Zoeken

 

Antoine ‘Fats’ Domino (geb. 26 februari 1928, New Orleans) was 77 jaar oud in het vroege najaar van 2005. Plotseling stond hij in het middelpunt van de belangstelling. Elk jaar in die tijd wordt het zuiden van het Amerikaanse continent getroffen door orkanen. In 2005 was New Orleans aan de beurt. De stad was niet op ‘Katrina’ voorbereid. Grote delen liepen snel onder water.
 
 
Katrina in 2005
 
 
Op 1 september 2005 meldde Roger Friedman in zijn column op Fox News dat tal van artiesten een goed heenkomen hadden moeten zoeken. Van Irma Thomas was al enige tijd niets meer vernomen. De club van de zangeres (Lion’s Den) stond onder water. Voor alle duidelijkheid legde Friedman uit dat Irma (‘New Orleans Queen of Soul’) de originele versie had gemaakt van ‘Time is on my side’. De Rolling Stones hadden haar song gekopieerd. Met hun bewerking van Amerikaanse rhythm & blues-muziek waren de Britten zo beroemd geworden dat toeschouwers tijdens hun Amerikaanse toernee op dat moment 450 dollar per kaartje moesten betalen. “Laten we voor Irma Thomas bidden”, aldus Friedman.
  Ook voor het leven van Antoinette, de weduwe van R&B zanger Ernie K-Doe (1936-2001), werd gevreesd. De familie van K-Doe (eigenlijk: Kador) runde een nachtclub op North Claiborne Avenue, die naar zijn grote hit ‘Mother-in-law’ (1961) vernoemd was.
 
Beter zag het er uit voor Allen Toussaint. Die had Katrina in elk geval overleefd. Maar Allen zat wel met 25.000 stadgenoten opgesloten in de New Orleans Superdome. De journalist benadrukte nog eens hoe belangrijk hij was voor de muziekwereld. Toussaint was de componist van ‘Lady Marmelade’ (Patti LaBelle), ‘Right Place, Wrong Time’ (Dr. John) en ‘Java’ (Al Hirt). Als arrangeur van ‘Kodachrome’ had hij samengewerkt met Paul Simon. Vanuit de Superdome wist Toussaint met zijn dochter contact op te nemen en zo was het nieuws de wereld in gekomen.
   Arthel Neville, werkzaam bij Fox News, had collega Friedman op de hoogte gebracht van de wederwaardigheden van de Nevilles. Aaron en de rest van de artiestenfamilie Neville waren op tijd uitgeweken naar Memphis. Daar zaten ze dan in een hotel af te wachten wanneer ze naar New Orleans konden terugkeren.
   Arthel had bijna huilend aan de telefoon gezegd: “This isn’t like having two feet of water in your basement. Everything is destroyed. I am just so lucky to have been born here and to have had the experience of New Orleans”.
 
Voor de stad en de rest van de wereld (‘urbi et orbi’) stond Fats Domino in het middelpunt van de belangstelling. Was hij nog wel in leven? Voordat de orkaan het vasteland bereikte had Fats zijn manager Al Embry gebeld dat hij die samen met vrouw en dochter thuis zou uitzitten. Vervolgens was er niets meer van hem vernomen.
   Niemand van de politie en zelfs Kathleen Blanco, gouverneur van Louisiana, was op de hoogte van de wederwaardigheden van de zanger van hits als ‘Blue Monday’, ‘Ain’t that a shame’, ‘Blueberry Hill’ en ‘I’m Walking’. Op zijn oude dag was Fats Domino ineens wereldnieuws. Een paar dagen lang haalde hij het televisiejournaal.
 
Op 3 september 2005 was Fats weer ‘boven water’. Eli Saslow van de Houston Chronicle liet enkele betrokkenen aan het woord. Manager Embry benadrukte vanuit Nashville nog eens dat hij de zanger tijdig aangeraden had zijn huis te verlaten. “Antoine said he had a boat and a generator if he needed it. He told me he wasn’t going to leave New Orleans and that I should wait and pray for him. I hung up the phone and started to cry. I honestly never thought I’d talk to him again”.
   Achteraf bleek dat Fats toch vlug in een boot gestapt was. Samen met vrouw Rosemary, twee dochters en een schoonzoon was hij naar de rand van de stad gevaren. Reddingswerkers hadden hem naar Baton Rouge overgebracht. Een familievriend, honkballer JaMarcus Russell, had Domino na twee uur wachten opgehaald en hem in zijn overvolle huis onderdak gegeven. Daar verbleef hij drie dagen en nachten zonder dat de rest van de wereld op de hoogte was. “Fats just stayed at my apartment, rested, watched the news. I’ve had people sleeping on the floor, the couch, everywhere. It’s been pretty crazy”.
   Fats zelf was gelaten en verdrietig. “We’ve lost everything. I don’t know what we’re going to do. I never wanted to leave. It was God’s will. That’s all I know. I’m worried about all the people in New Orleans. Tell them I love them and I wish I was home with them. I hope we’ll see them soon”.
   Toen president Bush het rampgebied bezocht liet hij niet na met Fats op de foto te gaan. Domino had nog nooit zoveel media-aandacht gekregen als in het najaar van 2005.
 
 
 
058-1 Domino, Fats & George Bush
 
Onbekende artiest
 
 
Fats Domino had in Amerika al jarenlang carrière gemaakt zonder al te veel bekendheid in Nederland en de rest van Europa te krijgen. Met zijn plaat-debuut ‘The Fat Man’ kwam hij op 24 maart 1950 voor het eerst de bestsellerlijsten van Billboard binnen. Met ‘Goin’ Home’, ‘Goin’ to the river’ en ‘Please don’t leave me’ bereikte hij de hoogste regionen van de rhythm & blues-chart. ‘Ain’t it a shame’, geschreven in samenwerking met producer Dave Bartholomew, zorgde in 1955 voor een doorbraak in de ‘gewone’ top 100. Maar zijn eigen vertolking werd niet hoger dan 16 genoteerd, terwijl de cover van Pat Boone op 2 terechtkwam. Met zijn versie van ‘Blueberry Hill’ bereikte hij een jaar later de vierde plaats.
   De platen van Fats Domino werden in Engeland en ook in Nederland vanaf 1956 goed verkocht. Maar wie Fats Domino was, daar kon je nauwelijks iets van vernemen. Bij het natrekken van oude Nederlandse kranten op het internet heb ik bar weinig gevonden. In oktober 1957 draaide de film ‘Je kunt ’t haar niet kwalijk nemen’ in Leiden. Dat was de Nederlandse vertaling van ‘The girl can’t help it’, met behalve Domino (anderhalve minuut ‘Blue Monday’) ook de Platters, Treniers, Eddie Cochran, Gene Vincent, Nino Tempo en Little Richard. Het Luxor Theater plaatste een extra advertentie in het Leidsch Dagblad. Niet vanwege Fats Domino maar omdat de blonde actrice Jayne Mansfield een paar dagen later persoonlijk in de bioscoop aanwezig zou zijn.
   In mei 1960 slaagde het maandblad Tuney Tunes er zo waar in twee foto’s van Fats Domino af te drukken. De tekst sprak boekdelen: “Het is gelukt. Eindelijk kregen we twee zeer eksklusieve foto’s in handen van ons aller Fats Domino. Op de ene foto zien we Fats samen met zijn vrouw in de keuken. Op het fornuis: Fats’ lievelingsgerecht – gekookte olifantslurf! De andere kiek laat het moment zien, waarop Domino een gouden plaat krijgt aangeboden voor de top-verkoop van z’n Imperial-plaat ‘Country Boy’. Dat gebeurde allemaal voor de televisie, zoals u ziet! En Fats glunderde als nooit tevoren!”
   De tekst was van Skip Voogd. Toen ik hem in 1964 ontmoette en om informatie vroeg, legde Skip uit dat hij in die tijd niet over gegevens beschikte. De journalist was al blij dat hij in 1960 foto’s in handen kreeg. De tekst had hij uit zijn duim moeten zuigen. “Fats was een ster. Ik kon toch moeilijk schrijven dat hij van kippensoep hield. Daarom maakte ik er maar gekookte olifantslurf van”, zei hij met een glimlach om zijn mond.
   Een redacteur van het Dagblad voor Amersfoort ontdekte in 1961 dat Fats al jaren in het vak zat. Domino had zelfs na Elvis Presley en Bing Crosby de meeste grammofoonplaten verkocht. Meer dan vijftig miljoen. Fats beschikte dan ook over ‘zo’n stuk of twintig gouden schijven’. Om dat te bereiken moest je in Amerika minstens één miljoen exemplaren van een single verkopen. “Fats zingt op de bekende manier in rhythm and blues stijl. Geen rock, zegt hij zelf, want mijn manier van zingen is al meer dan vijftig jaar oud en stamt uit de tijd waarop ’t etiket ‘New Orleans’ past”.
 
  
058-2 Domino 1962.11.03-4 Amsterdam
Concertgebouw Amsterdam, 4 november 1962
 
In 1962, twaalf jaar na zijn eerste succes, reisde Fats Domino naar Europa. Toen ik in de zomer van dat jaar in Frankrijk vertoefde hoorde ik zijn optreden op het festival van Juan-les-Pins op de Franse radio. Langs de weg waren posters opgehangen met de aankondiging van zijn optreden. In november 1962 kwam Fats naar Nederland. Op één avond trad hij met een orkest onder leiding van Dave Bartholomew twee keer op, eerst in het Kurhaus (Scheveningen) en kort na middernacht in het Concertgebouw van Amsterdam. Voorafgaand aan het tweede concert, op 4 november, was ik in de gelegenheid met Fats en enkele leden van het orkest kennis te maken. In die tijd was ik redacteur van het blad Rhythm & Blues dat door Piet Nooy in Hoorn werd uitgegeven. De zaal zat stampvol enthousiaste aanhangers van de beroemde maar tegelijk onbekende artiest. Een van de hoogtepunten van het optreden was ‘When The Saints go marching in’. Fats bleef achter de piano zitten. De leden van het orkest liepen al spelend door de zaal.

 

Succes en eenvoud

 
 

Met de platencarrière van Fats was het in Amerika min of meer gedaan op het moment dat hij pas echt goed doorbrak in Nederland. In de zomer van 1960 stond hij met ‘Walking to New Orleans’ voor het laatst in de top tien genoteerd. Nog twee keer bereikte hij de top twintig: met ‘My Girl Josephine’ (1960) en ‘Let the four winds blow’ (1961). In 1963 verruilde Domino Imperial voor ABC Paramount Records. Met ‘Red Sails in the Sunset’ op dat label kwam hij nog een keer op de 35ste plaats. Juist die laatste nummers waren zijn grote successen in Nederland. In de eerste helft van de jaren zestig was Fats Domino een van de best verkopende pop-artiesten in ons land. Hij had een grote schare aanhangers. Oude nummers als ‘Blueberry Hill’, ‘Ain’t that a Shame’, ‘My Blue Heaven’ en ‘I’m walking’ werden bekender dan ze hier ooit geweest waren.

 

Hélène van Liempt-Ackermann was een fan van het zuiverste water. In haar belevingswereld was Fats zo ongeveer ideaal. Van Liempt vertolkte haar gevoelens in het boekje ‘Fats Domino’ (Eindhoven, 1969) dat ze zelf uitgaf. “Ik had het voorrecht enkele concerten van hem bij te wonen en hem te ontmoeten en in zijn huis te New Orleans, waar hij zelf in verband met zijn tournees, niet aanwezig was, zijn vrouw en kinderen te bezoeken”.

   Niet zonder bedoeling had ze haar verhaal geschreven. “Fats, één der groten in de rij der pioniers, verdient zeker meer dan oppervlakkige aandacht voor zijn strijd, leven, werken en uiteindelijke erkenning als musicus. Het is onbegrijpelijk dat de Nederlandse televisie een musicus van een dergelijk formaat niet op het scherm brengt. Moge dit boekje er toe bijdragen, dat alle misvattingen die over Fats en zijn muziek bestaan, uit de weg geruimd worden”.

 

In het boekje gaf de auteur lucht aan haar frustraties. “Het is zeer betreurenswaardig en een bittere teleurstelling dat Fats na al die jaren bij de Nederlandse televisie nog altijd persona non grata is. Naar gewone maatstaven gemeten zou hij hier allang persoonlijk, in shows of tv-films, een geïntegreerde artiest moeten zijn. Niet enkel om zijn grote platenverkoop of om zijn vele hits, maar vooral omdat hij zich als live-artiest onafgebroken aan de top heeft weten te handhaven. Maar de afkeer van en de vooroordelen over deze muziek zijn altijd zo geweest, dat de hoge dikke muur van onbegrip nog stevig overeind staat. Blijkbaar is volgens de normen die zij aanleggen de muziek van Fats te vrolijk en te swingend en vinden ze het zonde om hier geld voor uit te geven”.

   Mevrouw Van Liempt was woedend. “Als iemand goed genoeg wordt geacht om belasting en kijkgeld te betalen, moet hij ook een eigen mening over kunst en muziek mogen hebben en moet hij er ook op kunnen vertrouwen, dat er eens rekening mee wordt gehouden. Het is een onduldbare toestand dat enkele mensen voorschrijven wat cultureel is. Ze zijn ervan overtuigd, dat zij de gave hebben om dit feilloos vast te stellen. Er zijn mensen [ongetwijfeld zij zelf] die op geregelde tijden bij de omroeporganisaties geprotesteerd hebben en geprobeerd hebben om deze kwestie in de openbaarheid te brengen. Tot nu toe hebben ze enkel onbegrip en tegenwerking ondervonden en in het gunstigste geval vage beloften gekregen voor een verre toekomst”.

 

Ondanks haar jarenlange onderzoek, ontmoetingen met de artiest en een bezoek aan zijn huis in New Orleans wist Van Liempt maar weinig over het leven van Fats Domino te vertellen. Voor haar en heel wat andere Domino-aanhangers stond voorop dat Fats geweldig succesvol was, zowel tijdens de optredens als op de plaat. Het aantal gouden platen was volgens het boekje inmiddels opgelopen tot vijfentwintig.

   Tegelijk was de artiest eenvoudig gebleven. Dat gold ook voor zijn liedjes. “De eenvoudige pakkende songs in de geheel eigen stijl van deze negerartiest hebben de wereld veroverd. Voor zijn schare bewonderaars is hij een eenvoudig, hartelijk mens en een groot artiest zonder franje. Voor zijn gezin de zorgzame echtgenoot en vader. Voor zijn producer het kleine jongetje. Voor zijn stadgenoten de man die altijd dezelfde is gebleven en die zich nooit heeft losgemaakt van het milieu, waaruit hij voortkomt en die in de wijk is gaan wonen, waar zijn vrouw is opgegroeid en dicht bij haar familie kan blijven”.

   ‘Activiste’ Van Liempt had op de duur succes. Steeds vaker kwam Fats Domino in Nederland optreden. Ook op de televisie ontbrak hij niet.
 
 
 

De extravagantie van Fats Domino

 
 
058-3 Domino 1960.07 huis
 
 
In ‘Blue Monday’, de biografie die Rick Coleman in 2006 publiceerde, bleek Fats minder ‘eenvoudig’ te zijn. Bij de ondertekening van zijn tweede contract met Imperial Records in 1951 liet de artiest zich honoreren met een kanstanjekleurige Studebaker Champion. Coleman vergeleek de auto met een raket. De buren en de familie waren zeer onder de indruk toen de zanger zijn voiture voor de deur van zijn huis op Caffin Avenue parkeerde. Rosemary, met een steeds uitdijend gezin, was niet onder de indruk.
    Maar Fats ging door. Hij kocht dure pakken, steeds nieuwe kostbare auto’s en juwelen. Op een moment dat het gezin het niet breed had en er weer een nieuw kind op komst was trad Fats Domino in Nashville op. Bij een juwelier liet hij zich betoveren door een ring met diamanten. Die kostte maar liefst 3.600 dollar, bijna al het geld waar hij over kon beschikken. Fats aarzelde geen seconde. Onmiddellijk ging hij tot de aankoop over.

 

In 1959 besloot Fats Domino een huis naar eigen wensen te bouwen. Op 12 november meldde het weekblad Jet dat de woning in eerste instantie 65.000 dollar zou kosten. Daar was het niet bij gebleven. “With various ideas he’s added to the original plans, he’ll have to shell out almost twice that amount”. Toen het huis in juni 1960 werd opgeleverd waren de bouwkosten al opgelopen tot over de 200.000 dollar, meldde het blad Ebony in een reportage. “From the day construction began a year ago, friends and neighbors of the extravaganza-loving music man have been watching its progress with anticipation”. De gezinswoning werd omschreven als een ‘gebouw van glas en steen, van twee verdiepingen’. Elke dag, aldus Ebony, kwamen er mensen kijken en bussen voorrijden om zich te verlustigen in het luxueuze bestaan van de man die samen met Dave Bartholomew liedjes schreef over de gewone, simpele dingen in het leven.

 

Vijf jaar na de verhuizing werd New Orleans door een van de jaarlijkse orkanen getroffen. Op 9 september 1965 kwam ‘Betsy’ aan land. De orkaan kostte aan 76 mensen het leven, bijna allemaal negers. Twee booreilanden voor de kust, een van Shell, een ander van Zapata (eigendom van de familie Bush) verdwenen in zee. De schade bedroeg ruim anderhalf miljard dollar.

   Veel zwarte Amerikanen woonden in Ninth Ward langs de Mississippi. In het verslag van het negerblad Jet op 30 september (met foto’s die de ramp in beeld brachten) was te lezen dat de blanken misbruik maakten van hun macht over de zwarte bevolking. Eerst werden de blanken geëvacueerd, pas daarna waren de negers aan de beurt. Op sommige reddingsboten hing de vlag van de zuidelijke staten, die zich tijdens de burgeroorlog vanwege de kwestie van de slavernij van het noorden hadden willen afscheiden. De benzineprijzen waren in die dagen omhoog geschoten tot één dollar per gallon toe. Voor een blok ijs in die hete periode moest niet minder dan vijf dollar betaald worden. Drinkwater was een luxe geworden, ijs om te koelen nagenoeg onbetaalbaar. In het water krioelde het van slangen en krokodillen. Op het land maakten wilde honden zich meester van alles wat eetbaar was. Dode dieren dreven rond. Het stonk vreselijk.

   De negers kenden geen reddingsplan. In sommige gevallen, vertelden ze aan redacteur Chester Higgins, hadden ze niet meer dan tien minuten de tijd gehad om zichzelf in redding te brengen. Hele families van negers zaten in grote nood op de daken van hun woning. Blanken in reddingsboten deden hun werk niet voor niets. De negers moesten soms 20 dollar per gezin betalen om naar het droge gebracht te worden. In enkele gevallen werd de redding zelfs aan de hoogste bieder verkocht. “It was a damn shame”, hoorde de journalist.

   De prestigieuze villa van Fats Domino bevond zich midden in het door water overstroomde gebied. Ook de zanger moest zijn portemonnee opentrekken. “Fats told Jet he paid a man $20 to take ‘my family (wife, eight children, aged mother) two blocks to dry land’. ‘I’m very disillusioned”, said the $15,000-a-weel entertainer. ‘Maybe if the fellow had charged me nothing I would have given him $50. Money was no object. The principle was’”.

   In de reportages over de ramp met Katrina in 2005 heb ik niets gevonden van een verwijzing naar de ramp met Betsy, precies veertig jaar eerder. Bij de redding van Fats Domino werd in 2005 evenmin gemeld dat zijn huis al eens eerder onder water gestaan had. Ik heb het niet gelezen of gehoord.

 
 
058-4a Domino 1965.09
Jet, september 1965
 
***
 

 

Dankzij Katrina stond New Orleans in 2005 weer eens midden in de belangstelling. Een aantal artiesten organiseerde een benefiet-concert in Madson Square Garden (New York) – ‘From the Big Apple to the Big Easy’. Rafer Guzman (Newsday) deed op 21 september verslag onder de titel ‘Mardi Gras in the Big Apple’. Cyndi Lauper en Allen Toussaint zongen samen ‘I know’, de hit uit 1962 van zangeres Barbara George uit New Orleans. Bette Middler bracht ‘I think it’s going to rain today’, Paul Simon ‘Sea Cruise’ uit 1959 van New Orleans-artiest Huey Piano Smith (en Frankie Ford), Ry Cooder ‘Hello Josephine’ van Fats Domino, Elton John ‘Levon’ en John Fogerty ‘Born on the Bayou’. Ook voormalig president Bill Clinton gaf acte de présence. Fats Domino zelf liet het afweten.

 
Houston Chronicle deed op 17 oktober verslag van de terugkeer van Fats Domino in zijn huis. “I’m still here, thank God. I’m alive and kicking”, zei hij lachend aan de reporters. “There was a big ‘Rest in Peace’ on my balcony”. Binnen ging de artiest met succes op zoek naar zijn juwelen. Hij vond er tevens een foto van zichzelf met Elvis Presley, maar die zat helemaal onder de troep. Van zijn 21 gouden platen waren er nog maar drie over: ‘Rose Mary’, ‘I’m walking’ en ‘Blue Monday’. De rest was verdwenen.
 
 
058-5 Domino 1960.07 goud
Fats Domino, 1960
 

Fats Domino en New Orleans als muziekstad bleven alle aandacht in de media krijgen. In 2006 verscheen de Domino-biografie van Rick Coleman. In hetzelfde jaar werd eindelijk weer eens een album uitgebracht (‘Alive and Kicking’). Fats’ versie van ‘Blueberry Hill’ werd bovendien door een commissie van deskundigen opgenomen in de ‘National Recording Registry van de Library of Congress’. De opname kreeg in 2006 de zelfde status als ‘That’ll be the day’ van Buddy Holly, ‘Whole lotta shaking going on’ van Jerry Lee Lewis, een uitvoering van een adagio van Samuel Barber door Toscanini, een verslag van een bokswedstrijd van Joe Louis en de inaugurale rede van president Coolidge in 1925.

   Het was mode geworden om je met Fats Domino te identificeren. In 2007 verscheen het album ‘Goin’ Home: A Tribute to Fats Domino’. De opening was ‘Ain’t that a shame’ in de uitvoering van de in 1980 vermoorde John Lennon. Vervolgens liedjes van Domino gebracht door een scala van artiesten onder wie Paul McCartney, Elton John, Randy Newman, Bonnie Raitt, Willie Nelson, Irma Thomas, Art Neville, Dr. John, Fred Wesley, Maceo Parker, Neil Young, Norah Jones, Joss Stone, B.B. King, Lenny Kravitz, Tom Petty en Robert Plant.

   Op 19 mei 2007 trad de inmiddels 79-jarige Fats Domino voor het eerst weer eens op. In een uitverkocht Tipitina (New Orleans) waren 500 mensen getuige van een show waarbij Fats’ oude saxofonist Herb Hardesty de leiding had. Nog één keer bracht de ‘legende’ zijn successen van weleer. Hij begon met ‘I’m walking’ en eindigde met ‘So Long’. Diana E. Bajoie, lid van de senaat van Louisiana, riep 19 mei bij die gelegenheid uit tot Fats Domino Day.

   Fats is nu 82. Op een Amerikaanse tv-zender was vorige maand te zien hoe Dave Bartholomew en hij elkaar na jaren weer eens in zijn huis ontmoetten. Dave Bartholomew, nu 90, maakte een zeer levendige indruk. Domino niet. Samen speelden ze nog één keer ‘Blueberry Hill’. Op 10 december schreef Jos van der Gun me dat Fats een Alzheimer-patient geworden is.

 

Harry Knipschild

31 december 2010
 
Clip
Literatuur
'The girl can't help it' advertentie, Leidsch Dagblad, 10 oktober 1957
'Fats Domino home in New Orleans', Jet, 12 november 1959
'Eksklusieve foto's van Fats Domino', Tuney Tunes, mei 1960
'Rock 'n' roll king's dream is talk of the town in New Orleans', Ebony, juli 1960
'Fats' manier van zingen al een halve eeuw oud', Dagblad voor Amersfoort, 4 januari 1961
'Fats in Frankrijk', Rhythm and Blues, Hoorn, juli 1962
'Fats Domino in Concertgebouw Amsterdam', Leeuwarder Courant, 5 november 1962
Chester Higgins, 'Tragic aftermath of hurricane in New Orleans', Jet, 30 september 1965
Hélène van Liempt-Ackermann, Fats Domino, Eindhoven 1969
Jos van der Gun, 'Fats Domino live in 1972. Nog steeds ongelofelijk grote klasse'. Rockville International, oktober 1972
Roger Friedman, ''Fats' Domino missing in New Orleans', website Fox News, 1 september 2005
Jake Coyle, 'Fats Domino is missing in New Orleans', Washington Post, 1 september 2005
'LSU quarterback shared home with Fats Domino for two days', Houston Chronicle. 2 september 1965
Eli Saslow, 'Music legend Fats Domino never wanted to leave. He tried to stay through the storm, bust lost all and has no idea what's next', Houston Chronicle, 3 september 2005
Rafer Guzman, 'Mardi Gras in the Big Apple', Newsday, 21 september 2005
Lawrence van Gelder, 'The Library of Congress likes what it hears', New York Times, 12 april 2006
Rick Coleman, Blue Monday. Fats Domino and the lost dawn of rock 'n' roll, Cambridge, Ma., 2007 (2006)
'Fats Domino returns to stage', website Rockabilly Hall of Fame, 19 mei 2007
Katie Hasty, 'Music legends crowd Fats Domino tribute album', Billboard, 28 juni 2007