Zoeken

 

De ouders van Rob Aardse (geb. 1938, Den Haag) hadden niets met muziek. Zijn vader werkte bij de PTT, zijn moeder was huisvrouw. Rob zat op de Dalton-Mulo in de hofstad. Hij kwam voor het eerst bewust in aanraking met muziek toen hij padvinder werd. Daar mocht Rob op de trom slaan. Aardse herinnert zich nog een optreden tijdens een Sint Jorisdag in het K&W-gebouw in Den Haag. Hij sloot zich aan bij een groep padvinders die zich de Pioniers noemden. In een oorlogsbunker in de duinen werd samen met jongens uit Nederlands-Indië muziek gemaakt. Rob mocht op een paar trommeltjes meedoen. Jazz werd bij hem favoriet na het beluisteren van Charlie Parker. Op het Gouden Regenplein runde hij de Crystal Combo Club (C.C.C.). Op zaterdagavond was er dansen. Je hoorde er klanken in de sfeer van George Shearing. Dichtbij hem in de buurt woonden jongens als Joop Oonk, Jerry Voisin en George Kooymans. Die waren een stuk jonger. Met hun muzikale voorkeur (rock & roll) had hij niets.

   Rob volgde een avondcursus reclametekenen aan de Academie voor Beeldende Kunst (ABK) in Den Haag. Te zelfder tijd trad hij als etaleur in dienst bij de Bijenkorf. Benno Premsela was zijn chef, met campagnes als ‘Ontdek Amerika in de Bijenkorf’. “Weet je dat ze daar in Den Haag op de eerste verdieping nog heel lang een grote ovale afdeling hadden”, vertelde Aardse me op 3 november 2010 toen ik bij hem en zijn vrouw Anja op hun grote woonboot in Warmond te gast was. “De vloerbedekking was oud-roze. In die ruimte stond een zwarte Steinway-vleugel. Aan de wand kasten vol bladmuziek, de voorloper van de grammofoonplaat. Juffrouw Okkermans zat klaar voor dames uit Wassenaar die kwamen vragen: ‘Hebt u nog een leuk mopje voor me?’ Dan speelde zij de muziek voor en de dames gingen met de vellen papier naar huis. Kijk eens hoe mooi die eruit zagen”. Rob liet me trots zijn collectie historische bladmuziek zien.

   Hij luisterde daar, veelal onder werktijd, naar de Jazz Messengers en kocht er zijn eerste plaat, ‘Ritmo Caliente, Afro Cuban Jazz’ van het Cal Tjader Quintet, Fantasy Records 3216. Het was een elpee in transparant rood vinyl, wist hij nog goed. Rob was ook een bewonderaar van jazz-pianist Hampton Hawes. “Wat had die man een (goeie) syncopische linkerhand”.
 
 
 
John Coltrane, Cannonball Adderley, Miles Davis, Bill Evans
 

Aardse manifesteerde zich steeds meer als slagwerker in de jazz. Hij speelde bij Pia Beck, Chris Hinze, Cees Slinger, Bob Spaan en de Down Town Jazzband van Roefie Hueting. Omdat bandleider Spaan dringend verlegen zat om een drummer kreeg Rob toestemming zijn diensttijd als hospik met twee maanden te bekorten. Het combo van gitarist Bob en zangeres Rietje Spaan met Freddie Korsman (sax), Robbie Langereis (bas) en Aardse trad op voor Amerikaanse militairen op airbases in Laon en andere steden in Frankrijk en West-Duitsland. Theo van Est (Ted Easton) deed de boekingen.

   Na een jaar keerde hij op dringend verzoek van zijn vrouw Anja terug naar Den Haag, waar hij overdag als huis-aan-huis colporteur voor Electrolux-stofzuigers afspraken maakte, om ’s-avonds ‘als de baas thuis was’ demonstraties te geven.

 

Vertegenwoordiger bij Dureco

 

Rob was erbij toen de Down Town Jazz Band in de Brusselse Madeleine-studio in 1960 een EP opnam met muziek uit de populaire musical ‘My Fair Lady’. Achter de knoppen zat Reinier Maassen. Die werkte voor platenbedrijf Dureco. Aardse was op zoek naar een vaste baan. Hij vroeg aan Maassen of deze hem niet kon helpen.

   Een tijdje later werd Rob gebeld door Ben ‘baas’ Levi, de directeur van Dureco. Hij werd uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek in Amsterdam op Beursstraat 21. Dureco (opgericht in 1952) had eerder het Amerikaanse label RCA (Elvis Presley, Harry Belafonte, Glenn Miller) in Nederland vertegenwoordigd. De naam RCA stond nog op de deur. De maatschappij was inmiddels echter ondergebracht bij Inelco van de gebroeders Wim en Ton Brandsteder. Tijdens het onderhoud werd Aardse door Levi gevraagd een stuk Franse tekst voor te lezen. Het waren woorden op een hoes van het merk Barclay, het label van Eddie Barclay dat door Dureco gedistribueerd werd. Charles Aznavour, Dalida, Vince Taylor en Jacques Brel waren de belangrijkste artiesten. Het hardop voorlezen was geen probleem. Als muzikant had Rob immers veelvuldig in Frankrijk gespeeld. Zijn kennis van de Franse taal gaf voor Dureco waarschijnlijk de doorslag.

   Rob had nog geen rijbewijs. Maar, legde hij Levi uit, dat was geen probleem. Ook zonder rijbewijs kon hij goed achter het stuur zitten. Zo eenvoudig ging dat niet, hoorde hij.

   Zonder van de uitslag van het gesprek op de hoogte te zijn moest hij een half uur in een kamertje wachten. Vervolgens vernam hij dat hij was aangenomen, en dat er een rij-instructeur voor de deur stond voor de eerst rijles (op kosten van Dureco).

   Evenals de andere vertegenwoordigers zou hij later in een fantastische goudkleurige Renault Gordini mogen rijden. Bij zijn eerste examen ging het mis op het Malieveld. Rob reed stapvoets achter een man die een handkar voortduwde. Hij negeerde in dit tempo een stopbord en zakte. Maar bij de volgende poging ging het gelukkig goed.

 

Bij zijn aantreden in december 1960 moest Aardse voorlopig dus nog gebruik maken van het openbaar vervoer. Midden in de winter kreeg hij verre regio’s als Zeeuws-Vlaanderen, de kop van Noord-Holland en Friesland toegewezen. Met zware tassen vol platen reisde hij per trein, bus en vanaf het station vaak met een gehuurde fiets. Aardse moest niet alleen de grote platenwinkels bezoeken maar ook electriciteitszaken die lampen, broodroosters en stofzuigers verkochten en die ergens een Tomado-rekje met 45 toeren-plaatjes hadden staan. Vol enthousiasme bood hij de platen van zijn favoriete jazzartiesten aan. Maar John Coltrane en Miles Davis (“‘Mie-les Daa-vis’ zeiden sommige handelaren”) waren volkomen onbekend. “Noteer maar twaalf stuks van de Zuiderzeeballade met Sylvain Poons”, gaf zo’n winkelier dan te kennen. Soms lukte het hem zowaar wat jazzsingles weg te zetten. Als hij dan later terugkwam stonden ze nog steeds in het rekje. Rob kreeg les in wat kommercieel was. Dat zou hij nooit meer vergeten.

   Later liet Aardse in een interview vastleggen: “Als jazzmusicus wilde ik de mensen Miles Davis verkopen omdat ik die zelf zo goed vond. Dat was natuurlijk helemaal fout want de handelaar had meer aan de Zingende Zusjes. Feitelijk ligt dat voor de platenhandel precies eender als voor een muzikant. Je kan nog zo’n goede artiest zijn, je moet in de eerste plaats de feestpotpourri van Willem Ciere brengen als het publiek dat wil horen”.

   Overigens nam Rob in de weekends gewoon achter zijn drumstel plaats om zich in de jazz uit te leven. Dat was de muziek van zijn hart.

 

Eenmaal in het bezit van een echte Renault Gordini ontwikkelde Rob Aardse zich tot een van de beste vertegenwoordigers van Dureco. Hij legde ook eigen initiatieven aan de dag. In Rotterdam ontdekte hij hoe je een ‘local breakout’ kon bewerkstelligen. “Wimpie Colijn was programmeur bij jukebox-handelaar Wetsteijn. Door een leuke deal met Colijn te maken, wat extra plaatjes gratis te geven, zorgde Colijn ervoor dat de Dureco plaatjes in de juiste jukeboxen terecht kwamen”.
  Dat was vooral van belang voor het Nederlandstalige repertoire. Dureco had namelijk de distributierechten van Telstar, de platenmaatschappij die de Rotterdammer Johnny Hoes opgezet had nadat hij bij Phonogram vertrokken was. Op het Ojee-label van Telstar werden liedjes met een gewaagde tekst opgenomen, zoals ‘Hup zei m’n simmetje’, maar ook de plaatjes van Slome Japie, een alter ego van Jaap Valkhoff. In Hilversum hoefde je met dat repertoire niet aan te komen.
 
Aardse kreeg in 1964 toestemming om af en toe radio Veronica te bewerken. Tot dan toe had de maatschappij geen plugger in dienst. Bij Veronica leerde ik Rob dat jaar kennen. Hij maakte een enthousiaste indruk, was altijd vrolijk en positief en kwam bij iedereen goed over, zelfs bij de deejays die niet van het Nederlandstalige repertoire hielden. Als ze Rob konden helpen deden ze dat. Af en toe had Aardse ook andere platen in de aanbieding, Via een deal met het Duitse Metronome kon Dureco namelijk beschikken over de Righteous Brothers. In 2010 kostte het hem moeite zich al zijn successen uit die tijd nog te herinneren. Aardse was ook succesvol met de Phantoms uit Eindhoven, een beatgroep die in 1965 een elfde plaats in de top 40 bereikten met ‘I’ll go crazy’, een song van de nog onbekende James Brown. Begin 1966 scoorden de Phantoms opnieuw, nu met ‘Tormented’.
 
De grootste Nederlandse hit in 1967 was ‘Waarom heb jij me laten staan’ van de Heikrekels op Telstar. De single eindigde in het jaaroverzicht boven o.a. ‘San Francisco’ (Scott McKenzie), ‘Land van Maas en Waal’ (Boudewijn de Groot), ‘Let’s spend the night together’ (Rolling Stones) en ‘All you need is love’ (Beatles).
 
Aardse bleef in die tijd vertegenwoordiger. En jazzdrummer. In de weekends schnabbelde hij tot 4 uur in de ochtend bij het trio van Wijnie Verhoeven in de Wassenaarse club van TT-zijspanracer Piet Konijnenburg.

 

Commercieel-artistiek directeur

 

Eind 1967 kwam Dureco in zwaar weer. Telstar (Johnny Hoes) vertrok met medenemen van alle platen en artiesten. Aardse later: “Voor Dureco was die amputatie een grote klap. Niet alleen dat we ineens een omzet van 2,5 miljoen gulden kwijt raakten, alle zeven vertegenwoordigers en de verkoopleider dienden per aangetekende brief hun ontslag in. Wat er over bleef was een zinkend schip (omzet 1,8 miljoen)”.

   Het Belgische Fonior, eigenaar van Dureco, zag maar één oplossing – Rob Aardse werd benoemd tot commercieel-artistiek directeur. Alles in een persoon. “Na een bewogen weekend heb ik op een gedenkwaardige maandagmorgen alle vertegenwoordigers toegesproken en hun vertrouwen gevraagd. Het resultaat was dat er maar één naar Hoes is gegaan”.

 
Rob Aardse met 'Venus'
 

Voor Dureco brak een nieuwe tijd aan. Het best verkopende materiaal was door het vertrek van Telstar immers verdwenen. Aardse pakte alles aan wat er maar aan te pakken viel. Hij had geluk. Dankzij een tip van Radio Bolland in Den Haag verwierf Dureco de rechten van ‘Big Bamboo’ (The Merrymen). Het resultaat: een tweede plaats in de top 40. In feite was ‘Big Bamboo’ een goed voorbeeld voor hoe het jarenlang toeging bij de maatschappij. Het vertegenwoordigen van grote Amerikaanse en Engelse labels was onmogelijk geworden. Die slokten elkaar op en begonnen hun eigen distributie. Maar overal in Europa waren kleine onafhankelijke platenbedrijven die elkaar het balletje toespeelden. “Vooral de MIDEM was belangrijk”, vertelde Aardse. Elk jaar in januari kwamen de Europese platenjongens in Cannes en maakten deals met elkaar. Het waren de dagen van kopen en verkopen van muziekrechten.

   In een artikel in Billboard op 7 januari 1978 vond ik een opsomming van het internationale poprepertoire waar Dureco in de periode 1968-1978 mee scoorde. Het was een lange lijst die verre van compleet was. Zo ontbrak bijvoorbeeld de nummer-twee hit ‘Je t’aime moi non plus’ van Serge Gainsbourg en Jane Birkin. Het was een opname van Philips, maar mocht van de directie niet op het Philips-label worden uitgebracht. “Phil Solomon van Major Minor verwierf de rechten voor Engeland”, aldus Aardse. Omdat Dureco zaken met het Britse maatschappijtje deed (o.a. David McWilliams) kwam de ‘hijgplaat’ in Nederland bij Aardse op het Omega-label. ‘Israelites’ van Desmond Dekker bereikte zelfs de nummer-één positie. “Stefan Schroeder liet me horen hoe commercieel reggae-muziek kon zijn”, reageerde Aardse toen ik hem van die hit vertelde. Schroeder had eerder de Hep Stars naar Dureco gebracht toen Iramac in 1969 ter ziele ging. In dat jaar begon hij zijn eigen label Green Light dat enkele jaren succesvol opereerde.

   In de lijst die in Billboard afgedrukt werd vond ik Neil Diamond en Van Morrison (Bang Records, USA), ‘Loop di love’ (Juan Bastos, nr. 3 in de top 40), ‘Can I get there by candlelight’ (David McWilliams), ‘A Way of Life’ (Steve Rowland & Family Fogg, Green Light), ‘Beautiful Sunday’ (Daniel Boone), ‘Copacabana’ (Two Man Sound, België), ‘Gigi l’amoroso’ (Dalida, nr. 2 in 1974), ‘Girl I’ve got news for you’ (Mardi Gras, uit Frankrijk), ‘Mammy Blue’ (Pop Tops, nr. 3, Spanje), ‘Dreams are ten a penny’ (Kincade), ‘Because I love’ (Majority One), ‘Your baby ain’t your baby anymore’ (Paul da Vinci, nr. 4), ‘Watching the Detectives’ (Elvis Costello) en vele, vele anderen.

   Vanzelfsprekend deed Aardse zijn best ook jazzmuziek bij Dureco onder te brengen. Hij verwierf de rechten voor labels als ECM, ESP en CTI, de maatschappij van Creed Taylor. Als vertegenwoordiger was het hem niet gelukt jazzmuziek te verkopen. Als commercieel-artistiek directeur van het bedrijf slaagde hij wel. ‘What a difference a day made’ van Esther Phillips (CTI/Omega) bereikte zelfs de top tien van de top 40.

 

Nadat Johnny Hoes vertrokken was hield Aardse zich druk bezig met het Nederlandse repertoire. “Ik werd benaderd door Cees de Man”, vertelde hij. “Dat was een studievriend van me bij de Academie voor Beeldende Kunsten. Cees de Man, die eerder betrokken was bij de Motions, zocht contact omdat Robbie van Leeuwen en manager Cees van Leeuwen een nieuwe groep begonnen waren. Ik besloot ter plekke een nieuw label voor Nederlandse popmuziek te beginnen. Hoe moest dat heten? Ik had een das om van de Knickerbocker Foundation, zwart met een roze olifant erop. Dat bracht me op het idee het poplabel Pink Elephant te noemen. Een tijdje later kwam ik voor de eerste keer op een vergadering van directeuren van platenmaatschappijen. Daar zaten vooraanstaande personen als Jack Haslinghuis (Phonogram) en Ger Oord (Bovema). Oord droeg precies dezelfde das als ik. Ik voelde me net als een rijke vrouw die een exclusieve jurk gekocht heeft en op een receptie een andere vrouw ontmoet met dezelfde jurk aan. Ger en ik keken elkaar even zeer nadrukkelijk aan”.

   Dureco werkte keihard aan de platen van Shocking Blue, de groep van Van Leeuwen. Bij Polydor had de groep geen succes, bij Dureco wel. In 1969 kwam de doorbraak met ‘Venus’, eerst in Nederland en later in de rest van de wereld. Hoe ging dat nu met die Amerikanen vroeg ik hem.

   “Jerry Ross stond onaangekondigd voor mijn neus in Amsterdam. Hij had ‘Venus’ tijdens zijn bezoek bij Metronome in Duitsland gehoord en wilde een contract voor Amerika maken. Ik wist niet hoe ik dat moest doen. In die tijd had niemand juristen in dienst. Dus ik belde uitgever Willem van Kooten. Die gaf me allerlei tips wat ik in het contract moest zetten, maar onder geen voorwaarde, zei hij, mocht ik de publishing-rechten aan Ross geven. Die moesten bij hem, Van Kooten, blijven. Al improviserende bedacht ik wat er op papier gezet moest worden. Niet veel later stond het nummer op de bovenste plaats van de Amerikaanse hitlijsten”.

   Hoe liep dat nu precies met die royalties. De Amerikanen lieten het toch afweten?

   Op die vraag kreeg ik geen antwoord. Aardse zei het niet meer te weten. Bovendien, die zaken werden allemaal afgehandeld op het hoofdkantoor van Fonior in Brussel, door Eddy Palmans.

   “Bij de contractverlenging met Shocking Blue kreeg manager Cees van Leeuwen een Jaguar ter beschikking. Op onmogelijke nachtelijke uren bezocht hij me met die auto onaangekondigd thuis om een paar whiskeys-cola te consumeren. Zelf reed ik inmiddels in een witte Volvo 544 (Kattenrug). Jan van Veen van radio Veronica had precies dezelfde auto”, aldus Aardse.

 
Jerry Ross
 
Nederlandstalig repertoire

 

Behalve met Shocking Blue had Aardse ook succes met Oscar Harris en de hit ‘Try a little love’. Zeer actief was hij met het geestelijke repertoire van het Urker-, Kamper- en Christelijk Residentie Mannenkoor en de Zingende Zusjes Kloosterman. Dat verscheen eerst op het C.I.D.-, later op het Te Deum-label.

   Maar de grootste bron van omzet en inkomsten bij Dureco in de jaren zeventig was het volkse Nederlandstalige repertoire. “Annie de Reuver kwam bij ons als producer. Ben Cramer maakte naam”, vertelde Rob in augustus 1972 aan de redactie van het blad Muziek Mercuur. “Aan Annie de Reuver hebben we de introduktie van Pierre Kartner te danken. ‘Als het moet kan die ook nog wel eens een tekstje schrijven’, zei ze ter aanbeveling. Al gauw had ik in de gaten dat die man nog heel wat meer in zijn mars had”.

   De overeenkomst met Kartner kwam niet vanzelf tot stand. Pierre was al enkele jaren zonder al te veel succes in de weer met liedjes schrijven en zingen. Zijn samenwerking met Tony Dirne had onvoldoende opgeleverd. Contacten met Negram (eigen plaat), Iramac (Albert Brosens) en Bovema (Thijs van der Molen) hadden nog niet het gewenste resultaat. Hij had geld nodig. “Ik had het gevoel dat Kartner heel wat voor ons zou kunnen betekenen”, vertelde hij me. “Daarom belde ik naar Brussel en vroeg toestemming hem een voorschot uit te betalen. Ik wist Palmans te overtuigen dat die investering verantwoord was”.

   Aardse wist uit eigen ervaring dat je met volks Nederlandstalig repertoire met weinig promotie soms geweldig kon scoren. Aan Muziek Mercuur gaf hij een voorbeeld. “Op zondagmiddag in 1964 werd de LP ‘Een reisje langs de Rijn’ (Jean & Willy, productie Johnny Hoes) op Veronica gedraaid. Ik zal nooit vergeten hoe ik maandagmorgen om half negen bij de heer Lops van [platenwinkel] Simonis in Rotterdam arriveerde (na drie uur slaap want ik had als muzikant nog wat geschnabbeld). Daar stonden de mensen in de rij voor de winkel. Allemaal voor en door die plaat die zondags was gedraaid. Toen besefte ik eigenlijk pas goed wat een enorme markt er voor dit soort platen bestaat”.

   Het succes van de producties van Pierre Kartner was sensationeel. Dat valt te constateren in de jaaroverzichten van de Veronica top 40. Dureco was steeds optimaal vertegenwoordigd. In 1969 stond ‘Je t’aime moi non plus’ (Serge Gainsbourg, Jane Birkin) op de bovenste plaats, boven ‘My Special Prayer’ (Percy Sledge, Polydor) en ‘Big Bamboo’ (Merry Men, Dureco).
   In 1970 was het opnieuw Dureco dat met de hoogste eer ging strijken, nu met ‘Huilen is voor jou te laat’ van Corry [Konings] en de Rekels, boven ‘Back Home’ (Golden Earring, Polydor) en ‘El Condor Pasa’ (Simon & Gerfunkel, CBS). In 1971 opnieuw Dureco, nu ‘Manuela’ (Jacques Herb) met in de jaartoptien ook nog eens ‘Zou het erg zijn lieve opa’ (Mieke, Pierre Kartner) en ‘Soldier’s Prayer (Oscar Harris). Kartner produceerde de ene bestseller na de andere. Als Vader Abraham presenteerde hij zich met ‘Het kleine café aan de haven’ en ‘Het smurfenlied’. Het ‘Café’ bereikte de top in landen als Duitsland (in de versie van Peter Alexander), het Smurfenlied (Smurf Song) kwam in Engeland nog een stuk hoger dan ‘Venus’ van Shocking Blue.
 

 
Pierre Kartner en Rob Aardse werden vanwege hun succes met het Nederlandstalige repertoire hard door de pers aangepakt. Dat deugde immers niet. Aardse had wat uit te leggen, bijvoorbeeld in een gesprek met Ruud de Hondt in het omroepblad van de KRO. Rob kreeg het verwijt dat zijn muziek niet goed lag bij de omroepen in Hilversum.
  “De mensen die de media beheersen leven in een ander milieu dan het publiek waarvoor zij werken”, reageerde hij. “De minderheden roeren er de trom. Wij willen de mensen van de verschillende media ervan overtuigen dat er ook wel eens wat gedaan mag worden voor die grote zwijgende meerderheid”.
  Moet dat door middel van een smartlap, kreeg hij verweten.
  “Wat is nou een smartlap? De teksten die onze artiesten zingen beheersen alle facetten van het leven, of het over leed, leven en dood, of de lach en de traan gaat. Het Nederlands populaire repertoire van nu appelleert sterk aan de samenleving van vandaag”.
  Dat zal wel. Wat mij opvalt is dat de teksten zo ontzettend eenvoudig zijn.
  “Wij moeten ons altijd afvragen, wat is het vocabulaire van de zwijgende meerderheid tot wie wij ons richten. Ik geloof dat is uitgerekend, dat je dan met een woordenschat van 250 tot hooguit 500 woorden moet volstaan. Dat geeft onze tekstschrijvers en producenten beperkte mogelijkheden, maar de taal leeft, dat merken we gelukkig steeds meer”.

 

Als gevolg van zijn succesvolle betrokkenheid bij het repertoire van Vader Abraham werd Rob Aardse in de progressieve media nogal verguisd. Dat was opnieuw het geval toen hij in 1978 de overstap maakte van Dureco naar Fleet, de maatschappij die hij samen met het Duitse bedrijf Hansa opzette. Hansa scoorde vanaf 1976 de ene topper na de andere met Boney M., eerst bij Dureco en daarna bij Fleet: ‘Daddy Cool’, ‘Sunny’, ‘Ma Baker’, ‘Belfast’, ‘Rivers of Babylon’, ‘Rasputin’, ‘Mary’s Boy Child’, ‘Hooray Hooray! It’s a holiday’ en ‘El Lute’. En dat in het tijdperk van punkgroepen als de Sex Pistols, die geen hits maakten, althans niet in Nederland.

   Wim Wennekes ging op 2 september 1978 in Vrij Nederland tot de aanval over. “Het bedrijf heeft zich gespecialiseerd in de fabrieksmatige produktie van zogeheten discotheekstampers. Van de straat geraapte figuranten worden met goud omhangen en in brokaat gekleed om zo’n muziekje voor de televisiecamera’s tot een hit te maken. Zij doen dat door simpel te playbacken met de geluidsband en zorgvuldig de bij het nummer ingestudereerde gebaren te maken. Driemaal door de knie en dan zwaaien met het handje. Dat is disco en daar kun je goud mee maken als een omroep een handje wil helpen”.

   Wim Wennekes en zijn collega’s beschuldigden de Hagenaar dat hij de omroep altijd al voor zijn artiesten had weten te interesseren. “Aardse komt naar voren als een van de meest grove representanten van dit gilde kooplieden”. Het zat hun dwars dat iemand als Rob zoveel succes had. De omzet van Dureco was met 13,5 miljoen in 1971 hoger dan die van Inelco (RCA, 11 miljoen) en niet veel lager dan die van het grote CBS (16 à 17 miljoen).

   Tot ongenoegen van de redacteur van Vrij Nederland ging het Aardse bij Fleet opnieuw voor de wind. Hij wees zijn lezers erop dat de directeur gezegd had: “De M van Boney M staat voor Money”. “Het zakelijk gelijk van Rob Aardse wordt bewezen door het financiële succes van zijn slechts met enkele medewerkers gedreven onderneming. Over de eerste zes maanden van dit jaar behaalde Fleet Benelux een omzet van ruim elf miljoen gulden (winkelwaarde), bij een geïnvesteerd startkapitaal van ƒ250.000-. ‘Ik ben stomverbaasd. Stomverbaasd, maar natuurlijk ook apetrots. Ik had dit echt niet verwacht. Ik geloof dat niemand had durven voorspellen dat het zo goed zou gaan’, aldus een opgetogen Aardse, die in de muziekwereld bekend staat als ‘een
ritselaar eerste klas’”.

   Wennekes maakte van de gelegenheid gebruikt om de vermeende corruptie binnen omroepverenigingen als TROS, AVRO en NCRV aan de kaak te stellen. Hij stelde dat de AVRO zomaar een tv-programma had gemaakt op basis van het album ‘Super Disco Party’ (Fleet), waarvan in Nederland 130.000 exemplaren verkocht waren. Dat kon volgens hem niet door de beugel. (De NCRV had eerder op basis van de grand Gala du Disque-formule een avondvullend geprogrammeerd met de titel ‘Grand Gala Du-Reco’).

 

***
052-2b Aardse videobox
 
Jukebox voor videoclips
 
Een paar jaar later had Rob Aardse minder geluk. Hij liet zich wegkopen door de TROS die hem benoemde tot hoofd amusement van de televisie. “Ik was te veel solist. Dat lag me niet. Ik kwam terecht in een circuit van overleg en vergaderingen”.

   Bovendien was het tijdperk van videoclips aangebroken. Op de MIDEM in Cannes ontdekte Aardse in het begin van de jaren tachtig dat er in Engeland jukeboxen gemaakt werden waarop je video-clips tegen betaling kon afdraaien. “Samen met Albert Schönberg en investeerder Rob de Kraa, beiden uit Den Haag, begon ik een bedrijf dat Clips Benelux heette. Om de programmeringsrechten te verwerven diende er eerst een exploitatie-overeenkomst met de muziekindustrie gemaakt te worden. Dat lukte. We gingen aan de slag om allerlei horeca-gelegenheden voor ons idee te winnen. Het zag er goed uit. De belangstelling was groot. Totdat Sky Channel en Music Channel opdoken. De clips konden ineens gratis bekeken worden”. Het nieuwe bedrijf van Aardse ging ten onder aan de snelle ontwikkeling van de communicatiesatellieten. Aan de activiteiten van een creatieve en pragmatische platenman was onverwacht een einde gekomen.

   In 1988 begon Rob met het verzamelen van internationale toegepaste grafische kunst op boekbanden, bladmuziek en brochures uit de periode 1890-1940. “Vijftig jaar, waarin kunsthistorisch gezien het beeld vier maal ingrijpend zou veranderen, van Historisme naar Art Nouveau, naar Art Deco naar het Functionalisme”, legde hij me uit. De Kunsthal in Rotterdam organiseerde in 2006 de tentoonstelling ‘Art Deco – Zwier en Melodie’, het Drents Museum in 2008 ‘Omslag in Beeld’. Beide tentoonstellingen en de catalogi waren gebaseerd op de collectie van de man die eerder een kwart eeuw lang met unieke grammofoonplaten een meer dan opvallende bijdrage leverde aan de ontwikkeling van de grammofoonplatenbusiness.

 

Harry Knipschild

6 november 2010

2011

Anja en Rob Aardse verhuizen naar Amsterdam
 
27 januari 2013
Wim Colijn reageert. Het bedrijf waar hij werkzaam was heette Desco, P. van Dessel & Co, de grootste importeur en handelaar in jukeboxen. Door zijn baan was hij als programmeur verantwoordelijk voor het repertoire in die jukeboxen.
 
Clips
* Jazz Messengers, Art Blakey, Moanin'
* Cal Tjader, Ritmo Caliente

Miles Davis, So What
* Sylvain Poons, Zuiderzee-ballade
* Corry en de Rekels, Huilen is voor jou te laat, 1970 
* Juan Bastos, Loop di love. Amsterdam, 1971

* Vader Abraham, Kleine café aan de haven 
* Boney M, Sunny, 1976
  
Literatuur
W. Kaasjager, 'Robert Aardse: ze noemen Dureco niet voor niets een alternatieve platenmaatschappij', Muziek Mercuur, augustus 1972
Ruud de Hondt, 'Platenbaas [Aardse] praat', (waarschijnlijk) KRO-gids, november 1972
'Robert Aardse. The man at the helm', Billboard Fleet advertorial, 7 januari 1978
Wim Wennekes, 'De platen', Vrij Nederland, 2 september 1978
'Rob Aardse benoemd tot hoofd amusement', Troskompakt, 2 november 1982
'Interview met voormalig directeur Rein Maassen over het betere repertoire van Barclay', Warm Sounds, november 2002
Rob Aardse en Benno Tempel, Art deco, zwier en melodie. Samengesteld uit de collectie van Rob Aardse, Warmond, Amersfoort 2006 
Jan Jaap Heij, Jan Storm van Leeuwen, Rob Meijer, Omslag in beeld. Boeken, bladmuziek, brochures, toegepaste grafische kunst. Collectie: Rob Aardse, Amersfoort 2008