Zoeken

 

Op 27 september publiceerde ik een artikel over platenmaatschappij Iramac. Leo Samama (1951), de oudste zoon van de directeur van het bedrijf, liet me die zelfde dag nog weten dat hij het niet helemaal met de inhoud eens was. Op zijn uitnodiging reisde ik op 25 oktober naar Voorburg voor een gesprek met de musicoloog en componist. Zowel schriftelijk als mondeling schilderde Leo mij de interessante achtergrond van zijn familie, met name zijn vader, en zichzelf. Het leek me de moeite waard een nieuw artikel aan de familie Samama te wijden.
 

Sylvio Samama (1925-1992) werd in de toentertijd nog Franse kolonie Tunesië geboren. Toen de Amerikanen vanuit het noorden van Afrika de Middellandse Zee overstaken om Europa te bevrijden was hij er samen met zijn broers en zussen bij. Ze sloten zich bij het Amerikaanse leger aan. Sylvio nam op zeventienjarige leeftijd plaats achter het stuur van een Amerikaanse legertruck. Hij had nog een taak: het ruimen van lijken. Twee zussen deden dienst als verpleegsters. Aangekomen in een dorp ten oosten van Parijs viel Sylvio in 1944 door een dak waarbij hij een knie brak. De broers en zusters, die steeds bij elkaar waren, bleven om die reden in het centrum van Frankrijk hangen. Eigenlijk waren ze met z’n allen bestemd voor een bataljon dat ingezet zou worden voor de bevrijding van Arnhem. Van dat bataljon, aldus Leo Samama, heeft niemand het overleefd.

 

Sylvio werkte na afloop van de Tweede Wereldoorlog als jongste bediende bij het Franse ministerie van Onderwijs. Tijdens een kamp voor joodse studenten ontmoette hij Ans Polak, toen 22 jaar. “Het was het eerste na-oorlogse studentenkamp, georganiseerd door de Franse overheid, in Uriages-les-Bains in de Franse Alpen. Mijn vader was 20 jaar, maar wel de kok van het kamp en verantwoordelijk voor de dagelijkse organisatie”.

   Sylvio bleef na het kamp in Parijs, maar besefte dat Ans, met wie hij zich in het kamp verloofd had, bij heel wat jongens in de smaak viel. Hij reisde naar Nederland om in september 1948 met haar te trouwen. Vanwege de oorlog was Sylvio een aantal jaren niet in staat geweest de lessen op school te volgen. Zijn schoonmoeder, Henriette Polak-Schwarz, verzocht hem alsnog zijn middelbare school (schriftelijk via Frankrijk) af te maken en daarna verder te studeren. Zo ging het ook. Sylvio slaagde in 1955 aan de Universiteit van Amsterdam voor het kandidaatsexamen in psychologie en pedagogiek. Ans wist zich als oefentherapeut Menschendieck een praktijk in Apeldoorn te verwerven. Het jonge paar woonde er voorlopig op een woonboot. In 1951 werd Leo Samama in Apeldoorn geboren.
 
050-1a Ans en Sylvio in Venezia-1970
Ans en Sylvio Samama, 1970

 

Sylvio Samama, eerst de neus, later de oren

 

Moeder Polak was in die jaren president-commissaris van Polak & Schwarz (Zaandam), een bedrijf in smaakstoffen en essences. Door een fusie met Van Ameringen-Haebler (1959) ontstond het internationaal georiënteerde IFF. Henriëtte Polak kwam hierdoor bovendien te beschikken over een aanzienlijk persoonlijk vermogen. In 1963 schonk zij een voorschot op de erfenis aan haar twee dochters. Sara, de zus van Henriëtte Polak, ‘was de moeder van Johan en Rob Polak. Zo kwam de boekuitgeverij Polak en Van Gennep en de Atheneum Boekhandel in Amsterdam tot stand’.

   Sylvio trad in dienst van het bedrijf van zijn schoonmoeder. Aanvankelijk in een lage functie. Hij mocht wel aanwezig zijn bij de commissarissen-vergaderingen, om het vak te leren. Omdat de onderneming in 1957 een vestiging in Hilversum opende verhuisde de familie Samama naar Laren. Dankzij een goede neus werd Sylvio een van de top-parfumeurs. Hij ontwikkelde tal van smaken en zette samen met Pol Keet en Boy Trip (de latere minister) bedrijven op in het buitenland. Maar kort na 1960 kreeg Samama steeds meer last van allergieën. Zijn smaakpapillen en reukvermogens werden aangetast. Hij werd suikerpatiënt en moest zichzelf injecteren. Leo herinnerde zich nog dat zijn vader, laconiek als altijd, tijdens de maaltijd ‘proef draaide’ op een sinaasappel. Vanwege de lichamelijke problemen kon Sylvio zijn werk bij IFF niet goed meer voortzetten. Hij besloot andere zintuigen te gaan gebruiken, zijn oren.

 

Platendirecteur (Iramac) en impresario (De Koos)

 

Sylvio boekte nog een succes. De voorlopige erfenis van zijn vrouw bracht hij naar de beurs. In korte tijd wist Samama de waarde bijna te verdubbelen. Er was dus volop kapitaal bij het echtpaar, dat niet in gemeenschap van goederen getrouwd was. Ans was bereid haar man de financiële middelen te verschaffen om een eigen bedrijf met de naam Iramac op te zetten. Iramac was een afkorting van International Recording and Artist Management Company.

   Sylvio Samama ging vanuit het niets de concurrentie aan met grote internationale bedrijven, zoals hij in zekere zin eerder in de reukstoffen gedaan had. Maar nu met klassieke muziek. Het waren, aldus zijn zoon, de dagen waarin met stereo-opnamen geëxperimenteerd werd. André van de Water, een van de toptechnici van Philips, wist hij bij dat concern weg te halen. Hetzelfde deed hij met het Nederlands Kamerorkest, dat toen onder leiding van de jonge dirigent David Zinman stond. Van de Water had ideeën hoe je eenvoudig met slechts een paar microfoons de beste stereo-opnamen maken kon. Sylvio zag een toekomst in het ontwikkelen van eigen artiesten, op plaat en in concertzalen. Zijn jongste broer Aurèle in Parijs, die assuradeur was, wist hij te overtuigen met hem mee te doen.

   In 1965 verschenen de eerste albums. Leo herinnerde zich hoe de gerenommeerde winkel Broekmans en Van Poppel in de Amsterdamse Van Baerlestraat een hele etalage vol hing met Iramac-hoezen. Op de voorkant van die hoezen geen foto’s van de artiesten, maar voornamelijk het logo, met de joodse letter J erin verwerkt, die veel op een muzieknoot lijkt. Samama zocht ook contact met Thijs Chanowski voor het maken van films met klassieke muziek, bestemd om als voorprogramma in de bioscoop te dienen. Een ander samenwerkingsverband was met Dr. Geza de Koos. Die had na de Eerste Wereldoorlog een impresariaat opgezet, eerst alleen voor celliste Judith Bogor, zijn vrouw, later voor heel wat andere beroemde musici. Om goed te functioneren werd voor Iramac een villa in Bussum gekocht.

 

Binnen enkele maanden werd duidelijk dat Iramac in die vorm niet zonder meer levensvatbaar was. Leo Samama was zich al op jeugdige leeftijd goed bewust van wat er speelde, vertelde hij. Tijdens een wintersport-vakantie in 1963 hadden zijn ouders de rock & roll ontdekt. “Mijn vader kwam thuis en met een witte handdoek in de hand demonstreerde hij hoe op die muziek gedanst werd”. Popmuziek verscheen ook in de huiskamer dankzij de belangstelling van zus Meriette (geb. 1953). De radio werd regelmatig afgestemd op 192 meter: Veronica. Directeur Samama, voorlopig nog alleen actief op het terrein van de klassieke muziek, ging zich verdiepen in de top veertig. Al spoedig werd de lijst een paar dagen voordat die op het muziekstation de lucht inging keurig thuis aangeleverd. Hij liep dus vooruit op de feiten.

   Er viel niet aan te ontkomen: zonder ‘popmuziek’ had Iramac geen zakelijk bestaansrecht. Regelmatig moest de kas aangevuld worden. “Wanneer er geld nodig was, tekende mijn moeder steeds weer een cheque voor mijn vader”. Samama trok Willem Duys aan. Dat was een bekende van de familie. Met Duys begon een tweede start. Willem zette het Relax-label op. Melle Weersma (1908-1988), componist van ‘Penny Serenade’ (1938), en gitarist Henk van der Molen (1920-1992) verschenen ten tonele. 
   In een minirokje kwam scholiere Martine Bijl thuis in Laren liedjes ten gehore brengen. Martine werd een succes evenals de Amsterdamse Outsiders. Een andere artiest op Relax was Thijs van Leer. De families Van Leer en Samama-Polak hadden een band. Ed, broer van Oscar, ondernemer in olie-vaten, was musicus. “Thijs van Leer deed in 1966 mee aan een interscholaire op het gymnasium van Hilversum en zong en speelde op fluit een prachtig nummer. Mijn vader was erbij aanwezig omdat ik op die school zat. Mijn vader heeft toen Willem Duys ingeseind dat hij dit maar eens moest beluisteren. De vader van Thijs was mijn fluitleraar in die jaren”.
 

050-2a Cabarettesque

 

Thuis werd luidkeels met het populaire repertoire meegezongen. Maar het hart van Sylvio Samama bleef toch uitgaan naar de klassieke muziek. Zoon Leo: “De recensies van die tijd spreken van de allerbeste opnamen, de mooiste registraties en de meest opvallende combinatie van mooie opnamen, bijzondere uitvoeringen en videoregistraties [Chanowski]”. De omzet van het platenbedrijf groeide, mede door het aantrekken van allerlei buitenlandse labels en populair repertoire. Maar dat was niet waarom Samama zijn gehoor-zintuigen was gaan gebruiken. Zijn ideaal zag hij verloren gaan. Meer en meer zette Sylvio zijn zinnen op het ‘artist management’. “De oude De Koos wilde er na meer dan 45 jaar een punt achter zetten. Mijn vader besloot dat hij via het impresariaat in de klassieke muziek kon blijven zonder de handel en wandel van een poplabel en allerlei importlabels te hoeven te bestieren en financieren. In 1967 nam hij het impresariaat over en zette voor zichzelf een punt achter Iramac”.

   Willem Duys werd in het voorjaar van 1967 directeur van Iramac. Toen het bedrijf na twee jaar nog niet winstgevend was werd het geliquideerd. Samama, die als impresario succesvol was met onder anderen de dirigent en componist Bruno Maderna, ging ruim 25 jaren door. Leo nam later vlak voor zijn dood de leiding over. In 1999 werd het impresariaat opgeheven.
 

Musicoloog Leo Samama

 
050-3a Samama Leo   Messiaen (1986)
Leo Samama en Olivier Messiaen, 1986
 
Leo, de zoon van Sylvio Samama, was evenals zijn vader gefascineerd door klassieke muziek. Zijn jeugd liep soepeler dan die van zijn vader. Na het behalen van het diploma gymnasium bèta in 1970 studeerde hij muziekwetenschappen aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Zijn kandidaatsexamen legde hij cum laude af. In 1976 kon hij met een Rotarybeurs nog een jaar in Los Angeles studeren aan de UCLA, de universiteit van Californië in Los Angeles. Engelse madrigaalkunst en hedendaagse Amerikaanse muziek waren zijn specialiteiten.

   Al tijdens zijn academische studie ging Leo Samama doceren. Eerst in Rotterdam daarna in Utrecht, aan het conservatorium en later aan de universiteit. Leo had zich wel nooit met popmuziek bezig gehouden, maar door wat hij thuis meegemaakt had was er toch een zekere ondergrond. Die kwam goed van pas toen jonge studenten in de musicologie voor hun scripties bij hem aanklopten. De belangstelling van de nieuwe generatie voor popmuziek was groot. Leo Samama was graag bereid de scripties te begeleiden. Maar, vond hij, het onderzoek moest niet uitsluitend een sociologisch karakter hebben. Het ging om de muziek. Hoe kon je die op basis van technieken uit de ethnomusicologie analyseren.

   Begin jaren tachtig was er een belangrijke ontwikkeling in de muziek. De computer begon zijn intrede te doen. Er kwamen meer mogelijkheden dan enkel het gebruik maken van de moog synthesizer. In het begin werkte men nog met tamelijk eenvoudige computers als de Apple en de Macintosh. Steeds meer werd het mogelijk om complexe geluiden te produceren. De eerste samples werden gemaakt. Componisten en musici gingen experimenteren met het oversturen van geluid. Popmuziek werd ingewikkelder dan veel klassieke muziek. Een nieuwe generatie zocht aansluiting bij de klassieke muziek. Veel serieuze samenwerking leverde dat volgens Leo Samama vanuit de hoek van de ‘klassieke’ componisten niet op. De musici van klassieke muziek namen de popmusici volgens hem te weinig serieus. Ten onrechte keken ze meestal van uit de hoogte op hen neer. Mede daardoor zijn veel componisten van moderne klassieke muziek in een isolement geraakt, wat ze opbreekt nu vooral de marktwaarde steeds meer gaat spelen in het cultureel-economisch verkeer.

 

Residentie Orkest

 

Van docent ontwikkelde Leo Samama zich meer en meer tot bestuurder. In 1994 bijvoorbeeld werd hij benoemd tot artistiek directeur (formeel: artistiek coördinator) van het Residentie Orkest in Den Haag. In die functie was hij direct betrokken bij de programmering van de concerten. Het orkest had zich al eerder gemanifesteerd met interessante experimenten. In 1978 nam Herman van Veen er onder leiding van Erik van der Wurff een sprookje mee op, ‘Alfred J. Kwak’. De zaal van het Congresgebouw zat helemaal vol met kinderen. Die reageerden spontaan, zoals kinderen dat nu eenmaal doen. Nadat de leden van het orkest en de begeleidingsgroep op het podium hadden plaatsgenomen verscheen de ster, Herman van Veen. Een jongetje riep keihard door de zaal: “Die meneer is te laat!”. In 1981 werkte het orkest onder leiding van David Porcelijn samen met de groep Flairck.

   Leo Samama ging in 1994 aan het werk. Het orkest manifesteerde zich nog steeds met kinder-repertoire. Samama haalde zijn muziekvriend Jurre Haanstra (de producer van de Herman van Veen-hit ‘Hilversum 3’) naar Den Haag. Samen bevorderden ze dat jazzmusici en popgroepen met het Residentie Orkest samenwerkten, bijvoorbeeld de Golden Earring en The Scene, met zanger Thé Lau.

 

Popmuziek en klassieke muziek

 
050-4 EmersonLakePalmer-ELP-PicturesAtAnExhibition-cover
Hoes "Schilderijen-tentoonstelling, Emerson Lake & Palmer"
 

Tijdens het gesprek naar aanleiding van het eerdere artikel over Iramac gingen we nog door op enkele onderwerpen die zowel met popmuziek (soms ook jazz) als met klassieke muziek van doen hebben.

   Leo bracht zelf aan de orde dat ook op het Relax-label met interessante muziek geëxperimenteerd werd. Niet voor niets maakte Willem Breuker zijn eerste album voor de platenmaatschappij in Bussum. Bij de hedendaagse popgroepen is Samama met name gecharmeerd van de electronische muziek van Rammstein.

   Als Martine Bijl opnamen maakte in de studio van André van de Water was het niet ongebruikelijk dat Iramac-musici als Jean de Decroos (zonder naamsvermelding) meespeelden. Rockgroepen maken in onze tijd soms gebruik van symfonie-orkesten, op de plaat en tijdens concerten. Samama is daar een voorstander van op voorwaarde dat de orkesten zich niet laten gebruiken als decor te dienen, om de popmuzikanten de gelegenheid tot imponeren te geven.

   Leo heeft er geen moeite mee als popgroepen klassieke muziek ter hand nemen en er een eigen interpretatie aan geven. Als dat maar niet op een ‘goedkope’ manier gebeurt. Een bekend voorbeeld is ‘The Fifth’ van Ekseption (met Rick van der Linden). Het begon mooi, zei hij, maar gaandeweg bleek het een maniertje te zijn. Later zijn er betere versies gemaakt van het thema uit de symfonie van Beethoven wist hij, zoals door Walter Murphy. Samama bracht zelf de ‘Schilderijententoonstelling’ van Moessorgski ter sprake. Met name de versie van (Keith) Emerson, (Greg) Lake & (Carl) Palmer. “Ik heb het zelfs op het conservatorium behandeld voor de studenten, als voorbeeld van hoe het ook kan, in plaats van klassieke muziek voorzien van een drumbeat. Ik heb hun versie sinds de jaren zeventig op een cassettebandje staan!” liet hij me per e-mail nog weten.

   Conservatoria maken nog een interessante ontwikkeling door. Op enkele plaatsen worden toekomstige jazz-musici onderwezen in muziek in de stijl van bijvoorbeeld Duke Ellington. Dat zou ook heel goed kunnen met popmuziek. Muziek in de stijl van de Beatles of wie dan ook.

  

We kwamen nog even terug op Thijs van Leer, een artiest die Sylvio Samama ook na Iramac zakelijk bleef steunen. Een aantal jaren na zijn eerste opnamen op het Relax-label brak Thijs door, zowel met de groep Focus (Jan Akkerman) maar ook als solist. Van zijn albums, die in de jaren zeventig verschenen onder de titel ‘Introspection’, werden in Nederland honderdduizenden exemplaren verkocht. Leo plaatste die muziek in het kader van de ontdekking van ‘nieuwe oude’ muziek. Tijdens het gesprek trok hij muzikale lijntjes door naar I Musici, succesvol met de Vier Jaargetijden van Vivaldi, ‘Shaffy Cantate’ van Ramses Shaffy en de platen met vroege piano-muziek van Erik Satie, zoals geïnterpreteerd door Reinbert de Leeuw. Die aanpak was typisch calvinistisch-Nederlands stelde hij. Na de jaren zeventig werd de meer Frans gekleurde interpretatie van Aldo Ciccolini weer toonaangevend.

 
050-5 Leeuw Reinbert
Reinbert de Leeuw
 
Het succesvol marketen van Reinbert de Leeuw halverwege de jaren zeventig heeft Leo Samama aangesproken. Ik mocht daar overigens zelf een rol in spelen.

   Adriaan Verstijnen van productiemaatschappij Harlekijn had de opname op zijn boerderij in Breukelen gemaakt. Omdat de klassieke afdeling van Polydor al het Deutsche Grammophon label had was er op die afdeling nauwelijks belangstelling. Enigszins gefrustreerd speelde Adriaan voor mij de originele studioband af. Een nieuwe wereld ging voor mij open. “Waarom kunnen we Satie niet gewoon als popmuziek aan de man brengen”, vroeg ik hem enthousiast. Alsof het een nieuwe plaat van James Taylor of Carole King was. Ik stelde hem voor Reinbert de Leeuw tussen de palmbomen op het strand te fotograferen en advertenties te plaatsen, niet in Luister maar in de popkrant Oor. Reinbert de Leeuw aarzelde nog maar liet zich overhalen aan het marketingspel mee te doen. De albums werden in Hilversum uitgedeeld, niet bij de klassieke zender, maar bij de diskjockeys van Hilversum 3.

   Zonder geluk vaart niemand wel. Als gevolg van een treinkaping had de popzender behoefte aan aangepaste muziek. De ‘Gymnopédies’ en ‘Gnossiennes’ vielen in de smaak bij de luisteraars. In korte tijd kwamen er vele tienduizenden Satie-albums terecht bij een publiek dat er eerder nooit aan gedacht zou hebben klassieke muziek in een platenwinkel te kopen.

 

***

 

Het raakvlak van populaire en klassieke muziek blijft een interessant thema. Ook in de familie Samama. Twee zonen, Ruben (1985) en Jochanan (1988, artiestennaam Benjamin Rhodes), zetten de muzikale traditie van hun vader en grootvader voort. Vanuit New York en Boston richten ze zich met hun muziek op de hele wereld.

 

Harry Knipschild

27 oktober 2010
 
Clips
 
 
Literatuur
'Jan Akkerman/Thijs van Leer: een verdeelde muzikale twee-eenheid', Veronica-blad, 26 februari 1972
Harry Knipschild, 'Henk Majoor kijkt terug op platenmaatschappij Iramac', website Harry Knipschild, 27 september 2010