Zoeken

 

Na 1989 kwam er een einde aan de Sovjet-Unie. De archieven van ‘het rijk van het kwaad’ gingen open. Historici vonden documenten waaruit bleek dat het Russische leger na de nederlaag van Hitler in 1945, als het de kans kreeg, vanuit het oosten verder zou oprukken tot aan de Noordzee. Dankzij de aanwezigheid van Amerikaanse troepen is dat nooit gebeurd.

   In Azië waren soortgelijke problemen. Omdat de westerse landen ‘op eigen terrein’ steeds oorlog met elkaar voerden kregen de gebieden die door staten als Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland ‘geregeerd’ werden de kans om de Europeanen te verdrijven. Ze zochten aansluiting bij de communisten of vormden een eigen blok, de zogenaamde derde wereld. Amerikaanse presidenten ontwikkelden, terecht of niet terecht, het idee van de domino-theorie. In de Kennedy-biografie van Arthur Schlesinger, A Thousand Days, citeerde deze wat president Eisenhower aan een twijfelende Winston Churchill verkondigde: “Zet een rijtje domino-stenen op een rijtje. Laat de eerste steen omvallen en voor je het weet ligt ook de laatste om. Zo is het in Indo-China [Vietnam, Laos, Cambodja]. Als dat gebied in handen van de communisten komt is dat rampzalig voor onze positie in de wereld. Door niet op tijd handelend op te treden hebben we Hirohito, Mussolini en Hitler geen halt kunnen toeroepen”.

   President Kennedy stuurde ‘militaire adviseurs’ naar Vietnam. Onder Lyndon Johnson kregen grote groepen Amerikaanse jongelui opdracht het vrije westen in Zuid-Vietnam stand te laten houden. Dat ging met zoveel geweld gepaard dat Nederlanders de straat opgingen en ‘Johnson moordenaar’ riepen. Protestzanger Boudewijn de Groot had succes met zijn ‘Welterusten meneer de president [Johnson]’. Op instigatie van Richard Nixon begonnen de Amerikanen onderhandelingen met de communisten in het noorden. Die leidden tot de vrede van Parijs (1973). De onderhandelaars, Henry Kissinger en Le Duc Tho, kregen dat jaar de Nobel-prijs voor de vrede toegekend. Dat weerhield Noord-Vietnam er niet van om ondanks die ‘vrede’ door te vechten in de naam van Ho Chi Minh (1890-1969). In april 1975 viel Saigon, de hoofdstad van Zuid-Vietnam. Het Amerikaanse militaire optreden in dat deel van Azië was afgelopen.

 

Het communistische noorden, eerder Tonkin, oefende vanaf die tijd de macht uit in Annam en Cochinchina, de vroegere zelfstandige rijken in het zuiden. Aanhangers van het ‘corrupte’ bewind in het zuiden werden naar heropvoedingskampen gestuurd. Groepen Zuid-Vietnamezen waren zo wanhopig dat ze als ‘bootvluchtelingen’ hun leven waagden in de hoop het buitenland te bereiken. Het ideaal van heel wat Vietnamezen was een nieuw bestaan in Amerika op te bouwen. Dat lukte lang niet iedereen. In Nederland verschenen de eerste verkopers van Vietnamese loempia’s. Een politiek fenomeen in Amerika was dat van de stoffelijke overschotten van omgekomen soldaten. De onderhandelingen daarover zorgden voor heel wat gekrakeel.

   Dat soort zaken speelden allemaal nog toen Greetje en ik in de zomer van 2000, een kwart eeuw dus na de ‘Amerikaanse Oorlog’ besloten om met organisatie Kras een reis door Vietnam te maken. Met Vietnam Airways vlogen we vanuit Parijs naar Saigon, de stad bij de monding van de Mekong-rivier. Die was formeel omgedoopt in Ho Chi Minh-stad. Wat vonden we terug van de aanwezigheid van de Amerikanen?

 

Saigon

 

Ons hotel in Saigon
 

Bij aankomst op 9 oktober 2000 werd ons meteen duidelijk dat er in het hele land in feite maar één betaalmiddel was: de Amerikaanse dollar. De dong, de Vietnamese ‘gulden’, had nauwelijks enige waarde. Voor één dollar moest je maar liefst 14.000 dong neertellen. En dan nog. Wie het zich kon veroorloven betaalde met dollars. In werkelijkheid was de koers nog te gunstig voor de dong. Dat is gebleken uit het vervolg. Ondanks de waardevermindering van de dollar is de Amerikaanse munt inmiddels meer dan 20.000 dong waard. Maar hoe dan ook, na de Amerikaanse militaire aftocht had het kapitalisme van de Verenigde Staten toch de overhand gekregen. Niet voor niets werden we ondergebracht in een hotel dat tot de Best Western-keten hoorde.

   We maakten de reis met een gezelschap. De meeste activiteiten lagen dus vast. Met bus, boot en vliegtuig trokken we overal heen. Steeds werden we begeleid door een Vietnamese gids. Die vertelde in het Engels aan haar gasten hoe het allemaal in elkaar zat. We mochten vragen wat we wilden. Er was geen taboe op welk onderwerp dan ook. Onze gastvrouw vertelde in de bus alleen wat ‘politiek correct’ was. Als je iets vroeg wat daarvan afweek kreeg je het officiële commentaar. Tijdens een pauze onderweg kwam ze dan naar je toe en gaf onder vier ogen het echte antwoord. Misschien luisterde in de bus de chauffeur wel mee.

 

Bij de machtsovername maakten de noorderlingen heel wat buit. Niet alleen doopten ze de hoofdstad van het zuiden om in Ho Chi Minh-stad. Ze stelden tevens tentoon wat ze in handen gekregen hadden. Dat was min of meer verplichte kost voor bezoekers uit het westen. Het ‘museum’, dat al in september 1975 zijn poorten opende voor de eigen bevolking, veranderde steeds van naam. Aanvankelijk ging het door het leven als ‘het huis voor het tentoonstellen van de oorlogsmisdaden van het Amerikaanse imperialisme en z’n handlangers in Zuid-Vietnam’. In 1993 werd de naam omgezet in ‘War Remnants Museum’. Dat kwam ongetwijfeld door de verbeterde betrekkingen met Amerika.

   Maar een vriendschappelijke houding ten aanzien van de voormalige agressor was op deze plek wel moeilijk. In een folder die we in het museum overhandigd kregen stond één Amerikaanse politicus afgebeeld, Robert McNamara, minister van defensie onder Kennedy en Johnson. Op de voorpagina een foto van de eerste Amerikaanse militaire inval in Vietnam, op 8 maart 1965, en meteen erachter een citaat (later) van McNamara: “We were wrong, terribly wrong. We owe it to future generations to explain why”.

   Het museum was gevestigd in het voormalige Amerikaanse inlichtingencentrum. Buiten stonden buitgemaakte tanks en wapens opgesteld. Binnen hingen de wanden vol met foto’s waar in beeld was gebracht wat het Westen het Vietnamese volk allemaal had aangedaan. De ene foto was nog weerzinwekkender dan de andere. Gruwelijkheden werden de bezoekers niet bespaard. Foto’s met verminkte Vietnamezen, het ontploffen van napalm-bommen, lijken, keiharde ondervragingen en ga zo maar door. Het was niet iets om vrolijk van te worden. Niet iedereen van de groep nam dan ook uitgebreid de tijd om alles te bekijken. Een foto in kleur beeldde het bloedbad van My Lai uit (16 maart 1968).

   Naar enige ‘objectiviteit’ werd op deze plek niet gestreefd. In mijn aantekeningen noteerde ik ondermeer: “De bezoekers werd de domino-theorie niet uitgelegd. Evenmin werd vermeld dat ook de communisten verre van zachtzinnig met hun vermeende politieke tegenstanders of zelfs niet-meelopers waren omgegaan. De vraag blijft natuurlijk of de inwoners van Zuid-Vietnam en Cambodja er in 1975 wel beter van werden toen ze onder de voet gelopen werden door de Vietminh en de Rode Kmer. In Cambodja kwamen de ‘Killing Fields’ van Pol Pot – totdat het land militair veroverd werd door het ‘vredelievende’ Noord-Vietnam”.

 

12 Vietnam004
Minst gruwelijke foto uit de folder van het museum
 

Vanuit Saigon maakten we diverse uitstapjes, onder andere over de Mekong-rivier. Op onze tocht passeerden heel wat rode borden met hamer en sikkel. In Vietnam waren communistische symbolen nog vanzelfsprekend. Dung, onze gids, vertelde onderweg over 27 juli, de dag van de Vietnamese helden. Die werden jaarlijks uitgebreid in het zonnetje gezet. Mensen die aan de ‘goede kant’ hadden gestaan waren, dat was duidelijk, in allerlei opzichten bevoordeeld. Zo kregen ze een speciale helden-uitkering. Dat was mooi als ze oud werden want de AOW was hier niet ingevoerd. Om die reden was het verwekken van (mannelijk) nageslacht van het grootste belang. In 2000 bestond de bevolking voor een zeer groot gedeelte uit jonge mensen. Die moesten voor hun ouders zorgen.  

 

We hadden volop gelegenheid om op eigen gelegenheid door Ho Chi Minh-stad te lopen. Dat deden we regelmatig in het gezelschap van Nancy en Hans Renes. Op het dakterras van hotel Rex genoten we van het uitzicht. In Rex waren kamers te huur. Een luxueuze kamer kon je niet met Vetnamees geld betalen. Een nacht kostte 69 Amerikaanse dollars. Het voormalige Franse hotel en Amerikaanse handelcentrum was na de machtsovername genaast. “Since May 1975, South Vietnam was completely liberated, the Rex became a property of Ho Chi Minh City” las ik ter plekke. In een vergaderzaal voor zakenmensen was een borstbeeld van Ho Chi Mih aan het hoofd van een tafel voor dertig personen neergezet.

   Buiten op straat waren op veel plekken banken waar je kon zitten. Die straatbanken waren gesponsord door Amerikaanse bedrijven als Pepsi Cola.

 

12 Vietnam003
Alleen toegang met Amerikaanse Dollars
 

Museum van de geschiedenis van Vietnam

 

Op vrijdag 13 oktober brachten we met z’n vieren een bezoek aan het Historisch Museum. Vooral de heroïsche strijd van het Vietnamese volk tegen allerlei indringers was in beeld gebracht. In de voormalige hoofdstad van Zuid-Vietnam werd voornamelijk de geschiedenis van Noord-Vietnam benadrukt, viel me op. Hadden de noorderlingen zelfs de geschieden van het zuiden ‘overgenomen’?

   In plattegronden en gigantische schilderingen (met veel rood) werd de kijker duidelijk gemaakt dat het heldhaftige Vietnamese volk zich had weten te bevrijden van de Chinese overmacht en sindsdien alle boze indringers had weten te weerstaan. Vooral de strijd tegen de ‘Mongolen’ (de Chinese Yuan-dynastie, 1271-1368) in de omgeving van Hanoi (in het noorden) werd zeer plastisch afgeschilderd, met veel wapens, schepen, bloed en rode kleuren. Naast het schilderij stonden enkele dikke houten staken die volgens de opgave gebruikt waren om de Chinees-Mongoolse invallers te verdrijven.

   Langzamerhand werd het me duidelijk dat de huidige machthebbers hun geschiedenis presenteerden als het zich bevrijden van alle buitenlandse bemoeienis (China) en vervolgens als één grote strijd van het vreedzame Vietnamese volk tegen alle agressies van buitenaf. De mooiste tijd in de Vietnamese geschiedenis was de periode na de strijd tegen de Mongolen en vóór de komst van de Fransen. Toen was het rustig en kon de Vietnamese cultuur zich laten gelden. Over de verovering van midden- en zuid-Vietnam door het noorden, en van de inval van de Vietnamese legers in Cambodja nog niet zo lang geleden werd (natuurlijk) geen melding gemaakt. Evenmin over de bezetting van Cambodja door Vietnam in de negentiende eeuw.

   Bij terugkomst in Nederland verdiepte ik me in dat gedeelte van de Cambodjaanse geschiedenis. In zijn History of Cambodia (1983) wijdde David Chandler enkele hoofdstukken aan de bezetting van het land door de Vietnamezen. Chan, de koning van Cambodja, moest zich samen met zijn entourage bijvoorbeeld twee keer per maand in Vietnamese kleding hullen en dan in een Vietnamese tempel eer bewijzen aan de keizer van Vietnam. Cambodjanen werden in 1817 als dwangarbeiders voor Vietnamese doeleinden ingezet. “De slaven moesten in groepen marcheren. Eén Vietnamees liep voorop, de tweede achteraan, een derde in het midden. De Vietnamezen sloegen de Cambodjanen op hun rug om ze sneller te laten lopen. Iedereen was uitgeput en met modder bedekt”. Onder leiding van monniken braken opstanden uit tegen de Vietnamese overheersing. In 1840 werd koningin Mei zelfs door de Vietnamezen gearresteerd en meegevoerd. Het anti-Vietnamese verzet duurde tot de komst van Europeanen (Fransen). Eindelijk kwam er een einde aan de Vietnamese aanpak van het buurland. Dat soort aspecten waren afwezig in het historisch museum van Ho Chi Minh-stad. Dat had, leek mij, een politieke bedoeling te hebben.

 

Vanuit het museum liepen we verder in de richting van het centrum. Aan de rechterkant van de straat stond het zwart van mensen met spandoeken. Wij hadden er geen idee van wat daar opstond. Later bleek dat de staat zo maar hun grond had afgenomen en dat ze daar te weinig vergoeding voor hadden gekregen. Blijkbaar was het mogelijk te protesteren tegen de willekeur van de overheid. Interessant om dat vast te leggen door het maken van een foto.

  Een man in een groen pak kwam meteen aansnellen. Hij had vier sterren op zijn tenue. De persoon uit ons gezelschap die de foto gemaakt had kreeg te horen dat het in deze straat verboden was te fotograferen. Kijk, op dat bord kon je het zelf lezen, wees hij. Maar dat was in het Vietnamees. Er ontspon zich een discussie tussen twee Vietnamese agenten. Ze verschilden van mening of wij westerlingen nu wel of niet mochten doorlopen.

  We bevonden ons voor een gebouw, bleek, van de Vietnamese politie. ‘Dringend’ werd ons verzocht in het wachtlokaal plaats te nemen. Van daaruit werd ons Best Western-hotel gebeld. Intussen kwam een jongeman in ons lokaal de krant lezen. Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat die misschien wel verstond wat wij eventueel tegen elkaar zeiden. Niet lang daarna kwamen drie vertegenwoordigers van het hotel aangereden. Er werd flink gediscussieerd. Van onze reisgenoot werd geëist dat hij zijn fotorolletje inleverde. Ter plekke werd het ontwikkeld. De gemaakte opname van de Vietnamese protestactie werd door de politie uit de collectie verwijderd. Op die manier maakten we kennis met de machthebbers in Zuid-Vietnam.

  Bij terugkomst in het hotel hoorden we van de Nederlander die voor onze aanwezigheid verantwoordelijk was: “Jullie hadden die officier gewoon wat geld in de hand moeten stoppen. Die mensen verdienen maar een paar tientjes in de maand”.

  Een paar uur later liepen we in het donker worden Saigon langs de plek van de voormalige Amerikaanse ambassade. Voor alle zekerheid maakten we maar geen foto.

 

Een uitstapje naar de ‘tunnels’

 

Als je met Kras reisde waren de dagen altijd goed gevuld. Met het gezelschap bezochten we dag in dag uit tal van interessante plekjes in Saigon en omgeving. Herinneringen aan de ‘Amerikaanse oorlog’ bleven niet achterwege. De westerse bezoekers werd ingeprent dat Noord-Vietnam de Amerikanen in een guerilla-oorlog verslagen had. De communisten hadden honderden kilometers aan ondergrondse tunnels aangelegd. Door dat netwerk konden ze zich ongezien onder de grond verplaatsen en verschuilen. De troepen van Ho Chi Minh, noteerde ik ten tijde van de reis, waren uiterst handig in het aanleggen van allerlei vormen van infrastructuur. Ze hadden ook een honderden kilometers-lange bevoorradingsroute van het noorden naar het zuiden aangelegd, aan de buitenkant van de het land, over het grondgebied van Laos en Cambodja. Zo werden ook de buurlanden in het conflict betrokken.

   Een klein gedeelte van het tunnelwerk was in stand gehouden om aan bezoekers te demonstreren hoe het gegaan was. De gecamoufleerde ingang naar de Cu Chi-tunnels was smal, meer nog voor westerlingen dan voor de vaak een stuk kleiner en magerder Vietnamezen. Je kon er maar moeilijk inkomen. Als je eenmaal binnen was moest je onmiddellijk bukken omdat de gangen een soort van kruiphoogte hadden. Bovendien waren de gangen op drie niveaus boven elkaar. Binnen was het heel warm en benauwd. Hoe moest het geweest zijn om hier met een groep mensen in geschuild te hebben! Naast het gangensysteem zag ik allerlei ondergrondse ruimtes zoals een medische behandelkamer en een keuken met een valse schoorsteen (om niet ontdekt te worden).

   De autoriteiten hadden een geschikte persoon gevonden om de Nederlanders op deze plek een en ander te demonstreren. De oorlogsveteraan schepte er in 2000 nog steeds zichtbaar genoegen in te laten zien hoe heerlijk het was om Amerikanen te doden. Met een brede grijns demonstreerde hij bijvoorbeeld hoe de booby traps werkten. We kregen tevens een propagandafilm te zien.

   Ook op deze plek werd een op de Amerikanen buitgemaakte tank tentoongesteld. In de omgeving van het oorlogsvoertuig waren Vietnamese soldaten in legerkleding aan het volleyballen.

 

Een ontmoeting met de broer van het meisje van de foto

 

In oktober 2000 reisden we door Vietnam dat sinds 1975 vanuit Hanoi geregeerd werd. Vietnam stond in die tijd regelmatig volop in het nieuws. Na 11 september 2001 veranderde evenwel alles in de wereld.

   Een van de redenen waarom Noord-Vietnam het zuiden veroverd had was om de ‘corruptie’ te bestrijden die er heerste. Een kwart eeuw later was er niet zo veel veranderd als je de berichten in de kranten las. Zo werd op 12 november 1999 gemeld dat Ngo Xuan Loc, vice-premier en verantwoordelijk voor het industriebeleid, uit zijn functie gezet was wegens ‘gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel en wegens corruptieve activiteiten’. Hij zou onder andere steekpenningen hebben aangenomen bij de aanleg van een watersportcentrum. Een topje van de ijsberg.

   In NRC Handelsblad maakte Willebrord Nieuwenhuis bovendien een reportage van routes langs en over de Vietnamese grenzen. Deze keer geen sluikroutes om de Amerikanen te misleiden, maar paden om het eigen overheidsbeleid te ondermijnen.

   Een vrouw, aldus de reportage aan het einde van het jaar, smokkelde goedkope Chinese handelswaar het land binnen. De grenspolitie zwaaide vanaf een vrachtauto. Agenten controleerden elektronische apparatuur. De vrachtbrieven klopten niet. De douane werd overtuigd met een bundel bankbiljetten onder tafel. Ongeveer een kwart van alle geïmporteerde goederen kwam via sluikroutes het land binnen. De ontduiking van invoerrechten, het dumpen van goedkope goederen bracht de niet-effectief gerunde Vietnamese bedrijven, in handen van de staat, grote schade toe. De recente opleving in grote delen van Azië ging dan ook aan Vietnam voorbij.

 

12 Kim Phuc
Kim Phuc (midden) met haar broertje links voor
 

Een affaire die in die tijd aandacht in de media kreeg had te maken met een foto. Van een negenjarig Vietnamees meisje dat naakt en huilend werd afgebeeld omdat ze door napalm verminkt was. De hele wereld kende die foto, in Trang Bang gemaakt op 8 juni 1972. In 1999/2000 stond het meisje opnieuw in de belangstelling. Er verscheen een film-documentaire. Kim Phuc bleek niet alleen gefotografeerd maar ook gefilmd. “Waarschijnlijk stond de filmer op vrijwel dezelfde plek als de fotograaf. Het is een merkwaardige gewaarwording om iemand die je alleen in stilstaand zwart-wit kent, opeens in kleur voorbij te zien rennen, nota bene in al haar ellende ook nog even kijkend naar de camera. De eerste, intuïtieve reactie: ‘Dit is nep, dit kan niet echt zijn’”.

   Kim Phuc was het gelukt uit het bevrijde Vietnam te ontsnappen, Ze woonde inmiddels in Canada. Haar broer dreef een koffiehuis in de omgeving van de geconserveerde tunnels. We zochten hem op met onze bus. Bij het napalm-incident was zijn linkeroog beschadigd. Daarom droeg hij een donkere bril. Lachend en ogenschijnlijk trots wees hij zichzelf aan op de bekende foto die hij had laten vergroten en aan de wand had opgehangen. De ellende van hem en zijn zus had hem materiële voorspoed gebracht. Bussen met westerse toeristen hielden halt bij zijn winkel.

   Op de terugtocht hield onze Vietmamese gids haar mond over wat we die dag gezien hadden. Een Nederlandse vertegenwoordigster van Kras Reizen bewaarde eveneens het stilzwijgen. Toen we haar later op de avond om commentaar vroegen zei ze: “Mijn vriend loopt stage in Hanoi. Als je politiek onwelkome dingen zegt word je op het eerste vliegtuig naar Nederland gezet”.

 

12 Vietnam broer
Broer van Kim Phuc (oktober 2000)
 

Op 29 december 2000 publiceerde Tracy Metz een artikel over Kim Phuc in NRC Handelsblad. Het leven onder het communistische regime vanaf 1975, vertelde ze, werd steeds zwaarder. “De noedelkraam van Kims moeder, die het gezin onderhield, werd onteigend. De familie zakte steeds dieper weg in honger en armoede. De foto had het meisje beroemd gemaakt in het westen. Het regime begreep dat zij nuttig kon zijn als propaganda. Ze wilde arts worden, maar ze werd zo vaak van haar studie afgehaald dat ze die moest opgeven. Toch moest ze blijven zeggen dat ze medicijnen studeerde. Ze hielden haar aan een touwtje.

   Eind jaren tachtig mocht Kim gaan studeren. In Cuba. Na een paar jaar vond ze het idee dat ze terug moest naar die poppenkast in Vietnam onverdraaglijk. Onderweg naar Moskou voor hun huwelijksreis in 1992 vertelde ze haar kersverse echtgenoot, met wie ze in Havana was getrouwd, dat zij asiel wilde aanvragen tijdens een tussenlanding in Canada. Sinsdien wonen zij in de buurt van Ontario”.

   Tracy Metz had gesproken met Denise Chong, auteur van een boek over ‘het meisje op de foto’. Zij vond Kim ‘nog steeds tamelijk naief’. “Vergeet niet”, noteerde Tracy Metz, “dat zij onder het communisme is grootgebracht, een systeem waarin je vooral niets moet vragen en geen kritische gedachten moet koesteren”.

 

Popmuziek

 

Vanzelfsprekend was ik benieuwd of je ook (Amerikaanse) popmuziek kon horen in Vietnam anno 2000. In haar reisboek Hoge bomen in Hanoi (1993) schreef Carolijn Visser over zangeres Thi Phuong. Die zong in een ‘disco, zo donker als een kolenmijn’. Ze verscheen in een wolk van glitter en make-up op het toneel – met gitzwarte ogen in een witgemaakt gezicht. Visser herkende een Frans lied. “Adamo zong het jaren geleden op de Nederlandse radio: ‘Tombe la neige’. Een merkwaardige tekst in deze ruimte, die door een paar loeiende aircondioners koel gehouden werd. Thi Phuong zong het lied met dramatische uithalen in een diepe, schorre stem. En ze keek alsof ze het meende”.

   John Denver manifesteerde zich in 1971 met protestliederen tegen het Amerikaanse optreden in Vietnam, onder andere het door Ed McCurdy geschreven ‘Last night I had the strangest dream’. In mei 1994 mocht hij optreden in Saigon en andere Vietnamese steden. “Het is voor het eerst dat een Amerikaanse artiest in het communistische land optreedt, sinds de Vietnam oorlog in 1975 eindigde”, aldus een bericht in de krant. “Denver zei dat het zijn droom was die werkelijkheid werd om op te treden in Vietnam. Hij hoefde tijdens de Vietnam-oorlog niet in dienst, omdat hij twee tenen miste. ‘Als ik ooit naar Vietnam ga, is het om te zingen’, had hij zichzelf voorgenomen. Hij hoopte dat hij met liedjes als ‘Take me home, country roads’ de Amerikanen en Vietnamezen iets dichter bij elkaar kon brengen”.

   Denver was de eerste, maar zeker niet de laatste. In januari 1999 gaf Boney M. met de Nederlandse Antiliaan Bobby Farrell er een show. Leo Sayer en Lobo waren Boney M. al voorgegaan.

   Ook wij kregen in Saigon een muzikale show te verwerken. Maar dan wel in de besloten eetzaal van het Best Western-hotel. We werden geëntertained door een vrouw die zich als de Vietnamese Tina Turner liet aankondigen. Ze zong liedjes als ‘Will you still love me tomorrow’ (van de Shirelles) en de Turner-hit ‘Simply the best’.

 

Afscheid van Saigon

 

Saigon, Ho Chi Minh-stad, was voor ons het begin van de reis. Een vliegtuig vervoerde ons door de lucht naar Danang. Dit was de plek waar Amerikaanse soldaten onder president Johnson in 1965 Vietnam voor het eerst waren binnengevallen. Danang (vroeger: Tourane) hoorde, anders dan in het oorlogsmuseum gesuggereerd werd, niet bij Noord- maar bij Zuid-Vietnam.

   “Vanuit het vliegtuig had ik een prachtig uitzicht op het landschap met bergen en kronkelende rivieren. Toen we een uur later in Danang landden, in het midden van Vietnam aan de kust, zagen we iets heel anders: een gigantisch vliegtuig van de US Air Force. We hoorden dat er Amerikaanse veteranen gearriveerd waren die op bezoek waren in het land van hun voormalige vijand”, noteerde ik ter plekke.

 

12 Clinton hippie
Hillary en Bill Clinton, begin jaren zeventig
 

Een maand later landde opnieuw een Amerikaans vliegtuig in het land. Aan boord bevond zich de opperbevelhebber van het Amerikaanse leger: president Clinton. Samen met first lady Hillary. In NRC Handelsblad schreef Robert Giebels: “De wonden lijken goeddeels geheeld en de Amerikaanse president Clinton komt, zo lijkt het, op het goede moment met zijn historische bezoek. Voor het eerst sinds 1969 bezoekt een Amerikaanse president Vietnam. De man die als student de dienstplicht ontdook en demonstraties tegen de Vietnam-oorlog organiseerde, is meer dan welkom. De demonstraties in 1968 en 1969 vormden het begin van Clintons politieke carrière, het bezoek aan Vietnam ruim dertig jaar later het einde. In de tussenliggende periode ‘ben ik gegroeid’, zei de president voorafgaand aan het bezoek.

   Clinton gaf een ondubbelzinnig antwoord op de vraag of Amerika Vietnam excuses moet maken voor een oorlog die aan drie miljoen Vietnamezen het leven kostte en indirect (en nu nog) honderdduizenden slachtoffers maakte door de naweeën van het gebruik van Agent Orange, een extreem giftig ontbladeringsmiddel waarmee de Amerikanen grote delen van Vietnam veranderden in een maanlandschap: ‘Ik denk het niet’.

   Vietnamezen die die oorlog niet meer bewust hebben meegemaakt, zitten niet te wachten op excuses. Zij zijn veruit in de meerderheid. Ze hebben meer op met het rood van Coca-Cola dan het identieke rood van de duizenden Vietnamese banieren die samen met gele hamers, sikkels en sterren aan elke lantaarnpaal hangen.

   De communistische machthebbers kijken liever naar het glorieuze verleden. Tot afgrijzen van hulporganisaties als de Aziatische Ontwikkelingsbank heeft de Vietnamese regering het plan opgevat om hét symbool van Vietnamese onverzettelijkheid nieuw leven in te blazen. Het Ho Chi Minh-pad, waarlangs, ondanks permanente bombardementen van de Amerikanen, het Noorden de Vietcong in het zuiden bevoorraadde, wordt omgebouwd tot een zesbaans snelweg. Een onbegrijpelijke verspilling van geld en menskracht, zeggen ontwikkelingswerkers.

   Het Amerikaanse Congres moet nog een verdrag ratificeren waarmee handelsbelemmeringen worden weggenomen. Indien Amerikaanse bedrijven zich op grond van dat verdrag gaan vestigen in Vietnam, zullen de in Vietnam teleurgestelde en vertrokken Europese multinationals terugkeren, zo is de verwachting. Als dat Vietnam een van de krachtigste economieën in de regio maakt, is de ‘Amerikaanse oorlog’ vermoedelijk snel vergeten”.
 
12 Bill CLinton Vietnam 2000 (Ho Chi Minh)
Bill Clinton in Vietnam: "Ik ben gegroeid", november 2000
(bij beeld Ho Chi Minh)
 
Bill Clinton was een meer dan handige politicus. En een amateur-muzikant. In het gezelschap van presidenten, partijleiders en vorsten haalde hij zijn saxofoon te voorschijn. Met Amerikaanse songs als ‘My Funny Valentine’ en ‘Summertime’ bedreef hij op een originele manier diplomatie. Het waren spannende dagen in het najaar van 2000. Terwijl wij en even later de familie Clinton door Vietnam reisden waren de Amerikanen in de weer om te bepalen wie na acht jaar de nieuwe president zou worden – Al Gore of George W. Bush. In de peilingen ging Bush licht op kop. Al Gore vond dat hij Clinton niet nodig had tijdens zijn verliezingscampagne. “Laat Bill maar op zijn saxofoon blazen”, dat soort woorden moeten door zijn hoofd gegaan zijn.

 

Hoe dan ook, wij vervolgden onze reis vanuit Danang naar Hoi An, Hué en Hanoi. We kregen na Saigon nog heel wat te zien van de ‘Amerikaanse oorlog’.

 

Harry Knipschild

27 januari 2012
 
Clips
 
 
Literatuur
 
David P. Chandler, A history of Cambodia, Boulder 1983
Carolijn Visser, Hoge bomen in Hanoi, Amsterdam 1993
'John Denver treedt op in Ho Chi Minh-stad', NRC, 2 mei 1994
'Boney M.', NRC, 12 januari 1999
'Vietnamese vice-premier weg', NRC, 12 november 1999
Mark Duursma, 'Versleten beelden nieuw leven inblazen' [Kim Phuc], NRC, 18 november 1999
Willebrord Nieuwenhuis', 'Vietnam wil erbij horen maar de vaart is eruit', NRC, 22 december 1999
Robert Giebels, ''De Amerikaanse oorlog is iets van school'', NRC, 17 november 2000
'Clinton's promise on Vietnam 'heroes'', BBC, 18 november 2000
'Toejuichingen voor Clinton in Vietnam', NRC, 20 november 2000
Tracy Metz, 'Zoektocht naar het meisje van de foto', NRC, 29 december 2000