Zoeken

 

Als historicus beschouw ik het niet als mijn belangrijkste taak alle nieuwe groepen en artiesten te kennen die op doorbreken staan. Pas in de eerste maanden van 2010 viel mijn oog (en oor) op Justin Bieber. Op YouTube vond ik de clip van het liedje ‘Baby’. Ik maakte er op 21 februari meteen een download van. Vanaf die tijd ben ik zijn loopbaan gaan volgen.

  Op 12 april 2010 schreef Neil McCormick in de Daily Telegraph over de toen zestienjarige artiest uit Canada. “Als je nog niet van Justin Bieber gehoord hebt dan ben je geen meisje van tien tot vijftien jaar oud en heb je er ook geen van die leeftijd in huis. Bieber is het teenybop-idool van het moment, een knappe jongen met bruine ogen, glanzende tanden en een zoete stem. Hij begon in 2006, 12 jaar oud, door amateur-filmpjes van zichzelf op YouTube te zetten. Je zag hem liedjes zingen van R&B-helden als Usher, Chris Brown, Justin Timberlake en Ne-Yo.
   Het internet heeft er de schuld van gekregen dat de muziek business de vernieling in gegaan is. Dat is maar gedeeltelijk waar. In onze tijd speelt het net juist een cruciale rol in de succesvolle marketing van moderne pop-successen. Justin Bieber met name is de Donny Osmond van het web”.
 
 

Justin Bieber

 

 

Ondanks zijn jeugdige leeftijd timmerde Bieber dus al vier jaar aan de weg. Met ‘Baby’ stond hij al voor de zevende keer in de top 100 van Billboard. ‘Baby’, aldus McCormick, was niet alleen een hit in de VS maar ook in negen andere landen. En dat was nog maar een tussenstapje. Op 17 juli 2010 las ik dat ‘Baby’ de meest bekeken video-clip aller tijden was. Fans, of wie dan ook, hadden het filmpje al meer dan 246 miljoen keer willen zien en horen. ‘Bad Romance’ van Lady Gaga was daarmee van de eerste plaats op de populaire site verdrongen.

  Sinds zijn succes wordt de loopbaan van Bieber meer dan kritisch door de media gevolgd. Vrijwel niemand heeft een positief oordeel. In het gunstigste geval wordt geconstateerd hoeveel hij bij jonge meisjes teweeg brengt. Die weten niet beter, is de suggestie. Zo vergeleek Rawathe Keijzers van de Hitkrant de gekte rond Bieber met de Beatles, las ik. “Toen werden meiden ook hysterisch”.

  De komst van de nu 17-jarige artiest naar Europa afgelopen maand was voor New Musical Express aanleiding een soort haat-campagne op touw te zetten. Op de website van het Engelse blad werd gesteld dat de clip van ‘Baby’ de meest gehate YouTube-video was. Meer dan een miljoen kijkers hadden dat bij de clip aangegeven. Ook zijn andere liedjes ‘Never say never’, ‘Somebody to love’ en ‘Never let you go’ behoorden tot de meest gehate video’s. Nergens werd vermeld dat iedereen zelf kan besluiten of hij of zij een clip op de site bekijkt. Dat doe je helemaal vrijwillig.
 

Nederland bleef niet achter. Ook hier een kritische aanpak. Het jeugdjournaal van de publieke omroep zond in februari een interview met Justin uit. Op die dag, vertelde hij, was hij heel erg moe. Ik zou graag willen weten of Justin verliefd is op iemand was de vraag van een meisje. “Nee, ik ben nu vrijgezel. Ik heb gewoon lol”. De kijkers van het journaal kregen te zien dat Bieber moest geeuwen tijdens zijn antwoord. Ga je wel naar school, was een andere vraag. “Ik heb een leraar die met mij meereist”. Heb je vandaag ook huiswerk gemaakt? “Ja”. Wat heb je gedaan? Justin kon niet onmiddellijk reageren.

  Op 27 maart 2011 trad Justin Bieber in Rotterdam op voor een uitgelaten jong en vooral vrouwelijk publiek. Het was duidelijk dat de meisjes het geweldig naar hun zin hadden. Menno Pot van de Volkskrant had duidelijk een andere mening. “Justin Bieber is geen blijvertje” was de kop boven zijn verslag.          

  De strekking lijkt duidelijk: de hedendaagse generatie (pop)journalisten is niet gediend van iemand als Justin Bieber.

 

 

68 - 1a Bieber Volkskrant
 
 

De opkomst van de popmuziek in de jaren vijftig

 

 

Bij het lezen van het verslag van Menno Pot dacht ik terug aan de jaren vijftig. In die tijd was ik even oud als de meisjes nu die getuige waren van de show van hun idool. Ik ging voor de popmuziek van toen, de rock & roll. Als ik ‘C’mon everybody’ van Eddie Cochran, ‘Ma, he’s making eyes at me’ van Johnny Otis, ‘Western Movies’ van de Olympics of ‘De hele stad is gek en dol’ van Peter Koelewijn op de (buitenlandse) radio hoorde was ik wild enthousiast.
    Op school hoorde ik van Charles Daniëls, mijn Engelse leraar, dat die muziek slecht, ja vies was. Ook jazz, verkondigde drs. Daniëls met het volle gezag als docent, was vies. Dat hadden we maar te leren op het Henric van Veldeke-gymnasium in Maastricht.

 

 

Lionel Hampton in het Concertgebouw (1953)

 

 

Daniëls was geen uitzondering. Voor zover er over die verfoeilijke muziek uit Amerika geschreven werd was het vrijwel altijd in kritische of negatieve zin. Op 21 september 1953 deed het Parool verslag van een optreden van Lionel Hampton in het Amsterdamse Concertgebouw. De orkestleider ‘ontketende wilde tonelen in de hoofdstad’. Het vrijwel uitverkochte Concertgebouw was ‘getuige van angstaanjagende hysterie’. Hoe anders gedroeg het publiek zich dan als het statige orkest onder leiding van dirigent Eduard van Beinum een beschaafde uitvoering gaf. “Naast het orkest stond een jongeman uit het publiek een wilde jungledans weg te geven, armen en benen schokten op en neer, hij wrong zich in de vreemdste bochten. De zaal was volledig in beroering, een groot deel van het publiek schreeuwde en joelde niet alleen, maar sommige schokten en dansten in hun stoelen en sloegen hun handen ineen, op een wijze alsof zij nooit op zouden houden. Wij gingen naar een staaltje van massa-suggestie van de bovenste plank”.

  Na de pauze werd het volgens de verslaggever nog erger. “De sfeer werd steeds opgewondener. Achter het orkest zat een kleine tengere jongen, gekleed in een roestbruine jekker, een geruit overhemd en een zwarte, zogenaamde spijkerbroek. Hij hotste voortdurend op en neer, zijn armen en benen bewogen zich als de zuigerstangen van een locomotief. Hij trok de aandacht, en de zaal, die in beweging begon te komen, schreeuwde hem toe. Toen verscheen er een suppoost, de verpersoonlijking van ‘het Concertgebouw-op-abonnementsavonden’. Hij legde zijn hand op de schouder van de jongeman, en riep hem tot de orde. Het publiek joelde en floot hem uit. [De suppoost] liep weg, bekeek de menigte even vanaf het podium, schreed toen waardig heen. Dat gaf de jongeman moed, hij stak zijn donkere krullenbol omhoog, stormde naar voren en brak los in een wilde dans”.

  Volgens de redacteur van de krant was Lionel Hampton zelf de schandelijke veroorzaker van de houding van zijn gehoor. Hij ‘dirigeerde zijn orkest de zaal in, iedereen kwam naar voren, niemand zat meer op zijn stoel. De heer Hampton sleurde een dame met opgestoken haar, gekleed in rose avondtoilet, uit het publiek en begon met haar een wilde dans. De menigte danste en schreeuwde rondom, het werd een angstaanjagend geheel’. De conclusie van het Parool in 1953 was duidelijk: dat gedoe moest afgelopen zijn. “Dit wensen wij ons Concertgebouw niet meer toe. Nooit meer”.

 

 

68 - 2 Hampton Lionel
Lionel Hampton in Amsterdam, maart 1956
 
 

Rock & Roll

 

 

De journalist besefte niet dat het optreden van de jazz-vibrafonist niet het einde maar juist het begin was. Europa werd gek toen de film ‘Rock around the Clock’ met Bill Haley in roulatie kwam. De Leeuwarder Courant refereerde meteen naar het eerdere concert. “In Amsterdam wisten ze indertijd bij de heer Hampton van wanten. Wat zijn dat toch voor halve garen jongens en meisjes, die tegenwoordig het moedig veronderstelde gezonde verstand plegen te verliezen”.

  Rock & Roll was volgens de media foute muziek. Vooral Elvis Presley moest het ontgelden. Wat had die een slechte invloed op de jonge meisjes, die opgevoed werden voor een goed-burgerlijk bestaan als echtgenote en huisvrouw. “Presley verscheen met zijn verleidelijke stem. De hartenbrekende en licht-sensuele liedjes waren er de oorzaak van dat de jeugd, speciaal het vrouwelijk deel ervan, in hem een idool gevonden had”, schreef Arnold Martens in de Gelderlander. Pessimistisch was hij niet. Elvis was immers geen blijver. “De rock and roll-rellen zijn explosies van collectieve bandeloosheid. Maar er komt een andere mode, een nieuwe rage. Daarom rustig laten uitkuren”.

 

Bijna klassiek is het commentaar van Skip Voogd in het blad Tuney Tunes. Skip was in 1956 een flink aantal jaren ouder dan de teenagers die probeerden wat meer te weten te komen van de muziek die je op de kermis of op slecht te ontvangen radiostations hoorde. Voogd hield van de muziek van een andere, een wat oudere generatie. “Als jongetje in de oorlog vond ik het leuk om op straat liedjes te zingen als ‘Holderdebolder. We hebben een koe op zolder’. Mijn moeder zei: ‘Al die straatliederen, dat is toch niks!’ We kwamen uit een keurig gezin, pianoles van mijn nichtje, alles klassiek. The Ramblers en The Skymasters waren mijn favorieten. Er waren meer goede orkesten, zoals dat van Malando. In Scheveningen had je nachtclubs als de Caveau Tzigane, waar de Millers optraden. Daar zat ik naar de Millers te kijken, zag ik Sanny Day met haar vingers knippen”, vertelde hij later aan Cor Gout.

   In 1955 werd Skip Voogd redacteur van het enige Nederlandse muziekblad dat Nederland rijk was. Of hij wilde of niet, Skip moest verslag doen van de nieuwste ontwikkelingen. Elvis Presley verkocht ineens meer platen dan Glenn Miller. Dat deed pijn. “Persoonlijk begrijpen we daar niets van. Het afschuwelijke, mensonterende geschreeuw, gepaard gaand met sinister uitgestoten klanken kan ons heus niet bekoren”. De fans van de jeugdige zanger, slechts 21 jaar oud, gedroegen zich niet naar behoren. “Presley’s ‘rauwe, klagende bariton maakt de Amerikaanse teenagers wild. De meiskes kerven met een mes zijn naam in hun arm, en er wordt harder gekrijst en gegild dan vier jaar terug bij Johnny Ray’s ‘Cry’ ’t geval was”. De jonge meisjes – bakvisjes noemde hij ze – begrepen niet wat goede muziek was. “Tekenend voor de ‘smaak’ van het grote publiek is wel, dat er van ‘Heartbreak Hotel’ meer dan een miljoen platen werden verkocht” . Voogd plaatste het woord ‘smaak’ dan ook bewust tussen aanhalingstekens.

 

 

Popmuziek in de Sixties

 

 

De jeugd die in de jaren vijftig van Lionel Hampton, Bill Haley en Elvis Presley genoten had groeide op. De nozems en bakvissen stichtten gezinnen en zorgden voor een nieuwe generatie kinderen. Sommigen bleven aanhangers van Presley toen die zich na zijn diensttijd aanpaste aan de leeftijd van zijn fans. Anderen kochten elpees als ‘Music for the millions’ (populaire klassieke muziek) of Ray Conniff, Frank Sinatra en James Last. Een enkeling ging een rol spelen in de media, pers, radio en televisie.

   De jeugd viel voor nieuwe idolen. In de tweede helft van 1963 werden de Beatles even populair als Elvis Presley zeven jaar daarvoor. In de kranten verschenen artikelen die in grote lijnen een kopie waren van wat eerder over de opkomst van de rock & roll geschreven was. Je hoefde bij wijze van spreken Elvis Presley maar door de Beatles te vervangen. In veel van die negatieve artikelen werd bovendien benadrukt dat de nieuwe beatzangers van dat vreselijke lange en vieze haar hadden. En haar wassen, dat deden ze niet. De kreet ‘langharig werkschuw tuig’ kwam in zwang. (En ook: ‘beter langharig dan kortzichtig’).

   Popmuziek had zich intussen een plaats veroverd op radio en televisie. In december 1963 verscheen ‘I want to hold your hand’ van de Beatles in de Engelse hitlijsten om snel door te stomen naar de bovenste plaats. Wat vonden de deskundigen in Nederland van het jonge viertal uit Liverpool? In het tv-programma ‘Top of Flop’ legde presentator Herman Stok die vraag voor aan twee volwassen ‘bekende Nederlanders’.

   Acteur Henk van Ulsen: “Als de rage die in Engeland is losgebarsten ook in Nederland komt – dat zou ik slecht vinden voor de volksgezondheid. Ik hou erg van rages en idolen. Ik heb ze zelf ook gehad. Ik wou het even over die jongens hebben. Ik vind dat die jongens met dat haar – die lijken op Urker vrouwen in burger. Ze doen me wat een visvrouwen denken. Meer kan ik er niet over zeggen”. Cabaretier Henk Elsink: “Als de Beatles de vrije vertaling is van de Bietenbouwers, geef mij de Bietenbouwers dan maar. Ik vind het niks, die jongens met die pony’s en zo. Ik vind het te veel rommelig. Het is te veel absurd, die plaat. Ik houd er niet van”.

   De producer van het VARA-programma had ook twee jongeren in het panel uitgenodigd. Die zagen er meer dan beschaafd uit. Een jongeman met kort haar zei: “Alles is zo overdreven, met die uithalen achter het woord”. Een meisje met een pony: “Ik snap echt niet wat de Engelse tieners daarin zien, hoor. Ze onderscheiden zich in niets van andere rock & roll-groepjes volgens mij. Behalve dan in hun kleding en haardracht. Maar ik vind het niks”. De jury was unaniem: de Beatles werden tot een ‘flop’ uitgeroepen. De Nederlandse jeugd liet zich aan het oordeel van hogerhand weinig gelegen liggen. Precies zoals dat eerder gegaan was. De Beatles veroverden Nederland in een mum van tijd.

 

 

68 - 3 Beatlemania
Beatlemania
 

De Rolling Stones viel geen beter lot ten deel. John A. Verhagen, een van de weinige jonge journalisten, besefte dat maar al te goed toen hij in Tuney Tunes vastlegde: “De jongens zijn bij de ouders van de Engelse tieners niet erg geliefd, omdat zij voor een glanzend voorbeeld van ongecivilizeerdheid doorgaan. Zij komen nimmer bij een kapper en daarom zien zij er volgens deze ouders vies en ongewassen uit”.

  Een week voor de Stones op 8 augustus 1964 een minuut of tien optraden in het Kurhaus van Scheveningen plaatste de Telegraaf een artikel met als kop ‘Import van lelijkerds’. De Stones werden de ‘lelijkste beat-groep ter wereld’ genoemd. De krant hoopte dat ‘het tienerpubliek in de hand kon worden gehouden. De schade is voor rekening van impresario Paul Acket’.

  De houding van de ‘oudere generatie’ was vrijwel overal hetzelfde. Een aardig voorbeeld is een bewaard gebleven optreden van de Stones in het veel-bekeken Amerikaanse tv-programma ‘Hollywood Palace’, eveneens in 1964. Mick Jagger en de zijnen stonden klaar om twee nummers te brengen, ‘Not fade away’ van Buddy Holly en ‘I just wanna make love to you’ van Muddy Waters. Dean Martin was de presentator. Deze had in de jaren vijftig hits gehad met romantische liedjes als ‘Memories are made of this’ en ‘Return to me’. De zaal zat vol met niet zo jonge volwassenen. In zijn aankondiging zorgde Martin ervoor dat hij de lachers op zijn hand had. Met een knipoog vroeg hij aandacht voor ‘five singing boys from England, who sold a lot of albions. They’re called Rolling Stones. I’ve been rolled while I was stoned myself. I don’t know what they sing about’. Het publiek bleef lachen. Het was dolle pret voor de oudjes. Toen Mick in een break van ‘Not fade away’ Presley-bewegingen maakte werd hij uitgelachen. De Amerikaanse jeugd lachte niet, maar kocht de plaat die de ouders verfoeiden. De cover van de Buddy Holly-song met de Bo Diddley-beat leverde de Stones hun eerste Amerikaanse hit op.

 

 

Een vast patroon

 

 

Meestal als zich een nieuwe generatie popartiesten met bijbehorende fans aandiende kon die rekenen op een afwezige of vijandige pers. De houding van de journalisten was extra kritisch als ze vermoedden dat de jonge popidolen een goed management en/of een actieve platenmaatschappij achter zich hadden staan. Dan werd als snel het woord ‘hype’ uit de kast getrokken.

  Het schoolvoorbeeld was de Monkees in de tweede helft van de jaren zestig. “De hype van de Monkees kostte 250.000 dollar”, schreef Alfred Aronowitz in Life op 20 september 1968. De liedjes die de Monkees op de Amerikaanse televisie brachten zorgden voor een succes van de bovenste plank. Volgens een officiële opgave van de RIAA (Record Industry Association of America) werden er in een paar jaar tijd niet minder dan zeventien miljoen albums verkocht. De ‘kids’ schaften bovendien miljoenen singles aan. Muziekuitgever Don Kirshner had het allemaal perfect georganiseerd. Hij liet liedjes schrijven door Neil Diamond (‘I’m a believer’), Tommy Boyce, Bobby Hart, Carole King, Gerry Goffin, Harry Nilsson en John Stewart. In de studio werkten de Monkees met de beste studiomuzikanten, zoals drummer Hal Blaine, pianist Leon Russell en gitarist Glen Campbell.

  Ondanks het succes, of misschien wel vanwege het succes, kregen de Monkees de volle laag in de pop-pers. Hun werd bijvoorbeeld verweten dat ze op hun platen alleen maar zongen en geen instrument bespeelden. Dat de artiesten van producer Phil Spector dat evenmin deden werd gemakshalve over het hoofd gezien. Ook werd niet vermeld dat de Supremes, Four Tops, Martha & the Vandellas en andere Motown-artiesten alleen maar zongen en weinig in te brengen hadden. De platen van Spector en Berry Gordy werden juist geprezen. Er werd dus met twee maten gemeten. In de Pop Encyclopedie van Oor werd geproken over ‘lichtgewicht popnummers’. “Hoewel de leden [van de groep] behalve als acteurs ook als muzikanten wel over talent beschikken, krijgen ze van hun zetbazen niet de kans dit talent te ontwikkelen. Er wordt hun daarentegen duidelijk verteld wat en hoe ze moeten zingen, terwijl tijdens het opnemen van de platen veelal gebruikt wordt gemaakt van sessiemuzikanten”. De ‘oudere jongeren’ van Oor konden hun gal spuien. De nieuwe generatie zat er helemaal naast.

 

 

68 - 4 Farren Mick
Mick Farren: De Osmonds zijn gevaarlijk!
 

Eenzelfde behandeling moesten de Osmonds ondergaan. Overal waar de leden van de familie Osmond optraden hadden ze succes. Als ze de kans kregen hun platen onder de aandacht van het publiek te brengen sloeg dat onmiddellijk aan. Maar de weerstand was groot, zeker bij de Nederlandse radio. In het begin van de jaren zeventig was ik verantwoordelijk voor de promotie bij Polydor. We deden er alles aan in 1972 om een hit van ‘Crazy Horses’ te maken. Van de radio kregen we vrijwel geen medewerking. Mies Bouwman zag het echter wel zitten om de zingende en spelende broertjes als finale van ‘Een van de acht’ uit te nodigen.

  Eén optreden bij Mies op de AVRO-tv was genoeg om ‘Crazy Horses’ in een mum van tijd op de eerste plaats van de Nederlandse top 40 te krijgen. Het succes van de groep was geen hype. De mensen, jong en oud, vonden het gewoon mooi. Ze gingen naar de platenwinkel en kochten wat er te koop was, met of zonder aanbeveling van de media. De jeugd vereenzelfde zich vooral met de eigen generatie, de jonge leden van de groep: Donny Osmond, Marie Osmond, Little Jimmy Osmond. ‘Young Love’ (Donny), ‘Paper roses’ (Marie) en ‘Long haired lover from Liverpool’ (Jimmy) zijn slechts enkele voorbeelden van Nederlandse top tien hits.

   De officiële pers was genadeloos. Bij het verschijnen van het album ‘The Osmonds’ Greatest Hits’ schreef Mick Farren in New Musical Express: “Het is mijn theorie dat ze een apart en waarschijnlijk gevaarlijk soort mensen zijn. Ze zijn een soort plastic. They don’t fart, belch, sweat or engage in any of the other messy functions of natural humans”. De journalist schreef in de quasi-humoristische stijl zoals Dean Martin praatte bij het aankondigen van de Rolling Stones in 1964. “Ik heb op goed gezag vernomen dat blootstelling aan de creatieve output van dit mensensoort het IQ van een persoon aanzienlijk kan reduceren. Dat [gevaar] moet niet te licht opgenomen worden. Beware this record! Avoid it at all cost!”

 

68 - 5 Osmond Donny
Donny Osmond
 

Zo werden in ook in de jaren zeventig jonge idolen door de wat oudere pers bejegend. Alsof er nooit iets veranderd was sinds de vroege jaren vijftig. Als je las wat er de laatste halve eeuw zoal over nieuwe artiesten geschreven werd zag je steeds hetzelfde patroon. Veel popjournalisten waren blijven steken bij de muziek van hun eigen jeugd. De tijd dat ze zich zelf afzetten tegen de muziek van hun ouders of anderen die ouder waren. In plaats van ’s avonds gezellig thuis te zijn moesten ze van hun krant verdorie naar een concert voor jonge snuiters. Ze hadden er grote moeite mee zich in te leven in hoe hun kinderen of andere jongens en meisjes nieuwe muziek beleefden. Toch voelden ze zich nadrukkelijk geroepen de jongeren te vertellen dat hun idolen geen blijvers waren.

   Voorbeelden zijn er te veel om op te noemen. Toch nog een enkele naam. In 1973 werd David Cassidy een grote ster bij jonge meisjes. De Britse popjournalist en socioloog Simon Frith maakte de lezers van het blad ‘Let it rock’ duideljk dat Cassidy geen goeie stem had. Die kon geen emotie in een liedje leggen. Op het toneel legde David geen persoonlijkheid aan de dag. Je kon hem dan ook niet met Mick Jagger of Noddy Holder (van Slade) vergelijken. Cassidy was het product van zakenmensen uit Los Angeles. De muziek stelde niets voor, maar dat was niet erg. Anders dan bij Paul McCartney ging het niet eens om de muziek. “There’s a new generation of teenager (this audience was aged between 12 and 17) for whom music is a tangential interest, a background and context for the more important activities of handing around and having fun”. De socioloog had hoop op een betere smaak en toekomst voor de schreeuwende meisjes tijdens het concert dat hij vanaf een gerieflijke VIP-plaats gratis bijwoonde: “These kids are young and will grow into rock”. Frith maakte duidelijk dat hij het beter wist dan de ‘kids’.

   Eenzelfde behandeling viel ABBA ten dele. In mijn boek ‘Money Money Money?’ heb ik een hoofdstuk aan de groep gewijd, met een beschrijving van de benadering door de media. Ook de jonge Queen ontkwam niet aan de nukken van de Britse pers. In december 1974 trad de groep van Freddy Mercury en Brian May voor het eerst in Nederland op. In een interview met John McFarlane van het blad Get It kwam naar voren ‘dat de Britse pers nogal onredelijk is geweest, daar waar het Queen betrof. De Britse critici waren aanvankelijk nogal slecht te spreken over de groep’.

   En zo gaat het door tot op de dag van vandaag. In de recensie van het album ‘One of the boys’ van de succesvolle artiest Katy Perry schreef Hester Carvalho in NRC Handelsblad nogal laatdunkend: “Dit is pop voor de massa, met slim gebruik van nu hippe genres als electro en disco, ontworpen door hit-grossier Max Martin, die eerder werkte voor onder meer Britney Spears en Roxette. Het stampt en dendert, en gaat ondertussen over zogenaamd spannende dingen”. De muziek van jonge artiesten is niet goed of deugt niet. De fans stellen zich aan, in tegensteling tot de vertegenwoordigers van de volwassen pers.

 

***

 

68 - 6a Bieber NME           68 - 7 Justin Bieber ahoy-rotterdam


Dan is er nu Justin Bieber. Frits Abrahams (NRC) heeft zich opgeworpen als bondgenoot van Menno Pot. “Bieber is geen jongen van vlees en bloed”, schreef hij op 31 maart. “Het is een robotje, uitgevonden door handige zakenmensen en reclamejongens. Het gaat om geld, niet om muziek. Er is wat dat betreft niets nieuws onder de zon”. Ook deze columnist gebruikte het woord ‘hype’ bij de carrière van een jonge artiest die jarenlang op eigen kracht door het zelf maken van filmpjes opYouTube aan de weg getimmerd had en daar nu voor beloond is.

   Om zijn gelijk te halen maakte Abrahams gebruik van ‘gezochte’ argumenten. Zoals Oor en anderen dat deden in hun kritiek op de Monkees. Hij vergeleek Justin Bieber met Fabian. In de jaren 1959-1960 bereikte deze rock-zanger maar liefst tien keer de Amerikaanse hitparade. In het jaar 2011, dus een halve eeuw later, bekeek de journalist de oude filmpjes van de artiest uit Philadelphia op YouTube. “Het had iets lachwekkends. Fabian zingt als een zoutzak, terwijl de meisjes bezwijmen”. Op diezelfde site kun je nog veel meer oude filmpjes bekijken en dan tot een zelfde conclusie komen. ‘For what’s it’s worth’ van de veelgeprezen groep Buffalo Springfield, ‘Happy Together’ van de Turtles of ‘The lion sleeps tonight’ van de Tokens bijvoorbeeld. Door je feitenmateriaal zorgvuldig te selecteren kun je een zwak betoog ogenschijnlijk hard maken.

 

De jeugd heeft de toekomst. Overigens: blijvers bestaan niet en ieder succes is tijdelijk. De Duitsers hebben er een mooi spreekwoord voor: “Alles hat ein Ende, nur ein Wurst hat zwei”.

 
Mick Farren is op 27 juli 2013 overleden
 
Clips
 

 

Harry Knipschild

2 april 2011
 
Literatuur
 
'Lionel Hampton ontketent wilde tonelen in hoofdstad, Parool, 21 september 1953
Skip Voogd, 'Elvis Presley. Hysterie in optima forma', Tuney Tunes, september 1956
'Jeugdige Britse jazz-dwazen volkomen van de kook [door film 'Rock around the Clock'], Leeuwarder Courant, 12 september 1956
Arnold Martens, 'Rock 'n roll, Gelderlander, 31 december 1956
Alfred Aronowitz, 'The Monkees', Life, 20 september 1968
Simon Frith, 'Limpalong Cassidy', Let It Rock, mei 1973
John McFarlane, 'Queen', Get It, februari 1975
Mick Farren, 'The Osmonds' Greatest Hits, New Musical Express, 28 januari 1978
Cor Gout, 'Skip Voogd, een leven lang swing en leve het leven', in Muziek in zwart-wit, Zaltbommel 2006
Hester Carvalho, 'Zogenaamd spannend. Katy Perry: 'One of the boys', NRC, 19 september 2008
Neil McCormick, Justin Bieber: the web's answer to Donny Osmond, Daily Telegraph, 12 april 2010
Menno Pot, 'Justin Bieber is geen blijvertje', Volkskrant, 28 maart 2011
'Justin Bieber ahead of Rebecca Black in most hated YouTube video stakes, NME, 29 maart 2011
Frits Abrahams, 'Justin = Fabian', NRC, 30 maart 2011