Zoeken

 

Op 15, 16 en 17 augustus 1969 vond het Woodstock Festival plaats. Honderdduizenden ‘hippies’ luisterden er naar de muziek van artiesten als Joe Cocker, Joan Baez, Sha Na Na, Tim Hardin, Santana, Jimi Hendrix, Ten Years After, Richie Havens, de Who en vele, vele anderen. In Nederland was nauwelijks iemand op de hoogte van wat zich afspeelde op het terrein van Max Yasgur in de staat New York. Dat veranderde pas in het voorjaar van 1970. De film ‘Woodstock’ bracht de ‘Woodstock-generatie’ tot stand.

   Een van de hoogtepunten in de film was het optreden van Country Joe McDonald. Joe wist het publiek voor zich te winnen met de ‘I feel like I’m fixing to die rag’, een hilarische protestsong over het Amerikaanse militaire optreden in Vietnam. “Come on generals, let’s move fast. Your big chance has come at last. Now you can go out and get those reds. ’Cause the only good commie is the one that’s dead. And you know that peace can only be won, when we’ve blown ’em to kingdom come”, zong hij cynisch. Heel wat jonge Amerikaanse soldaten zouden nog door de communisten gedood worden. “Whoopee, we’re all gonna die”, eindigde het refrein dan ook. Dankzij de film was McDonald ineens een internationaal bekende artiest geworden.

 

***

 

Succesvolle communistische opvoeding

 

 

87 Stalin
De eerste Country Joe
 
 

Op zijn website heeft Country Joe McDonald (geb. 1 januari 1942, Washington) twee biografieën geplaatst. De een is een artikel van de hand van de Amerikaanse popjournalist Joel Selvin. Meer is te vinden in het verhaal dat geschreven is door Bill Belmont, vriend en roadmanager van de artiest. Je mag aannemen dat Joe de inhoud van die biografie kent en het er in grote trekken mee eens is. Daarom gebruik ik die als leidraad.

   Joe was de roepnaam voor Joseph McDonald, de zoon van een ‘calvinist’ en zijn moeder was joods-Russisch. Joe kwam uit een rood nest. Hij was vernoemd naar niemand anders dan Joseph Stalin. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Sovjet-leider bij aanhangers in Amerika ‘Country Joe’ genoemd. Die naam nam Joe over toen hij als artiest begon op te treden. Hij verzette zich dus allerminst tegen de politieke ideeën die hem in zijn jonge jaren ongetwijfeld bijgebracht zijn. Die opstelling kwam naar buiten toen hij een eigen rock-groep oprichtte.

   In eerste instantie heette die Mao & The Fish. Mao was de familienaam van Mao Zedong, de voorman van de Chinese communisten die in 1949 aan de macht kwamen. Mao sprak over ‘the fish who swim in the sea of the people’. Zo kwam de naam van zijn groep tot stand.

 

Als je op de biografie afgaat wees niets er aanvankelijk op wat hij later zou gaan doen. Ouderwetse dixieland-muziek was waar hij met plezier naar luisterde. Joe speelde trombone in het schoolorkest. Met zijn medeleerlingen liet hij marsmuziek horen. Bovendien meldde hij zich, zeventien jaar jong, al aan bij de Amerikaanse marine. Over het waarom geeft de website geen informatie. Wel dat hij eervol afzwaaide.

   Na zijn diensttijd vestigde Joe zich in de studentenstad Berkeley, bij San Francisco op de West Coast. Het was de bedoeling dat hij er zou gaan studeren. In plaats daarvan manifesteerde Joe zich als zanger en politiek activist. Vier jaar voor zijn Woodstock-optreden nam hij ‘Feel like I’m fixing to die’ al op voor een EP’tje dat in eigen beheer werd uitgebracht. Daarop dreef hij de spot met president Johnson.

 

In een interview met Greg Shaw van het blad Mojo Navigator bracht Joe zijn ideeën op 22 november 1966 naar voren. “Hippies”, stelde hij, “maakten van rock-muzikanten de goeroes van hun generatie”. Joe was ook een aanhanger van het gelijkheidsbeginsel. Om die reden gaf hij af op Bob Dylan. Die was goed begonnen, dat wel. “Hij probeerde over te brengen wat hippies belangrijk vonden”. Maar door The Band als begeleiders te gebruiken was Dylan op het verkeerde pad geraakt. “In Country Joe & The Fish is iedereen partner. Niet alleen in de muziek, niet alleen de gitarist, ook de bassist, de drummer enzovoort”.

   Ook het communisme stelden de leden van The Fish in Mojo Navigator aan de orde. Ze hadden allemaal het boek ‘Rhythm, Riots & Revolution’ van Bill James Hargis (1966) gelezen. Hargis signaleerde een communistisch masterplan in de muziek. Juist in die dagen werden de Beatles in conservatief Amerika verguisd vanwege de uitspraak van John Lennon, dat zij populairder dan God waren. Het thema was dus actueel. Binnen de groep werd volop gediscussieerd over Ravi Shankar. Was dat een communist, een socialist, een revisionist of gewoon een sitar-speler? Ze kwamen er niet uit. Volgens Joe moesten artiesten op de bühne veel meer zichzelf zijn, hun ware emotie tonen. Acteren was uit den boze. Dat zou Joe nooit gebeuren leek de strekking. Politiek en rockmuziek gingen hand in hand.

 

 

De doorbraak van Country Joe & the Fish

 

 

Aan het einde van 1966 kwam Country Joe McDonald & The Fish onder contract bij Vanguard Records in New York. De albums van de groep verkochten in behoorlijke aantallen. De eerste langspeelplaat werd opgenomen in de Sierra Sound studio in Berkeley. De groep kon zonder censuur van de platenmaatschappij zijn ideeën vastleggen. Die hield immers kantoor in het verre New York. De ‘Fish’ maakte van de gelegenheid gebruik om een nieuwe versie van ‘Feel like I’m fixing to die’ op de band te zetten. Toen Maynard Solomon, eigenaar van Vanguard, de mastertape beluisterde schrok hij van de tekst van de song. Als de groep zo graag wilde dat de radio aandacht aan het album zou besteden konden ze dat maar beter weglaten. De langspeelplaat verscheen derhalve zonder de song die de groep tijdens optredens met succes ten gehore bracht. De Vanguard LP ‘Country Joe & the Fish’ stond niet minder dan 38 weken in de album-hitlijst van van Billboard, met 39 als hoogste positie. Een behoorlijk succes dus. ‘Feel like I’m fixing to die’ werd toch de titelsong van een nieuw album. Dat verscheen op 23 december 1967 voor het eerst in de LP-hitparade en bereikte de 67ste positie.

 

Country Joe & The Fish was in de loop van 1967 een populaire West Coast-groep geworden. Ze traden op tijdens het Monterey Festival in de ‘summer of love’. De film van dat festival (met behalve de Fish o.a. Scott McKenzie, Big Brother & the Holding Company, Jimi Hendrix en Otis Redding) zorgde voor de verspreiding van hun muziek en ideeën. 1968 was dan ook een goed jaar voor de groep. In Rolling Stone van 14 september 1968 was te lezen dat Country Joe & The Fish het hoogtepunt vormde van de eerste dag van het Newport Pop Festival. “Het was laat geworden. De autoriteiten dreigden de stroomvoorziening af te sluiten. The Fish mocht nog twee nummers spelen. Toen ze begonnen met ‘What are we fighting for’ kwam het jeugdige publiek (40.000 bezoekers) als één man overeind. Iedereen maakte het vredesteken”.   Hun optreden in Fillmore East (New York), begin december 1968, was een ware happening, meldde Mike Jahn in de New York Times. “De mensen liepen naakt rond en beschilderden elkaar. Een acteur, verkleed als politieman, voerde op het podium een striptease act uit. The Fish bracht behalve muziek tevens politieke en sociale satires”. Ook in Europa werd opgetreden in het najaar van 1968. Joe had bovendien een gastrol in de film ‘Revolution’.

   Het vierde album van de groep, ‘Here we go again’ bevestigde de status van de groep. Jack Cassidy van de Jefferson Airplane en David Getz en Peter Albin van Big Brother & the Holding Company traden als gastmuzikanten op. Op 21 juni 1969 verscheen ‘Here we go again’ in de Amerikaanse hitlijsten.

 

 

87 Woodstock poster
Poster zonder Country Joe McDonald & The Fish
 
 

Woodstock

 

 

Op het allerlaatste moment werd Country Joe & The Fish toegevoegd aan het arsenaal aan artiesten dat op het Woodstock Festival zou optreden. De ‘booking’ was zo laat dat de groep de posters niet haalde. The Fish was gecontracteerd voor de zondag, de derde en laatste dag. Maar op vrijdag verscheen Joe al vroeg ten tonele. Hij liep al over het terrein toen het nog rustig was. Dat zou snel veranderen. In de loop van die vrijdag reisden meer dan een half miljoen mensen naar het festival-terrein. Alle wegen waren compleet verstopt. Dat gold niet alleen voor de bezoekers maar ook voor de rockgroepen. Er waren onvoldoende artiesten om voor het binnenstromende publiek op te treden.

   Joe McDonald, later: “Ik was er om de show te bekijken. Ik arriveerde heel vroeg. Voor mij waren er geen verkeersproblemen. Ik beklom het podium en keek naar het optreden van Richie Havens. Dat was genieten. Onverwacht werd ik benaderd. Ze vroegen me of ik mijn solo-carrière wilde beginnen. Ik begreep niet waar ze het over hadden. Het optreden van The Fish stond voor zondag op het programma”.

   Joe werd onder druk gezet om in z’n eentje op te treden. Hij zag er opvallend uit in een legercostuum. Dat was toch mooi voor het publiek. “Zijn jullie helemaal gek”, was de reactie van Joe. “Ik heb niet eens een gitaar bij me”. De organisatie sloofde zich uit om hem wat liedjes te laten zingen. Joe kreeg een goed-gestemde FG-150 akoestische Yamaha in zijn handen gedrukt. Dat was niet genoeg. Zonder capo (gitaarklem) kon hij niet optreden, gaf hij als reactie. Iemand van de crew riep: “Die heb ik wel”. Joe bleef zeuren. Er zat geen riem aan de gitaar. Ze pakten een wit koord en maakten het vast aan het muziekinstrument. Daarna duwden ze hem het toneel op. “Ik kon geen excuses meer bedenken”, zei Joe. “Ik zei okay omdat er niemand anders was om op te treden. Vroeger had ik als folksinger op de bühne gestaan. Dus het was niet zo moeilijk op die akoestische gitaar te spelen en erbij te zingen”.

 

Joe moest improviseren. Hij zong, lijkt het, wat hem op dat moment te binnen schoot. Joe begon met zich te verontschuldigen tegenover het publiek. Zenuwachtig verkondigde hij: “Hello people. You look beautiful. Are you having a good time? I didn’t know I was gonna do this”. Vervolgens begon hij met de song ‘Janis’ (opgedragen aan Janis Joplin). Joe zong liedjes als ‘Heartaches by the number’ (Guy Mitchell), ‘Ring of Fire’ (Johnny Cash) en ‘Tennessee Stud’ (idem). “Niemand besteedde aandacht aan wat ik deed. Ze waren aan het praten, het was als een picknick”. Joe begreep dat hij iets moest doen om niet helemaal af te gaan. Tijdens optredens van The Fish was het altijd de gewoonte geweest om het publiek de yell ‘F-I-S-H’ te laten meedoen. Later werd die veranderd in ‘F-U-C-K’. Dat idee had hij overgehouden aan zijn jonge jaren, toen hij met de schoolband de cheerleaders moest oppeppen.

   “Ik wist niet of ik de fuck-cheer wel alleen kon doen. Bill Belmont was bij me. Waarom niet? was het antwoord. Niemand luistert naar je. Ga ervoor. Die opmerking pepte me op. Ik dacht, Bill heeft gelijk. Waar maak ik me druk om. Waarom niet wat plezier gemaakt? Ik liep naar de microfoon en begon de fuck-cheer. Iedereen stopte met praten. Voor het eerst keken al die mensen me aan. Daar stond ik dan in m’n eentje. Tijdens Woodstock was ik de enige militaire veteraan die op de bühne stond te zingen. Niemand anders had bovendien zulke uitgesproken politieke ideeën. De fuck-cheer was trouwens niet tegen maar juist vóór de soldaten”.

   In de film ‘Woodstock’ is goed te zien met hoeveel response Country Joe McDonald te maken kreeg toen hij vervolgens ‘I feel like I’m fixing to die’ vertolkte. Toen hij zijn gehoor nog eens extra aanmoedigde met hem mee te doen kwamen honderdduizenden toeschouwers overeind. Ze klapten mee, ze zongen mee. Dankzij de film werd hij wereldberoemd.

 

Zijn optreden had nog andere consequenties. In Worchester, Massachusetts, werd Joe op het toneel gearresteerd en wegens ‘obsceniteit’ afgevoerd. Er volgden allerlei rechtszaken, tot in het Hooggerechtshof toe. Aan de orde kwam of het optreden als een expressie van vrije meningsuiting gezien kon worden. Vanwege het woord ‘f-u-c-k’ mocht de opname van Woodstock in Amerika niet op de radio gedraaid worden.

   Country Joe, later: “Ik werd meteen een legende. Van tevoren was ik bekend. Maar ineens was het ‘boem’. Mijn optreden in de film maakte van mij iemand waar je bang voor moest zijn, of iemand om van te houden. De soldaten in Vietnam leerden de song. Het was pure politiek. Mijn loopbaan werd erdoor bepaald. Het speelde een belangrijke rol in de politiek en in de cultuur van Amerika, van mijn generatie en van de Vietnam-oorlog. Dat is geweldig. Ik werd belangrijk. De mensen die ik wilde bereiken hielden van me, ‘the counterculture, the socially aware rock ’n’ roll, Aquarian Age audience’”.
 
 

87a McDonald Country Joe Woodstock

 

 

Pim Oets en Country Joe McDonald

 

 

Na zijn optreden op Woodstock ging Joe daadwerkelijk op de solo-tour. Z’n groep had hij niet meer nodig. In Europa was hij meer dan welkom. De Nederlandse popjournalist Pim Oets stelde hem in Londen enkele vragen, die hij publiceerde in zijn boek ‘Popsmuk’ (1972). Maar voor hij dat deed gaf Oets een kleine beschrijving: “Eén van de weinige popmusici die permanent z’n vak ondergeschikt heeft gemaakt aan z’n filosofieën op sociaal terrein, die daarbij niet naar z’n omzetcijfers heeft zitten kijken en dus als integer beschouwd kan worden, is Country Joe McDonald, ex-student uit Berkeley. Rond 1965 begon hij na het zien van Bob Dylan protestsongs te schrijven. Het aardige van zijn groep was het hoge peil van de satire, vanaf ‘Superbird’ (op de inmiddels gepensioneerde massamoordenaar Lyndon B. Johnson) tot ‘Rock and roll music’ (op het soul-idioom à la James Brown). Z’n laatste elpee behelst z’n tegenwoordige podium-repertoire, van bijtend kommentaar als ‘Tricky Dicky’, ‘Kiss my ass’ [tegen de dienstplicht] en het wrange ‘Entertainment is my business’. Indertijd mocht hij van z’n platenbedrijf niet f-u-c-k roepen maar f-i-s-h”.

 

Oets: “Country Joe heeft tegenwoordig kort haar, nog steeds mooie groene ogen en een open, sympathiek gezicht. Ik vroeg hem, wat is de bedoeling van de song ‘Tricky Dicky’?

   ‘Die heb ik geschreven om met Richard Nixon een loopje te nemen. Om mensen ertoe te krijgen dat ze hem niet mogen en niet op hem stemmen [bij de verkiezingen van 1972]. Ik mag hem in elk geval niet. Ik geloof dat hij een verschrikkelijke man is. Ik heb met de song zoveel kunnen uitdrukken als ik zelf graag wilde. Hij bereikt misschien mensen die niet zo radikaal zijn als ik. In de tekst is hij alleen maar een dwaas persoon. Maar ik geloof dat hij erger is. Ik vind hem een venijnige fascist’”.

   Oets: “Op wie ga je stemmen:

   ‘Ik denk dat ik op McGovern zal stemmen als hij de nominatie krijgt. Maar ik verdenk hem ervan dat hij gemakkelijk een nieuwe Lyndon Johnson kan worden. Tenslotte werd Johnson óók door de liberal community gekozen op basis van z’n belofte dat hij de oorlog in Vietnam zou beëindigen. 1972 zou wel es het jaar van het grote bedrog kunnen worden. Dit jaar vertrouw ik niemand erg’”.
 
 87 Oets
Pim C.H. Oets
 

Op de vraag of hij succes wilde hebben, antwoordde Joe:

   “Ja, af en toe zou ik wel een commercieel sukses willen zijn. Maar ik en leven in een commerciële wereld is tegenstrijdig. Voor mij is ’t onmogelijk om in een commerciële wereld te leven want ik ben werkelijk niet geïnteresseerd in doen wat je hebt te doen. Ik zou natuurlijk wel eens graag een plaat willen hebben die goed verkocht wordt, want dat betekent een hoop geld, maar ik zou niet kunnen doen wat nodig is om te bestaan in een dergelijke omgeving. Daarin ben ik niet geïnteresseerd. Waar ik in geïnteresseerd ben is propaganda maken voor het Amerikaanse communisme en de sociale revolutie’”.

   Oets informeerde tevens naar de toekomstplannen van Joe:

   “Ik heb net de soundtrack gemaakt voor een film van Saul Landau die in het film-festival van Cannes is geweest, die gaat over de revolutie in Chili”.

 

 

Doorgaan met actie

 

 

In de biografie op de websie van Joe is duidelijk dat het protesteren nog lang niet afgelopen was. Hij was naar Chili gegaan uit solidariteit met het marxistische regime van Salvator Allende. In de door Joe genoemde film werd aan de kaak gesteld hoe niet-linkse krachten de uitslag van de verkiezing probeerden te verhinderen.

   Joe was bovendien van de partij bij demonstraties tegen de oorlog in Vietnam. Op 23 april 1971 bracht hij zijn repertoire tijdens een open lucht-demonstratie in San Francisco. De volgende dag al trad hij op de trappen van het Capitool in zijn geboortestad Washington op. Maar liefst 250.000 mensen zongen ‘I feel like I’m fixing to die’ met hem mee. Op zijn manier voerde Joe actie samen met Jane Fonda en Donald Sutherland. Vooral in de omgeving van legerplaatsen en militaire installaties lieten ze van zich horen. Volgens auteur Belmont werd Joe beloond met een plaats op de lijst van vijanden van president Nixon.

   Als er voor een of ander goed doel iets gedaan moest worden kon je altijd wel bij Joe terecht, lijkt het. Zo nam hij ook vrouwen in zijn groep op. Het feminisme moest toch gesteund worden. Vrouwen waren toch niet anders als muzikanten dan mannen.

 

1974, aldus de biografie, bracht Country Joe McDonald voornamelijk in Europa door. Veel van zijn vrienden uit Berkeley woonden intussen in Parijs. Het klimaat voor artiesten was in Europa meer ‘liberal’ (links). Toen hij terugkeerde naar zijn land, na het aftreden van Nixon wegens de Watergate affaire (8 augustus 1974), bleek hij bij de Amerikaanse autoriteiten nog steeds niet welkom te zijn. Vanwege zijn songs, fish-cheer en politieke standpunten werd Joe niet toegelaten tot de meeste overheidsgebouwen.

   Na het beëindigen van de oorlog in Vietnam bedacht de zanger nieuwe politieke doelstellingen, is te lezen. Wat te denken van de energie-crisis? Joe tekende een contract bij Fantasy Records in Berkeley. Dat was de platenmaatschappij die eerder met Creedence Clearwater Revival gescoord had. Voor Joe was van belang dat hij met de fiets naar de studio kon rijden en niet van een vliegtuig gebruik hoefde te maken. Het nieuwe album heette ‘Paradise with an ocean view’. Een van de tracks op het album was ‘Save the whales’, red de walvissen. Met die song haakte hij bewust in op de protesten van Greenpeace. Met het lied ‘Oh Jamaica’ vestigde hij de aandacht op de ‘verschrikkelijke omstandigheden’ waaronder de bewoners van het vakantie-eiland moesten leven. In de jaren 1975-1979 werd Country Joe McDonald zich meer dan ooit bewust van de milieu-problemen op aarde. Organisaties die het welzijn van dieren behartigden konden altijd een beroep op hem doen. Bij benefiet-concerten waar ook ter wereld trad hij op.

 

Terwijl Joe bleef strijden voor vrouwelijke popmuziek en milieuorganisaties begon hij zich in de jaren tachtig opnieuw in te zetten voor de soldaten in Vietnam. De veteranen kregen immers niet de behandeling die ze verdienden. ‘Vietnam Veterans Against The War’, ‘Swords to Plowshares’ en ‘Vietnam Veterans of America’ waren organisaties waar hij zich sterk voor maakte. Samen met zijn vrouw Kathy en bassist Peter Walsh trok hij in een Volkswagen-busje door het land. Waar Vietnam-veteranen samen kwamen luisterde Country Joe hun activiteiten met zijn songs op. Hij ontbrak dan ook niet tijdens een bijeenkomst op de Mall in Washington.

 

87 McDonald County Joe, Thank The Nurse
Florence Nightingale en Vietnam
 

Aan doelen geen gebrek, lijkt het wel. Aan het eind van de jaren tachtig zette Joe zich in voor de belangen van de verpleegsters in het leger. Voor de tv-documentaire ‘Secret agent’ schreef hij de song ‘The girl next door’. Op die manier bleef Vietnam op zijn agenda staan. Van het een kwam het ander. Country Joe begon zich te interesseren voor de figuur van Florence Nightingale, ‘the lady with the lamp’. Die had tijdens de Krim-oorlog (1853-1856) de Britse soldaten bijgestaan. Volgens de biografie van Bill Belmont is Joe intussen een gerespecteerde geleerde op dit terrein en een kenner van alles wat met Florence Nightingale te maken heeft. Hij maakte reizen naar de plekken in Oost-Europa en Engeland waar de vrouwelijke pionier actief was.

 

In muzikaal opzicht heeft Country Joe McDonald zich de laatste jaren vooral bezig gehouden met de muziek van Woody Guthrie (1912-1967). De ideeën van Guthrie, onder andere vertolkt in het lied ‘This land is your land’ (1940) hebben vaak een zelfde strekking als die van Country Joe. Bob Dylan liet zich sterk door Woody Guthrie beïnvloeden. Tijdens het interview met Joe in 1966 verkondigde deze hoezeer hij op zijn beurt inhaakte op de ideeën van Dylan.

 

 

Protest, geen oplossingen
 
 
87 McDonald & Belmont
Bill Belmont en Country Joe
 

In de biografie van Joe zit de clou aan het einde. Coutry Joe, aldus zijn goede vriend, was niet in staat met oplossingen te komen. Dat bleek al in 1968. Abbie Hoffman (1936-1989), een andere politieke activist, probeerde Joe zo ver te krijgen om tijdens de grote conventie van de Democraten in Chicago het woord te nemen ‘to come and lead, to give direction to tell us what to do’. Het antwoord van Joe was duidelijk. Hij was ‘the guy who sang the songs, pointed out the wrongs; not the guy who fixed them’. Country Joe McDonald maakte met zijn songs kenbaar waar hij het niet mee eens was, niet hoe het wel moest. Joe was een echte protestzanger.

   Op Woodstock probeerde Hoffman te laten zien hoe je dat soort zaken beter kon aanpakken. Tijdens het optreden van de Who onderbrak hij de groep om op te komen voor activist John Sinclair. Van dat soort zaken was Pete Townshend niet gediend. Hij pakte zijn gitaar en knalde die in de rug van Hoffman. “Fuck off, fuck off my fucking stage”, waren zijn woorden. Na het volgende nummer herhaalde de gitarist nog eens: “The next person that walks on stage is gonna get fucking killed”. Bij mijn weten is Pete Townshend voor het veelvuldig uiten van het ‘f-woord’ nooit vervolgd. De songs van de Who werden in elk geval niet door de Amerikaanse radio geboycot...

 

Harry Knipschild

26 oktober 2011
 
Clips
 
Literatuur
Greg Shaw, 'Country Joe and the Fish', Mojo Navigator, 22 november 1966
'Newport pop festival drags on in dust and heat. Dead, Country Joe, Crosby, fight for weekend's highlights', Rolling Stone, 14 september 1968
Mike Jahn, 'Country Joe & The Fish, Fillmore East, New York, New York Times, 9 december 1968
Petersma & Bergman, Pophandboek, Amsterdam 1970
Pim Oets, ‘Country Joe McDonald’, in Popsmuk, Amsterdam 1972
Joel Selvin, 'Country Joe McDonald', website Country Joe McDonald, 1994
Bruce Dancis, 'These songs are our song, McDonald's tribute to Woody Guthrie, Miami Herald, 28 maart 2008
Pete Fornatale, Back to the Garden. The Story of Woodstock, New York 2009
Bill Belmont, 'Country Joe McDonald', website Country Joe McDonald, 2011