Zoeken

 

 
Tijdens mijn werkzaamheden in de muziekbusiness heb ik heel wat buitenlandse artiesten ontmoet. Ze kwamen naar Nederland om hier op te treden, voor de radio, op televisie of in een of andere zaal. Meestal liepen de contacten heel soepel. Een enkele keer niet. Een geval apart was James Brown (1933-2006). In een eerder artikel op deze site (2009) heb ik dat beschreven. Ik was niet de enige die er een probleem mee had ‘normaal’ met hem om te gaan. Ook voor journalisten was de ‘godfather of soul’ vaak moeilijk. In het boek ‘The Road goes on forever’ (1984) deed Philip Norman verslag van hoe het toeging bij een interview.
 
Norman was naar de Amerikaanse hoofdstad Washington gereisd om zijn optreden mee te maken en met hem te praten. Er waren enkele tientallen mensen in de weer, legde hij vast, om te voorkomen dat hij James Brown zou kunnen ontmoeten. Die droegen allemaal mooie kostuums en soms hoeden. Ze spraken elkaar onderling met meneer aan, meneer Bobbit, meneer Hall, meneer Holmes. Dat deden ze in opdracht van hun werkgever. Van de bodyguards kreeg Norman opdracht vooral niet te veel alcohol te consumeren. ‘Meneer Brown’ hield niet van de lucht van alcohol. De Britse journalist was twee volle dagen in touw om de artiest te kunnen ontmoeten.
   Vier uur ’s nachts mocht hij naar voren komen. Om de kleedkamer van James Brown te betreden moest Norman door een haag van mensen die eveneens toegang tot de vedette zochten. Het was moeilijk binnen te komen vanwege al die zwarte mannen in pakken die vol respect langs de wand stonden. Er hing een sfeer van verering. De ruimte waar Brown zich ophield vergeleek hij met een altaar.
   Het eerste dat Norman na zijn entree opviel was de enorme hoeveelheid schoenen. Vierentwintig paar in allerlei formaat en soorten leer, schreef hij. Naast de schoenen zat Brown bier uit een blikje te drinken. Na de show met alle poespas en opsmuk zag hij er als een klein gewoon mannetje uit.
   Norman moest opnieuw op zijn beurt wachten. Brown was een interview op tape aan het zetten voor een ‘zwart’ radiostation. Dat ging voor. De journalist bleef geduldig luisteren. Brown richtte zich via een van zijn secondanten tot de Brit. “Meneer Patterson. Ik weet al wat hij gaat vragen”.
   Norman zei dat dat niet waar was. Voor het eerst keek Brown hem recht in het gezicht. Dat was voldoende. De journalist werd verwijderd. Het ‘interview’ was ten einde. Hem werd duidelijk gemaakt dat je meneer Brown niet mocht tegenspreken. Norman hield vol, een hele dag. Onverwacht kreeg hij te horen dat hij welkom was in de suite van Hotel Sonesta. Daar ontmoette hij niet alleen de ster, maar ook een vrouw. Die gedroeg zich als een bediende. Ze kwam de kamer binnen lopen met twee emmers warm water. Brown zette er zijn voeten in. De vrouw ging naast hem zitten, pakte een van zijn handen en begon zijn nagels te verzorgen. Het was Deirdre, zijn echtgenote.
 
Toen Brown na afloop van het volgende concert naar buiten liep, aldus Norman, werd hij aangehouden door twee zwarte jongelui. Ze vertelden dat ze geld probeerden te verdienen met het poetsen van schoenen. Ze waren naar zijn optreden gekomen. Ze hadden hun spullen buiten laten staan. Die waren gestolen.
   Brown gaf ze een biljet van twintig dollar.
   “Bedankt”, zei de grootste van de twee. “Het was mijn bedoeling met jou, James Brown, te komen praten tijdens het optreden”.
   Meneer Brown”, zei de ster. “Als ik morgen terugkom wil ik jullie hier zien met al je spullen en schoensmeer. Dan zal ik jou [ook] ‘meneer’ noemen”.
 
Je kon James Brown nauwelijks méér beledigen dan door hem bij zijn voornaam aan te spreken. In de omgang met artiesten was het vanzelfsprekend ‘Barry’ te zeggen tegen Barry Gibb van de Bee Gees, ‘Benny’ tegen Benny Andersson van ABBA, ‘Ringo’ tegen Ringo Starr van de Beatles, ‘Robbie’ tegen Robbie Van Leeuwen van Shocking Blue, ‘Steve’ tegen Steve Stills van Crosby, Stills, Nash & Young, ‘Duane’ tegen Duane Eddy. James Brown daarentegen stond erop met ‘Mister Brown’ aangesproken te worden.
 
 
102 - James Brown fans bodyguard
James Brown met fans en bodyguard
 
***
 
James en zijn vader
 
Tijdens de ‘contacten’ die ik met James Brown had, vroeg ik me wel eens af wat er achter de schermen allemaal plaatsvond. Waarom gedroeg de artiest zich zo? Wat had hij meegemaakt in zijn leven dat hem gevormd had? In interviews liet hij af en toe wat los over zijn jeugd. In 1987 kon je ineens een heleboel lezen over hem. James Brown liet in dat jaar namelijk z’n autobiografie verschijnen. Die heette ‘James Brown. The Godfather of Soul’. Samen met Bruce Tucker had hij die geschreven. Interessant was het verhaal over wat hij als jongetje had meegemaakt. Een harmonieuze jeugd was hem vreemd.
   Om te beginnen was James Brown helemaal niet zo ‘zwart’ als hij zich voordeed in songs als ‘Say it loud, I’m black and I’m proud’. Zijn grootvader van vaders kant was een volbloed indiaan. Ook de naam ‘Brown’ was niet helemaal juist. Zijn vader heette Joe Gardner. Omdat zijn grootmoeder niet samen met zijn grootvader wilde leven ging ze er vandoor. Joe Gardner werd opgevoed door een vrouw die kinderen opving zonder ouders, of ouders die niet voor hun kinderen wilden of konden zorgen. De pleegmoeder heette Mattie Brown. De vader van James Brown ging daarom door het leven als Joe Brown in plaats van Joe Gardner.
   Het ‘huwelijk’ van de ouders van James Brown leek wel een kopie van dat van zijn grootouders van vaders kant. Helemaal tegen de zin van haar ouders trouwde Susie Behlings met Joe ‘Brown’. Joe had Susie moeten schaken. In een Model A Ford gingen ze er samen vandoor. Joe werkte in de bossen bij Barnwell in de staat South Carolina. Hij tapte hars (terpentine) van de bomen. Als hij een emmer vol had verkocht hij die. Hun zoon, ‘James Brown’, werd op 3 mei 1933 in hun houten hut in de bossen geboren. Het huwelijk van Joe en Susie hield niet lang stand. Niet alleen zijn grootmoeder, ook zijn moeder ging er na een paar jaar vandoor. James bleef met zijn vader alleen in de bossen achter. Als zijn vader tenminste ‘thuis’ was. Dat was lang niet altijd het geval. Dan was James helemaal alleen.
   James had weinig respect voor zijn vader. Voor een gedeelte kwam dat omdat die zich slaafs ten opzichte van de blanken opstelde. Hij vervloekte ze in de grond van zijn hart maar als hij met ze te maken kreeg was het ‘Ja meneer, nee meneer’. Op hoge leeftijd werd zijn vader nog met alleen ‘Joe’ aangesproken. Dat zou hem nooit gebeuren nam hij zich op jeugdige leeftijd al voor. Hem zouden ze later altijd ‘meneer Brown’ noemen, besloot hij als jongetje.
 
 
102 - Brown senior
Vader Joe Brown
 
Opgegroeid in het tehuis van ‘Honey’
 
Zijn vader werkte zich te pletter om in leven te blijven. Maar voor zijn enige kind kon hij niet zorgen. Daarom bracht hij James onder in een pleeghuis. Zoals hij ook zelf opgevoed was. Dat was aan het einde van het jaar 1938. James was niet veel ouder dan vijf jaar. Het jongetje kwam terecht in het huis van ‘tante’ Handsome Washington die als ‘Honey’ door het leven ging. Hij bleef de naam ‘Brown’ houden.
   Het pleeghuis van zijn tante bevond zich in de zwarte wijk van de stad Augusta in het noorden van Georgia. Op de grens met South Carolina. De wijk werd ‘Terry’ genoemd, een afkorting van ‘negro territory’. Er waren geen straten zoals wij die kennen. De bodem bestond uit rode klei en zand. In de negerwijk woonden ook wat blanken, Chinezen en zwarte moslims.
   De blanken van Augusta manifesteerden zich af en toe op een speciale manier. Dan hield de Ku Klux Klan een optocht door de wijk. Zoals de protestanten optochten hielden door de katholieke wijk van Belfast. Alle ‘negers’, inclusief James Brown, liepen uit als de KKK door Terry paradeerde. James vond het heel gewoon. Maar hij was zich bewust van het gevaar. Zwarten en blanken gingen overdag soms vriendschappelijk met elkaar om. En dan werden de zwarten in het donker door diezelfde blanken gelyncht, opgehangen aan bomen. Billie Holiday zong er het lied ‘Strange Fruit’ over.
 
102 - Strange Fruit
Strange fruit
 
Het tehuis waar James Brown in Augusta opgroeide had bijzondere activiteiten. Er moest nu eenmaal geld verdiend worden. Er werd gehandeld in illegale whiskey. De drank werd onder de vloer verstopt. De politie was goed op de hoogte. Honey betaalde zwijggeld. Dat was niet genoeg. Regelmatig was er een inval. Dan werd de handel meegenomen en vielen er arrestaties. Honey bracht menige nacht achter de tralies door. De politie stelde zich altijd vriendelijk op, ook tijdens zo’n raid. Dat deden de agenten niet zo maar. De zwarte bevolking was stevig bewapend. Hun wapens stonden ze soms niet eens af als ze naar een cel werden overgebracht. Geweld lag altijd om de hoek. De familie Brown, inclusief zijn vader, was ‘bad’, legde James vast.
   Zo leerde de jongeman het leven kennen. En de sterke drank. Ook persoonlijk. Toen James zeven jaar was werd hij door zijn vader gedwongen uit de fles te drinken. Totdat hij er bij neerviel. Pas de volgende dag was hij weer een beetje nuchter.
   Bij het uitbreken van de oorlog in Europa (1939) kwamen er nieuwe activiteiten. In Augusta werd Camp Gordon voor militairen opgezet. De soldaten hadden vrouwen nodig. James en Junior, een andere bewoner van het tehuis, werden erop uitgestuurd om soldaten voor de prostitutie te winnen. “Om vanuit de stad in Camp Gordon te komen moesten ze vlak langs ons huis lopen. Junior en ik stonden buiten. We vroegen ze of ze een vrouw wilden. Ik gaf ze de kans niet om ‘nee’ te zeggen. ‘We hebben heel wat aantrekkelijks in dit huis hier’. Ik pakte ze bij hun arm en trok ze in de richting van het huis. Tenslotte zeiden ze ‘ja’. Dan bracht ik ze naar binnen”. James Brown was een jaar of zeven.
   Moest het jongetje dan niet naar school?
   Natuurlijk. Er waren een paar schooltjes voor zwarte kinderen. Ze zaten met z’n veertigen in één klas. Het onderwijs stelde in zijn ogen niets voor. Wat wél grote indruk op hem maakte was dat hij door het hoofd van de school regelmatig naar huis gestuurd werd omdat hij onvoldoende gekleed was. “Ik voelde me vreselijk. Ik ben het nooit vergeten”. Toen hij nog in de bossen woonde droeg hij ‘kleding’ die van meelzakken gemaakt was. Dat was evenmin geweldig. Een kennis van de familie nam af en toe wel wat kleren voor hem mee maar als die versleten waren werd hij opnieuw van school gestuurd. Voor James was er maar één oplossing: als je nieuwe kleren nodig had, moest je ze stelen. Dat deed hij dus. Als reactie op de behandeling door het hoofd van de school werd hij zich bewust dat je goed gekleed moest zijn.
   De komst van de soldaten bracht nering in de stad. James greep alle kansen om geld te verdienen aan. Niet alleen hielp hij zijn tante aan klanten, ook zelf zorgde hij voor inkomsten. Junior en hij deden veel samen. Ze poetsten schoenen. Ze haalden sandwiches en soda voor de militairen in de hoop dat ze een fooi kregen. Bij een brug dansten de twee negerjongetjes totdat ze er zowat bij neervielen. “De soldaten vonden het prachtig. Ze gooiden muntjes, nickels en dimes. Ik werkte nog harder. Ik bedacht dans-pasjes. Zo probeerde ik te bereiken dat ze quarters gooiden. Die quarters (een kwart dollar) moest en zou ik krijgen”. Zo werd James ‘the hardest working boy in showbusiness’ daar in Augusta tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij moest toch zien te overleven.
   Tijdens ander werk werd hij door drie blanke mannen bewust onder stroom gezet. De mannen stonden toe te kijken en lachten. Junior haalde hulp om hem uit de levensgevaarlijke situatie te bevrijden. De genegenheid van James voor het blanke ras zal er niet door vergroot zijn.
 
Muziek
  
102 - Tampa Red
Tampa Red
 
Muziek was er in een of andere vorm altijd wel geweest, maar nog niet zo nadrukkelijk. In de bossen sloeg hij het ritme met stokken en zong in zijn eentje. Primitiever kon het haast niet. Zijn vader kocht later voor tien dollarcent een mondharmonica voor hem. Zo kon hij liedjes spelen als ‘John Henry’ en ‘Oh, Susannah’. James hield niet van de favoriete muziek van zijn vader. Die hoorde en zong bluesmuziek in de kampen waar hij kwam als hij zijn waar (hars, terpentine) inleverde. Blues was niets voor James Brown.
   Enthousiast werd hij toen zijn vader met een orgel aan kwam zetten. Dat had hij mee mogen nemen van een meubelfabriek waar hij op dat moment werkte. Het was oud en niet alles deed het. Het orgel deponeerde hij op de veranda van het tehuis van ‘Honey’. James ging er meteen achter zitten. Naar eigen zeggen leerde hij binnen een dag hoe je erop moest spelen. Een liedje dat hij kende, ‘Coon Shine Baby’, speelde James meteen voor aan zijn vader toen die kwam luisteren. De hele buurt stond om hem heen. Dat moet hem een kick gegeven hebben.
   Tijdens de oorlog zong hij samen met Junior en ene Cornelius liedjes als ‘Old Jonah’ en ‘Old Blind Barnabas’. Met z’n drieën probeerden ze zanggroepen als de Five Trumpets en het Golden Gate Quartet na te doen. Van mensen om hem heen kreeg hij lessen in piano spelen en drummen. Tampa Red (1904-1981), een bekende bluesartiest, had omgang met een vrouw in het tehuis. Als die in de buurt was speelde hij op zijn gitaar en zong erbij. Gitaar spelen deed hij met de hals (bottleneck) van een cola-flesje. James luisterde intensief al hield hij nog steeds niet van blues. Van ‘blanke’ country & western moest hij al helemaal niets hebben.
   Popsongs vond hij wel mooi. Aan de hand van boekjes leerde hij alle liedjes uit zijn hoofd, is in de autobiografie te lezen: ‘Old Buttermilk Sky’ van Bing Crosby, ‘Saturday night is the loneliest night of the week’ (Frank Sinatra), ‘String of Pearls’ (Glenn Miller) en ‘One o’clock jump’ (Count Basie). Op de radio en op platen hoorde hij de muziek van Louis Armstrong, Louis Jordan, Duke Ellington en Eddie ‘Cleanhead’ Vinson.
   In een bioscoop werden ‘muziekclips’ gespeeld als voorprogramma van de hoofdfilm. “Voor het eerst zag ik films van Louis Jordan & His Tympany Five. Zijn muziek was tegelijk jazz en R&B. Louis speelde heel goed saxofoon en zong geweldig. Hij was populair bij de zwarte en ook de blanke bevolking. Hij had een heleboel hits tegelijkertijd. Heel wat van zijn platen verkochten meer dan een miljoen exemplaren. ‘Choo choo ch’boogie’, ‘Early in the morning’, ‘Saturday night fish fry’, ‘Ain’t nobody here but us chickens’, die waren allemaal van hem”. Vooral ‘Caldonia’ maakte indruk op de jonge James. Met name de manier waarop Jordan zijn stem verhief: ‘Cal-don-ya! What makes your big head so hard?’ “Ik leerde de woorden zo snel als ik maar kon. Als ik maar even de kans kreeg speelde ik ‘Caldonia’ op de piano en zong erbij. Van ‘Caldonia’ kon je een hele show maken. Van hem en van de predikanten heb ik geleerd hoe je een song moest brengen”.
  
James Brown liep heel wat kerken af. Hij hoorde er de zwarte bevolking zingen en in de handen klappen. Er was een orgel en de tambourines zorgden voor het ritme. Een dominee zweepte de menigte op. “I went to a service and saw a preacher who really had a lot of fire. He was just screaming and yelling and stomping his foot and then he dropped to his knees. The people got into it with him, answering him and shouting and clapping with him”. Even dacht ik [HK]: nu lees ik een recensie van een James Brown-concert. Het was duidelijk waar hij zijn inspiratie vandaan haalde.
   James Brown was ook geweldig onder de indruk van circus en van de show van Silas Green. “Hij kwam uit New Orleans. Hij had een programma met zangers, dansers, muzikanten en komieken. Dat probeerde ik vijftien jaar later te doen met de James Brown Revue”. Meestal lukte het hem bij dit soort gelegenheden gratis binnen te sluipen. Maar niet bij Silas Green. Daar moest hij gewoon betalen.
   Op elfjarige leeftijd deed James voor het eerst mee aan talentenjacht. Hij had nog nooit in het openbaar gezongen. “Zonder enige begeleiding zong ik ‘So Long’ en won de eerste prijs. Ik denk dat het kwam omdat ik toen al een krachtige stem had. De anderen zongen goed, maar heel rustig. Ik zong luid and met soul”.
   Na het einde van de oorlog werd het muziek maken wat serieuzer. James werd de leider van het Cremona Trio, dat later uitgroeide tot een quintet. James speelde piano en drums en zong erbij. De soldaten in Camp Gordon waren vaste klanten. Ze deden de muziek van Amos Milburn, Charles Brown, Red Mildred en Wynonie Harris. Eén van zijn favoriete nummers was ‘Bewildered’. Naar eigen zeggen wist hij de verschillende aanpak van Milburn en Mildred op zijn manier te combineren.
 
102 - Milburn Amos
Amos Milburn
 
Opgepakt wegens stelen – de gevolgen
 
Van een begin van een muzikale carrière was nog nauwelijks sprake. James ging namelijk steeds meer op in de misdaad. Samen met andere jongelui zat hij in een ‘gang’. Het stelen van kleding om er op school netjes uit te was gevolgd door het openbreken van auto’s. Ze haalden er alles uit wat er maar in zat en probeerden dat te verkopen om aan geld te komen. “Het was vaak niet moeilijk want de meeste mensen deden hun auto niet op slot”.
   Honey had snel in de gaten wat hij aan het doen was. Toen zijn schoenen weer eens versleten waren, zei hij tegen haar: “Honey, ik heb nieuwe schoenen nodig. Ik ga maar een nieuw paar stelen”.
   “Nee”, hoorde hij. “jij gaat geen schoenen stelen. Ik zal ze kopen”. Van het weinig geld dat Honey had kocht ze een nieuw paar. James kon zich weer op school vertonen.
 
Het stelen nam steeds grotere vorman aan. Maar één ding was heilig: James jatte nooit van andere zwarten. Integendeel: “Ik was een soort Robin Hood. Ik nam van de blanken en gaf aan de zwarten. Het was een soort herverdeling van welvaart”.
   Het moest een keer gebeuren. James werd gepakt toen hij weer eens de accu uit een auto roofde. Hij was zo geconcentreerd bezig dat hij de politie niet eens hoorde aankomen. De agenten moesten hem op zijn schouder kloppen. Na een nacht in de cel werd hij weer vrijgelaten. Dat verhinderde hem niet door te gaan met het openbreken van auto’s. Na een wilde achtervolging door heel wat agenten werd hij voor de tweede keer opgepakt. Het was afgelopen. Hij werd een paar maanden in een huis van bewaring gestopt. Hoe het verder zou gaan was hem onbekend, is in de autobiografie te lezen. Wel wist hij dat honderd dollar genoeg was om je vrijheid te kopen. Junior was de enige die op bezoek kwam. “Vraag mijn vader om me hier weg te krijgen”, vroeg hij hem. Maar er gebeurde niets.
   Onverwacht, aldus James, werd hij op 13 juni 1949 naar een rechtbank overgebracht. Er was sprake van snelrecht. Een blank meisje, dat vóór hem aan de beurt was, had 50 dollar gestolen. Ze werd tot een aantal jaren gevangenisstraf veroordeeld. James begreep dat hij in de problemen zat. Hij was niet eens blank en hij had meer dan 50 dollar ontvreemd. De landsadvocaat die geacht werd hem te verdedigen en die hij niet eerder gezien had, deed niets voor hem. Voor hij het wist was hij veroordeeld tot een straf van maximaal zestien jaar. Zonder aftrek van voorarrest. Hij zou een werkkamp met zware discipline neergezet worden. James smeekte om hem nog één kans te geven.
   “Dit is je kans”, verklaarde de rechter. “Als je hard werkt in de gevangenis kom je eruit als je 24 bent. Als je dat niet doet zul je 32 jaar zijn. Het is aan jou”. Als James zich niet goed gedroeg zou hij dus pas in juni 1965 uit de gevangenis komen. Alleen voor diefstal. Afgelopen. Volgende zaak.
 
102 - James Brown jong
De jonge James Brown
 
In de volgende twee hoofdstukken van zijn autobiografie vertelde James Brown over de jaren die hij doorbracht in twee werkkampen, eerst in Rome, later in Toccoa, alle twee in Georgia. Het leek erop dat hij daar zestien jaar van zijn leven moest verblijven. Na een tijdje bestond de buitenwereld nauwelijks nog. Bovendien verhuisde zijn familie. Bezoek kreeg hij nooit, van niemand. De jongeman moest het helemaal alleen opknappen. Hij was negentien jaar. Om te overleven moest hij een volkomen nieuwe draai aan zijn bestaan geven.
   James wilde overleven. Hij besloot zich zo te gedragen dat zijn straf minimaal zou zijn. Eenvoudig was het niet. Om te beginnen moest hij het personeel van het werkkamp mee zien te krijgen. Dat ging niet altijd goed. De jonge delinquenten werden regelmatig getreiterd. Als ze zich niet beheersten werden ze zwaar gestraft. Je kon bijvoorbeeld dagenlang op water en brood in een kuil gezet worden. Een van de bewakers pochte dat hij zo goed kon boksen. Hij daagde iedereen uit. James Brown voelde dat hij hem kon verslaan. Maar dat was gevaarlijk. Een bewaker neerslaan was zo ongeveer het ergste wat je in de gevangenis kon doen. Hij vroeg ‘kapitein’ Boatwright wat de consequenties waren. Die waren er niet, kreeg hij als antwoord. “Belooft u mij dat u me niet in de kuil zet?”, vroeg hij nogmaals. Na een nieuwe ontkenning durfde James het aan. Het jongetje deelde de bewaker, die zo’n honderd kilo woog, zware klappen uit. Hij hield zich nog in. De man liep weg. James ging niet de kuil in, maar ondervond op allerlei manieren wat het betekende de eer van de gezagsdrager aangetast te hebben. Maar wellicht verhoogde het zijn prestige ten opzichte van de andere delinquenten. Het lijkt erop dat James Brown gaandeweg een leidersrol kreeg.
   Ook in het werkkamp deed Brown er alles aan zo goed mogelijk gekleed te gaan. Daar had hij niets over te vertellen. De grijze kledij moest hij dragen totdat die versleten was. Maar als hij dienst had in de wasserij veranderde hij de nummertjes. Dan zette hij zijn nummer (33) in de nieuwe kleding van een mede-gevangene. Totdat hij betrapt werd. Toen moest hij voor straf in de meest armoedige kleren lopen en op het land werken. Dat was vernederend voor hem. Maar steeds probeerde hij zijn kleren in de beste staat te houden. “Ik zag eruit als een politicus die naar zijn werk gaat. Niemand kreeg me eronder”.
   Het leven in het werkkamp had zijn goede kanten. De chaos verdween uit het leven van James Brown. In plaats daarvan kwam er discipline. De jongeman merkte dat hij gewaardeerd werd als hij zich gedroeg op de manier zoals van hem verwacht werd. Hij kwam zelfs in een goed blaadje te staan bij Walter Matthews, ‘Mr. Matthews’, de commandant van het kamp. Die nam hem speciaal onder zijn hoede, mede omdat er nooit iemand bij hem op bezoek kwam.
   In het kamp zaten niet alleen zwarte jongetjes opgesloten. Ook wat blanken en zelfs meisjes. De groepen werden strikt uit elkaar gehouden. Maar niet altijd. James viel op een meisje dat Eva heette. Van een afstand keken ze elkaar steeds aan. Wat ze voor elkaar voelden was duidelijk, ook voor de kampleiding. Een van de ‘kapiteins’ stak een helpende hand toe. “‘James, je hebt wat met dat meisje, niet?’
   ‘Welk meisje is dat’, vroeg ik.
   ‘Stel je niet aan. Je weet wie ik bedoel – Geneva. Bij de wasserij is een kleine ruimte. Als niemand kijkt kunnen er twee mensen makkelijk samen in’”. Kort daarna kregen Eva en James opdracht in de wasserij te werken. De bewaker knikte dat de kust veilig was. Van het wasgoed maakte het tweetal een bed. “Het was geen bruidssuite”, schreef James in zijn boek, “maar niemand heeft in een bruidssuite ooit zo veel genoten als Eva en ik op die dag”.
 
Opnieuw muziek
 
Johnny Terry, één van de jongens in de gevangenis had een ouwe radio. In Rome, de plek van het gesticht, was maar één radiostation en vrijwel zonder muziek. Van alle kanten probeerden ze zenders van verder weg op te pikken. Ineens was het raak. Ze vonden een station dat rhythm & blues uitzond. James werd helemaal opgewonden. Zo opgewonden dat hij de radio op de grond liet vallen. Het kostte hem heel wat moeite het apparaat weer op te lappen.
   Samen met Terry en een paar andere jongens zette James een gospelkoor op. “Ik zong een heleboel gospel in de gevangenis. Gospel is een uiting van tevredenheid. Bovendien is zo’n groep een goede leerschool voor muziek. De een zingt hoog, de ander laag, en alles wat er tussenin zit. Met Junior had ik al geoefend”. De groep deed het zo goed dat ze in een ziekenhuis buiten het kamp mochten optreden. De bewaker vergat dat hij delinquenten onder zijn hoede had en ging naar huis. Commandant Matthews wist zijn discipelen te vinden. Toen hij arriveerde was de muziek zo emotioneel dat iedereen huilde, de zangers en het publiek. En niemand was er vandoor gegaan. James Brown was intussen zo ‘braaf’ geworden dat hij en John Terry weldra meehielpen bij het opsporen van gevangenen die op de vlucht geslagen waren.
   James Brown was ook de drijvende kracht bij het formeren van een soort orkest. Instrumenten hadden ze niet. Maar met de ‘primitieve’ ervaring die hij had was dat geen onoverkomelijk probleem. Je kon muziek maken met een wasbord, een kammetje met papier eromheen, potten en pannen. Van een houten kist maakte hij een soort mandoline. Dat soort dingen had hij bij Silas Green gezien. In de gymzaal van het kamp stond een piano. Hij moest er zes maanden steeds om vragen, vóór hij toestemming kreeg erop te spelen. “Ik liep er heen en begon meteen met ‘Caldonia’ [van Louis Jordan]. Iedereen sprong en danste meteen. Het leek wel ‘jailhouse rock’ [van Elvis Presley]. Als we aan basketball in de gymzaal deden speelde ik piano en zong erbij. ’s Avonds oefenden we met het orkest in de slaapzaal. En we zongen gospelsongs”.
 
102 - Jordan Louis Caldonia 2
Louis Jordan zingt Caldonia toe
 
Na een paar jaar verhuisde de gevangenis van Rome naar Toccoa. James had intussen de bijnaam ‘Music Box’ gekregen. In Toccoa kwam hij in contact met een jongen van buiten het kamp. Die heette Bobby Byrd. Samen praatten ze over muziek. Bobby vroeg James hoe lang hij nog vastzat. Op dat moment had hij er nog geen drie van de zestien jaar opzitten. Het zette de jongeman aan het denken. Hij was nu negentien. “Ik had eigenlijk op de high school moeten zitten”, legde hij in zijn boek vast. James besloot in een brief om voorwaardelijke vrijlating te vragen. Niet veel later kreeg hij bezoek van een man die daarover ging. De volgende dag werd hij bij de commandant geroepen. “Music Box”, hoorde hij, “als je morgen een baan hebt mag je vertrekken. Je mag alleen niet terug naar Augusta”.
   James Brown kon het niet bevatten. Maar, als we tenminste zijn woorden mogen geloven, kreeg hij een baan aangeboden van een Oldsmobile autodealer toen hij een paar dagen later buiten het kamp in Toccoa moest werken. De volgende dag werd hij voorwaardelijk vrijgelaten. Het was 14 juni 1952.
   Brown in zijn autobiografie: “Er bestaat geen recht. Mijn straf was veel te hoog. En toen ze me kwijt wilden verscheurden ze de officiële veroordeling”.
 
Naast zijn gewone werk werd James de leider van een R&B-band. Overdag werkten ze, ’s avonds traden ze op. Bovendien repeteerden ze tot ze er bij neervielen. Het was doodvermoeiend maar als je wat wilde bereiken moest je de discipline daarvoor opbrengen. Bobby Byrd deed mee. Toen John Terry vrijkwam voegde die zich bij de anderen. De groep trad in het begin op als de Toccoa Boys, later als de (Famous) Flames. Ze speelden het repertoire van de Dominoes (‘Have mercy baby’), Moonglows (Sincerely’), Orioles (‘Crying in the chapel’) en de Clovers (‘Ting-a-ling’). Met hard werken, nog harder werken, en nog harder werken, wisten ze zich een plek te veroveren. Na heel wat moeite kwam er op 3 maart 1956 zelfs een plaat van hen uit op King Records, de maatschappij van Syd Nathan: ‘Please, please, please’. Daarvan werden meer dan een miljoen exemplaren verkocht. James Brown werd een ster. Hij werd de ‘godfather of soul’. De Amerikaanse droom werd weer eens werkelijkheid.
   Maar tijdens mijn ontmoetingen met de zanger van ‘Hot Pants’, It’s man’ man’s world’, ‘Woman’, ‘Papa’s got a brand new bag’, ‘I got you’, ‘Cold Sweat, ‘Sex Machine’ en ga zo maar door, had ik niet het minste idee wat hij enkele tientallen jaren eerder allemaal had meegemaakt.
 
 
102 - Brown James standbeeld Augusta 2005.05.03
James Brown onthult James Brown-standbeeld op zijn 72ste verjaardag (Augusta, 2005)
 
Harry Knipschild
20 maart 2012
 
Clips
 
                                                      
Literatuur
Nick Kent, ‘Get up, I feel like a rap machine, New Musical Express, 15 november 1979
Philip Norman, The road goes on forever. Legends and superstars of contemporary music, Londen 1984 (1982)
James Brown en Bruce Tucker, James Brown. The Godfather of Soul, Glasgow 1988 (1987)
Cynthia Rose, ‘James Brown. He’s brown and he’s proud’, Observer, 16 september 1990
Nelson George en Alan Leeds, The James Brown reader. 50 Years of writing about the godfather of soul, Londen 2008
Harry Knipschild, ‘Persoonlijke herinneringen aan James Brown (1933-2006)’, website Harry Knipschild, 16 november 2009