Zoeken

 

Bob Geldof (geb. Dublin, 5 oktober 1951) maakte met de Boomtown Rats in 1979 een grote hit: ‘I don’t like mondays’. Na nog wat mindere successen als ‘Someone’s looking at you’ en ‘Banana Republic’ in 1980 ging het hard achteruit met de populariteit van de muzikanten. In 1982 wisten ze met ‘House on Fire’ nog in de Britse hitlijsten te verschijnen, op positie nummer 24. Dat was het dan, leek het. Geldof moest zich voortaan maar zien te redden. In hoofdstuk 13 van zijn autobiografie (‘Is that it?’, 1986) legde Bob vast dat hij het helemaal niet meer zag zitten.

   Depressief als hij om die reden was keek hij in het najaar van 1984 naar het nieuws op de televisie. Er was een reportage over de hongersnood in Ethiopië. Het was verschrikkelijk, vond hij. De beelden brachten zijn vrouw Paula Yates aan het huilen. Bob kon die nacht niet slapen. Dat overkwam hem wel vaker. Wat hij op de televisie gezien had bleef door zijn hoofd spoken.

   “Kon ik er wat aan doen? Ik was niet meer dan een pop-zanger. En een popzanger zonder succes op dat moment. Ik maakte platen die niemand kocht. Ik kon wel een plaat maken en dan de inkomsten aan Oxfam doneren. Maar dat zou een bedrag van niks zijn”. Geldof besefte dat, wilde hij helpen, hulp een vereiste was. Midge Ure van Ultravox was een goede vriend. De groep was bekend door ‘Vienna’ en de recente hit ‘Dancing with tears in my eyes’.
  
Ure wilde wel meedoen. Heb je een song, kreeg Geldof aan de telefoon te horen.

   Bob had niet meer dan een basis-idee voor een liedje dat ‘It’s my world’ heette. Daar durfde hij niet eens mee voor de dag te komen. Ultravox had de hits.

   “Ik bedenk wel wat”, zei Midge Ure. “Morgen als ik terug ben in Londen bel ik je. We gaan er samen aan werken”.

   Bob bleef niet bij de pakken neerzitten. Hij belde Sting van The Police. “Ik kende hem goed en mocht hem wel. Ik voelde me ongemakkelijk. Popsterren worden aan de lopende band benaderd door mensen die iets van ze willen. Ik wilde me niet opdringen. Heb je het nieuws over Ethiopië gisteravond op het journaal gezien?”, vroeg ik hem.

   “Ja, het was verschrikkelijk”.

   Bob: “Ik vind dat we iets moeten doen. Ik zit erover te denken wat mensen bij elkaar te krijgen en een plaat te maken die voor de kerst uitkomt. Om zodoende wat geld te vergaren”.

   Sting: “OK, ik zal er zijn”.

 
127 - 1 Boomtown Rats
Boomtown Rats, midden met wit hemd Bob Geldof
 
In een mum van tijd wilden de popsterren van dat moment meedoen. Ze probeerden hun verplichtingen even aan de kant te zetten. Dat gold voor Simon Le Bon van Duran Duran en Martin Kemp van Spandau Ballet. Geldof belde zich suf met managementkantoren, platenmaatschappijen en artiesten. In korte tijd leerde hij hoe de muziekbusiness in elkaar zat. Het project Band Aid groeide steeds verder uit. Geldof schakelde zijn platenmaatschappij, Phonogram, in. Er kwam een vergadering op het hoogste niveau, met general manager Brian Shepherd, jurist John Watson, marketing directeur Tony Powell en product manager John Waller. Het bedrijf was bereid volledig mee te werken aan ‘Do they know it’s Christmas time’, de song waar Bob en Midge Ure mee kwamen. Dat gold ook voor anderen – niemand mocht er ook maar één cent aan overhouden. Alle inkomsten waren voor ‘Afrika’ bestemd.
  
Bij en op kosten van Phonogram ging Geldof door met het bellen van artiesten. Hij had de smaak nu helemaal te pakken. “Ik wist U2 te bereiken en spak met Bono. Het was twee uur in de middag. Hij was net op. Zijn stem klonk alsof een vrachtwagen over zijn keel gereden had. Maar hij wilde meedoen”, zei hij. “Het lijstje van die dag luidde: Eurythmics, Bananarama, Culture Club, Thompson Twins, Frankie Goes to Hollywood, Wham!, Sade, Paul Young, Human League en de Style Council.

   Terwijl ik aan het bellen was kwam Francis Rossi van Status Quo bij Phonogram binnenstappen. “‘Zet mij en Rick Parfitt maar op de lijst’”. Zo las ik het in de autobiografie. De artiesten boden op een bepaald moment zelf aan mee te (mogen) doen voor het goede doel. Op zondag 25 november 1984 werd ‘Do they know it’s Christmas’ van Band Aid opgenomen. Een paar dagen later lag de single in de winkels. Miljoenen exemplaren werden er van verkocht. Bob Geldof werd overladen met eerbewijzen. Met zijn carrière als zanger kwam het niet meer goed. Maar Bob had wel geleerd hoe je vanuit een zekere machtspositie en naamsbekendheid zaken moest doen. Zijn autobiografie, verschenen kort na Band Aid en Live Aid in 1985, werd als een bestseller bestempeld. Zijn vermogen werd recentelijk op meer dan een miljard dollar geschat.
 

 

127 - 2 Band Aid
Band Aid, Rick Parfitt in wit hemd rechts van Sting, Francis Rossi helemaal rechts

 
Status Quo
 

In 2004 hebben ook Francis Rossi (geb. 29 mei 1949) en Rick Parfitt (geb. 12 oktober 1948) hun leven laten vastleggen. Aan hun bijdrage aan Band Aid ging het tweetal niet voorbij.

   Vanaf 1968 maakte Status Quo een groot aantal hits. Het begon met ‘Pictures of Matchstick Men’. Daarna volgden onder meer ‘Paper Plane’ (1972), ‘Down Down’ (1974), ‘Rockin’ all over the world’ (1977), ‘Whatever you want’ (1979) en ‘What you’re proposing’ (1980). Het was simpele rock & roll. Erkenning was er vooral bij de fans, in mindere mate bij de pers.

   Status Quo was in eerste instantie vooral een groep van Francis Rossi en Alan Lancaster. Rick Parfitt kwam er wat later bij. Lancaster belandde op het tweede plan en vestigde zich in Australië.

In de autobiografie van Status Quo (2004) liet Rossi weten dat het begin van de jaren tachtig voor hem niet goed uitpakte. “Met Quo hadden we wereldwijd het grootste succes. Privé kwam ik juist in een neergaande spiraal terecht. In 1984 dronk ik elke dag twee flessen tequila en snoof er drie gram cocaine bij. Dat is de ironie van booze en drugs. Je begint ermee om van je problemen af te komen en voordat je het weet zijn ze de oorzaak van je problemen”.

   Er waren spanningen in de groep. “Alan in het bijzonder maakte me gek met zijn weerstand tegen de verbetering van het muzikale peil. Als ik met een song kwam die hij niet bij Quo vond passen was hij in alle staten. Dat gebeurde steeds vaker. Rick leidde het leven van een rock-ster. We zagen elkaar steeds minder. John [Coghlan, drummer] dronk steeds meer en stond helemaal buiten de werkelijkheid. Alleen Andy Bown, de keyboardspeler, was redelijk normaal”.
 
Rossi zag het helemaal niet meer zitten. “Tijdens de kerst [van 1983] speelde het steeds door mijn hoofd. Meteen in het nieuwe jaar nam ik mijn besluit. Ik liet de groep weten dat ik niet meer wilde toeren. De anderen waren er niet blij mee. Tegen hun zin in gingen ze ermee akkoord op voorwaarde dat we nog een lucratieve afscheidstoernee zouden doen. Vóór ik het in de gaten had stond alles in de pers en gingen kaarten in de verkoop voor de ‘End of the Road’-toernee. Officieel stopten we alleen met toeren. Er zouden nog steeds Status Quo-platen op de markt komen. Hoewel dat voor mij ook niet meer hoefde. Misschien hoopten de anderen wel stiekem dat ik van gedachten zou veranderen. Maar dat zat er niet in wat mij betreft. Mijn leven draaide om tequila en coke.  
 
De buitenwereld moet vreemd tegen die afscheidstoernee aangekeken hebben. Meestal gebeurt dat als de band op z’n retour is. In ons geval was dat juist helemaal niet het geval. De platenmaatschappij dacht dat we gek waren. In april kregen we nog de Ivor Novello award. Vier dagen later begon de toernee. Bij het laatste optreden (Milton Keynes Bowl) kwamen 50.000 mensen opdagen. Ik kan me er nauwelijks iets van herinneren. Ik zat helemaal in mijn coke/tequila fase. Een roadie moest me het podium op dragen. Er was een farewell party. Honderden mensen kwamen, onder wie Roger Taylor en Brian May van Queen, John Entwistle van de Who, Lemmy van Motörhead en Rick Wakeman van Yes. Ze hebben me verteld dat het een geweldig feest was. Het enige wat ik er nog van weet kan in twee woorden worden samengevat: ‘doing coke’. Twee weken later werd dochter Bernadette geboren. Ik had al drie kinderen. Een meer was goed nieuws maar het deed er allemaal niet zo toe. Liz en ik waren blij als we elkaar een tijdje niet meer zagen.
   Ik was 35 en wilde een punt achter mijn leven met Status Quo zetten. We namen nog één single op, een nieuwe versie van ‘The Wanderer’, de oude hit van Dion DiMucci. Die haalde de zevende plaats op de hitlijsten. Een tijd lang nam ik de telefoon niet eens meer op. Toen het duidelijk werd dat ik niets meer wilde, onderzochten Rick en Alan de mogelijkheid om Status Quo met iemand anders door te zetten”.

 
127 - 3 DiMucci Dion
Dion DiMucci
 
Band Aid
 
 
Rossi nam een solo-album op voor Phonogram, maar het uitkomen ervan was voorlopig niet aan de orde. “Op een dag kreeg ik een telefoontje van [zakenbehartiger] Colin Johnson. Hij vertelde dat hij zich akkoord verklaard had dat Rick en ik aan een of andere charity-plaat zouden meedoen. De zanger van een andere Phonogram-groep, die de Boomtown Rats heette, was het aan het organiseren. Zijn naam was Bob Geldof. De song had hij nog niet eens geschreven. Aan Colin had hij verteld dat een heleboel bekende artiesten zouden meedoen. Voor Colin was dat genoeg.

   Tegen de tijd dat Bob zijn zaken voor elkaar had en Colin me opnieuw belde met een tijd en plaats van de plaatopname was ik het bijna vergeten. Maar Bob en Midge Ure hadden de song nu geschreven. Die heette ‘Do they know it’s Christmas’ en alle artiesten die meededen zouden dat doen onder de paraplu Band Aid. ‘That way there’s no fuckin’ egos!’ had Bob tegen Colin gezegd”.

   In de belevingswereld van Francis Rossi was er geen sprake van een ontmoeting met Bob Geldof voorafgaand aan de opname op 25 november 1984. De Band Aid-song leek hij niet eens gehoord te hebben.

 
Wat Francis Rossi veel meer bezig hield was hoe hij en Rick Parfitt behandeld zouden worden door de nieuwe generatie pop-idolen. Daar had hij gemengde gevoelens over. “De rock uit de jaren zeventig was op de voorpagina’s van de muziekpers eerst overspoeld door punk en nu door wat ze de ‘new romantics’ noemden: Spandau Ballet, Ultravox, Culture Club en Duran Duran. Die waren allemaal bij Band Aid betrokken. In hun ogen, wist ik, was Quo een groep van oudjes (old farts). Ik vond dat die artiesten er geweldig uitzagen in hun video’s, maar of ze ook konden spelen, ik was er niet zo zeker van. Zowel zij als wij hadden onze vooroordelen.

   Maar Bob Geldof had het netjes gevraagd en erbij verteld dat Phil Collins en Sting er zouden zijn. We waren dus niet de enige dertigers. In het begin voelden we ons niet op ons gemak. Maar er was een bindmiddel: cocaine. Iedereen wist ons te vinden. We konden het met iedereen goed vinden behalve met Marilyn, de vriend van Boy George. Die stelde zich geweldig aan, hij wist niet of hij een jongen of een meisje was.

   Toen wij onze partij moesten inzingen bleek dat Rick nauwelijks iets uit zijn strot kon krijgen. Ik moest zijn zangpartij overnemen en deed mijn best zoveel mogelijk als hem te klinken. Maar toen het erop aankwam een gezamenlijke foto te maken wrong hij zich met zijn ellebogen naar voren, naast Sting”.
 
Rick Parfitt vertelde een nagenoeg identiek verhaal. Na de afscheidstoernee verdiende hij voorlopig niets meer. Blijkbaar had hij geen financiële reserves. Het voorschot dat ook hij van Phonogram kreeg om een solo-album op te nemen stelde hem voorlopig in staat overeind te blijven. “Colin Johnson belde me op met de vraag of ik aan een charity-plaat wilde meedoen die Bob Geldof van de Boomtown Rats aan het organiseren was. Francis had zich al akkoord verklaard, werd me verteld. Dus ik zei ja. Alan zat in Australië, dus we zouden het met z’n tweeën moeten doen.
   Het was vreemd Francis terug te zien. Na de toernee hadden we elkaar niet meer gesproken. Maar alle spanningen tussen ons waren meteen weg. Plotseling bevonden we ons te midden van allemaal eighties-bands met wie we niets gemeen hadden. Dat was heel eigenaardig. Niemand zei iets tegen ons in het begin. Dat veranderde onmiddellijk toen we onze ‘coke’ tevoorschijn haalden. Plotseling waren we de meest populaire jongens. Die nacht was ik niet naar bed geweest. Ik voelde me dan ook ‘pretty shit’. En nu was ik ineens het middelpunt van de party.
   Er waren veel mensen in de studio. Je moest de hele dag wachten voor je aan de beurt was. Aan de overkant van de straat was een pub. Dat pakte voor mij fataal uit. Tegen de tijd dat Francis en ik aan de beurt waren met zingen kon ik me niet meer aan de melodie houden. Ik schaamde me. Het was nog veel erger. Ik zat zo onder de coke dat ik nauwelijks kon praten, laat staan zingen. Het was genant. De hele dag had had ik op dit moment gewacht.
   Producer Trevor Horn zei: ‘We nemen wel iemand anders voor dit gedeelte’. Francis redde me door mijn rol over te nemen. Aan de muur thuis hangt nog steeds de drie-maal-platina plaat om te bewijzen dat ik erbij was, al was dat alleen ‘in spirit’. Ik ben er trots op al ben ik er niet zo zeker van dat ik hem verdiend heb”.
 
 
127 - 4 Rick Parfitt en Fancis Rossi
Rick Parfitt en Francis Rossi
 
Live Aid
 
 
Begin 1985 werden er plannen gemaakt voor een groot Band Aid-concert in het Wembley-stadion. Francis: “Wij waren een van de eerste artiesten die Bob benaderde. We hadden nu eenmaal ook aan de plaat meegewerkt. In het begin was ik sceptisch – niet over het concert maar over onze capaciteiten. Een dag coke snuiven met Rick en een stel idioten in de studio is één ding. Status Quo bestond niet meer. We moesten de band helemaal opnieuw opzetten. Ik vertelde Bob: ‘We bestaan helemaal niet meer’.

   Bob zei: ‘Dat kan me niets schelen. Het is maar voor één dag. Het doet er niet toe hoe het klinkt, jullie moeten er zijn’. Min of meer tegen onze zin beloofden we het verder te willen onderzoeken. We belden Alan in Australië. Tot mijn verbazing was hij bereid op eigen kosten naar Londen te vliegen. Nu hadden we geen excuus meer om nee te zeggen. We belden Bob en zeiden: ‘We zijn van de partij’. Er kwam een sneeuwbaleffect. Alle grote namen sloten zich aan: Paul McCartney, David Bowie, Led Zeppelin, Bob Dylan, Madonna, Mick Jagger, Elton John, Queen. Er waren zoveel bands dat besloten werd niet één maar twee Live Aid-concerten op te zetten, in Londen en in Philadelphia. Vanwege het tijdsverschil zou de show [op zaterdag 13 juli 1985] in Wembley aanvangen.

   Het was een dag om nooit te vergeten. We kwamen samen in een pub in Battersea, dicht bij het appartement waar Rick woonde. Op die plek nam ik mijn eerste vier-dubbele tequila. Met een helicopter werden we naar het stadion gevlogen. Ik was al helemaal stoned. Vanuit het raam zag ik dat de plek helemaal afgeladen was. Ik besefte dat die mensen niet voor ons gekomen waren. Het ging om Live Aid.

   Ik herinner me nog ‘God Save the Queen’, gespeeld door de Guards meteen voor wij begonnen. Toen kondigde Radio One-dj Tommy Vance aan: ‘Het is twaalf uur [’s middags] in Londen, het is zeven uur [’s morgens] in Philadelphia. Dit is Live Aid. Geef een welkom aan... Status Quo!’

   Met de sonore stem van Tommy nog in onze oren liepen we de bühne op en openden met wat het niet-officiële volkslied zou worden: ‘Rockin’ all over the world’. Mike Appleton, de verantwoordelijke man bij de BBC die dag, had doorgedrukt dat wij moesten beginnen. ‘Rockin’ all over the world’ maakte duidelijk waar het bij Live Aid om ging. Binnen een paar seconden klapte en zong iedereen mee. Daarna deden we ‘Caroline’ en ‘Don’t waste my time’, groetten het publiek en verdwenen in de coulissen. Het was het kortste optreden, twaalf minuten, dat we ooit gedaan hebben”.

 
127 - 5 Live Aid
 
Style Council, de groep van Paul Weller, nam de plek van Status Quo in. Het was nu tijd voor foto’s en interviews. Achter de bühne was een Hard Rock Café waar de artiesten te eten kregen. Rick ging met de helicopter terug naar de pub. Francis bleef in het stadion. “Freddie Mercury kwam op me af, greep me vast, pakte me op en zwaaide me rond. Wat was hij sterk. Hij had me zo kunnen vermorzelen. Gelukkig was ik zijn soort niet. Hij zette me neer op de plek waar hij me gevonden had.

   Alle artiesten waren vriendelijk, met uitzondering van Elvis Costello die het ogenschijnlijk zo hoog in de bol had dat hij zelfs weigerde met me te praten”. Rossi bleef ook die dag niet helemaal nuchter, in tegenstelling tot David Bowie. “David verbaasde iedereen. Naarmate de dag vorderde zag hij er steeds beter uit. Ik vroeg hem hoe hij dat voor elkaar kreeg. Hij boog voorover, knipoogde en glimlachte”.

   Rick Parfitt: “Toen we terug waren in de kleedkamer stond Bob Geldof op ons te wachten. Hij bedankte ons en zei, ‘OK, geniet de rest van de dag en zorg dat je terug bent voor de finale!’ Francis bleef in Wembley. [Vriendin] Patty en ik besloten in de helicopter te stappen. Even later zaten we weer in de pub. ‘Hallo mate. We zagen je zo even op de buis. Wat kan ik voor je inschenken’, met die woorden werden we begroet. Bij de televisie werden we compleet dronken en ‘coked out’, totdat het tijd werd om terug te vliegen.

   Patty durfde niet mee de bühne op. Ik trok haar gewoon mee. Op de video zie je ons naast Elton John staan. Ik herinner me dat ik over de zee van mensen keek, een buitengewoon gevoel. Het was donker geworden. Iedereen hield zijn aanstekers brandend omhoog. Ik stond daar samen met Paul McCartney, David Bowie en Elton John. Dat is iets wat ik nooit zal vergeten”.
 
De comeback
 

Pas na enige tijd drong het tot Francis Rossi door wat het optreden tijdens Live Aid betekende. “Het was het meest belangrijke uit onze carrière. In het stadion waren 70.000 fans. Maar volgens Bob keken er meer dan twee miljard mensen thuis naar de televisie. Ze vertelden me dat er nog nooit zoveel mensen in de wereld naar een tv-programma gekeken hadden. Plotseling waren we beroemd in landen waar we zelf nog nooit van gehoord hadden. Live Aid pakte geweldig uit voor met name Queen en U2. Het redde Status Quo. Het was een onverwachte publiciteit die je met de best-geplande campagne nooit voor elkaar kon krijgen.

   Ik zag dat in de verste verte niet aankomen. We hadden, geloof ik, maar één keer even gerepeteerd. Het gevoel bij ons was: we doen maar tien minuten en dan weer weg. Quo bestond eigenlijk niet meer, dus wat deed het ertoe?

   It took a while for the magnitude of the occasion to sink in. En nog langer voor we Status Quo weer op poten hadden. Toen dat het geval was ontdekten we dat de groep ineens een heel ander imago had. Live Aid had ons een heel andere reputatie bezorgd. We waren nu ‘household names’”. Rossi, 35 jaar, vergeleek zich met oudere staatslieden en ‘rock royalty’. En dat allemaal omdat ze voor het goede doel hadden opgetreden. “Live Aid cemented our reputation as do-gooders”.

   Francis: “Het was een perfect moment om te cashen. Alleen jammer dat Quo op dat moment niet echt bestond. In 1986 was het eindelijk weer zover. Van het uitbrengen van de solo-platen die Rick en ik gemaakt hadden was geen sprake. Phonogram liet ons weten dat we contractueel verplicht waren een nieuw album op te nemen. We werden flink door ze onder druk gezet. Er kwamen zelfs dreigementen als we dat niet deden.

   Ik had geen zin om met Alan Lancaster samen te werken. Alles draaide om Rick en mij. We trokken twee nieuwe ervaren muzikanten aan, John ‘Rhino’ Edwards en Jeff Rich. Andy Bown deed opnieuw mee. We begonnen met de opnamen van een nieuw album, het eerste in drie jaar. In de nieuwe samenstelling ging het ongelooflijk gemakkelijk. Meer problemen hadden we met Alan. Toen die hoorde dat we de groep nieuw leven wilden inblazen probeerde hij ons te verbieden de naam Status Quo te gebruiken. Een rechter stond ons toe voorlopig door te gaan totdat de zaak in hoger beroep zou worden beslist. Het leek erop dat het heel lang zou duren voor de definitieve uitspraak. Intussen hadden we het nieuwe album afgemaakt. Van een release kon echter geen sprake zijn.

   Gelukkig zag Allen in dat het zo niet door kon gaan. Buiten de rechtszaal om brachten we een regeling tot stand. We betaalden hem een bedrag met zes cijfers [dus £100.000 of meer] om zonder hem als Status Quo te kunnen doorgaan. Vanaf januari 1987 zou Alan formeel geen lid meer zijn van de groep”.

127 - 6 Prince's Trust 1986


Er kwam een heel nieuwe opzet. “Vanaf nu deelden Rick en ik de lakens uit. Democratie in een groep werkt niet. Er moet leiding zijn. Iedereen was blij. Met de eerste single was het meteen raak. ‘Rollin’ Home’ werd voor ons geproduceerd door Dave Edmunds. Het nummer was geschreven door zijn bassist John David. De eerste Quo single in bijna drie jaar kwam een week na de release meteen in de top 10 binnen. In de nieuwe bezetting stonden we voor het eerst in het tv-programma ‘Top of the Pops’. Iedereen was enthousiast.

   Een paar weken later gingen we voor het eerst op toernee. Voorlopig nog niet in Engeland. We trokken door Hongarije, Joegoslavië, Bahrein en Abu Dhabi. In juli 1986 debuteerden we met de nieuwe Quo in vier gigantische stadion-shows, samen met Queen: Newcastle, Manchester en twee keer Wembley. Alle shows waren in één dag uitverkocht. In Knebworth Park gaven we een extra show voor meer dan 120.000 mensen. Freddie Mercury (1946-1991) was al ziek, dat beseften we toen nog niet. Het was de laatste keer dat hij in Groot-Brittannië optrad.
  
We waren helemaal terug. De tweede single, ‘Red Sky’ was opnieuw geschreven door John David en geproduceerd door Dave Edmunds. Ook die sprong de hitlijsten binnen. Bovendien werden we uitgenodigd voor de tiende verjaardag van de Prince’s Trust. Als onderdeel van een all-star groep zongen we liedjes van de Beatles. De show werd gefilmd en later door de BBC uitgezonden”. Andere deelnemers waren o.a. Elton John, Phil Collins, Midge Ure, Sting, Rod Stewart, Mark Knopfler, Vicki Brown, George Michael, Tina Turner, Eric Clapton, Bryan Adams en Paul McCartney.

 
 
You’re in the army now
 
 
Het hoogtepunt van de Status Quo-comeback was volgens Francis Rossi de single ‘In the army now’. Het was meer dan een comeback, maakte de artiest duidelijk in de autobiografie. “Tot dan toe probeerden we te bereiken wat we eerder gedaan hadden. Met ‘In the army now’ kwamen we in een ‘overdrive’.

   Ik hoorde het nummer voor het eerst in Ierland ergens in 1982. Ik dacht meteen: dat is fantastisch. Ik was ervan overtuigd dat de oorspronkelijke plaat een grote hit zou gaan worden. Maar ik hoorde die nooit meer. Het nummer bleef in mijn hoofd zitten. Maandenlang probeerde ik er achter te komen van wie het was. Na een hele tijd ontdekte ik dat het geschreven was door twee broers uit Nederland, Rob en Ferdi Bolland. Die hadden het onder de naam ‘Bolland’ uitgebracht. Ik dacht dat het een goed nummer zou zijn voor ons volgende album, ‘Back to Back’. Maar toen ik het liet horen zag niemand het zitten. Vooral Alan was er fel op tegen.

   Pas toen er een nieuwe Status Quo was konden we er opnieuw over praten. Ik wist dat het een monster-hit zou gaan worden. Dat had ik in het verleden wel eens eerder gevonden. Mijn voorspelling kwam zeker niet altijd uit. Maar deze keer was het anders. Dat wist ik zeker. Wat me aansprak was dat het een heel ander nummer was dan de gebruikelijke Quo-formule. It was a fairly morbid little pop ballad”.

   De song van Nederlandse bodem, uitgegeven door Willem van Kooten, was een positief keerpunt voor Status Quo. Rossi: “Het werd een van de grootste hits van het jaar. In Engeland op de tweede plaats, maar in Duitsland nummer één, evenals in een dozijn andere landen over de hele wereld. Om die reden werd ‘In the army now’ ook de titel van ons comeback-album. Het was onze grootste bestseller in jaren. Alleen al in Engeland vertoefde het album maar liefst zes maanden”.
 
127 - 7 Bolland. Rob & Ferdi
Rob en Ferdi Bolland

 
Francis Rossi en Rick Parfitt kregen ook persoonlijk erkenning. Op 31 december 2009 werden de twee rockmuzikanten (‘for services to music and charity’) benoemd tot ‘Officer of the Order of the British Empire’ (OBE). Een paar maanden later kwam ‘In the army’ opnieuw binnen in de Britse hitlijsten. Op 6 april 2010 was in het Leidsch Dagblad te lezen:
   “Met de nieuwe versie wordt geld ingezameld voor goede doelen die Britse militairen steunen. De broers Rob en Ferdi Bolland zijn ook erg blij met het nieuwe succes. Zij hadden begin jaren tachtig een bescheiden hit met het nummer. In 1986 produceerden ze het nummer voor Status Quo, waarna het een wereldhit werd. ‘Fantastisch nieuws, ‘Army’ lijkt nu echt een zogenaamde classic te worden en daar ben ik erg trots op”, aldus Rob nu. Ook de Britse premier David Cameron is blij met de aandacht voor het nummer, al heeft hij daar dan weer zijn eigen reden voor. ‘Ik denk dat het een hele goede manier is voor mensen om hun waardering uit te spreken voor de strijdkrachten’”.

   Francis Rossi had zelf grote twijfels over zijn OBE-award. Aan Russische fans legde hij uit waarom hij die toch maar geaccepteerd had: “Ik geloof niet dat mensen als wij zo’n eer verdiend hebben. Maar toen het werd aangekondigd haalde het uitgebreid de pers en de televisie. Ik werd me bewust dat als je zo’n erkenning alleen aan een paramedicus uit Birmingham geeft, de meeste mensen er nooit iets over horen. Maar omdat wij die kregen besteedden SkyNews en de BBC er aandacht aan. Heel wat mensen zeggen dan: ‘Het is walgelijk, ze hebben er geen recht op’. Anderen vinden juist van wel. Op een bepaalde manier houden wij het systeem dus in stand. We verdienen het niet, maar we begrijpen waarom we zo’n award krijgen”.

   Hoe dan ook, een goed doel als Band Aid had niet alleen Bob Geldof maar ook o.a. Francis en Rick een stuk verder in de wereld geholpen.
 

127 - 9 Koningin Elizabeth II en Francis Rossi, februari 2010
Koningin Elizabeth II en Francis Rossi, februari 2010
 
Harry Knipschild
22 november 2012
 
Rick Parfitt is op 24 december 2016 overleden
 
Clips
 

* Bolland, You're in the army now (Duitse TV) 
 

Literatuur

Carolina Coon, ‘’We’re not musicians, we’re players’’, Melody Maker, 10 januari 1976

Robert Briel e.a., ‘Status Quo, ‘live’ als een huis’, in The Seventies. 10 jaar pophistorie, Almere 1979

Bob Geldof (met Paul Vallely), Is That It?, Middlesex 1986

Eamon Dunfy, Unforgettable Fire. The Story of U2, Londen 1988

Stan Rijven, ‘Status Quo doet naam eer aan’, Trouw, 24 oktober 2002

Francis Rossi en Rick Parfitt, XS All Areas. The Status Quo Autobiography, Londen 2004

‘‘In the army now’ opnieuw in Britse hitlijsten’, Leidsch Dagblad, 6 april 2010

James O’Shea, ‘Irish richest people named’, Irish Central, 9 mei 2011

Roman Patrashov, Natalie Patrashova, ‘Status Quo - I Have Eight Children, and They All Vary’. Headbanger, 18 mei 2011