Zoeken

 

Vanaf 1965 was ik beroepshalve werkzaam in de muziekbusiness. In enkele tientallen jaren heb ik een enorme hoeveelheid flops meegemaakt. Veel van die platen kan ik me niet meer herinneren. Zo gaat dat nu eenmaal. Maar regelmatig was ik betrokken bij grote successen. Die had je nodig om de verliezen op mislukkingen te compenseren. Tijdens mijn werk bij Polydor in de jaren zeventig overtrof de verkoop af en toe alle verwachtingen.
   Dat was bijvoorbeeld het geval met de oudejaarsconference van Wim Kan in 1973/74. Kan en zijn manager Wout van Liempt waren uit op veel geld. We moesten een kwart miljoen gulden op tafel leggen om de registratie van de Vara-uitzending op de plaat te mogen zetten. Daar stond tegenover dat Kan dan verder geen royalties meer hoefde te ontvangen. Freddy Haayen, indertijd directeur van Polydor in Nederland, moest zijn uiterste best doen om van de hoogste instanties toestemming te verkrijgen voor deze kostbare deal. Het pakte goed uit. In totaal verkochten we bijna 260.000 exemplaren. Onvoorstelbaar was ook het verkoopsucces van ABBA nadat het Zweedse viertal in ‘Een van de acht’ bij Mies Bouwman er drie liedjes had mogen playbacken.
 
067 RSO
 

Het allergrootste succes in mijn loopbaan, wat aantallen betreft, was het gevolg van de activiteiten van Robert Stigwood. Polydor had een overeenkomst met het label RSO (‘Robert Stigwood Organization’). Kort achter elkaar, in 1977 en 1978, verschenen op dubbelalbums de soundtracks van twee films met veel muziek, ‘Saturday Night Fever’ en ‘Grease’. Het eerste project was alleen in Nederland goed voor een afzet van ongeveer 750.000 stuks, het tweede ging zelfs dik over de 800.000. De verkoop vond bovendien plaats in een korte spanne tijds. Dat soort aantallen waren ongeëvenaard.

 

Het begin van de loopbaan van Robert Stigwood in een notedop

 

Robert Stigwood is op 16 april 1934 in Australië geboren. Op twintigjarige leeftijd trok hij naar Engeland. In het begin van de jaren zestig dook zijn naam op in de wereld van de popmuziek.

  Eén van zijn eerste successen was John Leyton. In eerste instantie was dat een acteur. Na een rol in de Engelse tv-serie ‘Biggles’ (1960) kwam hij niet verder. Robert, die als zijn agent optrad, vroeg hem of hij ook kon zingen. “Een beetje”, kreeg Stigwood te horen. Pye, een belangrijke platenmaatschappij in die tijd, had geen belangstelling voor de goed ogende acteur. Bij Top Rank lag dat anders. De nieuwe onderneming wilde wel een gokje wagen. Stigwood liet zijn protégé produceren in een studio die los stond van de platenmaatschappij. Dat was in 1960 nogal ongebruikelijk. Het was Joe Meek die de stem van Leyton in zijn eigen primitieve studio vastlegde.

  In 1961 was het raak met het liedje ‘Johnny Remember Me’. Stigwood wist Leyton een rol in de soap ‘Harper’s W1’ te bezorgen. In de serie mocht hij bovendien zijn nieuwe nummer enkele keren ten gehore brengen. Dat was genoeg. ‘Johnny Remember Me’ stond weldra op de bovenste plaats van de Britse hitlijsten. Ook ‘Wild wind’ werd een succes.

 

067 john-leyton
 

Robert Stigwood was er de man niet naar om aan de leiband van de platenindustrie te lopen. Hij deed alles zelf en pakte van alles aan. In de gay-scene van Londen had hij heel wat contacten. Zijn activiteiten hadden niet altijd het gewenste resultaat. In 1964/65 ging hij financieel ten gronde bij het opzetten van een Britse toernee met Chuck Berry als hoofdact. Op 8 mei 1965 meldde Chris Hutchins in het blad Billboard: “Robert Stigwood is out of business. His creditors voted in favor of winding up his company when they heard that liabilities exceeded $112,000. Stigwood said he lost $42,000 on his Chuck Berry tour last fall and $28,000 on an unfulfilled string of P.J. Proby dates”.

  De carrière van Robert Stigwood was echter nog lang niet ten einde. De Australiër bleef artiesten en groepen contracteren. Hij raakte betrokken bij The Who en werd manager van Cream, een trio bestaande uit Eric Clapton, Jack Bruce en Ginger Baker. Door zijn contacten met The Who wist hij Cream in 1967 met enorm succes in Amerika als live-band te introduceren.

 

Ontdekking van de Bee Gees

 

1967 was ook in een ander opzicht een belangrijk jaar voor Robert. Hij bracht een samenwerkingsverband tot stand met niemand minder dan Brian Epstein, de (homofiele) manager van de Beatles. Stigwood en Epstein werden partners in het managementbureau NEMS Enterprises. Epstein zou zich speciaal met de Beatles (en Cilla Black) bemoeien, Stigwood met de anderen. En dat waren er heel wat.

  Onder hen bijvoorbeeld de broers Barry, Maurice en Robin Gibb, beter bekend als de Bee Gees. De familie Gibb was in 1958 vanuit Engeland naar Australië geëmigreerd en acht jaar later weer teruggekomen. In een populaire biografie van de Bee Gees (David Leaf, 1979) is te lezen hoe het in 1967 gegaan zou zijn.

  “Barry Gibb: ‘Brian Epstein en Robert Stigwood zaten op een avond bij elkaar en ze hadden allemaal bandjes bij zich en ze zeiden: laten we die ’s draaien om te kijken wat erop staat vóór we ze weggooien. En dat waren onze bandjes [die ze bij NEMS hadden bezorgd] .

  Moeder Barbara Gibb: ‘Robert vertelde me dat de opnamen op het bureau van Eppie lagen en dat die tegen Robert zei: wil jij die ’s afdraaien? Het is goed, maar ik heb het te druk met de Beatles. Je moet er maar ’s naar luisteren. Robert heeft ze mee naar huis genomen en daar lagen ze twee, drie weken op z’n bureau. Op een avond, toen-ie niks te doen had, heeft-ie ze beluisterd. En hij was meteen onder de indruk’.

  Robert Stigwood: ‘Met hun samenzang, het soort saamhorigheid dat alleen broers kunnen hebben, en met hun schrijftalent kon het niet misgaan met ze’.

  Het contract werd ondertekend op 24 februari 1967. Robert Stigwood zei op de dag van de persconferentie: ‘De Bee Gees maken één van de opwindendste shows die ik gezien heb. Ze zijn ontzettend veelzijdig en ongelooflijk professioneel. Je kunt niet hoog genoeg van de toren blazen over hun mogelijkheden als artiesten en componisten’

  Maurice Gibb: ‘Robert vertelde ons later dat Brian z’n Beatles had en dat hij, Robert, z’n eigen groep wilde. Eigenlijk ging het hem vooral om de songs die we schreven. We konden meteen beginnen. Hij zei: ‘Kunnen jullie komende vrijdag in de studio zijn om te beginnen met de opnamen voor jullie eerste elpee?’”

 

067 Bee Gees
 

1967-1977

 

De samenwerking van Robert Stigwood met Brian Epstein was geen lang leven beschoren. In augustus 1967 maakte de manager van de Beatles een einde aan zijn leven. Stigwood stond weldra weer op eigen benen. Het bruiste bij hem van de meest uiteenlopende activiteiten, te veel om op noemen. De Bee Gees wist Robert tot wereldsterren te maken. Eric Clapton werd een gitaar-god met groepen als Blind Faith en Derek & The Dominos. Stigwood speelde tevens een essentiële rol in het op poten zetten van de rock-musicals ‘Hair’ en ‘Jesus Christ Superstar’.

 

Toch ging het zeker niet vanzelf met de artiesten die hij onder zijn hoede had. Clapton raakte aan de drugs en kon een tijd lang niet meer functioneren. Met de Bee Gees ging het op een ander manier fout. Robin Gibb legde het later uit aan Jip Golsteijn, journalist van de Telegraaf:

  “We waren wereldsterren, nog voor een van ons twintig was. Dat kon niet goed gaan. We werden alle drie maf van het succes. Tenslotte werd de ruzie zo erg dat we besloten te doen wat iedere zichzelf respecterende artiest destijds deed: solo, solo, solo. Op het laatst procedeerden we meer tegen elkaar dan dat we zongen en het succes - hoewel ik een bescheiden hit had met ‘Saved by the bell’- kenterde. Het was een trieste periode. Bijna waren we er helemaal aangegaan, artistiek gezien, want onze drummer van toen, Colin Petersen, eiste de naam Bee Gees op en de rechter dreigde hem gelijk te geven als er geen band van die naam bestond met de gebroeders Gibb erin.

   Op aandringen van Stigwood heb ik de jongens tenslotte gebeld, maar het heeft nog een half jaar geduurd voor we ook weer samenwerkten. Trots hè, daar doe je weinig tegen als je twintig bent.”

  

Barry Gibb over het vervolg: “De Bee Gees bestonden dan wel weer officieel, maar het succes was verdwenen. De Engelse pers schreef ons consequent het graf in. We kregen steeds maar te lezen dat de ballads die een paar jaar daarvoor nog zo goed werden gevonden, nu sentimentele smartlappen waren en de Bee Gees een ding uit het verleden. Van de weeromstuit gingen we steeds opnieuw ballads maken, die dan prompt weer kansloos flopten.

   Tot Robert ingreep. Hij arrangeerde een vergadering waar we de plannen voor de toekomst zouden bespreken, maar in feite had hij één lange, woedende monoloog voor ons in petto. ‘Het lijkt wel of jullie helemaal niet meer luisteren naar wat er om je heen in de popmuziek gebeurt’, zei Robert. ‘Jullie hebben zulke goeie oren, het wordt tijd dat je ze weer eens gaat gebruiken’. Dat was klare taal, maar hij had gelijk.

   De eerste poging om de rhythm & blues-markt te penetreren was ‘Mr. Natural’, maar dat mislukte. Het was zo’n beetje de flop van 1974. Het publiek accepteerde die muziek nog niet van ons. Maar het had toch iets. We geloofden er allemaal in, Stigwood, de maatschappij [Polydor/Atlantic], onze producer Arif Mardin en wij. En we maakten nog een rhythm & blues-plaat, ‘Main Course’. En nou werd het nummer één. We waren weer back in business”.

 

Saturday Night Fever en Grease

 

Jerry Voisin schreef me onlangs: “Na een diner in het Okura Hotel [1972] werd ik door Barry Gibb uitgenodigd om mee naar de suite te gaan voor nog een drankje. Ik was natuurlijk wel vereerd, immers the Bee Gees.... Anyway, the boys hadden een draaitafel en ze waren nummers aan het zoeken, die als voorbeeld moesten dienen qua sfeer, althans zo werd mij dat uitgelegd, voor hun nieuw op te nemen materiaal. Ik kan me specifiek herinneren dat er besloten werd tot een track van the Spinners en een track van the Commodores. Toch wel apart zo’n kijkje in de keuken aan de vooravond van de grootste comeback, arguably, aller tijden”.

 

Jerry had het, zoals vrijwel altijd, bij het rechte eind. Opnieuw gaven zwarte artiesten de trend aan. Die werd door blanken opgepakt en uitgebaat. In de jaren zeventig was dat de disco-muziek. Gloria Gaynor en Donna Summer waren de nieuwe sterren. Robert Stigwood rook zijn kans. Hij besloot een disco-film te maken en contracteerde de nog niet zo bekende John Travolta. Nu moest er nog muziek komen. Stigwood zocht zijn heil bij de broertjes Gibb.

   Jip Golsteijn sprak met de betrokkenen en legde het als volgt vast:

   “Volgens Robert Stigwood is het destijds zo gegaan: Ik belde Barry en zei: ‘Ik heb muziek nodig voor een discofilm, willen jullie die schrijven?’ ‘Ja’, zei Barry Gibb. ‘Wat had je ongeveer gedacht?’

   Barry Gibb: “Robert zei: ‘Geef me een openingssong van acht minuten. Dreigend beginnen, een romantisch en hartstochtelijk middenstuk en een meeslepende, dolgedraaide finale’. Ik ging met Maurice en Robin om de tafel zitten en na twee uur hadden we ‘Staying alive’ af”.

   Stigwood: “Een week later belde Barry me terug met de mededeling dat de soundtrack voor mijn discofilm klaar was. In één week hadden ze behalve ‘Staying alive’ ook ‘More than a woman’, ‘How deep is your love’, ‘Night Fever’ en ‘Love is thicker than water’ geschreven. En ze hadden nog geen twee meter film gezien”.

   Barry Gibb: “Twee dagen nadat ik de demo’s naar Robert had gestuurd, kreeg ik een telefoontje van hem. ‘Jullie songs zijn schitterend’, zei hij. ‘Precies wat ik bedoelde’. ‘Fijn’, zei ik. ‘Ik hoop dat het wat wordt met die film van je’”.

 

Stigwood had Travolta voor twee rollen vastgelegd. Behalve “Saturday Night Fever’ maakte hij ook ‘Grease’ met de acteur. Die film was gebaseerd op een musical die al enkele jaren draaide. Als ik af ga op mijn eigen geheugen, met het gevaar in de fout te gaan, had die film niet veel mogen kosten. Olivia Newton-John werd, meen ik me te herinneren, afgekocht met 150.000 dollar, inclusief alle plaatrechten (dus geen royalties). Opnieuw ging Robert te biecht bij Barry Gibb. Deze keer alleen voor de titelsong. Aan Golsteijn vertelde hij:

   “Het filmsucces van ‘Grease’ is een wonderlijk verschijnsel. Niemand geloofde dat de musical, die al zes jaar op Broadway liep, overgebracht kon worden op het doek. Dat was ik eigenlijk wel met de sceptici eens, want voor een film was de handeling van ‘Grease’ wel een erg statisch gebeuren. Ik heb toen het aantal lokaties drastisch uitgebreid en er vier songs laten bijschrijven, inclusief ‘You’re the one that I want’, ‘Hopelessly devoted to you’ – de hits van John Travolta en Olivia Newton John – en de titelsong. Er zat in de originele musical geen song die ‘Grease’ heette.

   Het stond voor mij vast dat een titelsong een absolute noodzaak was, wilde de film slagen. Ik heb Barry Gibb opgebeld en gezegd dat ik een song nodig had die ‘Grease’ heette.

   ‘O.K.’, zei Barry, want Barry zegt op al dat soort opdrachten ‘O.K.’

   Een half uurtje later belde hij me terug en zei: ‘Zeg, moet dat nou. ‘Grease’ is een afschuwelijk woord. Het betekent absoluut niks’.

   ‘Moet dat dan?’, zei ik.

   Barry hing kankerend weer op. Een uur later belde hij weer: ‘Ik heb het! ‘Grease is inderdaad niks dan een woord. Ik heb een hele song opgebouwd rond de zin: ‘Grease is the word’.

   Nou je weet het, ‘Grease’ stond weken één in Amerika. Het mes sneed aan twee kanten, want Frankie Valli – een van de jeugdhelden van de Bee Gees toen hij leadzanger van de Four Seasons was – had al eens gevraagd of Barry een song voor hem wilde schrijven en een single voor hem produceren”.

 

067-1 Stigwood, Robert Newsweek 1978
Robert Stigwood (1978)
 

Eric van den Berg, geen fan van de Bee Gees

 

Het is ondoenlijk een compleet overzicht te geven van alles wat Robert Stigwood allemaal in gang wist te zetten. Op het hoogtepunt van zijn succes in de popmuziek, 1978, haalde hij de omslag van Newsweek met de woorden; ‘Rock Tycoon, Impresario Robert Stigwood’. Niet zijn artiesten, maar hij zelf was de persoon waar alles om draaide. Dat was zeer ongebruikelijk in die tijd. Billboard wijdde een hoofdartikel aan dit wonderlijke fenomeen. Zakenmensen als Stigwood, Clive Davis, Neil Bogart en Ahmet Ertegun waren belangrijker geworden dan hun artiesten.

   Maar hoe dan ook, zij waren afhankelijk van het publiek, de ‘gewone’ mensen. De aanleiding voor dit artikel was mijn ontmoeting Eric van den Berg. Eric ken ik als ondenemer in internetzaken. Zijn bedrijf heet ISI Media en hij is bijvoorbeeld eigenaar van het Isidorusweb, waarop ik artikelen schrijf over de missie. Toen ik op 22 maart 2011 bij hem op bezoek was constateerde ik tot mijn verbazing dat hij een bijzonder verleden in de popmuziek had. Veel mensen praten niet over popmuziek, maar die is er wel degelijk. Dat merk je wel vaker.

 

Eric van den Berg is op 29 november 1969 in Gorinchem geboren. Het jaar van het Woodstock-festival en de eerste maanlanding. Zijn vader was een liefhebber van muziek uit de jaren vijftig. Vooral Elvis Presley, maar ook Fats Domino, Jerry Lee Lewis en Jim Reeves. Van den Berg senior bleef ‘in de fifties hangen’. Er is een oudere broer, Roland, geboren in 1967, het jaar van het Monterey-festival, de ‘summer of love’ en ‘Sergeant Pepper’ van de Beatles. Roland hield van reggae-muziek (Bob Marley) en hasjies.

   Eric voelt zich in muzikaal opzicht vooral verbonden met zijn oudste broer Rob (geb. 1963). Die was ‘zendamateur’. Illegaal zond hij uit. Eric stapte dan op de fiets en reed rond om te meten tot hoever de ontvangst reikte. Dat was soms wel twintig kilometer. Rob had een progressieve smaak, dat was duidelijk. Hij kocht platen van de Velvet Underground, David Bowie en Roxy Music. Dat was de muziek die ook Eric inspireerde. Niet die commerciële top 40-singles. Zelfs de Beatles was maar zo-zo. Van het album ‘Sergeant Pepper’ vond hij vooral ‘Lucy in the sky with diamonds’ goed, de rest zei hem niet veel, zei hij op eigen initiatief.

 

Op jonge leeftijd ontdekte Eric ook de punk-muziek. Hij viel op ‘Never mind the bollocks’ van de Sex Pistols (1977) en ‘London Calling’ van The Clash (1979). Latere favorieten waren de Pixies, Pere Ubu, U2 (‘Joshua Tree’) en Brian Eno. Zijn eerste concert, in Gorcum, was van Klein Orkest – met de meezinger ‘Over honderd jaar’.

   In 1987, zeventien jaar oud, stapte Eric bij de Gorcumse Courant binnen en wist te bereiken dat hij stukjes over het plaatselijke nieuws mocht schrijven. In 1988 bemachtigde hij een baantje bij platenzaak ‘House of Sound’, eveneens in Gorcum. Eric liet zich niet in geld uitbetalen, maar in albums. Elke week mocht hij drie exemplaren mee naar huis nemen zonder te hoeven betalen. In een paar jaar tijd bouwde Eric een collectie van honderden albums op. Zonder aarzeling noemde hij tientallen titels, van Neil Young, Tracey Chapman, Tears for Fears, Joy Division, The The tot John Fogerty (‘Centerfield’), Chris Isaak en David Sylvian. Andere platen mocht Eric lenen zodat hij ze thuis op cassettebandjes kon kopiëren. Vooral de vroege albums van de Talking Heads (nog met Brian Eno) maakten grote indruk op hem – liedjes als ‘Psycho Killer’ en de albums ‘Fear of Music’ (1979) en ‘Remain in Light’ (1980).

 

Wight

 

In 1995 ging Eric van den Berg op vakantie naar het zuidwesten van Engeland. Hij bezocht de Romeinse thermen in Bath en in Portsmouth de Victory, het vlaggeschip van admiraal Nelson die de slag bij Trafalgar won, maar dat met zijn leven moest bekopen. Met de hovercraft stak Eric over naar het eiland Wight. Hij was er zich van bewust dat er in 1970 een groot open lucht-rockfestival op Wight was geweest, met optredens van Jimi Hendrix, Emerson, Lake & Palmer, Joni Mitchell, The Who, Doors en Jethro Tull. Met een bus passeerde Eric het terrein aan de zuidwestkust waar een kwart eeuw eerder 600.000 muziekliefhebbers van de muziek hadden genoten. In Freshwater Bay, in het westen, bezocht hij de pub die eigendom was van Mark Knopfler (Dire Straits). Tevens maakte Eric een uitstapje naar Osborne House in het noorden, een van de paleizen van Victoria (1819-1901). In Osborne House was de Engelse koningin na een zeer lange regeringsperiode overleden.

 

067 foto5 bartonmanor
Het onderkomen van Robert Stigwood op het eiland Wight (1995)
 

Een gedeelte van het landgoed was niet meer in handen van de Britse koninklijke familie. Barton Manor was de grote villa waar de koningin haar gasten onderbracht wanneer ze op het eiland vertoefden. Het luxueuze gebouw met het terrein er omheen was in handen gekomen van rock tycoon Robert Stigwood. Zijn onderkomen was privé, maar het terrein zelf was tegen betaling te bezichtigen. Je kon er wandelen en de druivenstokken bezichtigen waar de plaatselijke wijn gemaakt werd. ‘Barton Manor, gardens & vineyards, the garden of the garden isle’, was in een folder te lezen. “Enjoy the complete Victorian experience. It’s total peace in paradise”. In een museum werd de wijn te koop aangeboden.

   Uit een onopvallend gebouwtje bij het museum klonk muziek. ‘If I can’t have you’, van Yvonne Elliman. Dat was een liedje van Barry, Maurice en Robin Gibb, verschenen op het RSO-label van Robert Stigwood. In 1978 had de single de bovenste plaats van de Amerikaanse hitparade bereikt. Elliman had al eerder carrière gemaakt met ‘I don’t know how to love him’, in de door Robert Stigwood geproduceerde rockmusical ‘Jesus Christ Superstar’.

   Toen Eric de ruimte binnenliep waar de muziek vandaan kwam, zag hij tot zijn verbazing wanden vol met gouden platen. Buiten was dat nergens aangegeven. Singles en elpees van de Bee Gees, Cream, Yvonne Elliman, Emerson, Lake & Palmer, ‘Jesus Christ Superstar’ en ga zo maar door. Het was allemaal goud en platina dat er blonk. Heel bijzonder was, besefte hij, dat er niemand rondliep om op de trofeeën te passen. “Ik had ze zo van de muur kunnen halen en onder mijn arm meenemen”, vertelde Eric.

   Het bezoek aan de ‘schatten van Robert Stigwood’ en het landhuis dat in die tijd een waarde had van ongeveer tien miljoen Engelse ponden, maakte grote indruk op Eric van den Berg. Voor het eerst werd hij, liefhebber pur sang van popmuziek, getroffen door de zakelijke kant van de platenbusiness. Blijkbaar was muziek meer dan muziek alleen. Zonder mensen als Robert Stigwood kwam er van het maken van een heleboel albums weinig of niets terecht.

 

De 'schatkamer' van Robert Stigwood (1995)
 

***

  

In 1978 leek het of er aan het succes van de zakenman geen einde kon komen. Jip Golsteijn verwoordde het als volgt: “Robert Stigwood is eigenaar van de Amerikaanse Top Tien. Van de 52 weken die 1978 telde nam een plaat van de Robert Stigwood Organization 44 weken de eerste plaats in, of hij nu gemaakt was door de Bee Gees, hun broertje Andy, John Travolta, Olivia Newton John, Samantha Sang, Yvonne Elliman, Eric Clapton of Frankie Valli”

   De toekomst zag er dan ook uiterst rooskleurig uit: “Als klap op de vuurpijl lanceerde Stigwood onlangs zijn nieuwste film ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’, een rock and roll-sprookje dat de produktiekosten van 12 miljoen dollar al in de eerste drie weken van zijn vertoning had terugverdiend, terwijl de soundtrack (met Peter Frampton, de Bee Gees, Earth, Wind & Fire, Paul Nicholas en een reeks andere sterren, variërend van de topkomiek Steve Martin tot acteur Donald Pleasance) als best verkochte plaat ter wereld van dit moment alleen nog ‘Grease’ moet laten voorgaan”, aldus Golsteijn.

   Stigwood gaf iets bloot van zijn achtergrond en manier van denken. “Ik heb ooit eens priester willen worden. Ook een schilderachtig beroep. Ik heb mijn studie bijna afgemaakt, maar toen ben ik van gedachten veranderd. Daar zie ik nog steeds de vinger van Onze Lieve Heer in, die ik overigens na die tijd niet meer gesproken heb. Daarna heb ik het kapitalisme als nieuw geloof aangenomen”.

 

Hoe goed Robert Stigwood ook was, de film ‘Sergeant Pepper’ werd in de verste verte niet het succes waar hij altijd van gedroomd had. De kritiek was in elk geval vernietigend. Langzamerhand trok hij zich terug uit de platenwereld en ging op andere terreinen zaken doen. Ook Barton Manor heeft hij inmiddels verkocht.

 

Harry Knipschild

26 maart 2011

Robert Stigwood is op 4 januari 2016 overleden.

 
 
Clips
 
Literatuur
Chris Hutchins, 'Robert Stigwood out of business', Billboard, 8 mei 1965
Steve Turner, Conversations with Eric Clapton, Londen 1975
Is Horowitz, 'Pop execs vie with acts for media attention', Billboard, 5 augustus 1978
Jip Golsteijn, 'Robert Stigwood: Ik loop perfect in de pas met de publieke smaak', in Popscore. Tien jaar popjournalistiek, Amsterdam 1979
David Leaf, Bee Gees, Naarden 1979
Deborah Geller, The Brian Epstein Story, Londen 1999
Hector Cook, Andrew Mon Hughes, Melinda Bilyeu, The Bee Gees. Tales of the Brothers Gibb, Londen 2003
Eric Clapton, De autobiografie, Amsterdam 2007