Zoeken

 
 
Op 10 juli 2010 was ik in Voorburg bij Den Haag. Het was meer dan warm die dag. Op de Spinozalaan onthulde wethouder Peter van Ostaijen een monument. Niet voor een of andere lokale beroemdheid maar voor de popmuziek in het algemeen. Waar maak je dat mee!
   “Geschiedenis is dichterbij dan menigeen denkt. Het is te zien in musea, archieven, maar ook gewoon op straat. Zo staan wij hier op een historisch belangwekkende plek voor de onthulling van het stadsbaken over de lokale popcultuur in de jaren zestig en zeventig”, las de CDA-wethouder voor. “Vlakbij de plaats waar eens het grote sportcomplex de Vliegermolen stond. Dit sportcomplex stond niet alleen bekend om zijn zaalsport-toernooien, maar ook om zijn optredens van vele grote en minder grote idolen uit de geschiedenis van de popmuziek.
   Jongeren kwamen op hun Puch, Thomos of Mobylette van heinde en verre om naar hun favoriete muziek te kijken en te luisteren. Wie herinnert zich niet het Vara popgala van 1973 met The Who, Slade, Eagles, Rod Stewart en vele andere bands.
   De muziek was een kind van zijn tijd. De jeugd verzette zich tegen en ontdeed zich van de strakke traditionele banden, regels en normen. Het was een tijd van grenzeloos optimisme, een bijna heilig geloof in een betere toekomst met vrijheid en zonder de ketens uit het verleden.
   Geïnspireerd door vooral de Britse popscene gingen in de jaren zestig lokaal en regionaal honderden muziekmakende scholieren op zoek naar een eigen stijl. Ontelbare tienerbandjes oefenden hun talenten in eenvoudig ingerichte oefenruimten, in garages, op zolders, in jongerencentra als 0’16, de Fjord en in buurtcentra. Lokale cafés organiseerden met regelmaat muziekavonden, waar bands een kans kregen zich te presenteren.
   Zo ontstond in onze gemeente een uitgebreide en levendige beatcultuur met bekende bands als de Sandy Coast, Earth & Fire, The Limits, maar ook voor vele minder bekende bands als Chou Chou, The Soul, The Mystics en vele anderen. Wij zijn trots op dit onderdeel van de recente, plaatselijke geschiedenis. Velen van ons hebben dit meegemaakt en daar nog mooie herinneringen aan”.
 
 
129 - 1 Voorburg 3
Onthulling monument popmuziek Voorburg
wethouder Peter van Ostaijen, links, Hugo van Haastert (gitaar), Cees Troost, rechts
 
 
Aan het einde van zijn betoog had de wethouder nog een speciaal woord van dank voor Cees Troost, die hij ‘de Voorburgse popmuziekspecialist’ noemde. Cees kwam 3 december 2012 bij me op bezoek naar aanleiding van het afgelopen maand verschenen boek ‘Kan die *** herrie wat zachter!? De Voorburgse popscene in de jaren 60-70’. Het boek was op 10 november in 0’16 ten doop gehouden. Deejay Jan van Veen, geboren in Voorburg, overhandigde het eerste exemplaar aan Wim Bosman, eveneens geboren te Voorburg en manager van de Sandy Coast en Earth & Fire in hun beste jaren.
 
Het boek, na een paar weken al toe aan een tweede druk, probeert een zo volledig mogelijk overzicht te geven van alles wat zich ter plaatse in die tijd heeft afgespeeld. Maar het is meer dan een encyclopedie met veel foto’s. In verhalen en anekdotes kun je ook achter de schermen kijken. Niet iedereen is aan bod gekomen. Zo had Wim Bosman er helaas geen behoefte aan zich te laten interviewen. Misschien wel daardoor bleven sommige interessante ontwikkelingen in de carrière van de Voorburger Hans Vermeulen onderbelicht.
 
 
Cees Troost
 
 

Cees Troost (geb. 30 mei 1949) voelde zich helemaal niet zo’n specialist als hij in 2010 genoemd werd. Zijn band met de muziek was maar beperkt, vertelde hij. Thuis hadden ze niet eens een pickup, laat staan (pop)platen. Maar een vriendje op school kwam in het bezit van een Philips Mignon. Dat was een platenspeler waar je 45 toeren-singles in kon schuiven en er vervolgens naar kon luisteren. Zo kwam Cees regelmatig te luisteren naar ‘Banjo Boy’, de grote hit van Jan & Kjeld in 1960. Een oudere zus beschikte niet veel later eveneens over zo’n klein apparaat. “Ik hoorde haar daarna steeds ‘Zwei kleine Italiener’ en andere liedjes van Connie Froboess zingen”.
 
 
129 - 2 Philips Mignon adv
 

Cees had vooral belangstelling voor techniek. Een van de jongens bij hem in de klas was John Lagrand (1949-2005). “Een stille leerling. Het leek wel of hij niet bij de les was”. John kwam tot leven in de blueskelder van Pim Vroegop in de Von Geusaustraat. “Dat was een ruimte van drie bij twee meter”. In het Voorburgse boek is te lezen: “Alle bluesboys uit Den Haag en omstreken kwamen daar regelmatig samen om te genieten van de door hen als nieuw ontdekte bluesmuziek van o.a. Howlin’ Wolf, Sonny Boy Williamson, Bukka White, Buddy Guy en John Lee Hooker”.
   In de piepkleine Voorburgse blueskelder trad Niko Christiansen in 1965 op met gitaar en mondharmonica. John Lagrand was diep onder de indruk van het geluid van de harmonica en hij besloot al snel zo’n ding aan te schaffen bij Servaas in de Haagse Schoolstraat. Niko en John werden samen het bluesduo Indiscrimination. Later trad John toe tot de Nederlandse bluesgroepen Livin’ Blues en Cuby & The Blizzards. In Museum RockArt (Hoek van Holland) is sinds 2007 een standbeeld te zien van John Lagrand, helemaal gemaakt van mondharmonica’s.
 
129 - 3 Lagrand John 2012 RockArt
Monument John Lagrand
 
 

Jerney Kaagman
 
 
Een andere studiegenoot van Cees Troost was Jaap Kaagman. In het boek komt Jaaps bekende zus Jerney aan het woord. Cees is haar zelf gaan opzoeken in Blaricum, waar ze samen met bassist Bert Ruiter (o.a. Focus) woont. “Jerney ging voor het eerst zingen in het koor van het Huygens Lyceum waar leraar Van der Meer er alles aan deed om de leerlingen in het noodleidende koor te krijgen. Zo stond zij opeens de Matthäus Passion te zingen.
   Op zondag was bij dansschool Kuijpers op de Parkweg in Voorburg vrij dansen. Jerney ging daar regelmatig met haar vriendin Leonoor heen. Op een middag zat zij naast de bühne toen The Rangers een pauze hielden”.
   Jerney in 2012: “De jongens van de band zaten aan een tafeltje achter mij en Leonoor. Er ontstond een gesprekje. Wij zoeken nog een zangeres. Ik ken er geen, zei ik. Zou jij dan misschien een keer willen komen zingen bij ons?”
   Jerney werd in 1964 de zangeres van de Strangers: “Het repertoire bestond onder andere uit nummers van Cliff Richard en The Shadows en Franse chansons als ‘Tous les garçons et les filles’. Er werd voornamelijk op scholen gespeeld. In het weekeinde verdiende ik zo’n 200-300 gulden.
   Nadat ik bij The Rangers was gaan zingen, ontstonden er ineens ook andere mogelijkheden zoals modeshows lopen voor de Bijenkorf. Ik zat toen op de MMS en was 16-17 jaar oud. We traden voornamelijk op in de regio Den Haag, Rijswijk en Voorburg. Verder ging het niet behalve één optreden in Duitsland op 19 september 1964, in het voorprogramma van The German Blue Flames”.
 
129 - 4 Kaagman, Jerney met Rangers (paard)
Jerney Kaagman (Rangers)
 

Jerney verliet de band in 1965, naar eigen zeggen vanwege haar eindexamen. Ze deed nog wel aan zangscholing en volgde een Schoevers-opleiding. In 1969 trad ze toe tot de groep Earth & Fire van de broertjes Gerard en Chris Koerts uit Voorschoten.
   Jerney in 2012: “Op een dag in 1969 attendeerde bassist Hans Ziech zijn andere bandleden op mijn bestaan. Zij waren op zoek naar een andere zangeres. Zo kwam mijn naam op een lijstje terecht samen met die van Bojoura, Liesbeth List en andere dames. Plompverloren stonden ze voor mijn deur. ‘Wij zouden graag eens met je willen praten. Wij zijn van een band’. Ik zei dat ik al jaren niet meer gezongen had. Maar ik werd overgehaald om de eerstvolgende zaterdag te komen repeteren.
   Mijn ouders kwamen op een geven moment thuis en zagen mij met die mannen met dat lange haar in de huiskamer zitten. Mijn vader vond dat lange haar normaliter verschrikkelijk, maar hij deed opeens heel aardig en gezellig. In 1969 was ik 22. In de tijd van The Rangers was het repertoire cover-materiaal. Bij Earth & Fire waren het bijna allemaal eigen liedjes. Op dat moment werd er wekelijks opgetreden in het voorprogramma van The Golden Earrings op vrijdagavond, zaterdagavond, zondagmiddag en zondagavond. Dat hielden we een tijdje vol, wel een half jaar. Daardoor raakte je goed ingespeeld en wist je wat er vocaal en technisch nodig was tijdens het optreden”.
   Cees Troost vroeg zich in het interview met Jerney af waarom ze überhaupt pop-zangeres geworden was. “Van een zekere baan als secretaresse heb je gekozen voor een job in de muziek, onzeker en geheel anders dan je baan in het bedrijfsleven”.
   Jerney: “Mijn ouders waren al niet meer in Nederland en woonden toen in Zwitsersland. Ik woonde op mijzelf en vond het niet zo’n moeilijke keuze. Ik verdiende met de muziek genoeg om mijn baan op te zeggen en ging er zelfs financieel op vooruit.
   Mijn ouders vonden het beroep maar gênant, een beroep aan de onderkant van de samenleving en hielden altijd vol, ‘onze dochter is secretaresse’. Alleen toen wij in Zwitersland optraden en opnamen maakten, kwamen zij een keer naar de studio”.
 
Als zangeres van Earth & Fire werd Jerney Kaagman een vedette. Vanaf ‘Seasons’, voor de groep geschreven door George Kooymans van de Earrings, was het meteen raak. Het regende hits en succesvolle albums als ‘Song of the Marching Children’. Na o.a. Ruby is the one’, ‘’Memories’ en ‘Love of Life’ kwam er een einde aan de bezetting met de gebroeders Koerts. Nieuwe leden werden o.a. bassist Bert Ruiter, drummer Ab Tamboer en toetsenman Ton Scherpenzeel van Kayak. Jerney Kaagman was niet meer de zangeres van de groep Earth & Fire, zij was Earth & Fire geworden.
   Recentelijk vertelde Ton Scherpenzeel me over ‘Weekend’, het nummer waarmee Jerney in haar blauwe pakje de top van de top 40 haalde. ‘Weekend’, aldus Ton, was oorspronkelijk helemaal niet als single a-kant bedoeld, zelfs niet als single. Dat soort nummers worden vaak de grootste hits. Gewoon doen wat je echt leuk vindt, zonder na te denken of het wel commercieel genoeg is. In april 1980 bereikte ‘Weekend’ tevens de nummer één-positie in West-Duitsland.
 
Als je het boek over de Voorburgse popmuziek leest, vraag je je steeds af waarom aan bepaalde groepen aandacht besteed wordt. Jerney Kaagman was in Den Haag geboren, de gebroeders Koerts kwamen uit Voorschoten. Jerney heeft een tijd in Voorburg gewoond. Maar andere bandleden als Ton van der Kleij en Hans Ziech waren wel degelijk echte Voorburgers. Er moest een band met de gemeente zijn, dat was het uitgangspunt voor Troost en Hans Lukkien, Rob Wezepoel en Pieter Zijlstra, de andere redacteuren van het boek.
 
129 - 5 Voorburg popboek
 
 
Manager van Chou-Chou
 
 
Tijdens zijn schooltijd werd Cees Troost ook zelf betrokken bij de Voorburgse popscene. “Op de Delflandse School zong ik ‘Marina’ van Rocco Granata met een aantal meisjes met ukeleles”. Hij was bevriend met John Karelse van de band Chou-Chou met Ton van der Kleij als drummer. Het leek er zelfs even op dat hij zelf in die band zou gaan zingen.
   “Ik hing er als een nieuwsgierig mannetje omheen en zag het met afgunstige ogen aan. Ik kon niks, tenminste niets op het gebied van muziek maken. Dus ik kon niet meedoen”. Toch probeerde John zijn vriend te leren gitaar spelen: “Cees, effe zo met die vinger daar op die snaar en in dat vakje en die andere vingers daar op die en die snaar”. Cees in het boek: “Voordat ik het wist speelde ik de godsganselijke avond E A B7 op een oude gitaar en John probeerde dan solo’s uit zijn voor Chou-Chou aangeschafte zalmkleurige Eko-gitaar te persen”.
   Cees ging nog even door. “Ik schafte mij voor het enorme bedrag van dertig gulden een microfoon met snoer en aan-en-uit-knop aan en suggereerde bij John dat ik wel interesse had om te zingen bij Chou-Chou. Dat werd jammer genoeg niet van tafel geveegd en de band liet mij een keer meedoen tijdens het oefenen. Ik bakte er weinig van. De band zei dat ik niet goed genoeg was. John pikte meteen mijn microfoon in”.
   Ton van der Kleij had een beter idee. De drummer stapte op Cees af: “We hebben even met elkaar gepraat en vinden het een beetje zielig dat je niet mee kan doen als zanger. Maar je kan misschien wel de optredens verzorgen. We dachten daar 5% van de gage voor af te staan, want het hoeft niet voor niets.
   Ik zei meteen ‘Ja’ want dat vond ik wel leuk en was meteen belangrijk. Ik kreeg voorbeelden van contracten voor de band. Op mijn brommertje ging ik alle dancings en sosen af om Chou-Chou aan de man te brengen. Dat lukte wel een beetje en al gauw speelden ‘we’ o.a. bij Van Velzen en andere dansscholen met zelfs een optreden in de Marathon. Ook was er een aanvraag van de Internationale School waarbij ik ineens de onderhandelingen en correspondentie in het Engels moest uitvoeren. Ik leerde nieuwe woorden als ‘stage’, ‘gig’ en ‘wages’”.
   Appie Schoemaker volgde Cees na achttien maanden op als manager van de groep. Cees: “Het was een mooie tijd, geen drugs, een biertje werd er gedronken, maar niet vaak buiten de limiet. We hadden lol en genoten van de Sixties. Er waren vriendinnen, bromfietsen, Clarks en Parka’s, spijkerbroeken met wijde pijpen, feesten, fans en genoeg leuke optredens”.
 
 
Sandy Coast
 
 
Intussen ging Cees door met zijn studie in de techniek. En hij trouwde met Marja de Jager. Dat was een nicht van Jos de Jager. Die werd bassist in de Sandy Coast. In het boek over de Voorburgse popmuziek is interessante informatie te vinden over de vroege jaren van de Voorburgse formatie. Die werd in 1961 opgericht als de Sandy Coast Skiffle Group. Johan van Boven speelde piano, runde de fanclub en was manager. “We oefenden bij Onno Bevoort die thee-kist bas speelde. Zangnummers van Fats Domino en The Everly Brothers stonden op ons repertoire.
   Als we ergens moesten spelen, huurde ik gewoon een bakfiets waarmee de spullen werden vervoerd. In de zaaltjes waar we optraden stond gelukkig altijd een piano zodat ik die niet zelf hoefde mee te sjouwen. Later heeft Jan van Kan, de buurman van Hans Vermeulen (geb. 18 september 1947, ukelele, sologitaar, zang), ons vaak in zijn grote stationcar vervoerd. Jan was [immers] vertegenwoordiger van Pepsi Cola.
   Onze voorbeelden waren de skiffle bands die vooral in Engeland in de jaren vijftig erg populair waren. De muziekstijl was een mengeling van jazz, blues en folk en er werd vaak gebruik gemaakt van zelf-gemaakte instrumenten zoals een theekist met daarop een bezemsteel en daaraan een snaar. We hadden een professionele fanclub met een clubblad. De burgemeester en de bekende Skip Voogd hebben er wel eens een lovend stukje in geschreven. Dat krantje stencilden we zelf en we verzonden het per post. Daarin stonden de avonden die speciaal voor de fans werden georganiseerd. Ik huurde dan de Koepel in Park Vreugd en Rust, Amicitia in Den Haag of de bovenzaal in het Forum filmtheater”.
   Onno, van de theekist-bas, kende Hans Vermeulen al vanaf de lagere school. Al vóór de skifflegroep traden ze samen op. “Alles klonk meteen heel leuk omdat Hans goed kon zingen. Toen hij als 13-jarig jongetje op het podium stond maakte hij al indruk vanwege zijn lef en enthousiasme. Van de muziek die we speelden zit ‘When the saints go marching in’ nog vers in mijn geheugen”.
 
 
129 - 6 Sandy Coast Skiffle Group 1961
Sandy Coast Skiffle Group
(Hans Vermeulen 2de van rechts, Onno Bevoort, midden)
 
 
Het Voorburgse popboek stelt de voortgang van de Sandy Coast in steeds nieuwe hoofdstukjes aan de orde. De Sandy Coast Skiffle Group werd in 1963 omgezet in Sandy Coast Rockers. Dat was voor Jan Vermeulen, de oudere broer van Hans, voorwaarde om tot de groep toe te treden. Hans Vermeulen liet de ukelele voor wat die was, Onno Bevoort verwisselde de theekist voor een drumstel. De rockers speelden veel songs van Elvis Presley. In diezelfde tijd begonnen ook de Beatles steeds populairder te worden en hun hits werden dan ook razendsnel op de setlist gezet. Om in de stijl van The Beatles te blijven, kamden de jongens op weg naar een optreden de haren modieus naar voren en op de thuisreis weer naar achteren.
   Bij een van de wisselingen zoals die vaak in popgroepen plaatsvinden verliet gitarist Charles Kersbergen de rockers. Hij werd vervangen door Jos de Jager, die bas ging spelen. Bij die gelegenheid schakelde Jan Vermeulen over op de slaggitaar. Toen Cees Troost met Marja de Jager, de nicht van Jos, ‘ging’ kwam hij wat dichter te staan bij de groep die het gezicht werd van Voorburg.
   De groep noemde zich vanaf 1965 gewoon Sandy Coast. De omschakeling naar ‘beatgroep’ ging niet helemaal vanzelf liet drummer Onno Bevoort in het boek vastleggen: “De moeder van Jos de Jager belde naar mijn moeder omdat de haren van Jos ineens naar voren moesten worden gekamd. Ze vond dat beslist niet netjes!” Hans Vermeulen en Onno waren inmiddels al volgens de jongste mode gekapt. Onno: “Wij liepen rond met Beatle-haar en het publiek vond het geweldig! De beginperiode werd gekenmerkt door mooie samenzang zoals van The Byrds en The Ivy League”.
 
Er zijn niet zoveel echt-Voorburgse groepen die het landelijk helemaal maakten. De Sandy Coast wel. Onno: “We traden in het begin veel op in buurthuizen en deden mee aan talentenjachten. Bij de talentenjachten werden we vaak tweede. Omdat we altijd veel fans meenamen en de organisatoren dat geestdriftige publiek wel leuk vonden, werden we nooit eerste.
   Toen in 1965 het muziektijdschrift Hitwezen een talentenjacht organiseerde deden we mee op voorwaarde dat we nu eindelijk eens zouden winnen. De hoofdprijs was een platencontract bij Negram. We wonnen zoals beloofd”.
 
Onno vertelde er niet bij dat de jury van de talentenjacht onder leiding stond van de Voorburger Raymond Dobbe. De popjournalist werkte bij Paul Acket en Hitwezen. Hij was de Nederlandse correspondent van Billboard en volgde Skip Voogd op als producer van het programma ‘Tussen 10+ en 20- bij de AVRO). Eind 1965 verongelukte Dobbe met zijn auto.
   Het boek is ook niet zo duidelijk over de plaatsuccessen van de groep. Omdat ik [HK] er zelf nauw bij betrokken was kan ik uit eigen ervaring vertellen dat ‘I see your face again’, de tweede single, stevig opgepakt werd door radio Veronica. De top 40 werd echter net niet gehaald. Mede door ‘I see your face again’, dat uitgroeide tot een klassiek Sandy Coast-nummer, wisten opvolgers als ‘We’ll meet again’, ‘A girl like you’ en ‘And her name is Amy’ wél de top 40 te bereiken. Grote indruk maakten de singles ‘I see your face again’ en ‘Capital Punishment’, uitgebracht op het Relax-label van Iramac.
   In januari 1969 ging ik namens Iramac naar de Midem, de internationale platenbeurs in Cannes aan de Middellandse Zee. Ik wist er Larry Page enthousiast te maken voor de muziek van de Sandy Coast. Page, de producer van hits als ‘Wild Thing’ en ‘With a girl like you’ (Troggs), zag de Voorburgers helemaal zitten en kwam meteen na de Midem over naar Bussum. Zo kwam de groep onder contract te staan bij de Engelse platenmaatschappij Page One, een contract dat slecht uitpakte. Pas nadat er 10.000 gulden betaald werd, kwam de Sandy Coast weer vrij. De eerste nieuwe single, ‘True Love that’s a wonder’, geproduceerd door Freddy Haayen en Jaap Eggermont, bracht de Voorburgers voor het eerste in de top 10. Dat was in 1971. Ook ‘Summer Train’ haalde de top 10, een jaar later. Als er ooit een popgroep het gezicht, het geluid, van Voorburg was, dan was het zonder enige twijfel de Sandy Coast.
 

Hans Vermeulen
 
 
Hans Vermeulen had meer ambities dan alleen maar zingen bij de Sandy Coast. De platen van de groep werden in eerste instantie geproduceerd door Cees de Man. Later nam Hans het heft in handen in de studio. Zijn productie van ‘I see your face again’ pakte niet goed uit, daarom werd de opname in 1968 nog eens overgedaan door Freddy Haayen. En zo kwam Hans voor het eerst in de top 20.
   In die tijd liet ik [HK] hem tevens producties met andere acts maken. Dat was iets wat hij graag wilde. In 1968 stond Hans in de studio met Christy Lane, een Rotterdamse groep onder leiding van John van Katwijk. Met een aantal muzikanten zette hij het project Musicians Union Band op. Robert Jan Stips, Peter Tetteroo, Rinus Gerritsen, Jerney Kaagman, Ray Fenwick, Henk Smitskamp, Elton John-drummer Nigel Olsson, Dianne Marchal, en vele anderen, ze werkten mee aan het dubbelalbum.
   In 1973 scoorde Hans met zijn Sandy Coast-achtige productie van ‘Malaguena’, uitgevoerd door het trio Los Angeles. Die single bereikte de derde plaats in de top 40. Samen met Hans voerde de groep ‘Malaguena’ uit bij gelegenheid van het huwelijk van (Julio) Euson met zijn Joegoslavische bruid Stanka Matic.
   Hans kreeg als producer en liedjesschrijver steeds meer de smaak te pakken. In de jaren zestig oriënteerde hij zich als gitarist sterk op het geluid van de Byrds, een paar jaar later kwam hij helemaal in de ban van de muziek van Stevie Wonder weet ik [HK] uit persoonlijke ervaring. Mede om die reden had de Sandy Coast enigszins voor hem afgedaan.
 
 
129 - 7
Rainbow Train

Ondanks de ruime aandacht die het Voorburgse pop-boek aan de carrière van Hans Vermeulen besteedt is wat er ‘Kan die herrie wat zachter’ staat niet volledig. De hitnoteringen van Dianne Marchal (Hilde Vermeulen), Anita Meyer en Lucifer komen niet of nauwelijk aan de orde. Gelukkig is er wel een pagina ingeruimd voor de Rainbow Train, de groep die ontstond na het uit elkaar vallen van de Sandy Coast.
   In het blad Muziek Expres, september 1976, maakte Lion Keezer een mooie reportage van ‘een avondje stappen met de Rainbow Train’. “Tsjoek tsjoek. Elke dinsdag vertrekt van een klein Voorburgs station een hele bonte trein: de Rainbow Train. Met als conducteur Hans Vermeulen. En als grote attractie Anita Meyer. Dat station is een klein kroegje. Daar laat het puikje van de Haagse popscene zich vollopen. En als iedereen daar zin in heeft, wordt er nog muziek gemaakt ook.
   Bij de deur van de Voorburgse drankgelegenheid De Barbaars verdringen zich meer mensen dan er in kunnen. Binnen bevinden zich de laatste overgeblevenen van de eens zo roemruchte Haagse popscene, broederlijk vermengd met figuren van de langzaam opkomende nieuwe generatie.
   De Barbaars is een vrij klein café, voornamelijk bestaande uit een bar, een flipperkast en enkele ronde tafeltjes. In de spaarzame ruimte die overblijft, staan mikrofoons en versterkers op een hoopje gepropt, als bij de oefenruimte van een beginnend bandje.
   Het wordt steeds voller, en moeilijker om een pilsje te bestellen. Zitten is er helemaal niet meer bij. Onopvallend kruipt ‘Godfather’ Hans Vermeulen onder het donkerrrode gordijn vandaan en bestelt nog een dubbele jonkie-cola. Als hij die te pakken heeft, gaat hij voorzichtig achter een elektrische piano zitten. Voorzichtig ook streelt hij over de toetsen, alsof hij die nog moet stemmen. Dan kruipen één voor één ook de andere Rainbow Train-leden onder het gordijn vandaan. Anita Meyer en Hilde, de vrouw van Hans, beginnen wat te neuriën. Shel Schellekens tikt wat op z’n drumstel en Jan Vermeulen grijpt de basgitaar.
   ‘We weten nog niet wat of we gaan spelen, maar hopelijk komt het ook vanavond weer een beetje voor elkaar. Kan de microfoon wat harder en mag ik nog een jonkie-cola?’ Hans Vermeulen kijkt met een lodderige blik naar de stamgasten die tegen zijn piano staan geleund en zet dan een nummer van Stevie Wonder in. De rest van de club volgt hem trouw en naarmate het nummer vordert, blijkt wel dat ze bepaald niet voor de eerste maal spelen. Duidelijk blijkt nu wel de algehele Stevie Wonder adoratie, die er bij de Rainbow Train heerst. Zoals ook veel Vermeulen-komposities van de laatste tijd Stevie Wonder-invloeden bevatten. ‘Dat komt’, zegt Hans Vermeulen later, ‘omdat ik nog niet zo lang piano speel’.
   Hans zet weer ’n Stevie Wonder nummer in. Hij is de absolute leider, het middelpunt waar alles om draait. Steeds begint hij zonder ook maar één keer overleg met de anderen te plegen. Na ieder nummer blijft de rest van het gezelschap hem afwachtend aankijken, benieuwd wat er nu weer zal komen. Als iemand wat zegt is dat alleen om een nieuw drankje te bestellen.
   Van achter de bar wordt het geluid geregeld via een imposante mengtafel. Af en toe doet er iemand uit het publiek mee. Zo is er een jongen die steeds met een mondharmonica komt opdraven, maar die na verloop van tijd toch moet opkrassen omdat hij te opdringerig wordt. Een bevriende zanger mag enkele nummers ten gehore brengen en dan is het pauze.
  Enkele muzikanten mengen zich tussen het publiek, de rest duikt weer onder het gordijn door. Na bijna drie kwartier herhaalt alles zich nog een keer. Er worden wat nummers door Anita gezongen. ‘The alternative way’, ‘You can do it’ en nog iets van haar elpee. Stralend (als altijd) kijkt ze brutaal het publiek in. Ze heeft een soort glimlach die nooit van haar gezicht lijkt te verdwijnen. Vreemd genoeg valt zij niet erg op in het bonte gezelschap. Toch is zij in feite de ster. Van haar elpee ‘In the meantime I will sing’ werden in zeer korte tijd al zo’n 40.000 exemplaren verkocht. Meer dan ooit blijkt nu dat Anita in feite slechts een goed lopend radertje is in het Rainbow Train-gebeuren. Een werktuig van de Grote Meester...
  Laatste ronde klinkt het dan opeens uit de luidspeakers. De laatste run naar de overwerkte barman zet tegelijk in met het laatste nummer. Dan duiken de artiesten achter het gordijn, de deur zwaait open en het opeens aangestoken felle licht vaagt het laatste restje sfeer weg. De bonte dinsdagavondtrein heeft weer even door de Kerkstraat van Voorburg gedenderd. Buiten, waar de lucht niet meer naar verschaald bier en sigarettenrook smaakt, licht een hond zijn poot op”.
  Was dat niet de popmuziek van Voorburg ten voeten uit? Veel meer dan ‘The Eyes of Jenny’ die Pim Koopman samen met Hans in veel studio-uren wist te vervaardigen en onder de naam Sandy Coast nog een 11de plaats in de top 40 bereikte.
 
***
 
 
Cees Troost
 
Cees Troost heeft de roemruchte jaren van de Voorburgse popscene nauwelijks kunnen meemaken. Ook niet een volgende periode waarin Bas Muijs eerst scoorde met de groep Smyle en later als anonieme zanger van ‘Stars on 45’, een productie van Jaap Eggermont, de top van de internationale hitlijsten wist te bereiken. Waarin Hans Vandenburg (uit de Van Alphenstraat) en Eric Wehrmeijer wisten te scoren met de band Gruppo Sportivo.
  Cees Troost, de techneut, was er niet bij in die jaren. Hij werkte in de olie-industrie en zat jarenlang in het midden-oosten. In 1989 was hij opnieuw van de partij bij een optreden op Koninginnedag van Hans Vermeulen. Cees maakte er een sfeervolle video-opname van die gelukkig bewaard is gebleven. In 1991 begon hij in Nederland een technisch specialisten detacheringsorganisatie BURDOCK. Na een aantal jaren had Cees de supervisie over niet minder dan vierhonderd specialisten. Maar op den duur was dat niet bevredigend meer. De Voorburgse popmuziek, lijkt het, werd zijn uitlaatklep.
  Met zijn bedrijf, C.A. Troost Beheer, organiseerde en financierde Cees allerlei activiteiten. Zo kwam er op 4 november 2006 een succesvol Leidschendam-Voorburgsfestival in het racketcentrum Westvliet, waar meer dan dertig lokale bands optraden, een tentoonstelling over de Voorburgse popmuziek in 2010 en nu is hij deelgenoot in het produceren van het boek. Cees zet zich tevens in voor de carrière van Hans Vermeulen, meestal woonachtig in Thailand. Samen waren we het er op 3 december over eens dat er nu ook een boek over Hans Vermeulen en The Sandy Coast moet komen...
 
Harry Knipschild
10 december 2012
 
Clips
 
Literatuur
‘The Sandy Coast’, Nieuwsblad voor Gorinchem en omstreken, 2 september 1966
Johan van Boven, ‘The Limits hebben kostbaar bezit’, Voorburgse Courant, 17 februari 1967
‘Sandy Coast naar Duys’, Teenbeat, oktober 1967
Maarten Leegwater, ‘Het succes kwam Earth and Fire eigenlijk aanwaaien’, Dagblad Kennemerland, 29 augustus 1970
‘Sandy Coast, nu supergroep met hit’, Telegraaf, 18 september 1971
Hans de Ruyter, ‘Earth & Fire’, Muziek Parade, oktober 1971
Lion Keezer, ‘Een avondje stappen met de Rainbow Train’, Muziek Expres, september 1976
Roberto Palombit, ‘Earth & Fire, Andromeda Girl, Vertigo’, Oor, 23 september 1981
Dick Slootweg, De B-kant van de Beat, Den Haag 1989
Fred Hermsen, Dick Hermsen, Earth and Fire. De biografie 1969-1983, Delft 2006
Hans Lukkien, Cees Troost, Rob Wezepoel, Peter Zijlstra, Kan die *** herrie wat zachter!? De Voorburgse popscene in de jaren 60-70, Voorburg 2012