Zoeken

 

Per 1 januari 1967 trad ik in dienst bij platenmaatschappij Iramac in Bussum. In de eerste weken van het nieuwe jaar maakte ik kennis met tal van artiesten. Eén van hen was een jongeman die nog op school zat. Zijn naam was Thijs van Leer. Op de fiets kwam hij aanrijden. Van hem was een single verschenen op het Relax label. Een succes was het niet.
 

Vierenveertig jaar later, op 17 mei 2011, reisde ik naar Duiven. Thijs haalde me op van het station. We deden samen nog even boodschappen bij Albert Heijn. Thijs, dat wist ik wel, was intussen een bekende Nederlander geworden. Hij werd duidelijk herkend. Met “Ik ken u wel”, “Ik heb u zien optreden” en ‘Ik heb uw platen” werd hij bejegend.
    In de entrée van zijn woning in Lathum hingen zijn gouden en platina platen op merken als CBS, Polydor en het Amerikaanse Sire. De huiskamer werd beheerst door een Bechstein uit 1911. “Dat was het cadeau dat mijn grootouders [Lindeman] kregen bij hun huwelijk. Elke ochtend van vier uur tot half zeven zit ik achter die vleugel en componeer ik. Dat is voor mij de beste tijd”. Vervolgens hebben we enkele uren gepraat over zijn leven, zijn loopbaan en zijn muziek.

 
74 Iramac Cabarettesque
Thijs van Leer bij Iramac,
album samengesteld door en hoesontwerp van Willem Duys
 
 
De familie
 
 

Thijs is telg van een beroemde familie. Toen ik hem ernaar vroeg barstte hij meteen los. Bernard van Leer (1883-1958) was in 1919 de oprichter van een bedrijf dat zich specialiseerde in verpakkingen van allerlei aard. Het succes kwam met de olievaten. “Ik heb mijn oudoom één keer ontmoet, bij de E-55 in Rotterdam. Zijn bedrijf had een monopolie in de wereldmarkt van olievaten en was overal direct inzetbaar. Binnen vierentwintig uur konden ze overal op aarde aan de slag”.

   Frans van Leer, zijn grootvader, runde met Koos Gomperts de behangpapier-fabriek Goudsmit Hoff. Maar tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg de joodse familie het zeer zwaar te verduren. Bijna iedereen werd vergast. Eduard, de zoon van Frans, vocht eerst op de Grebbeberg en wist Zwitserland te bereiken. De jongeman, een autodidact in het fluitspelen, kwam er in een kamp in Lausanne terecht. “Dat deed nauwelijks voor een concentratiekamp onder. Hij moest er zware drainagebuizen tillen. Tijdens een verblijf in Genève hoorde mijn vader prachtige muziek waar hij dichter bij wilde zijn. Er stond een raam open en daar klom hij door. Zo kwam hij in contact met Willy Buard, die later zijn mecenas werd. Zijn spel resulteerde in de Prix d’Excellence. Mijn vader trok door Frankrijk. Samen met Max Weisglas, de vader van de latere Kamer-voorzitter, ging hij te voet de Pyreneeën over en belandde in het Spanje van Franco. Als krijgsgevangene verbleef hij in Llerida en andere gevangenissen. Toch kwam hij in Engeland. Als lid van de Irene Brigade landde hij in Normandië.

   Na de bevrijding werd mijn vader in Amsterdam lid van het Valerius-koor. Dirigent was André Rieu senior. Ook mijn moeder, Mary Lindeman, was lid van dat koor. Door de muziek hebben ze elkaar leren kennen. Evenals mijn twee jaar jongere broer Frank werd ik geboren in de Lairessestraat (114), op 31 maart 1948. Goudsmit Hoff werd in 1953 aan Balatum verkocht. Mijn vader en oom Dick deelden de opbrengst met Koos Gomperts. We kwamen in een mooie woning in Huizen met 1500 vierkante meter grond”.

 

Thijs bezocht de Flevo School in Huizen en het gemeentelijk gymnasium (alfa) in Hilversum. Maar van jongs af aan kreeg hij ook muziekles. Spelenderwijs leerde hij van zijn moeder de betekenis van de toetsen van de piano. De ‘d’ stond voor Daantje. Die zat in zijn huisje (twee zwarte toetsen er omheen). Zijn muzikale talent toonde hij in 1966. “Tijdens een interscholaire competitie in Singer (Laren) won ik in vier categorieën de eerste prijs. Met klassieke muziek (Mozart), jazz (‘Stella by starlight’), toneel (improvisatie) en het Nederlandse lied (‘De wind en de wolken’, een eigen compositie). In de jury zaten Pim Jacobs, Wim Overgaauw, Gerrit den Braber en Rine Geveke (Phonogram), en Willem Duys. De jury droeg mij op handen”.

 

Ik hoor je niet over popmuziek praten, vroeg ik hem. Had je daar geen belangstelling voor?

   De rock & roll in de jaren vijftig was helemaal aan hem voorbij gegaan. “Ik kwam uit de Bach- en Mozart-cultuur. Muziek van de Beatles en de Stones was in het begin alleen goed genoeg om er tijdens feestjes heerlijk op te dansen. Pas met songs als ‘Yesterday’ en ‘The long and winding road’ ontdekte ik hoe geniaal de Beatles waren. Veel meer bewondering had ik voor jazzmusici als Miles Davis en John Coltrane. Daar kon ik nooit tegen concurreren, wist ik. Toen ik een jaar of achttien was ontdekte ik Bob Dylan, Leonard Cohen en Gordon Lightfoot.

   Popmuziek was een soort ‘wasteland’, onbewerkte woeste grond. Ik begon te beseffen dat ik daar wel iets mee zou kunnen. Helemaal weg was ik van ‘MacArthur Park’, van Richard Harris in 1968. Die duurde achteneenhalve minuut, geloof ik. En het werd toch een hit. Eigenlijk was het een song van Jimmy Webb. ‘Music’ van John Miles (1976) was daar maar een flauw afgietsel van.

   Ik viel ook helemaal op Traffic, de groep van Stevie Winwood. Niet alleen omdat Stevie zo goed zong en speelde, maar vooral vanwege zijn teksten, over transcendentale liefde. Traffic inspireerde me om zelf popmuziek te gaan spelen”.      

 

Zover was het echter nog niet. Wel was er belangstelling voor ‘De wind en de wolken’, het Nederlandse lied dat hij in Singer zong. Phonogram trok aan de bel. Maar Thijs ging in zee met Willem Duys van de nieuwe platenmaatschappij Iramac. “Willem nodigde me bij zich thuis uit. Hij bracht me in contact met Rogier van Otterloo. Die woonde op een woonboot in Amsterdam op het IJsbaanpad bij het Olympisch Stadion. We maakten een opname van ‘De wind en de wolken’ en ook ‘Tricot truitje’ met een tekst van Harrie Geelen. Rogier gaf me tevens les in arrangeren. Zo maakte ik een arrangement op ‘Swinging Shepherd Blues’ van Moe Koffman.

   Phonogram bleef aan me trekken. Gerrit den Braber belde me later. Hij had een vertaling gemaakt van ‘Les bicyclettes de Belsize’, de hit van Engelbert Humperdinck. ‘Zo lang de wereld nog draait’. Dat werd mijn tweede single”.

   Thijs van Leer begon zijn platencarrière dus als zanger van het Nederlandse lied.

 
 

Ramses Shaffy

 
 
74 Shaffy Cantate 1968
Shaffy Cantate (1968)
 

Met het diploma gymnasium op zak ging Thijs van Leer in september 1967 kunstgeschiedenis studeren aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, nu UvA. Dat viel niet mee. “Op het gymnasium was ik iets. In Amsterdam was ik niet meer dan een nummer in de collegebanken. Een docent als professor Jafé kon ik helemaal niet verstaan. Ik zag de studenten om me heen druk schrijven. Ik bleef voor een leeg vel papier zitten. Professor Presser (geschiedenis) was een uitzondering. Bij hem haalde ik dan ook een negen. Ik had ook steeds problemen met hospita’s omdat ik muziek speelde op mijn kamer”.  

 

Het zag er naar uit dat er van zijn studie niet veel terecht zou komen. Maar Thijs was druk in de weer in het studententoneel. Op 4 december 1967 kreeg hij een tip. “Je moet nu Ramses Shaffy bellen op zijn geheime nummer. Die werkt aan een nieuw programma en heeft nog mensen nodig”, hoorde hij. Thijs had Ramses een paar maanden eerder met Liesbeth List zien optreden in de kleine zaal van het Concertgebouw en was er zeer van onder de indruk. In Huizen pakte hij meteen de telefoon. Die werd met “Hallo” opgenomen. Dat was Ramses. Van een ‘vacature’ in de groep was geen sprake vertelde deze. “We zijn helemaal compleet”.

   Thijs was in een overmoedige bui. “Ik denk dat ik bij uitstek geschikt ben” liet hij Shaffy telefonisch weten. Dat maakte indruk. “Als je binnen een half uur hier bent mag je komen voorspelen. Daarna ben ik weg. Albert Mol en ik zijn ons aan het schminken als zwarte pieten”.

   Het kwam nu op handelen aan, besefte Thijs. Zijn moeder bevond zich in de tuin. “Zonder ook maar iets te zeggen pakte ik haar auto, een Renault 4. Ik reed met smeltende motor. Alle stoplichten en snelheidsbeperkingen negeerde ik. Precies een half uur later stond ik op de Derde Weteringdwarsstraat. Geentje Gleilewiend stond er op de deur. Ramses deed open. Hij was half als zwarte piet geschminkt en in tutu. Binnen zat Albert Mol in tutu, eveneens half zwart geschminkt. Ook Joop Admiraal, de partner van Ramses, en Maria Schaper waren aanwezig. Ik ging achter de vleugel zitten en zong ‘De wind en de wolken’. Ramses zei: ‘Kom hier in mijn armen. Je zit erbij!’. Hij omarmde me, zwaar geparfumeerd. Ik was in een wereld die ik totaal niet kende. Wat homo’s waren was me totaal onbekend”.

 

Terug in Huizen had Thijs een en ander uit te leggen. In plaats van verder te studeren werd hij van het ene moment op het andere beroepsmuzikant. Vanaf februari 1968 trad Thijs, 19 jaar jong, zes dagen in de week op in Felix Meritis, het gebouw van de Communistische Partij Nederland. “De CPN exploiteerde de benedenverdieping om aan geld te komen. Boven ratelden de persen van ‘De Waarheid’. De zaal was in psychedelische kleuren geschilderd, oranje en blauw. We waren een soort Nederlandse Mamas & Papas, alles was flower power. Het Trio Louis van Dijk zorgde voor de begeleiding. De zaal zat avond aan avond bomvol met mensen. Marjol Flore zat erbij, Sylvia Alberts, Eelco Nobel en natuurlijk Liesbeth List. Ramses had grote successen met liedjes als ‘Sammy’, ‘Shaffy cantate’ en ‘De een wil de ander’. Alle leden van het Shaffy-gezelschap kregen ruimte voor hun eigen repertoire. Ik zong ‘Sylvia’ en ‘De wind en de wolken’”.

   Even onverwacht als het begonnen was, was het ook weer afgelopen. “Ramses merkte dat het succes verminderde. Onverwacht zei hij: we stoppen. Daarna ging waarschijnlijk iedereen stempelen voor een uitkering. Maar ik niet, zo zat ik niet in elkaar”.

 

Focus

 

74 Focus 1970
Focus in 1970 (Jan Akkerman, links)
 

Thijs van Leer had geluk. Theo Stokkink van de KRO-radio maakte in 1969 elke week Sjook. In dat programma traden dichters op en die moesten muzikaal begeleid worden. Thijs werd gevraagd dat te doen. Dat was in zekere zin het begin van het Thijs van Leer Trio. Thijs op piano, Martijn Dresden speelde bas en Hans Cleuver was de drummer. De naam werd door Thijs omgezet in Focus. “Een naam met diverse betekenissen. In het Latijn ‘huis en haard’, maar internationaal ook ‘focussen’, ‘zich richten op’. Bij de KRO hadden we in het begin dus een vaste basis. Maar we gingen bovendien artiesten als Shirley Zwerus en Linda van Dyck muzikaal ter zijde staan. Het repertoire en de apparatuur veranderde. Er kwam een hammond orgel, twee leslies en we speelden muziek van Traffic, ‘MacArthur Park’ en ‘I shall be released’, het nummer van Bob Dylan op het eerste album van de Band.

   Martijn speelde een belangrijke rol in het leggen van contacten. Via Ralph van der Waard van Gulik kwamen we in gesprek met Huub Terheggen uit Breda. Terheggen hield bureau in Brussel. Hij was directeur van achttien bedrijven die allemaal onder de vlag van (radio) Luxemburg opereerden. Zo kwamen we ook in contact met de gitarist Jan Akkerman. Die had eerder in de Hunters en Johnny & his Cellar Rockets gespeeld. Op dat moment trad hij op met de succesvolle groep Brainbox. Focus wist Jan zo ver te krijgen dat hij een keer kwam mee-jammen. Tijdens het spelen in Felix Meritis, op een grote witte Gretsch, ging de deur open en verscheen John B. van Setten, de manager van Brainbox. Die was vol wantrouwen. Zonder enige discussie kreeg Jan te horen: ‘Je ligt eruit’. Dat was het einde van Jan Akkerman bij Brainbox. En zijn begin bij Focus. Hij had immers weinig keus op dat moment, maakte hij ons duidelijk. ‘Je hoort het wel’, zei hij met verwijzing naar de woorden van Van Setten”.

  

74 Terheggen Huub
Huub  Terheggen
 

Wat heeft Huub Terheggen voor jullie gedaan vroeg ik Thijs:

   “Huub was de man van de internationale relaties. Om te beginnen mochten we een album opnemen in Engeland, in Chelsea, de Sound Techniqes studio. We opereerden dus meteen vanuit Engeland. Joe Boyd zat achter de knoppen. In feite kregen we alle vrijheid om te doen wat we wilden doen. Terheggen wordt vermeld als producer (voor Radio Tele Music, RTM). Hij was de man van de stopwatch - lette er vooral op dat we niet te veel studiotijd gebruikten. We noemden het album ‘In and out of focus’. Geen platenmaatschappij had belangstelling voor Focus. Het kostte Huub acht maanden voor Bovema (EMI) bereid was het album in Nederland op de markt te brengen. Ook dat leverde aanvankelijk weinig op. Er gebeurde niet veel.

   Het begin was dus moeilijk. Gelukkig hadden we een meevaller. Eind 1969 werden we gevraagd om, samen met enkele andere musici, de muziek voor de Nederlandse cast van de rockmusical Hair te verzorgen. Zeven maanden lang, in 1970, leverde dat vaste inkomsten op. Elke avond stonden we op de bühne in een tent in Amsterdam. Op het IJsbaanpad, waar ik eerder op de woonboot van Rogier van Otterloo vertoefd had.
 

Onder auspiciën van Paul Acket reisden we ook naar Majorca voor een muziekfestival in de Barbarella Club. Ik geloof dat het de eerste keer was dat Acket in een vliegtuig plaatsnam. Hij was in elk geval doodnerveus. In de jury zaten coryfeeën als de orkestleiders Frank Pourcel en Raymond Lefèvre, en zangeres Julie Felix. Wij speelden het ‘Concerto di Aranjuez’ van Rodrigo. Zeventien minuten lang. Maar de limiet voor het optreden was vijftien minuten. Pourcel en Lefèvre kwamen naar ons toe. Ze waren zeer enthousiast over ons optreden. Tot hun spijt moesten ze echter bekennen dat we de regels overtraden door twee minuten te lang te spelen. Als we dat tijdens de finale opnieuw deden, zouden ze ons helaas moeten diskwalificeren. Terwijl ze ons bij de prijzen juist op het oog hadden. Tijdens de finale was onze uitvoering van het ‘Concerto di Aranjuez’ opnieuw langer dan de toegestane vijftien munten. De organisatie besloot de stroom te af te sluiten. We bleven gewoon doorgaan. Iemand van de band liet het er niet bij zitten en richtte vernielingen aan. Het gevolg was dat we opgepakt werden en met een boevenwagen afgevoerd naar de cel. Tony Hall, een vooraanstaande persoon uit de Engelse muziekbusiness die in Palma was als manager van de groep Arrival, wist ons gelukkig weer vrij te krijgen.

   De volgende dag, op het strand van Majorca, zaten we spontaan muziek te maken. In een jam ontstond het nummer ‘House of the King’, dat op naam van Jan Akkerman staat. Terug in Nederland hebben we het zonder medeweten van Huub Terheggen bij Bovema opgenomen met André Hooning als technicus. In eerste instantie was Huub niet blij met onze actie. Dat veranderde toen Lex Harding en Rob Out van radio Veronica ‘House of the King’ gingen pluggen. Het in 1970 geflopte album verscheen in een tweede versie op de markt, nu met onze eerste hit eraan toegevoegd”.

        
 
Internationale doorbraak van Focus
 
 

74 Focus 2 juni 1973

 
Amerikaanse hitparade (Billboard 2 juni 1973)
 
 
De doorbraak van Focus kwam op een goed moment. Shocking Blue had in 1970 met ‘Venus’ op het label Colossus de bovenste plaats van de Amerikaanse hitlijsten bereikt. De Amerikaanse platenmaatschappij introduceerde de term ‘Dutch invasion’. Na Shocking Blue wisten ook de Tee Set (‘Ma Belle Amie’) en de George Baker (‘Little Green Bag’) tot de hoogste regionen aan de overkant van de Atlantische Oceaan door te dringen. Nederlandse hits scoorden niet alleen in de VS maar ook in Engeland, Duitsland, Japan of waar dan ook. Het blad van radiostation Veronica meldde op 5 november 1971 bijvoorbeeld: “Het gaat goed met de Nederlandse groepen in het buitenland. De Cats zijn deze week binnengekomen in de Duitse hitparade met ‘One Way Wind’. Shocking Blue staat 15 in Japan met ‘Blossom Lady’. Focus staat in de Italiaanse hitparade met ‘House of the king’. Een paar weken geleden werd in het Engelse blad Record Mirror een halve pagina aan Focus gewijd”.

   Huub Terheggen met zijn internationale contacten wist Focus in de meeste landen met succes onder te brengen. In Engeland maakte hij afspraken met Rogert Holt van Polydor, in Amerika met Seymour Stein van Sire Records. Intussen had de groep een nieuw nummer, getiteld ‘Hocus Pocus’. “Ik herinner me nog dat we het nummer opnamen”, vertelde hij onlangs in een interview. “Het was een soort jam. Akkerman, de gitarist, begon dat riff, ontzettend opwindend, een beetje Spaanse riff. Pierre van der Linden begon er spontaan een kleine improvisatie op te doen van twee maten. En toen begon ik zo maar achter mijn orgel te spelen en te jodelen. Voor het eerst van mijn leven. Toen was het nummer d’r. We moesten het een naam geven. Ik dacht: het moet rijmen op Focus. Laten we het maar ‘Hocus Pocus’ noemen. Mensen denken dan dat het ‘magic’ is. Ik denk dat het gewoon leuk is, ‘Hocus Pocus’ van Focus. Het werkte, kennelijk”.

   Zowel ‘House of the King’ als ‘Hocus Pocus’ kwamen dus al improviserend tot stand. Opnieuw trok Veronica de kar. In de zomer van 1971 bereikte de groep voor het eerst de top tien in Nederland. Het duurde nog tot 1973 voor de internationale doorbraak kwam. In januari van dat jaar wist Polydor ‘Hocus Pocus’ in de Engelse top 20 te brengen. Jan Akkerman werd in de jaarlijkse poll van het blad Melody Maker uitgeroepen tot beste gitarist. Dankzij Seymour Stein van Sire Records haalde het nummer in Amerika een negende plaats in Billboard. De single ‘Sylvia’, een lied dat Thijs eerder bij Rames Shaffy gezongen had, werd de grootste hit voor Focus, althans in Engeland. Daar haalde ‘Sylvia’ een vierde plaats in 1973. De albums van Focus werden internationale bestsellers.

 

De internationale activiteiten brachten Thijs in contact met Rolling Stone. Op 24 mei 1973 plaatste het Amerikaanse blad een interview. Veel kennis van wat er op het Europese continent in muzikaal opzicht aan de hand was, had Rolling Stone niet. Redacteur Harold Bronson versleet de leden van de groep voor inwoners van Denemarken. Tot nu toe, schreef hij, bestonden de bijdragen van het continent (Shocking Blue, Tee Set, George Baker) vooral uit hitsingles. “Focus are the first Scandinavian band to have a large selling LP”.

   Het was Bronson opgevallen dat het repertoire van Focus voornamelijk instrumentaal was, ‘despite’s van Leer’s interesting vocal capabilities – demonstrated best on ‘Hocus Pocus’’. Ons Engels is niet zo goed, kreeg hij te horen. We moeten het steeds verbeteren, dat is frustrerend, vertelde Thijs. “In America, we’ve found that they don’t mind our accents, but they seem to in England. On our first LP we did do some songs with lyrics, but upon consideration, we felt that we had more freedom with the instrumental parts. We’re always looking for the greatest expression”.

   Vanzelfsprekend werd Thijs in Los Angeles gevraagd naar commentaar op de Amerikaanse top tien hit.

   “‘Hocus Pocus’ was done as a parody of rock. We did the song because we didn’t have any outright rock songs on the album. There’s yodeling and laughing in it, and even some crowd cheers. We wanted it humorous because of the great lack of humor in rock music. We enjoy the humor in classical and jazz, and try to incorporate that attitude in our music by such things as musically fighting against each other and having contests”.

   Thijs moest wel een bijzonder iemand zijn, iemand die zulke bijzondere muziek maakte. Hij had ongetwijfeld veel naar Emerson, Lake & Palmer, Mahavishnu Orchestra of Yes geluisterd.
   "Some might compare us to Yes and those people, but we don't listen to their records. Whenever we come back from the store, it's always with a jazz or classical album. We've been influenced by everyone from Bach, Schumann and Monteverdi, to [John] Coltrane, [Chick] Corea, [Eric] Dolphy and Miles Davis”. 
 
 

‘Introspection’, de soloplaten

 

 
74 Leer Thijs Introspection
 
 

Mede omdat Thijs van Leer niet met popmuziek opgegroeide was Focus een volstrekt unieke groep. Gitarist Jan Akkerman was een Amsterdamse jongen, de zoon van een handelaar in lompen en metalen. Het verschil in afkomst kon niet zonder gevolgen blijven, bleek ook al in het interview met Rolling Stone. Akkerman zocht steun bij andere muzikanten. Hans Cleuver en Martijn Dresden moesten plaats maken voor bassist Cyriel Havermans en drummer Pierre van der Linden. Dat was niet gemakkelijk gegaan. “I had become very tight with Jan. Jan wanted a new bassist and drummer. He especially longed to play with Pierre, whom he had been performing with since 12, right up to Brainbox. It was extremely difficult for me to make a choice, but I yielded to Jan. I felt very bad about what happened and so did the departing members. They haven’t done anything musically since then”.

 

Zowel Jan Akkerman als Thijs van Leer hadden bovendien hun eigen projecten. Bij Thijs ging dat onder de noemer ‘Introspection’. John Vis (Artone, later CBS) was al enkele jaren in de weer met een eigen artiestenstal en ook een eigen geluid. De ideeën van de platenbaas lagen in het verlengde van de muziek die Willem Duys elke zondagochtend liet horen in het AVRO-radio programma ‘Muziek mozaiek’. Je kunt het je bijna niet meer voorstellen maar op zondagmorgen in de jaren zestig/zeventig gingen de mensen óf naar de kerk óf ze luisterden naar Willem Duys. Als directeur van Iramac zette Duys zijn smaak om in producties van bijvoorbeeld Shirley Zwerus (‘Bach bijvoorbeeld’), Jules de Corte (‘De poort’) en een album van Edwin Rutten. Willem was wél creatief maar had te weinig successen om het bedrijf overeind te houden. Bij John Vis was dat anders. Dankzij de grote catalogus van CBS/Columbia kon Vis zich permitteren er wel eens naast te zitten.

   In het begin van de jaren zeventig deed CBS in grote lijnen waar Iramac in de jaren zestig mee begonnen was. Evenals bij Iramac was Rogier van Otterloo meestal de arrangeur. Vis maakte opnamen met Rogier als orkestleider, maar ook met Louis van Dijk, Toots Thielemans, Chris Hinze, Pim Jacobs, Rita Reys, Gerard Cox, Ann Burton en Thijs van Leer. Ruud Jacobs trad op als producer. Vrijwel elke zondag had Duys een wervend praatje over de plaatproducties van CBS. De artiest die het vooral maakte was Thijs van Leer. “Ik stond eigenlijk onder contract bij het bedrijf van radio Luxemburg, maar Terheggen gedoogde dat ik solo platen maakte bij een andere maatschappij. In eerste instantie namen we vier nummers op. Daar zat geen hit bij. Vervolgens kwam CBS met ‘Pavane’ van Fauré en ‘Rondo’ van Rogier van Otterloo”.
 
Het concept-album 'Introspection' (1972) sloeg in als een bom. Thijs verkocht in Nederland vééél meer albums dan Focus. In het jaaroverzicht van 1972 (van Veronica) bijvoorbeeld was 'Moving Waves' (Focus) op nr 24 en 'Focus 3' op 60 geklasseerd, maar 'Introspection' op 8. Bovendien bleef de verkoop omverminderd doorgaan. 'Introspection' was de absolute bestseller van 1973 en eindigde een jaar later nog eens op nummer 2 (achter 'Jesus Christ Superstar'). In de top 100 van 1975 was 'Introspection' voor het vierde achtereenvolgende jaar opgenomen.
   'Introspection 2' belandde in de top 10 van 1976, 'Introspection 3' in de top 100 van 1977 én 1978.
 
Na een optreden van Thijs van Leer tijdens het Grand Gala du Disque in 1974 werden in één week 80.000 exemplaren van 'Introspection' verkocht. Dat soort aantallen waren zeer uniek voor de Nederlandse muziekmarkt.
   Ook de treinkapingen in de jaren zeventig hadden, althans voor Thijs van Leer, een positieve uitwerking. Steeds moest er weer aangepaste muziek ten gehore gebracht worden. Dan grepen de deejays naar 'Satie' van Reinbert de Leeuw en 'Introspection' van Thijs van Leer. "Alles bij elkaar zijn er ongeveer twee miljoen 'Introspection'-albums in Nederland verkocht".
 
 
74 top 10 1973
Bestsellers van 1973 (Veronica)

 

In 1976 kwam er een (tijdelijk) einde aan de muzikale samenwerking tussen Thijs van Leer en Jan Akkerman in Focus. De twee artiesten waren na een aantal jaren uit elkaar gegroeid. “Ik wilde muziek maken in de stijl van Weather Report. Dat zag Jan, misschien wel terecht, niet zitten. We zagen elkaar steeds minder. Een paar dagen voor een Britse tour kwam Jan noodgedwongen naar een repetitie. Hij leverde commentaar op bassist Bert Ruiter omdat die één verkeerde noot speelde. Ik ontplofte en ontsloeg hem ter plekke. De toernee wilde ik niet afzeggen. In paniek belde ik Ruud Jacobs. Die had de Belgische gitarist Philippe Catherine te logeren. Ik stapte meteen in de auto. Dezelfde dag spraken we af dat hij zou meedoen. ’s Nachts schreef ik de arrangementen noot voor noot voor hem uit. Tijdens het eerste optreden lagen de partituren nog op veertien stoelen voor hem. Maar al snel ging het perfect”.

   Aan Phil Sutcliffe van het Engelse blad Sounds legde Thijs de onverwachte afwezigheid van Jan Akkerman uit: “I agree it’s wrong that our audience was not informed, but the split didn’t occur until two and a half days before we arrived in England. Anyway, we are offering refunds to anyone who wants one because of Jan’s absence. [...] I’m very sad about what happened and still consider Jan to be my best friend. He formed me as a musician. We were together for six years”.

   Thijs keek terug op de albums van de groep: “When Focus began I wanted to create a timeless feeling by adding Gregorian and Medieval atmospheres to electric rock, leaving unarranged space for Jan to really blow. We would never be the same on two nights running, always change or we were dead. The hits were secondary gimmicky singles. I think our best record was our second ‘Moving Waves’. That was honest about our longing for mysticism. It was our most courageous, and our most European. I also like ‘Live At The Rainbow’, a resume of what we had done up to that point.

   Then we began to be influenced by our American tours and that lead to ‘Hamburger Concerto’. Jan wanted to make a happier music, move out of our European minor chords. ‘Mother Focus’ was an attempt to be strong in short pieces, give the information in three minutes instead of 30. But it became mediocre because lack of interest from all of us”.

 

***

 

Een nieuw tijdperk was aangebroken in het leven van Thijs van Leer. Een mooi thema voor een vervolggesprek en een nieuw artikel. Hoe gaat het leven verder na al dat succes? Thijs nodigde me uit om op 20 mei naar een optreden te komen dat hij met Focus gaf in Cultuurpodium De Boerderij, in Zoetermeer. Focus met gitarist Menno Gootjes, bassist Bobby Jacobs en drummer Pierre van der Linden. Het was genieten een avond lang. De muzikanten gaven zich helemaal. Ze speelden nieuw repertoire en gebruikten de thema’s van oude successen als ‘Sylvia’, ‘House of the King’ en ‘Hocus Pocus’ om hedendaagse muziek te maken.

 

Harry Knipschild

24 mei 2011
 
Website Focus: www.focus10.net
 
Clips
Literatuur
Willem Duys, hoestekst album 'Cabarettesque', Relax 30.550, 1967
'Buitenlandse successen voor Focus, The Cats en Shocking Blue', Veronica-blad, 5 november 1971
'Jan Akkerman/Thijs van Leer: een verdeelde muzikale twee-eenheid', Veronica-blad, 26 februari 1972
Tony Stewart, 'Focus: Hardrock, Manchester', New Musical Express, 13 januari 1973
Tony Stewart, 'Jan Akkerman: A poor relation comes good', New Musical Express, 24 februari 1973
Tony Stewart, 'Focus and the American hell', New Musical Express, 12 mei 1973
Harold Bronson, 'Focus: How to make it without playing top 40', Rolling Stone, 24 mei 1973
Tony Stewart, 'Focus: At the Rainbow (Polydor)', New Musical Express, 29 september 1973
Phil Sutcliffe, 'Focus', Sounds, 6 maart 1976
Jaap van Eik, Focus. Wereldsucces, ego's en machtsstrijd, uitgeverij Verbum, 2013