Zoeken

 

“Iedere stad wil een eigen poppaleis. Prestigieuze architectentbureaus bouwen volop nieuwe zalen. Oude zalen worden verbouwd. Het geld is er (meestal)”. Dat schreef Hester Carvalho op 28 oktober 2005 in NRC Handelsblad. “Zoals negentiende-eeuwse steden tegen elkaar opboden met hun operagebouwen, zo wil de stad van nu pronken met zijn onderkomen voor popmuziek. Er wordt niet op een euro gekeken. De gebouwen krijgen prominente locaties”.

  Als voorbeeld gaf de journaliste de tien miljoen euro kostende en drie jaar durende verbouwing van het Patronaatsgebouw op de Zijlsingel in Haarlem. “Het nieuwe gebouw staat op dezelfde plek waar ooit het oude Patronaat stond. Het gebouw ging van één zaal naar twee en de capaciteit werd verdubbeld: 1.100 in plaats van 550 bezoekers. Direct na de opening trok de glazen doos met zijn rubberen vloeren veel mensen. Rubber? En dat terwijl iedere schoenmaker je kan vertellen dat rubber stroef is. Daar valt niet op te dansen. In ieder van de twee ruimtes kan op 100 decibel muziek worden gedraaid, zonder dat ze last van elkaar hebben. Zo maakt het ophangsysteem waardoor de zalen los van de gebouwsconstructie blijven zich nuttig”.

 
Haarlem
 
Het moderne patronaat

 

Popmuziek was in de volle openbaarheid gekomen. De politiek was er zich top het hoogste lokale niveau mee gaan bemoeien. Met het neerzetten van dit soort gebouwen, het in stand te houden en het personeel goed te betalen, inclusief een pensioenvoorziening, was een heleboel overheidsgeld gemoeid. Popmuziek was ingebed in de samenleving. Het Patronaat bijvoorbeeld had een formele programmeur, een man. Zijn chef, de directeur, een vrouw. Vrouwen hadden wat bereikt in de samenleving, dus ook in de popmuziek. Directeur van poptempel De Effenaar in Eindhoven (kosten 14 miljoen euro) was eveneens een vrouw.

   Jeroen Blijleve, programmeur van het Patronaat, liet weten: “Ik heb hier zeventig bands in de maand staan. Dat is vijftig meer dan voorspeld”. Blijkbaar was de inschatting niet helemaal correct geweest. Er was nóg een probleem. Dat had te maken met de terugval in de cd-verkoop. “De bands willen meer geld per optreden. Anders komen ze niet”.

   “Iedereen is blij dat in het nieuwe gebouw toch nog de ‘oude’ sfeer hangt”, wist Antoinette van Zalinge, directeur van het Patronaat. Maar: “De popmuziek is volwassen geworden. Die hoort niet meer thuis in rokerige holen. En het publiek dat erop afkomt, wordt steeds jonger en ouder. Vroeger was popmuziek voor mensen van 16 tot 36. Nu loopt het door tot 66. De tijd dat je een popzaal kon exploiteren in een buurthuis of een oude kerk is voorbij. Popmuziek is professioneel geworden. Dus hebben we behoefte aan nieuwe zalen, met speciale, op pop toegesneden techniek en inrichting”.

   Hoe zat het dan met die rubberen vloer?

   “Zalinge heeft er nog geen commentaar op gekregen. Integendeel, in de twee zalen van het Patronaat wordt in het weekend de hele nacht gedanst”.

 

Popmuziek (een afkorting van populaire muziek) was afhankelijk van subsidie geworden. Waar geen of onvoldoende subsidie was, liep het slecht af. In Almere bijvoorbeeld, een stad met 177.000 inwoners in 2005. Almere had nog geen popzaal. Architect William Alsop kreeg opdracht in het nieuw te bouwen stadshart een complex met twee zalen neer te zetten, met een capaciteit van 1.250 bezoekers. ‘Muzinq’ kostte twaalf miljoen euro. Bouw en ontwikkelingskosten werden door de gemeente betaald. Vervolgens werd er een particuliere ondernemer gezocht om het gebouw uit te baten: zowel cultureel (popconcerten) als commercieel (disco).

  Anders dan in Haarlem gaf de gemeente geen exploitatiesubsidie. De gemeente droeg eenmalig 100.000 euro bij aan de programmering. De zaal moest zich verder zelf maar bedruipen. Een paar maanden na de opening in januari 2005 bleek dat een verbouwing 300.000 duizend euro te duur was uitgevallen en daardoor geen geld over was voor concerten. Een handicap was bovendien dat het gebied rond de zaal nog één grote zandvlakte was. De bezoekers wilden er niet doorheen. Omdat de gemeente de geldkraan dicht draaide en dicht hield moest de poptempel van Almere binnen een half jaar het faillissement aanvragen. Zonder subsidie geen popmuziek.

 

Meer subsidie nodig

 

In 2007 besteedde de Volkskrant een aantal artikelen aan de ‘wankele tempels’. Wankel in die zin dat hun voortbestaan, evenals dat van clubs in het betaalde voetbal, steeds weer afhankelijk was van geld van de politiek, overheidsgeld dus. Het aantal tempels was intussen alleen maar groter geworden. “Geen land ter wereld is zo verzadigd van poppodia als Nederland. Ongelooflijk, hoor je vertegenwoordigers van buitenlandse boekingskantoren zeggen op seminars over de popindustrie: elke middelgrote gemeente in Nederland heeft een eigen poptempel, soms zelfs twee, helemaal klaar voor een perfecte uitvoering van een avondje populaire muziek”.

  Robert van Gijssel van de Volkskrant liet op 15 maart van dat jaar een ‘cultureel onderzoeker’ aan het woord. Leon Zwaans werd, was te lezen, door veel gemeenten ingeschakeld bij haalbaarheidsonderzoeken voor nieuwe poppodia. Zijn conclusie: er moest meer in mensen geïnvesteerd worden. “Nodig zijn een nieuw management, een nieuwe directeur, professionals die een bedrijf kunnen runnen en commercieel denken”. Zwaans citeerde een uitspraak van Rick van der Ploeg (PvdA), voormalig staatssecretaris van Cultuur: “Wie peanuts betaalt, krijgt apen in dienst”. De onderzoeker was tevens van mening dat er vooral niet bezuinigd moest worden op de klimaatbeheersing. In een tempel te Breda had onvoldoende budget problemen gegeven als het te warm was.

   Gebleken was dat er meer geld in de poppodia gestopt moest worden. Die werden nog steeds onderbedeeld ten opzichte van andere cultuuruitingen. Paul van Oort, een man, directeur van Hedon in Zwolle: “Leg mij eens uit waarom een professioneel poppodium, waar ook nog eens vijftig vrijwilligers nachtenlang doorhalen, het moet doen met drie ton, waar een schouwburg een miljoen krijgt”.

  Ook het Patronaat in Haarlem had te weinig subsidie gekregen. “Het Haarlemse podium was in grote problemen gekomen, koud een jaar na de opening van de nieuwbouw”. Ondanks een gemeentelijke subsidie van 400.000 euro was er een financieel tekort van ruim 300.000 euro, omdat volgens de directeur ‘het onderhoud van het transparante gebouw meer geld kostte dan voorzien’.

  Hoeveel subsidie er ook gegeven werd, het was altijd te weinig.

 

Hans Lukkien over optreden in rokerige holen in de Sixties

 

Hans Lukkien (geboren in 1949) had in de jaren zestig heel andere ervaringen. Op 9 februari 2011 kwam hij zijn verhaal vertellen. Van een oom kreeg hij in 1961 een kapotte radio cadeau. Tot zijn verbazing wist hij het apparaat toch nog aan de praat te krijgen. Ineens kon hij naar radio Veronica luisteren. Zijn moeder hield van klassieke muziek, de smaak van zijn vader omschreef hij met het woord ‘Ramblers’. De radio bracht heel wat te weeg. “Ik vluchtte in het luisteren naar muziek”. Hans hield in die tijd vooral van ‘tearjerkers’ – de melodieuze platen van Frankie Avalon (‘Venus’, ‘From Bobbysox to Stockings’), Everly Brothers en de Searchers.

  Ook de gewone omroepen waren begonnen met af en toe popmuziek ten gehore te brengen. Dat gaf Hans een positief gevoel. Een gevoel van erkenning. Die muziek, die door zijn ouders zo verfoeid werd, was blijkbaar zo gek nog niet. Nog mooier was het toen de VARA het programma ‘Top of Flop’ op de televisie begon onder leiding van presentator Herman Stok. Nog meer erkenning.
  Andere tv-programma’s met (daarin eventueel) popgroepen kreeg hij niet te zien. “Mijn ouders waren de baas. Zij bepaalden waar we naar keken”.
 
Taylor Vince
Vince Taylor
 

In 1961 kwam Hans Lukkien op de HBS van het Huygens Lyceum in Voorburg. Een medeleerling was Rob Segers. Dat was een ‘Indo’. Met een grote kuif speelde Rob gitaar in een Voorburgse Indo-band, de Black Jewels. Helemaal in de stijl van de Frans-Engelse rocker Vince Taylor (pseudoniem voor Brian Holden, 1939-1991). “Als ik later groot en sterk ben wil ik ook in een groep spelen”, nam hij zich nadrukkelijk voor. Evenals veel leeftijdgenoten werd Hans zo door popmuziek in beslag genomen dat er van studeren weinig of niets terecht kwam. Nadat hij twee keer in dezelfde klas was blijven zitten moest hij de HBS verruilen voor de Mulo.

  Hans kocht een tweetal grammofoonplaten. ‘Apache’ en ‘Foottapper’. Alle twee van de Shadows, de begeleidingsgroep van Cliff Richard. "Die groep was voor zijn ouders nog wel verteerbaar. De leden van de Shadows en andere bands in die tijd droegen allemaal gelijke pakken en deden tijdens het spelen gelijke pasjes". Bij de komst van de Beatles, ‘met hun haar naar voren gekamd’, kon hij niet meer op goodwill van zijn vader en moeder rekenen.

 

In de zomer van 1966 werd Hans gevraagd om de drummer van de Limits te worden. Die groep bestond al een paar jaar. De Voorburger had echter nog nooit gedrumd. Dat bleek geen probleem. Na wat lessen deed hij voor het eerst met de band mee. Dat was in de Fjord, een zaaltje in zijn woonplaats met ruimte voor tachtig liefhebbers van beatmuziek. Johan van Boven van de Voorburgse Courant legde het op 17 februari 1967 vast: “Na twee jaar repeteren traden The Limits in oktober van het vorige jaar voor het eerst op in de wel-bekende jeugd-sociëteit aan de Zwartelaan. Dit debuut is de jongens steeds bijgebleven, vooral doordat aan het begin van die bewuste avond de deuren van de overvolle zaal gesloten moesten worden en tientallen fans huilend huiswaarts keerden”.

   Van Boven vatte de geschiedenis van de groep als volgt samen: “Wanneer we de klok eens twee jaar terug zouden zetten en je zou in de Koninginnelaan in Rijswijk lopen dan zou het niet onwaarschijnlijk zijn dat je klanken van elektrische gitaren opvangt. Dat waren dan de prille klanken van enkele vrienden, leerlingen van het Huygens Lyceum en de Vliet-ULO, die een bandje hadden geformeerd, een frequentief verschijnsel in de ook toen reeds ‘hippe’ tijd”. De Limits bestonden uit ‘zanger Allert de Lange (17), sologitarist Bert Touw (16), slaggitarist Occo Binnendijk (17), basgitarist Roel Alofsen (18) en drummer Hans Lukkien (17)’.
  Hoe keken de leden van de band aan tegen de toekomst?
  “Eensgezind wisten de jongens te vertellen: ‘We hopen nooit verwaand te worden’”.
 
the limits 1966-1
Hans Lukkien, midden met bril, 1966
 

In dezelfde krant was de hitlijst van Voorburg opgenomen. Die gaf een mooi beeld van de tijd. In de toptien stonden maar liefst zes (!) Nederlandse popacts: Boudewijn de Groot, Rudy Bennett van de Motions met zijn soloplaat ‘How can we hang on to a dream’, Q65, de Tee Set met ‘Don’t you leave’, de Shoes, en op de bovenste plaats de Sandy Coast uit het ‘eigen’ Voorburg met ‘A Girl like You’. Succesvolle buitenlandse groepen waren de Rolling Stones (‘Let’s spend the night together’) en de Spencer Davis Group met zanger Stevie Winwood (‘I’m a man’).

 

Waren jullie er niet op uit om ook zelf platen te maken en de wereld te veroveren, vroeg ik aan de drummer. Dat was niet het geval. “Evenals veel andere groepen hadden wij maar één wens: elke zaterdagavond optreden. Daar ging het ons om”.

   Zaaltjes in Voorburg en omgeving waren er volop. Namen noemen was geen probleem. Hans had een bijna eindeloze reeks namen. Ik moest hem herhaaldelijk onderbreken om ze allemaal te kunnen opschrijven. Om er enkele te noemen: Het Groene Huisje (Voorburg), Don Bosco (Rijswijk), het patronaatsgebouw (Leidschendam), CJMV (Christelijke Jonge Mannen Vereniging, Prinsengracht, Den Haag), Casino (Scheveningen), De Hoeksteen (Den Haag), De Crypte (onder de Fatima-kerk, Den Haag), Kwink (Voorburg), het Huygens Luceum (Voorburg), De Haard (Den Haag). Hans liet me een kranteknipsel zien met de rubriek ‘Beat Waar?’ Daar zag ik nog veeeel meer namen, onder andere Amicitia, De Bunker, Club 66, De Brug, Eekhoorn (Wateringen), Witte Paard (Nootdorp), Engelenburg. Er kwam gewoon geen einde aan die lijst.

 

De Limits op tournee

 

Lukkien vertelde me hoe het er op zo’n zaterdag toeging. ’s Middags repeteerden ze. In het begin deden ze dat bij zanger Allert thuis. Ze speelden dan op oude radio’s. De ouders waren meestal niet enthousiast. “Kan die herrie wat zachter!” kregen ze met de regelmaat van de klok te horen. “De buurman bonkte op de muur of het zachter kon. Later oefenden we in de garage van schoolvriend Arnoud Koek, die vervolgens onze manager werd. Ook zijn buren bonsden hartgrondig op de garagedeur of het veeel zachter kon”.

   Alvorens af te reizen naar de zaal van de week aten ze samen een kroketje bij Stuut op het Westeinde in Voorburg.

   De oude radio’s werden vervangen door echte apparatuur. “Roel z’n vader bouwde de speakerkasten en de vader van Bert de versterkers”. Ze konden zich nu dus niet zomaar verplaatsen. Een rijbewijs hadden ze nog niet. De jongens zaten nog op school. Frans, een melkboer uit Leidschendam, was bereid te helpen. “Op zaterdagmiddag werkte hij zijn zuivelklanten snel af terwijl wij bij Servaas of Wissink snaren en stokken kochten en de laatste bandfoto bij de kassa opprikten. Wij kropen met onze instrumenten achterin het naar kaas en yoghurt stinkende busje. Zuignapbordje met The Limits achterop en rijden maar. Bukken achter de versterkers zodra je politie zag. Het was immers verboden personen in een melkbusje te vervoeren”.

 

Lukkien - lijstje 1-1

 

Uit de woorden van Hans begreep ik dat al die zaaltjes er in grote trekken hetzelfde uitzagen. In het midden een dansvloer. Links en rechts van de vloer tafeltjes. Aan de ene kant de meisjes, aan de andere de jongens. Op de bühne de beatgroep. In de zaal was het altijd blauw van de rook. De leden van de band op de bühne mochten niet roken. “Er liep iemand rond met een brandweerachtig pak. Die zag erop toe dat het podium rookvrij bleef. Zodra de muziek begon renden de jongens naar de meisjes toe en vroegen hen ten dans. Wij speelden ons repertoire af. Meestal duurde het optreden tot een uur of half elf”.

   De Limits was geen top 40-groep. Ze speelden dan ook geen repertoire van de Sandy Coast of andere Nederlandse groepen. Hans was opgegroeid met het melodieuze repertoire. Dat was niet wat de Limits deden. Hij had een setlist bewaard, een verfromfraaid velletje papier met de liedjes aan twee kanten opgeschreven. Ik las tientallen bekende titels. ‘I wish you would’ (Yardbirds), ‘All day and all of the night’ (Kinks), ‘Gloria’ (Them), ‘Big Boss Man’ (Jimmy Reed), ‘Rosalyn’ (Pretty Things), ‘Rainin’ in my Heart’ (Slim Harpo), ‘Walking the Dog’ (Rolling Stones), ‘Bye Bye Johnny’ (Chuck Berry). De leden van de groep waren gek op het ruige werk van die tijd. Ze hielden ook erg van blanke bluesmuziek. De (steeds wisselende) Bluesbreakers van John Mayall was een van hun favoriete groepen.
 
Hun gage varieerde van tachtig tot ruim honderd gulden. Ze betaalden de benzine van de melkboer, manager Arnoud Koek kreeg tien procent. Na afloop gingen ze terug naar Voorburg. Samen met al die andere groepen uit Voorburg wisselden ze bij Stuut stoere verhalen uit terwijl ze ieder nog een kroketje consumeerden. De gage ging in de pot voor drumstokken, instrumenten en apparatuur.

 

De leden van de groep konden zich lang niet alles permitteren. Tijdens het optreden mochten ze vooral niet te hard spelen. Als ze dat toch deden kregen ze eerst een waarschuwing. Als ze er onvoldoende gehoor aan gaven werd door de exploitant van de zaal de elektriciteit afgesloten. Dan was het snel afgelopen.

   De jongens zaten nog op school. “De directeur wond zich op over de manier waarop tieners zich kleedden. Zeer ordinair, schokkend zelfs, vond hij de haardracht van de Beatles. Daarom wilden wij er juist zo uitzien: we kamden onze haren strak over het voorhoofd en gingen minder vaak naar de kapper. De directeur zei: ‘Als het je op deze school niet bevalt, dan donder je maar op’ en controleerde ons steeds strenger. Hij dreigde ons met tijdelijke of zelfs permanente verwijdering. Na de zomervakantie stond de directeur met een liniaal bij de deur. Hij besliste of je de school in mocht, of eerst naar de kapper moest. Ik mocht de school niet in. Mijn haar moest gekort worden. Dat heb ik maar gedaan”, aldus Hans Lukkien.

 

Ondanks het ontbreken van een eigen plaat wisten de Limits heel wat te bereiken. Ze slaagden erin op te treden op het stedelijk gymnasium van Schiedam. En zelfs nog verder. Op camping Het Grote Bos in Driebergen hoefden ze niet te betalen omdat ze er een optreden verzorgden. Arnoud Koek, hun actieve manager, wist nog meer te bereiken op basis van persoonlijke contacten: een serie optredens op vliegbasis Soesterberg. Dat leverde niet minder dan tweehonderd gulden op. De manager hield er zelf twintig gulden aan over, de rest werd besteed aan benzine en bandkosten.
 
De pers was van dat succes op de hoogte. Tijdens de aankondiging van het ‘Soul- en Beatfeest’, op 25 en 26 oktober 1968 in de Voorburgse Vliegermolen, werden de Limits en de Sandy Coast in één adem genoemd – beide groepen waren immers ‘al bekend tot over de randgemeentegrenzen’. Andere acts tijdens het festijn waren Cuby & the Blizzards, Rob Hoeke, Shirley [Zwerus], Buffoons en de Golden Earrings.
 

poster 1968-1

 

Het absolute hoogtepunt in hun carrière was een optreden in het voorprogramma van de Earrings in Leidschendam op 13 september 1968. Hoe ging dat vroeg ik hem. Hij kon er zich niets, werkelijk niets meer van herinneren.

 

Veel progressie zat er niet meer in. Probeerde je niets te leren van buitenlandse groepen als die voor de Nederlandse tv optraden, vroeg ik. Dat ging niet want zijn ouders stonden niet toe dat hij naar die programma’s keek. Hans had een andere oplossing. Om wat geld te verdienen werkte hij op zondagmiddag in de keuken van Hoornwijck (Rijswijk). In het etablissement waren dan concerten van topgroepen als de Motions, Sandy Coast, Daddy’s Act en de InCrowd. Omdat hij er werkte kon hij gratis naar het optreden kijken. “Zo ontdekte ik dat het mode werd de bekkens omhoog te doen. Dat ben ik toen zelf ook gaan doen”. Een enkele keer ging hij naar buitenlandse groepen in Scheveningen kijken. “Organisator Jacques Senf stond bij de ingang. Niet iedereen liet hij binnen. Hij zei: ‘die wel en die niet’. Ook al had je geld voor een kaartje, dan nog was je van de willekeur van Senf afhankelijk of je toegelaten werd. Dat vond ik heel raar. Maar hoe dan ook, ik heb John Mayall’s Bluesbreakers en Fleetwood Mac met Peter Green zien optreden”.
 

In 1970 hield Hans Lukkien het bij de Limits voor gezien. Maar in de loop der tijden kwamen de leden van de groep toch weer bij elkaar om de muziek te spelen van vroeger. Repeteren was bijna niet nodig. Door al die optredens in al die zaaltjes voelden ze feilloos aan wanneer de een dit en de ander dat moest doen. Tot op de dag van vandaag.

 

***

 

De tijden zijn veranderd. Zoon Jurrian zat op de Dalton. De school had een eigen drumstel. Dat mocht hij lenen als hij het nodig had. Dochters Mira en Susan kregen op het Maartens Luceum tijdens de les zelfs de vraag voorgelegd: “Hebben jullie wel eens van de Beatles gehoord?”

   In de jaren zestig was popmuziek voor Hans Lukkien een ware revolutie. Door zich met die muziek bezig te houden zette hij zich af tegen de ouderen en ging op zoek naar een wereld vol idealen. Die tijd is voorbij. Popmuziek is overal. Ook in Voorburg. Op 10 juli 2010 onthulde een wethouder het nieuwe stadsbaken voor popmuziek uit de jaren ’60 en ’70. In de hitte zong Hugo van Haastert op de Spinozalaan. Even later werd in het plaatselijke museum een officiële tentoonstelling geopend over de popmuziek in Voorburg. Lukkien hield een prachtige nostalgische rede. Hij eindigde met de woorden “Kan die pestherrie wat zachter”. Door een klap op een drumstel te geven verklaarde Hans de tentoonstelling voor geopend.

 

Nederland schreeuwt om cultuur-1

 
 

Zijn er nu betere tijden voor Nederlandse popgroepen aan gebroken? Dat is maar de vraag. In februari 1967 bestond de top tien van Voorburg uit zes Nederlandse popacts. In de Nederlandse top 40 van februari 2011 vind je geen enkele popgroep die omhoog is gekomen in het circuit van de met tientallen miljoenen gesubsidieerde poptempels. De grote successen van nu, voor zover ze Nederlands zijn, komen voornamelijk van de talentenjachten die door de niet-publieke omroep aan de lopende band georganiseerd worden. Ze kunnen het beste als ‘entertainers’ omschreven worden en zeker niet als rauwe rockers.

   Intussen gaan de plannen om poptempels te bouwen door. In de Limburger van 27 januari 2011 werden twee pagina’s besteed aan een discussie over een poptempel in Maastricht. De goedkoopste oplossing kwam van Jan Smeets, al tientallen jaren de baas van Pinkpop. “Maastricht heeft al een poppodium: de Platte Zoal. De ligging is ideaal, vlakbij het station. Je hebt ongeveer twee miljoen nodig om het op te knappen, maar dan ben je ook klaar”. Twee miljoen euro (4,5 miljoen gulden), een koopje in deze tijd. Volgens Guido Wevers ‘is een poptempel een voorwaarde als Maastricht Culturele Hoofdstad van Europa in 2018 wil worden’. Zoals het nu is kan het niet meer, vindt ook Jaco Meijer. “Ik heb langs de wanden een stuk of tweeduizend elpees en cd’s staan. Maar voor concerten kar ik doorgaans maar Eindhoven (Effenaar). Tilburg (013), Utrecht (Tivoli) of Amsterdam (Paradiso, Melkweg). Zelfs in Hasselt heb ik meer bandjes gezien dan in Maastricht”.

   Niet zolang geleden liep ik door Haarlem. Ik passeerde het Patronaat. De waarschijnlijk goed gehonoreerde directie van het gesubsidieerde pop-gebouw had overal posters laten ophangen. “Nederland schreeuwt om cultuur” las ik. Wat hebben al die subsidies aan goeie Nederlandse popgroepen opgeleverd vroeg ik me af. Waar zijn de tijden van de hits van de Earrings, Shocking Blue, Tee Set, Super Sister, Cats, George Baker, Super Sister, Alquin, Earth & Fire, Solution, Focus, Kayak enzovoort. Is er misschien niet genoeg gesubsidieerd de laatste tijd?

 

Harry Knipschild

11 februari 2011
 
Clips
 
Literatuur
'De Top Tien van Voorburg', Voorburgse Courant, 17 februari 1967
Johan van Boven, 'The Limits hebben kostbaar bezit', Voorburgse Courant, 17 februari 1967
'Swingen met The Limits', De Postiljon, 26 februari 2004
Hester Carvalho, 'Ze houden van hard. De vernieuwingsdrift van Nederlandse popzalen', NRC, 28 oktober 2005
Ron Rijghard, ''We zijn ingehaald door de danceclubs'' [over poppodium Nighttown, Rotterdam], NRC, 20 juli 2006
Robert van Gijssel, 'Poptempels in nood door amateurisme en geldgebrek', Volkskrant, 15 maart 2007
Robert van Gijssel, 'Wankele tempels', Volkskrant, 15 maart 2007
'Kamervragen over beleid poppodia', Volkskrant, 21 maart 2007
Berend Schans, 'Poppodia zijn te redden', Volkskrant, 23 maart 2007
Chris Verhoeven, 'Schaalvergroting is de enige oplossing', Volkskrant, 23 maart 2007
Jan Hiddink, 'Nieuwe poppodia zijn te groot', Volkskrant, 30 maart 2007
Wieteke van Zeil, 'Goudvis [poppodium, Arnhem] gaat op in Luxor, Volkskrant, 11 april 2007
Charlotte Huisman, '[Poppodium] Tivoli: geen fusie met Muziekpaleis [Utrecht]', Volkskrant, 17 juni 2007
'College Rotterdam trekt stekker uit [poppodium] Watt', De Pers, 4 juni 2010
'Poppodium Watt vraagt faillissement aan', De Pers, 16 juni 2010
'Onderzoek naar faillissement Watt', De Pers, 24 juni 2010
'The Limits', Weekkrant Voorburg, 22 juli 2010
Jules Enthoven, 'Poppodia redden met films en een circusleeuw. Acts niet winstgevend. Bezuinigingen', De Pers, 23 november 2010
Jaco Meijer, 'Topzaal [in Maastricht] een mooie droom', De Limburger, 27 januari 2011
Branko Eijssen, 'Popzaal: ja of nee. Is Maastricht de geschikte stad?', De Limburger, 27 januari 2011