Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
hoofdstuk 26
 

Eindelijk terug in Shanhou

 
Wij bedankten Onze Lieve Vrouw van ganser harte voor Haar krachtige hulp.
Hubert Kallen, terug in Shanhou, 4 juni 1901
 

***

 
Als je de brieven leest die Hubert Kallen vanaf zijn vlucht uit Shanhou schreef kun je moeilijk anders dan constateren dat er een grote verandering in zijn bestaan gekomen was. In zijn verslagen lees je weinig meer over gastronomische bezigheden en helemaal niets over het brouwen van bier, de genoegens van de jacht en andere aardse zaken. Van fotograferen na het achterlaten van zijn spullen was evenmin sprake meer in de correspondentie. In de Pijnbomen kwam overleven op de eerste plaats. De jonge missionaris die, zoals hij in een van zijn brieven bekende, wegens maagproblemen nooit hoefde te vasten of zich van vlees te onthouden, zal er fysiek in die tijd niet op vooruit gegaan zijn.
   Wat was Hubert blij toen hij op 12 april 1901 eindelijk weer eens post uit Lanaken ontving! “Na tien maanden wachten heb ik uw brief van 15 februari ontvangen”, schreef hij bijna per ommegaande. “Welke vreugde voor mij weer een schrijven van u in mijn handen te houden. Ik heb hem enige keren gelezen en herlezen. Jubelend liep ik ermee bij de confraters. Allemaal las ik ze uit de brief voor, aan de ene dit stuk, aan de andere dat stuk”.
   Kallen legde uit: “Wanneer nu iemand een brief van Europa krijgt is het een hele gebeurtenis. Alleman wil het kleinste nieuws weten, wat mededeelbaar is. Dat is niet te verwonderen: anders hebben wij niet veel genoegen. Wij vervelen ons in de Pijnbomen”.

Postbezorging komt met horten en stoten weer op gang 
 

Het leek wel of de lucht een beetje klaarde voor de paters die zich hadden opgesloten in het missie-fort. “Voortaan zullen de brieven wel aankomen. Want onze koeriers gaan ze elke maand halen in Tianjin (of in New-chwang). Dat is nochtans geen kleinigheid. Alleen al om een stuk met de trein te reizen moeten ze dertig à veertig franken betalen”.
   In het Russische leger had Hubert geen vertrouwen meer – en al helemaal niet over de postbezorging. “Aan de legers zijn geen brieven toe te vertrouwen. De soldaten werpen ze nog liever in zee dan ze op de juiste bestemming af te leveren”.
 
Een uitzondering maakte hij voor de Russische militairen die hij zelf had leren kennen. “Wij kunnen ons niet voorstellen dat goede, flinke, rechtborstige mannen als generaal Tserpetzky en adjudant Osnobichine, aan wie we brieven toevertrouwd hadden, tot zoiets in staat zijn”. In het handelen van kolonel Roubofsky had hij nóg meer vertrouwen. “Die Poolse katholiek, die de hele maand november bij ons gebleven is, die brave man heeft alle brieven zelf op de post gedaan. Sterker nog, hij heeft de brieven van zijn eigen centen gefrankeerd. Vanaf zee heeft hij ons nog een brief geschreven”.
   Vijf maanden na hun vertrek uitte Kallen zich nog steeds in de meest positieve termen over de Russische militairen die op het juiste moment te voorschijn gekomen waren. “Wij zijn steeds vol erkentenis en dankbaarheid voor die brave, dappere, welmenende officieren die ons gered en geholpen hebben. Levenslang zullen zij er geëerd voor (moeten) worden”. In Europa, wist hij in april 1901, waren de eerste blijken van waardering al uitgesproken. “Hun verdiensten zijn erkend door de paus, de koning van België en [Wilhelmina], koningin van Nederland. Aan een tiental opper-officieren is een waardig onderscheidingsteken toegezegd”.
   Kallen hoopte dat God Tserpetzky, Roubofsky en anderen ook in het hiernamaals zou belonen. Maar hun opvolgers, die minder sympathie voor de verbreiding van het katholieke geloof aan de dag legden, konden bij hem niet op bijval rekenen. “Er zijn menige judassen die als handlangers van satan al hun krachten inspannen om Onze Lieve Heer te bevechten, Zijn Heilige Dienst uitroeien en de Heilige Kerk bekladden. Ja, de feiten zijn daar. Ze breken brieven van bisschoppen, generaals en andere goedgezinden officieren open en werpen ze soms met plezier in het vuur”.   
 
Voortaan stelden de paters hun vertrouwen maar weer in Chinese koeriers. Terwijl ze zich zelf nog schuil hielden stuurden ze die alle kanten op. “Een koerier moet iedere keer vanuit Tianjin de brieven van Mgr. Abels aan de Franse gezant in Peking (en vice-versa) bezorgen”. Begin 1901 ging dat nog mis. “De Franse gezant zegt dat hij de twee eerste verslagen van Monseigneur over de toestand van de missie, in januari en februari opgestuurd, niet gezien heeft. In het vervolg zullen onze koeriers de brieven van onze bisschop persoonlijk bij de Franse gezant moeten brengen. In maart heeft Mgr. Abels zich de moeite getroost die eerdere lange brieven opnieuw te schrijven. We kunnen er alleen maar naar gissen wat daar achter zit. In elk geval is het te hopen dat de brieven van Monseigneur aan gezanten en generaals, alsmede hun brieven aan ons, niet meer spoorloos zullen verdwijnen”.
  
Omdat de contacten met Peking via Tianjin in april 1901 weer hersteld waren kregen de missionarissen eindelijk wat meer informatie over hetgeen zich in Peking en de rest van de wereld afspeelde, ondermeer omdat ze kranten te lezen kregen die maanden eerder in Europa gedrukt waren. Zo hoorden ze dat er nog lang geen formele vrede was in China. “Einde januari meenden we dat de vrede voorgoed getekend was. Nu schijnt er nog niets van aan te zijn”. Opnieuw waren er berichten over conflicten tussen de geallieerden onderling. Dat was niet bevorderlijk voor de positie van de Europeanen in het Chinese keizerrijk. “In Tianjin zei men dat er een grote oorlog tussen Rusland, Frankrijk en de andere grote mogendheden op uitbreken stond. Het wordt hoe langer hoe mooier. We hopen maar dat dit niet bewaarheid zal worden”.
   Kallen had maar weinig goede woorden voor wat zich op dat moment waar dan ook afspeelde. De meeste mensen deugden niet. “Wat is de wereld een rot boeltje. En dat allegaar uit haat tegen de godsdienst en uit onderlinge nijd. De een kan de roem van de ander niet verdragen. Alle slechte kerels haten degenen die iets goeds willen verrichten”. Voor de missionaris stond vast dat die slechte mensen hun verdiende loon nog wel eens zouden ontvangen. Dat gaf hem waarschijnlijk troost. “Vroeg of laat zullen die hoogmoedige huichelaars kennis maken met Gods kastijdende roede!”
 

Voorjaar 1901 in de Pijnbomen en omstreken

 
Op 15 april 1901 legde Hubert vast hoe het er op dat moment in zijn omgeving voorstond. Een heikel punt was dat de inwoners van het Grote Dorp als gevolg van militair ingrijpen door de Russen uit hun huizen verdreven waren en hun plaats door bekeerlingen was ingenomen. Dat was niet bevorderlijk voor de rust in de regio. “Een mandarijn is hier geweest voor overleg. Maar hij had zelf een plakkaat uitgegeven waarin hij het dorp tijdelijk aan de christenen afstond”. 
   De niet-bekeerde Chinezen waren weggejaagd terwijl het in en tussen de bergen ijskoud was. “Die arme heidenen hebben de ganse winter bij vrienden en kennissen van de omtrek moeten doorbrengen. Evenals de christenen hadden ook zij bijna alles verloren. Zij troostten zich met de gedachte dat de vrede in de lente getekend zou zijn. In het vredesverdrag zouden de christenen wel schadevergoeding krijgen zodat ze hun hutten opnieuw op konden bouwen”.
   Er was echter nog geen overeenstemming in Peking tot stand gekomen. “Geen vrede van boven, geen rust van onder. Evenmin is er sprake van enige hulp of schadevergoeding”.
 
De gevolgen lieten zich raden. “De christenen [van het Grote Dorp] hebben geen huizen, geen graan, geen stooksel en geen kleren voor de zomer. De mannen zouden het liefst naar hun [eigen] dorpen willen terugkeren om hun land te gaan bezaaien. Maar [vanwege de onrust] durven zij nog niet. Vooral in de schapenvallei, op vijf uur van hier, zouden zij nog geen drie dagen in leven blijven. Omdat de mensen niet op het bloot veld kunnen wonen en slapen moeten zij voorlopig nog in het Grote Dorp blijven wonen. Dat is noodzakelijk”.
   De missie zorgde ervoor dat de bekeerlingen te eten hadden. “Zolang de voorraad strekt komen ze allemaal hier hun graan halen. Iedere maandag is graanuitdeling. Iedere persoon krijgt een halve maat (ongeveer een half vat) sorghum of vogelzaad”. Daar moesten ze het een maand mee doen. Meer konden de paters niet geven. “Voor het overige moeten zij maar middelen uitzoeken”.         
   Een pas-benoemde Chinese mandarijn kwam voor overleg naar de Pijnbomen. Hij wees Abels erop dat er rekening gehouden moest worden met de overige bewoners van de streek. “De heidenen zouden graag terugkomen in hun dorp. Ze willen hun tuinen en land bezaaien. Twee dagen lang heeft de mandarijn ervoor gepleit dat voor elkaar te krijgen”.
   Dat zag de bisschop niet zitten. “Het is onmogelijk dat de heidenen er terugkomen. De meesten van hen hebben ons als vijanden bevochten. De eerste week zouden er al verscheidene doden vallen”.
   De mandarijn had verteld: “Ik kan al die arme kinderen (de heidenen van het Grote Dorp) toch niet verstoten en hulpeloos laten. Met honderd man hebben zij een uur lang voor me op de knieën gezeten. Ze zijn niet opgestaan voordat ik hen beloofd had een goed woordje bij u te doen en wat voordeel te verkrijgen”.
   Abels liet zich niet uit het veld slaan, had Hubert geconstateerd. “Onze confrater antwoordde: ‘Wanneer u zult teruggaan naar het Grote Dorp, dan zullen 1500 mannen met vrouwen en kinderen op de straat voor uw kar op de knieën gaan zitten. Dat zijn óók uw arme kinderen. U bent ook hun vader-moeder. Wat zult u dan zeggen?’”
   Kallen: “‘Dan zal ik nog meer bewogen zijn’, antwoordde het opiumheerke”.
   Voor Abels stond één ding vast: zolang er geen regeling in Peking tot stand gebracht werd, bleven zijn bekeerlingen in het Grote Dorp.
 


Kapel in de Pijnbomen (foto aangeleverd door Henri Houben)

 
Toch kwam er een compromis tot stand. De bisschop wilde wel zaken doen met de nieuwe gezagsdrager. “De vlegel die ons op 30 juli [1900] de boksers hier gestuurd had en die later de spitsboeven van de streek ondersteunde om ons en later ook de Russen, te bevechten was door de onderkoning van Jehol afgezet. Deze nieuwe mandarijn is wat fatsoenlijker in zijn uiterlijke omgang”. Onder druk van de zegevierende Europeanen waren heel wat mandarijnen in het noorden van China uit hun functie gezet.
   Abels en de mandarijn spraken af: “De heidenen mogen hun land komen bezaaien, maar niet hun tuinen”. Met de christenen, die in hun huizen woonden mochten ze tevens afspraken maken voor het verpachten van hun (eigen) tuinen.
 
De omgeving van de Pijnbomen was bovendien, vond Kallen, een stuk veiliger geworden omdat de Russen tot in de verre omgeving de rovers achtervolgd hadden en ze ‘daar nu voorgoed uiteen gedreven zijn. De omtrek is nu betrekkelijk rustig’. De paters hadden van de Franse generaal Vogron tevens 160 Mauser-geweren cadeau gekregen met bijbehorende munitie. Ze moesten de spullen wel zelf door Chinese bekeerlingen in Jinzhou laten ophalen, evenals een voorraad graan. De Russen kwamen niet meer helpen. Die hadden inmiddels andere prioriteiten.
 
In het noorden van Oost-Mongolië was het ergste gevaar eveneens geweken. “Onze zes medebroeders in het noorden doen rustig hun bezigheden voort. De laatste tijd hebben ze in verschillende christenheden hun jaarlijkse missies gegeven. Ze reizen daar rond en bezoeken elkaar alsof er niets gebeurd was. Ze wachten op de geldelijke hulp uit Europa om hun residentie weer in orde te brengen en de christenen te helpen hun woningen weer op te bouwen”. Kallen bedankte God voor de sterkte die hij aan pater De Smet en zijn moedige helpers geschonken had.
   Ook pater Conard was weer gewoon aan het werk in het grensgebied met Mandchourije. “Men zegt wel dat de rovers van Mandchourije verbitterd op hem zijn en hem zouden willen bevechten, maar ik geloof er niet veel van. Onze behendige confrater heeft immers het volle vertrouwen van de heilige Benedictus. De laatste tijd is er van roversaanvallen geen sprake meer. Integendeel. Dagelijks ontvangt hij gelukwensen, dankbetuigingen, geschenken, uitnodigingen enzovoort. Het lijkt wel of hij zelf de grote mandarijn is in de streek waar hij missie bedrijft”.
 

Shanhou

 
De familie van Hubert Kallen zou zeker geïnteresseerd zijn hoe het nu ging in Shanhou, zijn eigen missiegebied.
   Het antwoord was duidelijk: “Nog niet rooskleurig. De rovers hebben er heel wat schade aangericht en alles zo het onderste boven gezet dat veel christenen het niet meer zien zitten. Pater Marcus Tchao, onze wakkere Chinese confrater, een voorbeeld van heldhaftigheid, heeft er vier maanden te midden van de grootste gevaren geleefd. Hij zat er als een weerloos schaap te midden van een grote kudde vraatzuchtige wolven. Aan vluchten of ontkomen kon hij niet denken. Slechts door een bijzondere beschikking der Goddelijke Voorzienigheid is hij ongedeerd gebleven.
   De roverbendes zijn nu meer zuidwaarts getrokken. Bij gebrek aan schietmiddelen zijn ze langzaam uiteen gegaan en naar hun haardsteden teruggekeerd. Laat de goede God ervoor zorgen dat de rust ook in Shanhou langzaam hersteld wordt”.
 
Het werd hoog tijd dat Kallen zijn oude plaats weer zou innemen in de katholieke geloofsgemeenschap daar. Dat was trouwens keihard nodig. “Een spoedige terugkeer bij mijn arme christenen is het enige middel om met name de nieuwe geloofsleerlingen te onttrekken aan de lichtvaardige twijfel die zich van hen begint meester te maken. De vervolging, die op huichelachtige wijze voortbroeit, duurt te lang voor die arme zielen, die de eerste spranken van het licht van het geloof hebben waargenomen [vóór ik moest vluchten]. De Chinese priester is al in onderhandeling met een rijke christen om een paar kamers voor me in orde te maken. De familie heeft een sterke ringmuur met een wachttoren zodat ik daar eventuele gevaren aan zou kunnen. Ik haak met kokend ongeduld naar het gelukkig ogenblik dat Monseigneur mij de toestemming tot het vertrek mededeelt.
   Mijn gezondheid is goed. Vermoeienissen en ontberingen van welke aard ook kunnen mij niet afschrikken. Als God mij maar de gelegenheid verschaft het geestelijk welzijn van de christenen te redden. Satan heeft ons tijdelijk een nederlaag bezorgd. Maar met nieuwe bekeringen zullen we hem die tiendubbel betaald zetten!”
   In zijn brief schreeuwde Hubert het uit. Enthousiasme kon hem niet ontzegd worden: “Leve Jezus Christus. Vooruit voor de zielen, voor de uitbreiding van het rijk van de Verlosser en voor de glorie van God, de nooit overwonnen Heer der heerscharen!”
   Het aantal doden viel wel mee in Shanhou. “Er zijn slechts vier of vijf christenen vermoord”. Maar de schade was groot. “In juli [1900] werd de hoofdresidentie totaal geplunderd en gedeeltelijk verwoest. Begin augustus werd de residentie van Chan-wan-tze met kerk, hoeve en alle huizen van de christenen tot op de grond toe in brand gestoken. Van toen af waren de driehonderd christenen daar zonder woning, kleding en voedsel. Velen van hen zijn uit ellende naar de Pijnbomen komen vluchten. In andere plaatsen van het district hebben de Boksers een tiental families eveneens in de ellende gedompeld. Daarna is er nog een honderdtal families door rovers en andere oproermakers uitgeplunderd en tot armoede gebracht”.
   Kallen brandde van verlangen om in Shanhou orde op zaken te stellen.
 

Terug naar Shanhou

 
In augustus ontving de familie Kallen een nieuwe brief uit de missie. Hij was geschreven op 4 juni 1901. Het was zover. “Ik ben terug in Shanhou”.
   Veelvuldig bidden had volgens hem geholpen. “Ik hoopte op de tussenkomst van de soldaten van de onderkoning in Jehol. Die zouden de roversbenden van de streek uiteen kunnen drijven en de rust een weinig herstellen. In dat geval kon ik gevolg geven aan het zo lang bedwongen maar onuitdoofbare verlangen om naar mijn verlaten christenen terug te keren.
   Vanaf de eerste dag van de meimaand smeekten wij de Heilige Maagd ons die vurig verlangde gunst te verlenen. De ene noveen volgde op de andere. Onze Lieve Vrouw, Hulp der christenen, heeft ons verhoord. Al aan het einde van de eerste noveen vernamen wij dat duizend rovers het onderspit hadden moeten delven tegen een leger van duizend soldaten. De militairen, aangevuurd door deze buitengewone overwinning, vervolgden de uit elkaar gevallen bendes tot heel ver weg in de bergen. Zodoende kwam de rust weer terug in deze streken. Getrouwe christenen brachten ons dit gunstige nieuws”.
   Hubert was niet meer te houden. Dit was zijn kans. “In de meimaand, onder bescherming van mijn goede Moeder Maria zou en moest ik terug bij mijn christenen”.
 


Chinese priester Tchao (foto aangeleverd door Hanri Houben)

 

 
Abels werkte mee. “Ik waagde nogmaals een aanvraag tot terugkeer bij onze overste. Mijn moedige confrater Tchao was overgekomen met het verzoek zodat we eventueel samen terug konden reizen naar Shanhou. Na enige dagen van rijpe beraadslaging kregen we toestemming. Op 28 mei in de middag deelde Monseigneur ons de positieve beslissing mee. In grote haast raapten we enige kledingstukken bijeen”.   
   Kallen en Tchao reisden niet met z’n tweeën. Misschien leek dat toch te gevaarlijk. Abels maakte van de gelegenheid gebruik om tevens paters naar Bagou en de Tijgervallei te sturen. Op 29 mei 1901 vertrok het gezelschap uit de Pijnbomen. “Om drie uur ’s morgens waren wij al op weg. Wij vertrokken met negen mannen, pater Van Hilst, pater Van Damme, Bertus [Hubert Kallen], pater Tchao en een aantal knechten, allen van kop tot teen bewapend. Het karavaantje leek meer op een bende kozakken dan op reizende missionarissen”.
   Helemaal veilig was het zeker nog niet. “De koeriers vertelden dat er op de gewone weg twee roverbendes van honderd man zaten. Daarom trokken we regelrecht door de bergen”.
   De missionarissen waren vrolijk gestemd. Na bijna een jaar opgesloten gezeten te hebben konden ze weer doen waarvoor ze vanuit België en Nederland naar het verre oosten getrokken waren.
   “In het begin liep alles opperbest van stapel. Van rovers was niets te horen of te zien. Bij het opkomen van de lieve morgenzon gaven we onwillekeurig lucht aan de vreugde in ons hart door enige Maria-liedjes langs de bergen te doen dreunen”.
 
Het zingen van vroom gezang duurde maar kort. “Drie uur na ons vertrek uit de Pijnbomen geraakten we in een kleine smalle vallei. We hadden niet de minste achterdocht. Maar eensklaps weerklonk er een schot. Op een heuvel ontwaarden we enkele gewapende boerenjongens. Een van onze knechten reed er in volle vaart heen en riep luid dat wij goede, vreedzame mensen waren en dat ze ons daarom niet moesten beschieten.
   De jongens lieten hun geweren zakken. Ze kwamen naar beneden en vroegen ons verschoning van hun vergrijp. Ze dachten dat ze met rovers te maken hadden. Het waren leden van de dorpsschutterij die opgezet was om zich tegen eventuele rovers te kunnen verdedigen. De jongens gaven ons een vriendelijke raad, namelijk om een man vooruit naar het volgende dorp te sturen om de mensen daar te waarschuwen. Zo gezegd, zo gedaan.
   Weldra waren twee van ons als verkenners in het vermelde dorpje, dat door enige rijke heerboeren bewoond werd. Men liet de twee mannen ongestoord doorgaan. Daarom volgden wij zonder enig wantrouwen. We stapten langzaam voort. Toen we in de kom van het dorp gekomen waren beantwoordden we de min of meer vriendelijke groeten die enige ouderlingen ons toestuurden”.
   De paters bleven enigszins op hun hoede. Ze lieten zich door hun knechten omringen. “Langs de weg merkten we enige jongelingen op met goede Mausers in de handen. Ze staarden ons spottend en bedreigend aan. Sommigen staken hun geweren zelfs naar ons uit. Een strenge Europese oogopslag en een paar dappere woorden waren op dat moment  voldoende om hen ervan af te houden de boze plannen van hun hart ten uitvoer te brengen”.
   Als we pater Kallen mogen geloven kon hij opvangen wat ze tegen elkaar zeiden. “De deugnieten merkten dat er verder niemand meer achter was. ‘Die westerse duivels durven hier zomaar voorbijkomen. Ze hebben prachtige geweren en een heleboel kardoezen. Dat is een mooie buit. Laten we ze maar doodschieten’, riepen ze elkaar toe”.
  
Even later gingen de jongelui tot de aanval over. “We waren nauwelijks vijftig passen verder of ik hoorde ‘pif, paf, poef’. Het teken was gegeven. Ik riep: ‘Verraad!’
   Wat moesten we doen?
   Pater Van Hilst, de leider van onze karavaan, riep met forse stem: “Het is onmogelijk hier tegenstand te bieden. In volle vaart vooruit en de berg op!’
   We deden wat pater Van Hilst ons bevolen had. In volle galop reden we door. Onderweg vertrouwden we onze ziel aan Jezus en ons lichaam aan de Heilige Maagd. Honderden kogels ruisten langs onze oren. Zonder oponthoud klakten de kogels van twintig Mauser geweren bij onze voeten neer. Op de stenen spatten ze uiteen. De ontploffingen van de schietgetuigen van de Chinezen maakten tevens een verschrikkelijk lawaai. Aan ontkomen viel welhaast niet meer te denken. Bovendien zouden we aan het einde van de vallei in een muizenval gevangen zitten”.
   De rijdieren van de missionarissen en hun knechten reageerden echter alert. “Onze zwaar geladen paarden deden wonderen van springkunst. In volle vaart sprongen ze over stenen en grachten. In volle vaart stormden ze over de hobbelige, bochtige weg langs de rotsen. We draaiden een bocht door. We hoorden de kogels over onze hoofden fluiten. Nadat we uit de bocht gekomen waren spatte het lood opnieuw neer tussen de voeten van onze beesten. Op een gegeven ogenblik vloog zo’n lief kogeltje vlak langs mijn linkerbeen van achter naar voren door de zadeldeken heen. De deken had er geen pijn van. Goddank!”
   In tegenstelling tot de missionarissen mochten Chinese knechten lang niet altijd van kostbare rijdieren gebruik maken. Dat had nu z’n gevolgen. “Drie van onze knechten waren het paardrijden niet gewend. Twee van hen konden hun beesten daarom niet inhouden. Eén vóór mij en één achter mij vlogen hals over kop van de bergglooiïng af. Het meeste reisgoed viel van de beesten af. Met het overige gingen de paarden op hol. De twee mannen raapten hun geweren op. Te voet liepen ze ons achterna. Zo stormden wij een berg op.
   Eenmaal op de helling van de berg gekomen waren we uit het zicht van onze vijanden. Ze konden ons niet meer beschieten. Maar meer dan een kwartier hadden we zonder enige adempauze door een dichte kogelregen gelopen”.
 
Veilig bereikte het gezelschap de top van de berg. “We hielden er halt om adem te scheppen, alles in ogenschouw te nemen en, zo nodig, onze verdediging te organiseren. Verdrietig constateerden we wat en wie we allemaal verloren hadden. Pater Van Hilst was al zijn kleren kwijt. Ook ik had niet alleen al mijn boven- en onderkleren verloren, maar ook de kardoezen ter verdediging van mijn residentie Shanhou.
   Een christen die ons op een ezeltje volgde en nog niet in het dorp was toen wij er doortrokken, was niet te zien. Wat was er van hem geworden? Dat raadsel was op dat moment voor ons onoplosbaar. Het was onmogelijk hem op te zoeken. We waren machteloos tegen de schutters die zich in wachttorens en achter versterkingen verscholen. De andere knechten waren bij elkaar. Niemand had enig letsel. Het was werkelijk een mirakel”.
   Hoe dan ook, iedereen had het overleefd. Dat was het belangrijkste. “Het was een wonder. Er was maar één uitleg mogelijk: de bijzonder bescherming van de Heilige Maagd. Zij, Maria, had ons van een zekere dood gered”.
   De bescherming van Maria kwam niet uit de lucht vallen, wist Hubert Kallen. “Rond die tijd droegen Monseigneur Abels en alle confraters in de Pijnbomen het heilig misoffer ter Harer eer voor ons op. Onder Haar bescherming hadden wij onze gevaarlijke terugkeer gesteld”.
   Kallen en de andere paters gingen onmiddellijk tot daden over. “Wij bedankten Onze Lieve Vrouw van ganser harte voor Haar krachtige hulp”.
   Die hulp zouden ze niet vergeten. “De vlucht had ons niet weinig uitgeput. Maar toch wilden we niet langer boven op die berg vertoeven. Aanstonds trokken we weer vooruit. Nog steeds waren we verschrikt door die onverwachte, laffe, verraderlijke aanval. We besloten in het vervolg nóg beter op onze hoede te zijn”.
   De paters begrepen dat het oppassen was de rest van de tocht. “We moesten nog drie uren door onbekende bergpaadjes trekken. Aan Onze Lieve Vrouw beloofden we dat we de volgende zondag een plechtige mis ter Harer eer zouden zingen als we ongedeerd in Shanhou zouden aankomen. Vol vertrouwen op onze goede Moeder trokken we moedig over berg en dal. Altijd maar voort, tot negen uur in de avond. Die dag waren we in totaal twintig uur onderweg. Over dat traject deden we meestal twee dagen”.
   Kallen vatte zijn ervaringen voor zijn familie later samen met de woorden: “Geen rozen zonder doornen!”
 
Ook de volgende dag ging het katholieke gezelschap weer in alle vroegte op stap. “Al om tien uur ’s morgens waren we terug in onze residentie. De christenen van Shanhou toonden zich uitermate verheugd. Zo vroeg hadden ze ons niet verwacht. Een blijde kreet van erkentenis ontsnapte aan onze borst”.
   De paters deden na hun veilige aankomst wat ze Maria beloofd hadden. “Op zondag hebben we de heilige mis van dankzegging gezongen”.
   Kallen en Marcus Tchao konden beginnen met de wederopbouw van het missiedorp en de omgeving ervan. De andere paters reisden op 4 juni vanuit Shanhou naar hun eigen missieposten. “Pater Van Hilst is naar zijn residentie van Bagou vertrokken. Pater Van Damme naar zijn nieuwe pastorie in de Tijgervallei. Hij gaat er onze dierbare martelaar pater Seegers opvolgen. In beide residenties zijn Chinese priesters”.
 

Wat nu?

 
In zijn brief van 4 juni, die hij naar eigen zeggen in grote haast schreef en meegaf voor verdere verzending naar Europa, beschreef Hubert voor zijn aanhang in Lanaken waar hij in terecht gekomen was.
   “Ik ben hier nu met mijn goede makker, de eerwaarde pater Marcus Tchao. Ik bezit niets anders dan enige geweren en kardoezen. De kerk staat nog recht maar is gans dooreengeslagen. De vensters zijn verdwenen. In plaats van een fatsoenlijk altaar staat er een lompe kale tafel. In het huis zijn nog twee kamers, maar zonder vensters, zonder kasten, zonder stoelen, zonder iets.
   Voor kleren heb ik alleen de onderkleren die ik nu aan heb. Een lang kleed heb ik van mijn Chinese confrater geleend. Centen heb ik niet. Integendeel, bij aankomst vond ik een schuld van driehonderd  franken, die ik niet kon betalen. Men is bezig mij een paar kousen en een paar schoenen te maken. Voor het overige: ‘Onder de hoede Gods!’”
   Niet alleen Shanhou was getroffen. Dat gold, vernam hij, ook voor Chanweul. “Kerk, woning en christenheid is niets dan een droevige puinhoop”.
   Je moest wel stevig in je schoenen staan om het leven in dat soort omstandigheden aan te kunnen. Niet voor niets vroeg de missionaris aan zijn familie, zijn bekenden, zijn vrienden en al zijn (mogelijke) weldoeners: “Bidt veel, zeer veel voor mij”.
   Gelukkig waren er wat lichtpuntjes. Kort na aankomst in het onooglijke missiedorpje Shanhou, tussen de bergen op enige honderden kilometers ten noordoosten van Peking, werd hem een brief van zijn familie uit België bij hem bezorgd. Die was op Pasen (drie maanden eerder) verzonden. Er was nog meer goed nieuws: “De mandarijn schrijft mij dat de vrede getekend is. Goddank! Mandarijnen en soldaten durven ons niets meer aan te doen”.
   Vol vreugde kon Hubert Kallen dan ook aan het papier toevertrouwen: “Ik ben blij dat ik weer terug ben. Mijn christenen zijn ook vol blijdschap. Lijden en strijden voor Jezus, dat is Gods wil!”
 
Harry Knipschild
7 juni 2014 – 2 februari 2016

Wil je vanaf het begin (de proloog) lezen, klik dan hier.

Wil je het volgende hoofdstuk lezen ('Gedwongen verblijf in Bagou', 27), klik dan hier.