Zoeken

 

Katholieke missionarissen over protestantse zendelingen, in China in de negentiende eeuw

 

In de negentiende eeuw trokken katholieke missionarissen en protestantse zendelingen naar China. De twee groepen hadden het zelfde doel: héél China te winnen voor het ware geloof, het christendom. Protestanten en katholieken waren in Europa echter al eeuwenlang uit elkaar gegroeid. Hoe pakte de verdeeldheid bij het thuisfront uit in het Chinese missieveld? Nederlandse en Belgische paters deden er in hun brieven naar Europa verslag van.

 

Opium en zending

 

In het tijdperk van de Franse Revolutie en van keizer Napoleon hadden de Britten de suprematie op de wereldzeeën verworven. Dat was vooral het geval na de zeeslag bij Trafalgar (1805) tijdens welke admiraal Nelson erin slaagde de Napoleontische vloot een vernietigende nederlaag toe te brengen. De Britse East India Company wist grote delen van India onder controle te krijgen en vestigde zich comfortabel in Calcutta aan de Ganges. Stroomopwaarts langs die rivier bevond zich de stad Patna, een belangrijk centrum voor de opiumhandel. De directie van de handelsmaatschappij kreeg greep op de handel in opium en stuurde particuliere handelaren, de zogenaamde ‘country traders’, eropuit om het product te slijten. Het was niet nodig te investeren in klantenbinding want, zo wisten de Britten, wie eenmaal begon met het schuiven van opium, hield er meestal niet meer mee op. Het was dus vooral zaak om klanten te vinden en waar woonden meer mensen dan in China?
 
8a - Chinese opium-schuivers
Opium schuiven in China

De Chinese keizer Jiaqing sprak er zich in 1814 persoonlijk over uit: “Opium is uiterst giftig. Bovendien maakt het de mensen slecht. Wie het lang gebruikt kan niet meer zonder. De mensen worden steeds zwakker en gaan er op den duur aan dood”. De keizer wist waar de opium vandaan kwam. “Opium wordt door buitenlandse schepen naar Guangdong [in het zuidoosten] gebracht en vandaar naar de andere provincies gedistribueerd”.[1] Jiaqing pakte het kwaad bij de wortel aan. Hij verbood de import. Opium was een aanslag op de Chinese schatkist en de mensen werden er ziek van. Voor de Britse handelaars zat er weinig anders op dan een netwerk van smokkelaars op te zetten. Er waren immers genoeg verslaafde Chinezen en de afzet was uiterst winstgevend. In 1819 stichtte Stamford Raffles Singapore, niet in de laatste plaats om de handel met China te vergemakkelijken.
   De Chinezen zagen ook andere westerlingen aan land komen. In het kielzog van de opiumhandelaren voeren protestants-christelijke zendelingen naar Guangzhou (Canton) en andere havens op de Chinese kust. Een van de actiefste predikers was de Duitser Karl Gützlaff. Vanuit Rotterdam vertrok hij in 1826 naar Batavia in Nederlands-Indië, waar hij zich de Chinese taal eigen maakte. Verkleed als visser reisde hij daarna rond in de Chinese kustgebieden. Gützlaff vertaalde stukken uit de bijbel in het Chinees, liet die drukken en deelde ze uit. Zo kwamen groepjes Chinezen voor het eerst in aanraking met ideeën die wezenlijk anders waren dan het confucianisme, de staatsfilosofie waarmee ze waren grootgebracht. De hoogste autoriteit, zo hoorden ze, was niet de keizer in Peking, maar Jezus Christus. Gedreven zendelingen, en ook missionarissen, gingen meestal mee op de schepen die opium vervoerden en werden in hun activiteiten gesponsord door kooplieden die hun inkomsten te danken hadden aan de lucratieve drugshandel. Is het verbazingwekkend dat in de ogen van menige Chinees christendom en opium onlosmakelijk met elkaar verbonden waren?
 
Chinese bijbel (1817)

Britten en Fransen rukken op in China

 

Lin Zexu, persoonlijk afgezant van de keizer, confisceerde de kostbare Britse opium en gaf opdracht die te vernietigen. De Britten lieten het er niet bij zitten. Londen stuurde een vloot met de meest geavanceerde stoomschepen en moderne wapens (gunboats) naar het Verre Oosten. De eerste Opium Oorlog was uitgebroken. De Chinezen waren in de verste verte niet voorbereid op een hightech-oorlog. Sterker nog: voor hen leek het of de bepantserde schepen van een verre planeet kwamen. Chinese soldaten zagen ‘duivels’ uit zee opduiken, ‘gigantische pompoenen’[2] op zich afschieten, ontploffen en dan weer snel verdwijnen. Het Britse expeditieleger sloot de bevoorrading van de hoofdstad Peking af en wist op die manier het verdrag van Nanjing (1842) af te dwingen. De Chinezen waren bereid het eiland Hongkong af te staan, ze stelden vijf havens aan de kust voortaan open voor de handel met de Europeanen, opium niet uitgezonderd. Het westen werd bovendien toegestaan in die havens het eigen geloof uit te oefenen en te verkondigen. Toen dat verdrag eenmaal tot stand gekomen was, had de Chinese keizer er niet al te veel moeite mee om met de andere Europese staten (inclusief het katholieke Frankrijk) soortgelijke afspraken te maken, zonder dat die er oorlog voor hoefden te voeren.

   In Frankrijk was de katholieke kerk begonnen aan een ‘reconquista’, een herovering van het land. Allerlei instanties zetten alles op alles om de mensen voor het oude geloof te winnen. Op het platteland was dat niet zonder succes. Eén van de speerpunten van de hernieuwde en militante katholieke kerk was de aandacht voor missionering in verre landen. Fransen namen al snel de leiding van de financiering van de missie in de wereld. Rome stond toe dat Franse organisaties als de Propagation de la Foi (Voortplanting des Geloofs) en de Sainte-Enfance (Heilige Kindsheid) het voortouw namen bij de financiering van de missie. De Franse overheid zag het als haar taak om missionarissen in den vreemde te hulp te komen. Halverwege de negentiende eeuw slaagden de Franse keizer Napoleon III en zijn zeer katholieke vrouw Eugénie erin de betrekkingen met de Britten te verbeteren. In 1856 besloot Londen een nieuwe vloot naar China te sturen. De Fransen stuurden een eigen expeditieleger omdat de missionaris Auguste Chapdelaine in China vermoord was.

   Nadat de Europeanen het zomerpaleis bij Peking verwoest hadden, gaven de Chinezen opnieuw toe. In de zogenaamde Ongelijke Verdragen van 1860 zetten ze noodgedwongen hun paraaf onder allerlei bepalingen, zoals die van eeuwige vriendschap. Fransen kregen ondermeer het recht hun geloof onder protectie van de keizer in het hele land te verkondigen, kerken, weeshuizen, scholen en andere katholieke gebouwen neer te zetten. De Chinezen mochten zich bekeren. China lag nu open voor het geloof van het Westen. Vanaf 1865 trokken elk jaar Belgische en Nederlandse missionarissen naar het Verre Oosten.

 

Missionarissen en zendelingen

 

Amerikaans zendelingen-gezin

De protestantse zending bestond voor meer dan de helft uit Britten. Ze waren landgenoten van de militairen die de Chinezen dank zij hun moderne bewapening diverse malen op de knieën gekregen hadden. Groot-Brittannië, de ‘shopkeeper of the world’ zoals het land genoemd werd, was een economische grootmacht van de eerste orde in die tijd. De meeste zendelingen beschikten dan ook over aanzienlijk meer kapitaal dan de katholieke missionarissen. Dat was hen natuurlijk een doorn in het oog. De Belgische missiebisschop Jaak Bax bracht het in 1878 onder woorden: “Is het niet treurig te moeten bedenken, dat onze afgedwaalde broeders, de protestanten, jaarlijks voor hunne zendingen buitenlandsch, twaalfmaal, ja wellicht vijftienmaal meer geld besteden dan de katholieken over de gansche wereld bijeenbrengen voor hunne missiën? De verschillende zendingsgenootschappen van Engeland beschikken over eene jaarlijksche som van 50 millioen francs. De middelen van het Genootschap tot Voortplanting des Geloofs bedragen slechts 5 of 6 millioen in het jaar over geheel de wereld!” [3]

   De zendelingen beschikten niet alleen over meer kapitaal, ze pakten hun bekeringsactiviteiten ook anders aan dan de katholieken. Om te beginnen vestigden zij zich meestal in de ommuurde steden, terwijl de missionarissen zich, vaak zelf afkomstig van het platteland, meer in hun element voelden in landbouwgebieden. De paters wisten grote stukken grond te bemachtigen en stichtten er landerijen waar zij het in alle opzichten voor het zeggen hadden. Theodoor Rutjes (uit Duiven) omschreef zijn werk als volgt: “Een missionaris in China is van alles: pastoor, kapellaan, koster, boer, nonnenvader, koopman, boekhouder, notaris, advocaat en regter, timmerman, metselaar, steenkapper, schilder, behanger, smid en modderwerker, schoolmeester en schooljongen, mandarijn en soldaat, bierbrouwer en wijnsteker, bakker en tabakskerver, etcetera”.[4] Met het Europese geld bouwden ze kerken, schooltjes, weeshuizen en wat al niet meer. Wie bereid was katholiek te worden kon meedoen. Er was volop werk in de bouw en op het land. In die jaren waren er continu volksopstanden tegen het gezag van Peking. In het overbevolkte en chaotische China was er tekort aan voedsel. De missionarissen boden een oplossing aan rondtrekkende zwervers en hun vrouwen, die ze vanwege hun gebonden voetjes, soms over grote afstanden op hun rug moesten dragen. Als je je bekeerde tot het ‘ware geloof’ had je een woning, werk, een stuk grond, eten, medicijnen en onderwijs voor je kinderen. En uitzicht op een aangenaam verblijf in de hemel na het leven op aarde. Als de nood maar hoog genoeg was kwamen de bekeringen vanzelf.

   De missionarissen waren als gevolg van het celibaat in staat zich te concentreren op het missiewerk. Bij de meeste zendelingen lag dat anders. Die kwamen met vrouw en kinderen. Dat gaf een enorme poespas. Huizen moesten zo comfortabel mogelijk ingericht worden. Kinderen en vrouwen gaven problemen, ze werden ziek, zo niet erger. Veel van hun tijd ging verloren voor de eigenlijke zendingsactiviteiten door huiselijke beslommeringen. Bovendien hadden de Chinezen hun eigen ideeën over de westerlingen. In hun cultuur stonden oude mannen in hoog aanzien, mannen met lange baarden. Missionarissen én zendelingen lieten dan ook niet na hun baard voluit te laten groeien. Vrouwen die samen met hun echtgenoot als predikanten optraden werden niet voor vol aangezien: in het confucianisme waren vrouwen ondergeschikt aan de man. Een missionaris raadde om die reden af zusters naar China te sturen. “De heidenen zouden geërgerd zijn, Europeesche vrouwen te zien; het christendom zou in minachting komen, zoals hier met protestanten plaats heeft”. [5]Een andere pater constateerde dat een zendeling vergeefs tot het uiterste gegaan was. “Men zegt dat hij met een chineesche vrouw getrouwd is, om alzoo gemakkelijk de gunst van het volk te winnen. Het plan was goed, maar de uitslag heeft de verwachting niet beantwoord. Vele van die protestantsche predikers werken met iever en schijnen het waarlijk goed te meenen”, [6] voegde hij er nog aan toe.

  

Indruk maken

 

8 - Rutjes 4
Mgr. Rutjes en andere Europese missionarissen met baarden
 

Een van de belangrijkste activiteiten van de zendelingen was het verbreiden van bijbelteksten. Diverse zendelingen vertaalden de bijbel, of gedeelten daarvan, in het Chinees en deelden het drukwerk uit aan potentiële bekeerlingen. Dat werkte niet altijd. Om te beginnen was een groot gedeelte van de doelgroep analfabeet. Maar wie kon lezen begreep vaak niet wat er bedoeld werd. “De Chinezen hadden nog nooit van profeten gehoord”, schrijft Nat Brandt in zijn boek Massacre in Shansi, “ze hadden er geen idee van wat bijbelse landen waren en vonden bepaalde praktijken, zoals het wassen van voeten, vreemd. Toespelingen maken op schaapherders bracht hen in de war. In veel gebieden hadden de inwoners nooit een schaap gezien. Waar schapen waren werden zij als minderwaardige dieren beschouwd; schaapherders stonden niet in hoog aanzien”.[7] Heel wat Chinezen waren echter dankbaar als ze een bijbel overhandigd kregen: ze verwerkten de pagina’s in de zolen van hun schoenen.

   De missionarissen pakten de zaken anders aan. Wie wilde profiteren van de voordelen van het geloof was verplicht catechismusles te volgen en diverse keren per dag naar de missiekerk te gaan. Wie niet voldoende meedeed werd vaak met vrouw en kinderen uit de missiepost verwijderd. Maar alvorens tot die rigoureuze aanpak over te gaan, probeerde een enthousiaste missionaris het eerst nog eens door hardhandig in te grijpen. Jules Anicq, een Vlaamse pater, legde het aan zijn familie uit: “Alle dagen vier keer preeken, dat is geen klein bier. Ik moet u dat ne keer uitleggen, hoe het hier gaat. ’s Winters, vermits de [bekeerde Chinezen] dan toch niets te doen hebben dan met hun teenen te spelen, wordt er ’s morgens vroeg op de [Chinese gong] geklopt en alleman moet naar de kerk komen om het morgengebed en de H.Mis bij te wonen. Als er soms zijn van die nieuwe mannen die daar dikwijls in hunnen nest zouden blijven, zenden wij er een vent achter, en, als ’t zijn moet, gaan we zelf met nen fermen stok die luierikken uit hunne pijp kloppen”.[8]

   Met zachte hand kwam je niet ver, dat leek de boodschap. Om iets te bereiken moest je indruk maken op de Chinezen, zo was dat nu eenmaal. Een Franse non bracht het in 1866 onder woorden. Bij een plechtige begrafenis van een medezuster in de stad Tianjin ‘heerschte overal de diepste stilte. Iedereen ging op zij om plaats te maken voor het kruis en de lijkstaatsie. Men zou waarlijk gemeend hebben, in eene der beste parochieën van Frankrijk te wezen, zooveel orde en eerbied vertoonde zich allerwegen. Hoezeer ware het te wenschen dat onze arme heidenen en protestanten toch eindelijk de oogen voor het ware licht openden! Vooral op deze laatsten maakte de plegtigheid eenen bijzonderen indruk. Zij konden niet nalaten te zeggen: Alleen in de katholieke godsdienst heeft men zulke plegtigheden; in de onze hebben wij niets dat daarop gelijkt’.[9]

 

De paus verkondigt, de missionarissen volgen

 

Ook de paus, Leo XIII, liet niet na zijn mening te geven over de protestantse zendelingen. Op 3 december 1880 schreef hij in de encycliek ‘Sancta Dei Civitas’: “Bij het toenemen der kennis van plaatsen en volken zijn nieuwe wegen geopend naar tot dusver als ontoegankelijke beschouwde streken. Telkens hebben zich nieuwe expeditiën van soldaten van Christus gevormd, en zijn nieuwe statiën [missieposten] gevestigd. Dikwijls echter geven bedrieglijke lieden, zaaiers van dwalingen, zich uit voor apostelen van Christus, en overvloedig voorzien van menschelijke middelen, belemmeren zij het ambt der katholieke priesters, of sluipen in de plaats van dezen, die vertrokken zijn, of richten leerstoel tegen leerstoel op”. De hoogste baas van de katholieke kerk, waaraan alle missionarissen gehoorzaamheid verschuldigd waren, noemde de zendelingen dus ‘bedrieglijke lieden, zaaiers van dwalingen’.[10] Geen oecumenische gedachte. Zendelingen waren in zijn ogen ‘bedriegers’!

   Daarmee was de toon gezet. De missionarissen voelden zich, lijkt het, superieur aan de andere predikers van het christendom. Zij alleen verkondigden de echte waarheid. De Belgische missionaris Roofthooft noemde zijn collega’s ‘verdwaalde sukkelaars’[11] De paters meldden dan ook bij voortduring hoe weinig succesvol hun collega’s waren. “Ik geloof dat er in gansch Kansoe geen tien Chineesche protestanten zijn, alhoewel predikers van Engeland en Amerika met vrouw en kinderen in bijna al de groote steden gevestigd zijn, en grooten sommen besteed hebben om armen-apotheken op te richten, waar de zieken kosteloos bediend worden. Het is waarlijk spijtig zoovele pogingen te zien aanwenden die geene vruchten voortbrengen”,[12] aldus bijvoorbeeld bisschop Otto in 1894. Missionaris Van Damme verweet de zendelingen dat ze niet nalieten potentiële bekeerlingen ‘haat tegen de katholieke kerk in te prenten’.[13] Frans De Meester schreef dat hij bezig was een einde te maken aan de ‘dwalingen van de Engelsche en Chineesche protestanten. Zeven en dertig hunner zijn de laatste dagen tot ons overgekomen. Dat is nog niet alles. Hun voornaamste chineesche prediker heeft ons verklaard dat hij ook katholiek zou worden, ware hij niet zoo oud en bovendien wederhouden door den hoogen loon dien hij thans verdient’.[14] In plaats van gezamenlijk de ‘heidenen’ te bekeren waren de paters soms in de weer om protestanten over te halen katholiek te worden. Van ‘christelijke’ eenheid was nauwelijks sprake.

 

De houding van de Chinezen

 

Tekening van Bokser-troepen

Het was de meeste paters wel duidelijk dat de Chinezen niet veel begrepen van de onenigheid binnen het christendom. De al eerder genoemde Rutjes legde het als volgt aan zijn ouders uit: “De mening is algemeen dat de katholieke religie voor de Franschen, de protestantsche voor de Engelschen gemaakt is”.[15] Dat was al heel wat. Grote groepen Chinezen wilden überhaupt niets met het christendom te maken hebben. Dat was immers de religie van de westerse barbaren die hun land gewapenderhand waren binnengevallen, grote stukken grond hadden afgepakt en hun ideeën hadden opgedrongen. Aan het einde van de negentiende eeuw kregen ze de kans om wraak te nemen. Een hoofdrol werd gespeeld door de zogenaamde Boksers, meestal jongelui die meer dan genoeg hadden van de buitenlanders en het geloof van het Westen. Met toestemming en zelfs met hulp van Peking joegen ze in 1900 iedereen over de kling die ze maar te pakken konden krijgen. Missionarissen en hun helpers, zendelingen en hun vrouwen, protestantse of katholieke bekeerlingen, het maakte allemaal niet uit.

   In de provincie Shanxi was gouverneur Yuxian persoonlijk persoonlijk betrokken bij de afrekening. In de hoofdstad Taiyuan liet hij Amerikaanse zendelingenfamilies, inclusief kinderen, Franse zusters (onder wie de Nederlandse Kaatje Dierckx) en missionarissen onthoofden. Een vrouw droeg een bril en hield haar zoontje bij de hand toen ze gedood werd. Ze sprak de toeschouwers aan en zei: “We kwamen naar China om u het goede nieuws van de redding door Jezus Christus te brengen. We hebben u geen kwaad gebracht. Waarom behandelt u ons op deze manier?”[16] Een soldaat nam de vrouw de bril van het hoofd alvorens haar te onthoofden. Er waren twee klappen nodig, rapporteerde een omstander later. In het noorden van de provincie, boven de Grote Muur in het Mongoolse gedeelte, vielen de Boksers onder andere het dorpje Ershisiqingdi bij de Gele Rivier aan. Ze vermoordden vele honderden bekeerlingen en namen de Nederlandse bisschop Ferdinand Hamer (uit Nijmegen) mee om hem te berechten wegens religieuze terreur. Hij werd gemarteld en levend verbrand. Toen westerse militairen een einde maakten aan de opstand werd Yuxian gedwongen zelfmoord te plegen.

 

8 - Dierckx Kaatje
Kaatje Dierckx, martelares van de Bokseropstand
 

***

 

Het moge duidelijk zijn: van samenwerking bij de verspreiding van het christendom in China was geen sprake. Het wereldbeeld van de missionarissen was eenvoudig: de mensheid bestond uit drie groepen, ware christenen (zij zelf), ketters (protestanten) en heidenen (niet-christenen). Bij de meeste Chinezen ontbrak deze nuance. Zij zagen de verkondigers van het ‘geloof van het Westen’ als iconen van het gewelddadige opdringen van de Europese barbaren. Hoe eerder ze er in slaagden ze uit hun land te verdrijven, dood of levend, hoe beter. Waar ze vandaan kwamen, uit Rome of uit ‘Wittenberg’, maakte de Chinezen niet veel uit. Dat gold in zekere zin tevens voor de toekomst van de westerse activisten. Een missionaris die in China afscheid nam van een zendeling, noteerde dat deze hem op ‘doktorale toon de volgende woorden toestuurde: Onze vlag draagt noch den naam van Rome, noch dien van Wittenberg, maar wel dien van Jezus. In den Hemel zullen wij ons wederzien!’.[17] Een hoopgevende gedachte.

 

Harry Knipschild

20 februari 2008
gepubliceerd in het tijdschrift Transparant, april 2008

 

Aanbevolen literatuur

Nat Brandt, Massacre in Shansi, Syracuse 1994

Jeroom Heyndrickx (red.), Historiography of the Chinese Catholic Church, Leuven 1994

Harry Knipschild, Soldaten van God. Nederlandse en Belgische missionarissen op missie in China in de negentiende eeuw, Amsterdam 2008

Missiën in China en Congo, tijdschrift van de Missie van Scheut, vanaf 1891

Louis Roofthooft, Reis uit Lier naar Mongolië, Lier 1880

Daniël Verhelst, Nestor Pycke e.a. (red.), La Congrégationdu Coeur Immaculé de Marie (Scheut). Edition critique des sources, Leuven 1986-2007 (diverse delen)

 



Noten

[1] Hu Sheng, From the Opium War to the May Fourth Movement, Peking 1991, deel 1, 35

[2] Huc en Gabet, Omzervingen door Mongolië en Thibet tot naar de hoofdstad van den Tale Lama, Groningen 1856, 47

[3] Frans Vranckx (red.), Voyages de Bruxelles en Mongolie. Travaux des missionnaires de la congrégation, Brussel 1877, 214

[4] Theodoor Rutjes aan zijn familie, 12 oktober 1871, archief Scheut

[5] Norbert Janssens, 15 maart 1889, Annalen H. Kindsheid, Tilburg 1889, 118

[6] Hubert Otto, Missiën in China en Congo, Scheut 1894, 478

[7] Nat Brandt, Massacre in Shansi, Syracuse 1994, 52

[8] Jules Anicq, 22 februari 1898, archief Scheut

[9] Zuster Martha, 8 september 1866, Annalen H. Kindsheid, Tilburg 1867, 154

[10] Annalen H. Kindsheid, Tilburg 1881, 3

[11] Louis Roofthooft, Reis uit Lier naar Mongolië, Lier 1880, 62

[12] Missiën in China en Congo, Scheut 1894, 478

[13] Ibidem 1895, 55

[14] Ibidem 1898, 117

[15] Rutjes, 9 juni 1885, archief Scheut

[16] Brandt, Shansi, 232

[17] Roofthooft, Lier, 62