Zoeken

 

Halverwege de jaren vijftig was een interessante periode in het gezin. Mijn vader verdiende een maandsalaris van 625 gulden bij de Staatsmijnen in Geleen. Dankzij de verkoop van ons huis op Cörversplein 12 in Maastricht waren we in staat om voor 28.000 gulden zelf te bouwen in de Waldeck Pyrmontstraat (nummer 2). Weldra kwam er een vele meters hoge televisie-antenne op het dak en apparatuur in de huiskamer. Eén van de nieuwe apparaten was een pick-up. Die kon je op vier verschillende snelheden zetten: 16, 33, 45 en 78 toeren per minuut. De eerste collectie grammofoonplaten bestond uit onder meer ‘The world is waiting for the sunrise’ (Les Paul & Mary Ford, 1951), ‘Fietsen op de heide’ (Ramblers, Marcel Thielemans), ‘Laila’ (Regenpfeifer) en ‘Stardust’ (1957).


‘Stardust’, op 78-toeren, werd op het label London uitgevoerd door Billy Ward & The Dominos. Een (voor mij in die tijd) volkomen onbekende groep. ‘Stardust’ was een van de favoriete melodieën van mijn vader. Het ging hem dan ook meer om het liedje dan de uitvoering. Over de artiesten was niets te weten te komen. Het duurde nog tientallen jaren voor ik begreep dat Billy Ward niet de zanger maar de manager, de eigenaar, van de Dominos was. De Dominos kon je een beetje vergelijken met een voetbalelftal. Ward was de baas. Hij trok artiesten aan alsof het voetballers waren. Zangers in de Dominos waren bijvoorbeeld Clyde McPhatter en Jackie Wilson.

   ‘Stardust’ werd gezongen door Gene Mumford (1925-1985). Die was lid geweest van de Larks. In 1957 verdween Jackie Wilson uit ‘Billy Ward & The Dominos’. Mumford kwam uit de transfermarkt te voorschijn als de nieuwe midvoor. Zijn vertolking van ‘Stardust’, een Hoagy Carmichael song uit 1927, belandde op de vijfde plaats van de Billboard rhythm & blues-hitlijsten in de zomer van 1957.

 

73 Ward Billy  Dominos 1957
 

Rhythm & blues-groepen in de jaren vijftig

 

In de jaren vijftig was het niet ongebruikelijk dat de samenstelling van een rhythm & blues groep grotendeels door de manager/eigenaar bepaald werd. Een bekend voorbeeld is Buck Ram. Deze had, lijkt het, de volledige zeggenschap over de Platters, de zanggroep die met ‘The Great Pretender’ en ‘Only You’ doordrong op de internationale hitlijsten. Een rhythm & blues groep was in zekere zin de opvolger van een orkest. Ook toen kon je als muzikant of zanger(es) worden ingehuurd.

   In het decennium van de opkomst van de popmuziek had je in Amerika enorme aantallen van dat soort ‘acts’. Om er wat te noemen: Penguins, Orioles, Olympics, Clovers, Robins, Drifters, Five Royales, Midnighters, Cadillacs, Chords, Charms, Moonglows, El Dorados. En niet te vergeten: de Coasters.

 

Zoals de Dominos en de Platters een creatie waren van Billy Ward en Buck Ram, werden de Coasters min of meer bedacht door Jerry Leiber (geb. 1933) en Mike Stoller (idem).

   Rond 1950 hielden oudere blanken van nogal zoete amusementsmuziek. Hun kinderen kregen steeds meer een andere smaak. Ze vielen op de klanken van de negers, de zwarte bevolking van Amerika. Ook bij Leiber en Stoller was dat het geval. Mike speelde piano en Jerry werkte buiten schooltijd in een platenwinkel in Los Angeles. Samen gingen ze nummertjes schrijven en ze hadden er nog succes mee ook. Jimmy Witherspoon nam in 1950 hun liedje ‘Real ugly woman’ op, twee jaar later Charles Brown: ‘Hard Times’, K.C. Loving (Little Willie Littlefield): ‘Kansas City’, en Willie Mae ‘Big Mama’ Thornton: ‘Hound Dog’.
 
73 robins18
Robins (1954): v.l.n.r. Bobby Nunn, Roy Richard, Carl Gardner, Ty Terrell, Billy Richard

 

De grote platenmaatschappijen (Columbia, RCA, Decca) hielden zich voornamelijk met amusement bezig. Dat gaf ruimte aan jonge entrepreneurs. Jerry Leiber en Mike Stoller waren ondernemend. Samen met Lester Sill begonnen ze een eigen maatschappijtje dat ze Spark noemden. Succes hadden ze met de Robins. Die hadden eerder op het Savoy-label gescoord met ‘If it’s so baby’ (in 1950). In 1955 kwam er een nieuwe Robins-hit, nu uit de koker van Leiber en Stoller. Het nummer heette ‘Smokey Joe’s Café’ en bereikte een aardige klassering in de R&B-hitlijst van Billboard. In die dagen bestonden de Robins uit Ty Terrell, Bobby Nunn, Grady Chapman, Carl Gardner, Billy Richard en Roy Richard.

   In 1955 besloten Leiber en Stoller te stoppen met Spark en zich aan te sluiten bij Atlantic Records, het label van Ahmet Ertegun. Atlantic Records was niet in Los Angeles maar in New York gevestigd. Dat was een echte platenmaatschappij. Ruth Brown en groepen als de Clovers en Drifters zorgden voor een constante aanwezigheid van Atlantic op de bestsellerlijsten. Maar hadden de Robins wel zin om met hun hele hebben en houden van het zonnige Californië naar New York te verhuizen? Dat was niet bij iedereen het geval. Alleen Carl Gardner en Bobby Nunn deden mee.

   Er zat waarschijnlijk niets anders op dan een nieuwe groep te beginnen. Die noemden ze de Coasters. Omdat hun activiteiten van de ene kust naar de andere verplaatst waren. Behalve de twee meegekomen leden van de Robins bestond de Coasters uit Billy Guy, Leon Hughes en gitarist Adolph Jacobs. Begin 1956 verscheen de eerste single op Atco, een sublabel van Atlantic. ‘Down in Mexico’ haalde de negende plaats in de R&B-lijst van Billboard. Zo ver waren de Robins nog nooit gekomen. Helemaal raak was het in 1957 met het nummer ‘Searchin’’, met Billy Guy op de voorgrond. De Coasters bereikten zo waar de nummer één-positie van de ‘zwarte lijst’.

 
73 Coasters Ahmet-Jerry Lester-Sill
Achter de piano Jerry Leiber (links) en Mike Stoller
Staande v.nl.n.r. Lester Sill, Jerry Wexler, Coasters, Ahmet Ertegun
 

De doorbraak van de Coasters

 

Zoals al eerder gezegd: bij rhythm & blues-groepen veranderde de samenstelling voortdurend. Dat was niet alleen het geval bij Billy Ward & The Dominos, Robins, Platters en Drifters, maar ook bij de Coasters. In 1958 waren er vier zangers: Carl Gardner, Billy Guy en nieuwelingen Cornell Gunter en Will ‘Dub’ Jones. Van de Robins was dus alleen Gardner nog over.

   In het begin van dat jaar waren de Coasters in Europa, en zeker in Nederland, nog onbekend. Amerikaanse rhythm & blues hits hoorde je nu eenmaal niet op de Nederlandse radio. In die situatie kwam verandering door de programmering van de Engelse uitzendingen van radio Luxemburg. Platenmaatschappij Decca kocht zendtijd bij het station. Elke zondagavond om zeven uur draaide diskjockey Jack Jackson fragmenten van de nieuwste platen die door Decca in Engeland in de handel waren gebracht. ‘Searchin’’ had in Engeland in 1957 al één week op de onderste plaats van de top 30 gestaan. In de zomer van 1958, ik kan het me nog herinneren, hoorde ik in het programma van Jack Jackson voor het eerst ‘Yakety Yak’ van de Coasters. Gewoon het begin van de single. Wie de Coasters waren, hoe ze er uit zagen of wat dan ook, daar bestond geen informatie over. Het waren alleen de klanken op de middengolf die in je oren belandden.

   Jack Jackson was voor mij een geweldige dj. In veel van zijn aankondigingen zaten grapjes. En, zonder me de commerciële achtergrond te realiseren, vond ik dat bijna al die platen op het London American label, zoals hij het noemde, heel goed waren. Dat gold ook voor ‘Yakety Yak’ van de Coasters. Halverwege het nummer was er een saxofoonsolo (van King Curtis). Van het weinige zakgeld, een handvol dubbeltjes in de week, begaf ik mij naar een van de platenwinkels die Maastricht rijk was (De Harp, V&D, Woepen, met twee vestigingen) en schafte de single van de Coasters aan voor drie gulden en veertig cent. Van de b-kant, een nieuwe versie van ‘Zing! Went the strings of my heart’, genoot ik evenzeer als van ‘Yakety Yak’ zelf.
 
73 Postercom58
 

Naar de tekst van ‘Yakety Yak’ luisterde ik niet. Die kon ik niet verstaan. Op school (het Henric van Veldeke-college) kreeg ik wel les in het bestuderen van teksten in het Latijn (Ovidius, Cicero, Livius) of Grieks (Homerus). De moderne Engelse taal daarentegen kreeg maar weinig aandacht. Bovendien had de Engelse leraar de pest aan popmuziek. Het ging dus helemaal om de klanken. Dat was ook het geval bij de volgende hits van de Coasters. Want hits waren het, in Amerika en ook in Engeland. ‘Yakety Yak’ haalde de top van de Billboard top 100. ‘Charlie Brown’, ‘Along came Jones’ en ‘Poison Ivy’ bereikten de top tien. Ik schafte ze (op den duur) allemaal aan, evenals minder hoog geklasseerde singles als ‘Run Red Run’, ‘Besame Mucho’ en ‘Little Egypt’. En steeds vond ik dat de b-kanten eveneens prima waren.

   Het kwam niet bij me op om eventueel een album van de Coasters te kopen. Zelfs als dat in Nederland in de handel gebracht werd, zou het veel te kostbaar voor mijn portemonnee geweest zijn. Een vriendje beschikte over veel geld. Die had zo waar twee echte langspeelplaten van Elvis Presley aangeschaft. Zo’n album kostte maar liefst twintig gulden.

 

De plaatjes van de Coasters ‘vond ik gewoon leuk’. Later begreep ik dat er meer achter zat. Jerry Leiber en Mike Stoller maakten als het ware muzikale hoorspelletjes.

   In ‘Yakety Yak’ werd bijvoorbeeld uitgebeeld dat een jongen zijn kamer eindelijk eens moest opruimen. En dat hij zijn vader niet mocht tegenspreken. Anders mocht hij op vrijdag niet gaan stappen.
   Take out the papers and the trash. Or you don’t get no spendin’ cash. If you don’t scrub that kitchen floor. You ain’t gonna rock and roll no more. Yakety yak. Don’t talk back! Just finish cleanin’ up your room. Let’s see that dust fly with that broom. Get all that garbage out of sight. Or you don’t go out Friday night. Yakety yak. Don’t talk back!”.
 

In ‘Charlie Brown’ werd het ondeugende leven op school in muziek omgezet. “Fe-fe, fi-fi, fo-fo, fum. I smell smoke in the auditorium. Charlie Brown, Charlie Brown. He’s a clown, that Charlie Brown. He’s gonna get caught. Just you wait and see. Why’s everybody always pickin’ on me? That’s him on his knees. I know that’s him. Yeah, from 7 come 11. Down in the boys’ gym. Who’s always writing on the wall? Who’s always goofing in the hall? Who’s always throwing spit balls? Guess who (who, me) yeah, you. Who walks in the classroom, cool and slow? Who calls the English teacher, Daddy-O? Charlie Brown”. Op de b-kant het even geslaagde ‘Three Cool Cats’.

   Op één van de andere prachtige b-kanten, ‘That is rock & roll’, was op een typische Coasters-manier uitgewerkt hoe rock & roll nu eigenlijk in elkaar zat. Met gesproken tekst, zang, humor en altijd die saxofoonsolo van King Curtis: “In the beginning, there weren’t nothin’ but rocks. Then somebody invented the wheel. And things just started in to roll! Did you ever hear a tenor sax? Swingin’ like a rusty axe? Honkin’ like a frog. Down in a hollow log?
    Well, baby, that is rock and roll. Did you ever hear a guitar twang, Dingy, dingy, dingy, dang? Ever hear those strings? Doin’ crazy things? Well, baby, that is rock and roll. That ain’t no freight train that you hear. Rollin’ down the railroad tracks. That’s a country boy piano man. Playin’ in between the cracks. You say that music’s for the birds. And you can’t understand the words? Well, honey, if you did. You’d really blow your lid. ’Cause, baby, that is rock and roll. ’Cause, baby, that is rock and roll. (In the mornin’) Baby, that is rock and roll. (In the evenin’) Baby, that is rock and roll”.

   De laatste redelijk grote hit van de Coasters was ‘Little Egypt’ in het voorjaar van 1961. Daarin werd een schaars geklede buikdanseres op de kermis uitgebeeld. Maar haar leven ging verder: “Yeh, let me tell you people Little Egypt doesn’t dance there anymore. She’s too busy mopping and a-takin’ care of shopping at the store. ’Cos we’ve got seven kids and all day long they crawl around the floor”.

   Ook de hit-formule van de Coasters was op een bepaald moment uitgebloeid. Het idee van hoorspelen met popmuziek werd in de jaren zestig voortgezet door Phil Spector. Die maakte zijn ‘kleine symfonieën voor de kids’. Samen met Lester Sill, eerder de partner van Jerry Leiber en Mike Stoller, zette ook hij een eigen platenlabel op. Phil en Lester noemden het Philles (Phil & Lester). Philles Records was in zekere zin de opvolger van Spark.

 

Na de successen

 

Langzamerhand gingen de leden van de Coasters hun eigen weg. Saxofonist King Curtis maakte met succes eigen platen. Met het nummer ‘Soul Twist’ wist hij in 1962 de top 20 te bereiken. Twee jaar later werd ook ‘Soul Serenade’ een hit in de VS. In 1967 deed hij wat de Coasters met ‘That is rock & roll’ gedaan hadden. In ‘Memphis Soul Stew’ legde Curtis muzikaal uit wat soulmuziek nu eigenlijk was. King Curtis werd een veel gevraagde sessiemuzikant. Hij werkte onder meer voor Aretha Franklin. De carrière van de saxofonist kwam ten einde op 13 augustus 1971. Op die dag werd hij door twee drugsverslaafden tijdens een woordenwisseling in zijn hart gestoken en overleed. Dominee Jesse Jackson leidde de uitvaartdienst. Aretha Franklin, Stevie Wonder, Duane Allman, Brook Benton en anderen bewezen hem bij die gelegenheid de laatste eer. King Curtis werd niet ouder dan 37 jaar.  

 

Na enige tijd traden er overal groepen met de naam Coasters op. Soms zat er een van de oude leden in. De muziek stelde meestal niet veel voor. Na een optreden in het Nederlandse Roosendaal bijvoorbeeld schreef Eddy Determeyer in 1980: “De afknapper van de avond werd verzorgd door de Coasters – of wat daarvoor door moest gaan. In rap tempo werden de vijf grootste hits van deze legendarische groep afgewerkt, waarna als toegift andermaal ‘Charlie Brown’ werd afgeraffeld. In de samenzang hoorde je nog niet het begin van close harmony, de ongeveer twintig minuten lange show van deze charlatans was een regelrechte aanfluiting. De Belg die naast me stond vertelde met glanzende ogen, dat hij een video-tape van de originele Coasters uit 1958 bezat – ja, dat is natuurlijk andere koek”.


In 1980 verscheen de naam van de Coasters opnieuw in de Amerikaanse media. Nathaniel ‘Buster’ Wilson, een van de leden van een of andere Coasters-groep, was op de meest gruwelijke manier vermoord door Patrick Cavanaugh, de manager van de ‘Coasters’. En vervolgens in stukken gehakt. Cavanaugh kwam er niet goed van af. Een rechter veroordeelde hem in 1985 tot de doodstraf. Vier jaar later werd het vonnis gewijzigd in levenslang. De manager bleef vastzitten tot zijn dood in 2006.

  Het volgende slachtoffer was Bobby Nunn, die samen met Carl Gardner nog in de Robins gezongen had. Nunn overleed in 1986. Hij werd niet vermoord, maar stierf ‘gewoon’ in Los Angeles aan de gevolgen van een hartverlamming. Nunn, 61 jaar oud, liet zes kinderen achter.

 

73 Coasters Cavanaugh Patrick

  Patrick Cavanaugh
 

Af en toe was er ook nog iets positiefs over de Coasters te melden, met name in 1987. Na de opening van de rock & roll Hall of Fame in Cleveland heeft elk jaar een select aantal artiesten een speciale plaats in het museum/archief gekregen. In 1986, het eerste jaar, waren dat Chuck Berry, James Brown, Ray Charles, Sam Cooke, Fats Domino, Everly Brothers, Buddy Holly, Jerry Lee Lewis, Little Richard en Elvis Presley. Wie zou aan deze indrukwekkende lijst in 1987 toegevoegd worden? De keuze viel op Eddie Cochran, Bo Diddley, Aretha Franklin, Marvin Gaye, Bill Haley, B.B. King, Clyde McPhatter, Ricky Nelson, Roy Orbison, Carl Perkins, Smokey Robinson, Big Joe Turner, Muddy Waters, Jackie Wilson en... de Coasters, te weten: Carl Gardner, Cornell Gunter, Billy Guy en Will ‘Dub’ Jones.

  Pas in volgende jaren kwamen de Beatles, Beach Boys, Bob Dyan en de Stones aan de beurt.
 

De onmiddellijke erkenning voor de belangrijke plaats van de Coasters in de geschiedenis was slechts een onderbreking van alle ellende. In maart 1990 kwam er een einde aan het aardse bestaan van Cornell Gunter. Op 53-jarige leeftijd werd de Coasters-zanger in Las Vegas doodgeschoten. “Gunter was scheduled to perform at the Lady Luck hotel-casino in Las Vegas. The act was billed as Cornell Gunter and His Coasters”, was in het tijdschrift Jet te lezen. Geld voor de uitvaart was er niet. “Bill Cosby and Sammy Davis Jr. have decided to foot the bill for the funeral of Gunter”. Van de humor van de Coasters was nog maar weinig terug te vinden in de berichtgeving.

 

Een graf voor Billy Guy

 

Meer moeite kostte het om Billy Guy (66) een eervolle uitvaart te bezorgen. Op 14 november 2002 meldde Douglas Martin in de New York Times diens overlijden al negen (!) dagen eerder. De dood van een lid van de vroeger zo beroemde groep was geen voorpagina-nieuws meer. Maar toch: “The Coasters were among the first black singing groups to be considered truly a rock ’n’ roll act, not rhythm-and-blues. They are best known for their string of narrative comic songs like ‘Yakety Yak’ and ‘Charlie Brown’, written by Jerry Leiber and Mike Stoller. When the Rock ’n’ Roll Hall of Fame inducted its first members, in 1987, the Coasters were included. The group’s doo-wop-inspired sound was characterized by the low tones of its bass, Bobby Nunn, and Mr. Gardner’s ‘wolf-in-sheep’s-clothing tenor’. But it was Mr. Guy who was the exuberant lead singer on the 1957 song ‘Searchin’”.

   De volgende dag luidde Ed Koch de noodklok. “Coasters’ singer may be buried in pauper’s grave in Las Vegas”, schreef de journalist in de Las Vegas Sun. Billy Guy was in alle eenzaamheid gestorven, zo bleek. Niemand had zich gemeld en geld was er niet. “After seven days we usually apply to Clark County for a Social Services burial, but because he was an entertainer, we have waited a little longer hoping some kind soul would step forward. But regardless of a person’s celebrity, we really want to find family or friends who will give every person a decent farewell”, aldus de directeur van het mortuarium. Volgens de krant was Billy Guy de grootste komiek van de Coasters, ‘keeping the other members of The Coasters amused backstage and on tour bus rides with raunchy jokes and stories’.

   Een medewerker, Cedric Cade, had de twijfelachtige eer gehad het stoffelijk overschot van de voormalige zanger op te halen. “‘On this job you can’t get too emotional’, Cade said, noting he was a fan of The Coasters who early on inspired him to sing in his church choir. ‘But I looked at him and saw a man who had entertained so many people and realized he had his time, and I hoped he had lived his time to the best of his ability. What’s real sad is that no one’s come to claim him’”.

 

Veertien dagen na het overlijden van de zanger verscheen er een nieuw artikel in de Las Vegas Sun. Vanessa Van Klyde, een vriendin, vertelde dat Billy Guy de grappige liedjes van weleer niet meer kon uitstaan. “He came to me one day and said, ‘Honey, I’m just tired of all the ‘Yakety Yak’ and I don’t want to go out there anymore’”. Van alle roem was nog maar weinig over. Het enige dat Guy de laatste periode van zijn leven deed was televisie kijken en af en toe een gokje wagen. Elke drie maanden ontving hij nog 1500 dollar van de verkoop van de oude hitnummers.

   “A simple man, his earthly possessions were few - four bags of clothes, two music awards and a photo album that fit in the palm of his hand. The awards were a trophy commemorating his 1987 induction into the Rock ’n’ Roll Hall of Fame and the 1994 Pioneer Award from the Rhythm and Blues Foundation. The few photos he kept were snapshots of fellow Coasters after the Rock and Roll induction ceremony, a 5-by-7-inch high school photo of his daughter, Lisa, and several shots of his son, Peter”.

 

Intussen was er een actie op gang gekomen voor het bezoldigen van een fatsoenlijke uitvaart en een grafsteen. Er moest tenminste 3.700 dollar op tafel komen. Een zus had zich in Las Vegas gemeld, maar die was niet in staat hulp te bieden. “She said she did not have the financial resources. She is trying to locate other family members, including Guy’s children, but does not know where they are”.

   Jerry Copija, directeur van het mortuarium, was bereid de uitvaartplechtigheid tegen gereduceerde kosten te laten plaatsvinden. Alleen cremeren zou nog goedkoper zijn. Veta Gardener, de echtgenote van de enige nog overgebleven echte Coaster had oldies-radio-stations om hulp gevraagd. Amateurgezelschappen in Las Vegas namen zich voor voorstellingen voor het goede doel te gaan geven. Jerry Leiber en Mike Stoller verklaarden zich via een woordvoerder bereid een bijdrage te leveren, en, zo was op 25 november in de Reno Gazette te lezen, dat deden ze ook. “Coasters baritone is finally getting a funeral”, was de kop van het artikel. De 4.000 dollar, nodig voor de begrafenis, waren opgebracht door ‘people of the entertainment industry’.

 

Er kwam een grafsteen op het Woodlawn-kerkhof in Las Vegas. Met de woorden: “Billy Delmar Guy, June 20 1936, Nov 5 2002. The Coasters. Thanks for the memories. In God’s care”. De steenhouwer had er een paar muzieksymbolen, een bloem en een kruis aan toegevoegd.  

 
73 Coasters Guy Billy graf
 

***

 

De Coasters zijn nog ‘springlevend’. Carl Gardner (geb. 29 april 1928), als enige overgebleven van de Coasters en de Robins, treedt nu op als coach. Veta, zijn vrouw, is de manager van de hedendaagse Coasters. De officiële website van de Coasters meldt dat ‘the true real Coasters’ nu bestaat uit J.W. Lance, Primo Candelara, Eddie Whitfield en Carl Gardner Jr. “Carl Gardner Jr now leads the Coasters!” De Coasters is een familiebedrijf geworden. De familie doet wat Buck Ram en Billy Ward zestig jaar geleden al deden. Draait niet alles om ‘Stardust’?

 

Harry Knipschild

14 mei 2011
 
Clips
 
12 juni 2011
Carl Gardner is overleden.
 
22 augustus 2011
Jerry Leiber is overleden
 
Literatuur
Richard Williams, The sound of Phil Spector. Out of his head, Londen 1972
Stuart Grundy, John Tobler, 'Leiber and Stoller', in The record producers, BBC Books, 1982
Douglas Martin, 'Billy Guy, bariton in the Coasters, dies at 66', New York Times, 14 november 2002
Ed Koch, 'Coasters' singer may be buried in pauper's grave in Las Vegas', Las Vegas Sun, 15 november 2002
Ed Koch, 'Fundraiser to help pay costs of singer's burial', Las Vegas Sun, 19 november 2002
Richard Williams, 'Billy Guy obituary', Guardian Unlimited, 19 november 2002
Jonathan Cohen, 'Billy Guy remains unclaimed', Billboard, 21 november 2002
'Interview with Carl Gardner of the Coasters', Website Gary James, 2004
Marv Goldberg, 'The Dominoes', website Marv Goldberg R&B Notebooks, 2006
Ed Vogel, 'Ex-Coasters manager [Patrick Cavanaugh] dies at Ely State prison', Las Vegas Review Journal, 11 april 2006