, waarop onafgebroken een koffiekan kookt. Daar is het uur om het avondmaal te nemen. Het tafellaken wordt gelegd. Men brengt een breed tobbetje en een meisje wascht de voeten van ieder der dischgenooten. Eindelijk zet men zich aan tafel. De vader des huisgezins leest luidop en elkeen luistert met neergebogen hoofd, met waarlijk godsdienstigen eerbied”.
  Het verslag maakt geen melding van enig bekeringsresultaat..

 
Oblaten op missie in zuidelijk Afrika

Transvaal laat missionarissen eindelijk toe

 
Enkele decennia later probeerde missionaris Le Bihan het opnieuw. “Ik bereikte Potchefstroom, het voornaamste centrum der Boeren. Ik vond daar ongeveer 120 katholieken. Zonder mij te bekommeren om de wetten, welke het uitoefenen van onzen godsdienst verbieden, begon ik aanstonds een missie te houden, overal predikende, biecht hoorende en zelfs droeg ik alle dagen de H. Mis op”.
  Maar toen de pater een huwelijk van een katholieke man met een jonge Boerendochter wilde voltrekken werd hij op het matje geroepen.
  “Is het waar”, hoorde hij, “dat gij een huwelijk gaat inzegenen?”
  “Ja, waarom niet?”
  “Waarom niet? En gij houdt geen rekening met de wet?”
  “Welke wet?”
  “De magistraat verzocht zijn secretaris er lezing van te geven. Alle godsdienst, buiten den hervormden Hollandschen eeredienst, is op het grondgebied van Transvaal verboden. Zonder mij te ontstellen, vroeg ik den magistraat hem een enkele vraag te mogen stellen.
  ‘Spreek’, zeide hij.
  ‘Naar luid de tekst, zooëven aangehaald, is niet enkel de katholieke kerk verboden, maar ook de Anglikaansche en de Wesleyaansche kerk. Nu, deze twee secten bezitten in de hoofdstad zelve van Transvaal aanzienlijke gronden. Zij hebben tempels, waar de godsdienst in ’t oog der overheden, ja openbaar gevierd wordt. Waar is dus de tekst der wet, die hun deze vrijheid verleent?’
  Deze vraag werd niet beantwoord. De magistraat gaf een teken, hetwelk bedoelde dat ik mij mocht verwijderen. En ik ging gerust heen, wel overtuigd zijnde, dat voortaan de wet voor mij een doode letter zou blijven. Zoo indrukwekkend, zoo plechtig mogelijk werd dan ook het huwelijk in kwestie ingezegend.
  Een groot aantal Boeren waren aanwezig. Dit was niet genoeg. Mijn raad volgende, stelden de katholieken van Potchefstroom een verzoekschrift op, waarbij het intrekken dezer verouderde wet gevraagd werd. Het verzoekschrift werd naar den Volksraad of ’s Lands Parlement gezonden. Eerst verwekte het hevige woede, waarin zich voornamelijk onderscheidden de Doppers, de dweepachtigste sectarissen. Maar eindelijk zegepraalde de gezonde zin en de Hollandsche wet werd ingetrokken.
  Vooraleer Potchefstroom te verlaten liet ik een inschrijvingslijst voor de toekomende kerk in omloop brengen. Deze lijst vergaarde een ronde som. Ik was gelukkig aan het hoofd der lijst den naam te lezen van M. Pretorius, den voorzitter der republiek, die een groot stuk grond schonk om te Pretoria een missie te openen”.

 
kaart van zuidelijk Afrika, 1890

‘Missionarissen gaan vooruit, langzaam maar zeker’

 
Dankzij de komst in Transvaal van de Britten, met hun eigen religie die onmogelijk geweerd kon worden, kregen de katholieken dus formele toestemming hun geloof  te belijden. Zusters van Nazareth hielpen mee gewonde en zieke soldaten te verplegen tijdens de Boeren-oorlog.
  Veel Boeren bleven echter een wrok koesteren tegen de volgelingen van de paus, meldde het missietijdschrift: “Deze arme landlieden, die zeer eenvoudig en goed van aard zijn, ondergaan den invloed van min of meer evangelische eeredienaars. En deze heeren, in hun verblinden haat tegen Rome en alles wat met Rome in verband staat, deinsen voor geen beleedigingen terug wanneer het betreft den priester in het uitoefenen van den katholieken eeredienst te bemoeilijken”.
 
Toch was er hoop. “De Boer vraagt dat men hem liefhebbe, dat men zich om hem bekommere en dat men het hem toone. Niettegenstaande alle tegenwerkingen wordt er veel goeds verricht, en de missionarissen gaan vooruit, langzaam maar zeker”.
  Ook bij de Kaffers viel wat te bereiken, maar zonder geld was dat vooralsnog onmogelijk.
  Pater Noël: “De Kaffers zijn arm en kunnen de missie niet te hulp komen. Wij hebben een kerk noodig. De kleine kapel, die wij bezitten, biedt niet voor de helft der geloovigen voldoende ruimte. En indien men missies kon oprichten zou men gemakkelijk honderd doopsels per jaar hebben. Deze missie zou zeer bloeien indien ons de hulpmiddelen niet ontbraken. Op dit oogenblik [de Boeren-oorlog], nu zooveel personen zich met Transvaal bezighouden vragen wij aan de christenzielen [in Europa] de Zwarten te helpen den waren schaapstal binnen te treden”.

 
Boeren met wapens, Spionkop 1900

Harry Knipschild
20 juni 2008

Clip

Documentaire over Boeren-oorlog 1899-1902

 
Dit artikel werd in de vroege zomer van 2008 geplaatst op het Isidorusweb, tegenwoordig www.katholiek.nl
16 augustus 2013