Zoeken

  
Missionarissen maakten regelmatig lange dienstreizen. Tijd om van de natuur te genieten, zoals wij dat in onze dagen kunnen doen, hadden ze zelden. Integendeel, rondtrekken was vaak een zaak van overleven.
   Begin jaren 1890 bevond pater Pedro, een zogenaamde Predikheer (Dominicaan), zich in het binnenland van Ecuador: het regenwoud ten oosten van het Andesgebergte. Vanuit een missiepost aan de Bobonaza rivier ging hij op weg naar Banos. Een gedeelte van zijn reisverslag is in diverse afleveringen te lezen in het maandblad Katholieke Missiën van 1892.

Hulp van de plaatselijke bevolking 
 

Om het doel van zijn reis te bereiken moest pater Pedro tegen de snelstromende rivier oproeien. Er bevonden zich ook wilde dieren in het bos. Bovendien waren allerlei stammen met elkaar in oorlog. De missionaris had dus hulp nodig. Een groep plaatselijke indianen werd min of meer gedwongen hem te assisteren. Voor het vertrek moesten de inlanders eerst de heilige mis bijwonen. Maar niemand van hen kwam opdagen. De volgende dag evenmin.
   Het opperhoofd ‘barstte in verwensingen uit, greep zijn lans en zwoer bij al de veroordeelde zielen van zijn vijanden dat de indianen levend of dood zouden komen’. Een kwartier later kwam hij terug. Hij dreef 25 indianen voor zich uit. “De eerste die zich verroert drijf ik mijn lans in het lijf”, schreeuwde hij.
   De toekomstige helpers bleken dronken te zijn. Ze moesten om het altaar zitten en naar de missionaris luisteren. Een oude helper van pater Pedro adviseerde de roeiers stevig aan te pakken. “Pater, tuchtig hun met de zweep, anders zult gij niets met hen kunnen uitrichten”. Maar dat deed de priester niet.
 

Alleen op de wereld

 
Op de dag dat de expeditie zou afreizen verscheen er geen enkele roeier. Een helper greep echter in. In de kerk sprak de pater de groep indianen nog eens toe. Hij riep de bescherming van God en de maagd Maria aan. “De indianen namen mijn bagage en wij vertrokken”.
   De groep ging op pad, tegen de snel stromende rivier in. “Mijn prauw ging voorop, vier andere kleine volgden. De eerste uren gingen zonder buitengewone voorvallen voorbij. De indianen waren somber maar arbeidden ijverig”.

 

Tijdens een pauze maakte de missionaris een korte wandeling. Dat had hij beter niet kunnen doen. Bij terugkomst aan de rivier waren alle helpers verdwenen. De pater was helemaal alleen in het regenwoud. “Dit was een vreselijk ogenblik, een onbeschrijflijke toestand. Ik ga, ik kom terug, zoek in de struiken, beklim de rotsen, zie overal rond, bleek, angstig, hijgend. Ik roep, roep andermaal en luider maar vergeefs”.
   De geestelijke rekende op hulp van boven. “Maagd gij zult mij niet verlaten, neen, neen”, zou hij gebeden hebben. “Er zegt mij iets in het hart, dat gij mij niet verlaten zult”.
 
Intussen werd het donker. “De diepe vallei nam de sombere tinten van de nacht aan. Ik had honger, grote honger. Sedert de morgen had ik niets gegeten”. Pedro ging op zoek naar alles wat eetbaar was. Na lang en vergeefs zoeken vond hij tenslotte een palmboom.
   “Ik moest ook slapen. Een schuilplaats voor de nacht zoeken”, schreef hij. “Dat het regenen zou was zeker. De mist werd al dikker en dikker”. De priester maakte een primitieve tent van allerlei planten. “Op de natte grond spreid ik alle bladeren uit, welke ik vinden kan. Het is duidelijk dat dit monsterachtig kunstwerk geen twee seconden weerstand bieden zal als er een storm opsteekt. Op de natte bladeren uitgestrekt, word ik weldra overstroomd door de regenbuien, die door mijn dak dringen”.
   De Europeaan deed dan ook geen oog dicht. Hij was doodsbang. “Het minste geluid, het vallen van een tak, het gekraak der bladeren, het neervallen van waterdruppels doet mij sidderen. Het nachtelijk gezang van de zeearend doet mij van angst verstijven. Mijn verbeelding overdrijft alles. Alsof de werkelijkheid niet meer dan genoeg was om de stoutmoedigste met schrik te vervullen”.
   Tot overmaat van ramp was ook zijn horloge blijven stilstaan. “De uren zijn dagen naar het schijnt. Ik ben koud, ofschoon het niet koud is. Aldus wacht ik het opkomen der zon af. De eerste zonnestraal werd als een verlosser begroet”.
 
De Dominicaan had weer moed. Hij knielde neer en bad. “Mijn God, die gewild hebt dat ik deze nacht van doodsangsten overleefd heb, wees gezegend! Moet ik sterven wees dan ook gezegend. Maar daar ik niet gestorven ben, en daar de tijger mij niet ontmoet heeft, wilt Gij dat ik in leven blijf”.

De pater stond op en trok al zijn kleren uit. Hij wrong het water eruit en liet ze aan de takken drogen. Pedro wist wat weekdieren te vinden. Eigenlijk walgde hij ervan, maar wat voor keus had hij? “Ik verslind ze met gesloten ogen”, bekende hij. Korte tijd later arriveerde de redding vanuit het missiedorp waar hij een dag eerder vertrokken was. De tocht kon voortgezet worden.

 

Veel regen in het regenwoud

 
De tweede nacht aan de Bobonaza deed niet onder voor de eerste. “Die kan ik tellen onder de verschrikkelijkste van mijn leven. Wij hadden ons kamp opgeslagen aan de mond van een klein stroompje. Het heldere water bood ons een gezonde drank aan. Een groot vuur brandde voor ons kamp. Ik lag op mijn bladerbed, uitgeput door de aandoeningen en vermoeienissen. Half slapend hoorde ik de grappen van mijn indianen. Op het strand lagen bananen en andere vruchten, welke in het bos gevonden waren. Beminnelijk als kinderen brachten de indianen mij de eerstelingen van hun feestmaal. Of ik wilde of niet, ik moest van alles eten. Eindelijk door slaap overmeesterd, gaf ik het teken voor de algemene rust. Het werd stil”.
   De stilte duurde maar even. “Een verschrikkelijke storm stak in het bos op. Door het gekraak van de donder ontwaakt, riep ik, schreeuwde ik. Mijn dak was ingestort. Het water voerde mijn gehele hut mee. Ik zou ook meegesleept zijn, ware ik niet snel opgesprongen. Mijn indianen waren naar de prauwen gesneld om ze in veiligheid te brengen. Nu en dan zag ik hen bij het bleke licht der bliksemstralen. Hun kreten vermengden zich met het gehuil van de storm en het gerommel van de donder”.
 
De missionaris probeerde zichzelf in veiligheid te brengen, maar dat lukte niet. “Ik stond tot aan de knieën in het water. ‘Help’, riep ik. ‘Help, help!’ Een kreet weerklonk aanstonds:
   ‘Redden wij de pater!’ Drie hunner kwamen op mij af. Zij namen mij in hun armen, om mij in hun prauwen te dragen. ‘Wees niet bang. Wij zullen u redden of allen met u omkomen’”.
    De ellende was nog lang niet afgelopen. “De Bobonaza sprong tot een wonderbare hoogte op. Een verschrikkelijk schok wierp onze prauw meer dan twintig meters het strand op. Wij vielen op de grond, geschuurd en overdekt met water en slijk. Ik hield me vast met al de kracht der wanhoop. Ik was echter machteloos om me te bewegen of op te staan. Een indiaan haalde ons uit het water. Hij bracht ons op het hoogste punt. We hielden ons vast aan de takken van het struikgewas en zo wachtten we het einde van het helse toneel af”.
   Voor de pater was het duidelijk dat de Voorzienigheid te hulp gekomen was. “‘Kinderen’, zei ik tot de indianen, ‘op de knieën. Danken wij God! Wij hebben op het punt gestaan te vergaan, dat is zeker. Laat ons niet ondankbaar zijn jegens onze Verlosser!’ Allen vielen op de knieën en baden, woord voor woord, volgens hun gewoonte. Ze herhaalden het gebed dat ik in hun taal voor bad”.


  

Eindelijk rust

 
“Van al onze levensmiddelen was niets overgebleven. Alles was verdwenen”, bleek de volgende ochtend. “De meeste bagage was door de golven meegevoerd. Behalve mijn geweer, waarvan ik mij bij het eerste gevaar had meester gemaakt”.
   Uitgeput en met een lege maag roeiden de indianen opnieuw tegen de stroom in. “Met hun lange haren veegden zij het zweet huns aanschijns af”, zag de missionaris. Een meer met vogels en vissen bracht echter uitkomst. In korte tijd hadden de indianen genoeg eten voor die dag en nog voor heel wat andere dagen. Maar de volgende nacht was er opnieuw onheil. Vijandelijke indianen lieten ‘met snijdende kreten’ van zich horen. “Alle indianen sprongen op, met de lans op de schouder, het schild aan de zijde, de lange boog in de linkerhand”. Wat moesten ze doen?
   De Europeaan had een idee. “‘Wat dunkt u’, zei ik, ‘indien ik mijn geweer eens afschoot? Zou dat geen vrees inboezemen?’. Hij kreeg een positieve reactie. “Ik bereidde acht patronen en schoot ze zo snel mogelijk achter elkander af. Geen pen kan de uitwerking beschrijven van een geweerschot in een ondoordringbaar woud, ’s nachts te midden van een reeks heuvels. Ieder schot weergalmt als de losbranding van een kanon en loopt eindeloos voort op de kalme rivier”.
 
De ‘soldaat van God’ had groot succes met zijn salvo. Voorlopig kon de groep indianen in alle rust verder trekken. Pater Pedro arriveerde op de plaats van bestemming en schreef zijn verhaal. Tijd om van de natuur te genieten had hij niet gehad. Een avontuurlijke reis door het regenwoud van Ecuador was echter met succes volbracht.

 

 
Harry Knipschild
22 april 2009

foto's: Harm Heddema, regenwoud Ecuador
Dit artikel werd in het voorjaar van 2009 geplaatst op het Isidorusweb, tegenwoordig www.katholiek.nl
  
Clips

* Het leven langs de Bobonaza-rivier, 2010
* Indianen in het regenwoud van Ecuador
* Avontuurlijk reizen in Ecuador, 2012
* Banos de Santa Agua, Ecuador, 2012   

* Katholieke SVD-missie (vroeger missie van Steyl aan de Maas in Limburg), Ecuador, 2012