Zoeken


Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
hoofdstuk 25
 

Koekeloeren


 
Wanneer zal dan toch de lang verbeide dag weer aanbreken dat wij ons geliefkoosd missiewerk kunnen hernemen.
Hubert Kallen in de Pijnbomen, 17 maart 1901
 

***

 
In het begin van het jaar 1901 verkeerde Hubert Kallen in onzekerheid. Was zijn verslag over alles wat hij in 1900 had moeten doormaken wel bij zijn familie gearriveerd? De brieven die hij geschreven had moesten immers door vijandelijk gebied. Van zijn verwanten had hij al lange tijd geen post meer ontvangen.
   Op 30 januari meldde Hubert: “Tot nu toe heb ik u achtereenvolgens meer dan 130 bladzijden brieven over de vervolging gestuurd. Zijn ze u allen geworden? Ik heb er ook aan heeroom, heerneef [Willem Kallen, later deken van Meerssen], [broer] Denis en oom Louis [Kallen, vrederechter in Beringen] gezonden. Sedert uw brief van 2 juni [1900] heb ik geen nieuws meer van u. Het is een gevoelige ontbering. Ik hoop binnenkort nieuws te vernemen. Want langzamerhand wordt het verkeer met Jinzhou weer geregeld. Binnenkort komt een pater uit die stad met enige karren etensvoorraad”.
   De missionaris had ook nog een ‘dienstmededeling’: “Noch van u, noch van Scheut heb ik bericht ontvangen aangaande de beloofde mis-intenties van grootmoeder zaliger [Elisabeth Theelen-Haegeraets, Panheel]. Indien u die werkelijk gegeven hebt, schrijf het mij onmiddellijk”.

Helaas geen martelaar, wél chef-kok

 
Hubert probeerde er maar het beste van te maken. Het afgelopen jaar had hij geen keus gehad, liet hij zijn broer Denis weten. “Al meer dan zes maanden zitten wij hier met 22 priesters bij elkaar. In plaats van onze heilige bediening uit te oefenen zijn wij genoodzaakt geweren en sabels te hanteren. Als ik van God de onschatbare genade van het martelaarschap had gekregen was dat veel wenselijker geweest”.
   Kallen schreef zijn brief aan Denis op 6 januari, het feest van Driekoningen. “We zitten hier met Russische militairen – om ons te beschermen. De ganse streek ligt het ondersteboven”. Het Grote Dorp was nog steeds geconfisceerd. “Er waren hier 1.500 christenen zonder woning, kleren of eten. Daarom hebben wij al de heidenen van het naaste dorp er buiten gesmeten en hun huizen door christenen laten bezetten. In de oude jeneverstokerij van dat dorp logeren drie priesters en twee Russische officieren met hun manschappen. Hier logeert de andere helft van de troepen. De kerk dient hier alleen voor de mannen. Voor de vrouwen gaan wij bij de catechist in het dorp mis doen, preken, biecht horen enzovoort. Ik speel er een beetje pastoor”.
   Hubert had nóg een taak. “De officieren eten samen met ons. Ze hebben mij de baas van de koks gemaakt. Nu moet ik die stommeriken [Chinese bekeerde vrouwen] bijvoorbeeld leren rijstepap te maken en allerlei sauzen van meel, water en varkensvet”.
   Wat met eten te maken had was hem echter wel toevertrouwd. Hij verschuldigde zich nog met de woorden ‘ik kan niet heksen’. Maar al gauw kwamen er complimenten. “Gisteren liet ik voor het eerst rijstepap maken. Ze hebben er zich haast een bult aan gegeten. Monseigneur vroeg vandaag of er nog van die lekkere pap was”.
   De paters en de Russen hadden over de kwaliteit van hun maaltijden niet te klagen. Bij de Chinezen en dieren lag het anders. “Bij gebrek aan voedsel hebben onze paarden ook een geweldige knak gekregen. Het mijne is nog ziek maar is zich een weinig aan het herpakken. Veel paarden zullen echter later geen zware reizen meer kunnen maken”.
   Vanwege zijn overhaaste vlucht uit Shanhou in het voorjaar van 1900 was hij heel wat kwijt: “Al mijn instrumenten, mijn boeken, schrijfboeken, aantekeningen enzovoort. Alles is gestolen en verbrand”. Maar ook voor hem had elk nadeel zijn voordeel: “In het vervolg zal verhuizen doodgemakkelijk zijn. Ik zal alles op mijn paard kunnen laden”.
 
Het was voor Hubert duidelijk op welke manier de Chinezen bekeerd moesten worden in de nabije toekomst. “Wij zullen het geloof welhaast met het kanon moeten verspreiden”. Een belangrijk deel van het in Europa bij elkaar gebedelde geld (bijvoorbeeld uit mis-intenties) zou tevens in defensief opzicht ingezet worden. “Zo gauw de vrede gemaakt is zullen wij ervoor moeten zorgen op iedere missie-residentie forten te bouwen en een wapen-arsenaal op te richten”.
   Was hij zich niet bewust dat zijn bekeringswerk al vóór het uitbreken van de bokseropstand mede mogelijk gemaakt was omdat de Chinezen in 1860 tegen hun zin verdragen met de Europeanen gesloten hadden toen die in China waren opgerukt, de keizer moest vluchten en het oude Zomerpaleis in de as gelegd werd? Uit zijn brieven blijkt niet dat hij er enig oog voor had dat het Chinese geweld tegen de Europeanen door hen zelf zou zijn uitgelokt. Als verbreider van het ‘ware geloof’ was zo’n gedachte blijkbaar niet mogelijk.
  

Paters nu goed voorbereid op een nieuwe aanval

 


Missie paraat in de Pijnbomen
 

Hubert Kallen had de brief naar zijn broer nauwelijks met een koerier verstuurd of de bescherming van de Russen viel weg in de Pijnbomen. “Op zaterdag 12 januari kreeg de Russische kolonel onverwacht bevel zijn matten op te rollen en naar Port Arthur te vertrekken. De volgende dag vertrok het garnizoen voor dag en dauw”.
   Het missiegebied was opnieuw zonder bescherming. Maar de paters hadden hun lesje van eind oktober 1900 inmiddels goed geleerd. In plaats van te relaxen en retraite te houden begrepen ze dat zij en hun aanhangers paraat moesten zijn. “Alhoewel er nog heel wat onrustwekkende rumoeren in de streek rondlopen is men ons toch niet meer komen aanranden”, schreef hij eind januari 1901. “Ik geloof wel dat men ons voorgoed met rust zal laten. In het tegenovergestelde geval zouden wij onze roem toch met een nieuwe triomf vermeerderen.
   Het is waar dat wij twee dorpen tegelijk zouden moeten verdedigen maar wij zijn er nu goed naar ingericht. Onze 120 [Chinese] soldaten hier en de 150 krijgers in het Grote Dorp, dat de christenen in bezit genomen hebben, zijn nu goed afgericht. Veel bekeerlingen hanteren de nieuwe Mauser-geweren beter dan wij. Met de oude geweren erbij zouden wij 500 strijders in het veld kunnen brengen”.
   Kallen zou er niet voor terugschrikken zich in de strijd te mengen met een nieuw wapen. “Indien die schobbejakken nog eens de kans wilden wagen zou ik een paar onderaardse mijnen voor hun neus laten ontploffen en hen zo een nieuwe nog onbekende dans laten doen!”
   Een van zijn confraters had zich intussen bekwaamd in het repareren van de cadeau gekregen wapens. “Door de volharding van onze onvermoeide medebroeder geraken ze in volmaakte orde”. Een aanval viel dan ook voorlopig niet meer te verwachten. “U kunt wel denken dat de mensen uit de omgeving op de hoogte zijn van al onze nieuwe krijgs- en verdedigingsmiddelen. Een enkeling bekruipt nog de lust om ons te komen aanvallen. Maar de meesten verwerpen die gedachte als een noodlottige bekoring”.
   Door het militaire machtsvertoon van de Europeanen was er tweespraak gekomen in de Chinese gelederen. “De bewoners van de bloemenvallei, hardnekkig als ze waren, zijn door de Russen in hun veertien dorpen afzonderlijk afgestraft. Enige dagen geleden hebben zij nog alle krachten aangewend om de honderden rovers van de streek over te halen ons te komen bevechten. Maar zij klopten aan dovemansdeur”.
   De ‘rovers’ vonden het een onnozele gedachte, legde de missionaris geduldig uit. “Waarom zouden we onze kardoezen en onze tijd verspillen. Misschien kunnen we de huizen van de christenen bij de Pijnbomen in brand steken. Maar de versterkte residentie kunnen we toch nooit binnen geraken”.
   De rovers, bendes ontheemde Chinezen, vielen liever terug op het patroon van vóór de Bokseropstand. Ze hadden verklaard, wist Hubert: “We gaan liever nog wat rijke venten vastbinden en hun geld afpersen. Dat is profijtelijker voor buik en beurs”.
 

Chaos en moordpartijen in Oost-Mongolië

 
Nu de eenheid verbroken was overheerste opnieuw de chaos. “Het hele district is waarlijk vergeven van grote en kleine bandieten”. Van de centrale macht was niet veel meer over. Cixi was met de keizer vanuit Peking naar Xi’an in het binnenland gevlucht. De mandarijnen, regionale representanten van de keizer, deden wat ze konden om de rovers in het gareel te houden. Kallen: “In Mandchoerije, op een paar uur van hier, zijn weer vijfhonderd man naar de mandarijn overgelopen. Hij heeft ze als soldaten aangenomen”.
   Het ene moment was je illegaal, het volgende moment hoorde je bij de overheid, en omgekeerd. Zo’n overgang verliep natuurlijk niet altijd soepel. “Onder de overlopers heeft zich vorige week een walgelijk drama afgepeeld. Het geeft de wreedheid van het heidendom goed weer. Een roverhoofdman, stichter van de bereden struikrovers, had een kamertje vol zilver [geld] vergaard. Toen hij dat voor elkaar had gekregen liet hij de roverstitel varen en gaf zich over aan de mandarijn-prefect. Die stelde hem als [militair] mandarijn aan en gaf hem het bevel over een garnizoentje van vijftig soldaten. Deze laatste waren natuurlijk zijn oude kameraden”.
   De voormalige hoofdman kon de zaken nu naar zijn hand zetten. “Eenmaal mandarijn geworden speelde hij dubbel spel. Zijn handlangers buiten het eigen district gingen door met mensen binden en zilver opeisen. In zijn eigen district ging hij niet-bevriende rovers achterna. Als hij die te pakken kreeg liet hij ze het hoofd afslaan of in het gevang opsluiten”.
   De onderkoning in Jehol kwam tot de conclusie dat de zaken uit de hand gelopen waren. “Hij klaagde beide mannen aan en liet ze voorkomen”.
   De pas benoemde mandarijn besefte dat hij de zaak goed moest aanpakken. Anders zou het misschien slecht met hem aflopen. “De oude roverhoofdman stopte de onderkoning de ongehoorde som van 300.000 ons zilver, dat is een miljoen franken, toe. In plaats van onthoofd te worden werd hij bevorderd (hij kreeg een hogere mandarijnen-knop). Hij werd zelfs in de hoofdstad Jehol aangesteld als bevelhebber van honderd soldaten”.
   Wat een verderf was er toch in China, concludeerde Kallen. Maar hij nam het toch voor de hoofdman op. Misschien was dat wel zo omdat deze rekening hield met de belangen van de Europeanen. “De bandiet heeft ons nooit geen kwaad willen doen. Pater Segers, onze martelaar, schijnt hij nog geld en eten gegeven te hebben toen die in Jehol in het gevang zat. Op zijn bevel, vertelde hij, had zijn vrouw nog kleren voor de arme gevangene gemaakt. Hij vertelde ook dat hij met de onderkoning ruzie had gemaakt over de gevangenhouding van onze dierbare confrater”.
   Het was zelfs tot een breuk tussen de twee mannen gekomen. De nieuwe mandarijn werd weer gewoon rover. “In deze woelige tijden bevielen hem enige maatregelen van de onderkoning niet. Daarom verliet hij met enige mannen de hoofdstad en kwam in oktober of november [1900] terug naar zijn woonplaats, op enige uren van hier”.
   Het was nu weer ieder voor zich. Een van de concurrerende rovers die hij in de omgeving van de Pijnbomen had laten opsluiten wist te ontsnappen en sloot zich bij een andere bende aan. De twee samenwerkende bendes nodigden de voormalige mandarijn uit op een feest. Dat had hij beter niet kunnen doen, legde Kallen zijn familie uit.
   “Zonder argwaan ging hij er heen. Maar nauwelijks had hij de drempel van de deur bereikt of de ex-gevangene zette hem een revolver op de borst en schoot hem paf dood”.
   Ook met die moordenaar liep het slecht af. “Zijn laffe en verraderlijke misdaad had misnoegen gebaard bij een andere troep rovers die vroeger met hem in kameraadschap leefden en soldaat geworden waren. Eergisteren verzocht de bevelhebber hem, samen met enkele vrienden, op een feestmaal. Zonder achterdocht gingen ze erheen. Maar toen ze deftig en heerlijk aan het smullen waren op de kang, klonken er door de vensters (van papier) enige schoten en allen vielen morsdood neer”. Het leek een beetje op recente afrekeningen in het Amsterdamse criminele circuit.
 
Hubert Kallen, een priester, zag het anders. “Ziedaar een nieuw staaltje van heidense monsterachtigheid. Waar zal die wederzijdse wraak een einde nemen? Misschien is het wel de wil en de straf van Onze Lieve Heer dat die onmenselijke wezens elkaar verslinden en afmaken. Dat ware een goed middel om ons en alle vreedzame mensen van die duivels te verlossen”.
   De Chinese autoriteiten zouden voor de finishing touch moeten zorgen. “Het is te hopen dat de onderkoning nu gauw soldaten zal afzenden om die grote roversbenden wat uiteen te spreiden. Iedere dag hoort men [immers] van het afbranden van hele dorpen en het doden van slachtoffers”. Maar dat was wishful thinking.
 

Shanhou

 
Sinds Hubert Kallen uit Shanhou gevlucht was hoorde hij alleen maar verontrustende berichten over de missiepost waar hij anderhalf jaar als kapelaan gefunctioneerd had. Het werd langzamerhand tijd om er terug te keren en het oude werk zo goed en zo kwaad als daar kon weer op te pakken. Evenals op andere plaatsen in Oost-Mongolië was echter veel vernield of in brand gestoken. Bovendien, schreef hij: “Niet alleen hier, maar ook in ons district van Shanhou krioelt het nu van bandieten”.
   Als grote blanke met een baard kon Kallen niet zo maar naar Shanhou reizen. Dat zou een te riskante onderneming zijn. Een Chinees, een Chinese priester in Chinese kleding, viel minder op. De Europese missionarissen hadden de Chinese priester Marcus Tchao (‘onze moedige confrater’) er al een aantal maanden geleden heen gestuurd. “Juist voor kerstmis was de Chinese priester Thomas Tchang eveneens naar Shanhou vertrokken om hem te gaan helpen en bij te staan”.
 
De twee Chinezen hadden een belangrijke opdracht van Koenraad Abels gekregen. “Tchang is op verzoek van Monseigneur naar Bagou gegaan om er de achter gebleven christenen van dat district op te zoeken en tot de heilige sacramenten te laten naderen”. Zo konden de Chinezen eindelijk weer eens de mis bijwonen en biechten.
   Tchang had het extra moeilijk. Hij was pas kort priester. Tijdens zijn studie had hij de Pijnbomen jarenlang niet of nauwelijks verlaten. “Deze jonge priester komt pas uit het seminarie en heeft nog van niets ondervinding”.
   Tchang deed wat hem gevraagd werd. “Onze makker nam alles met blijdschap over. Maar het was onbeschrijflijk wat zulk een reis in deze woelige vervolgingstijden kostte, welke ontberingen die vergde. Op verscheidene punten in het district, dat vier maanden tamelijk rustig was, waren nieuwe woelige onlusten ontstaan.
   Een bende mannen, samengesteld uit gedeserteerde soldaten, oproermakers en andere gemene spitsboeven ging er overal rond om te plunderen, te branden en het vuur van de opstand aan te blazen. Waar zij mannen tegenkwamen dwongen zij die met hen mee te gaan. Anders maakten ze hen eenvoudig dood en voerden de vrouwen mee. U kunt denken welke schrik de opstandelingen in de hele streek verspreidden”. Dat was het gebied waar de Europeanen hun twee Chinese medebroeders heen gestuurd hadden.
   Geen wonder dat de berichten die men in de veilige Pijnbomen ontving niet gunstig waren. “Verleden week heeft pater Tchang ons drie koeriers gestuurd om raad en hulp te vragen. De laatste koerier vertelde dat duizend mannen in de omgeving van Shanhou vergeefs geprobeerd hadden de barbaren tegen te houden. De opstandelingen, duizend in getal, schoten met hun goede Mauser-geweren alras dertig mannen dood. De verdedigers namen ijlings de vlucht en keerden hals over kop naar hun haardsteden terug.
   De bandieten zijn toen recht op het paleis van de Mongoolse koning getrokken. Daar hebben zij het aftreden van de eerste minister geëist”. Dat was in elk geval een goede zaak. “De minister is de schuld geweest van alle onheil dat in ons district had plaats gehad. Deze krijgt dus loon naar werken”.
   Het lijkt erop dat juist de eerste minister zich ertegen verzet had dat de missionarissen stukken van het grondgebied van de koning overnamen om er potentiële bekeerlingen onder te brengen. Zodoende was hij een directe tegenstander van de pogingen van de Europese paters om het Mongoolse gebied naar hun hand te zetten.
 
Omdat ook in Shanhou en omgeving bendes rondtrokken was het er verre van rustig, had Kallen vernomen. Een poging van de mandarijn-prefect om met driehonderd militairen de orde te herstellen was op niets uitgelopen. “Men weet nog niet waar het op zal uitdraaien. De koeriers zeggen dat een paar duizend ondermannen, uitvaagsel van alle dorpen uit de streek, voortgaan met roven, plunderen en al hun slechte driften de vrije teugel te geven.
   Wij wachten met vrees en ongeduld op verder nieuws. Niemand kan voorzeker de ontknoping van die warboel gissen. God bescherme onze twee Chinese confraters en de andere christenen, die al zo lang en zo veel geleden hebben”.
  

Vrede in Peking?

 
Zoals gezegd hadden Europese troepen elders in China de zaken onder westelijke controle gebracht. Het duurde wel even maar na verloop van tijd drongen dat soort berichten door tot in de Pijnbomen. Dat gaf de paters wat hoop op een betere toekomst. ‘Een paar dagen geleden”, schreef Hubert Kallen eind januari 1901, “hebben wij uit Peking bericht ontvangen dat de vrede tussen China en de verenigde mogendheden gesloten is. De mogendheden hebben nog vrij eerlijk onderhandeld door van China geen [nieuwe] landstreken [meer] af te nemen. China blijft dus nog het onmeetbare keizerrijk”.
   Helemaal zeker was hij niet. Chinezen waren nu eenmaal per definitie niet te vertrouwen. “Is het goed of slecht? Dit zou ik niet kunnen beoordelen. In elk geval zijn de [door de geallieerden opgelegde] voorwaarden zwaar genoeg om de regering te beletten het hoofd nog eens omhoog te steken. Het is te hopen dat de les [het optreden van Europese troepen] voldoende is om zo gauw niet meer te herbeginnen.
   Maar met die Chinezen, die altijd veinzen en bedriegen, kan men van niets weten. Het is zelfs te vrezen dat meer dan één [opgelegde] voorwaarde weer op smokkelende wijze volbracht zal worden”.
   De paters wilden geld zien, veel geld, om nieuwe missieposten en kerken te kunnen bouwen. Bovendien moesten er mandarijnen komen die de westerlingen zoveel mogelijk hun zin gaven.
 
De missionarissen in de Pijnbomen deden wat ze konden. “Wij gaan steeds door met bidden om de plaatselijke rust en vrede te verkrijgen. Ik hoop dat de streek gauw bevredigd zal worden. Al zeven maanden zitten we hier als uilen op een stokje te koekeloeren. Ik hunker naar het gelukkig ogenblik dat ik bij mijn christenen zal terug geraken. Binnen drie weken is het Chinese nieuwjaar. Voor de Heilige Harten van Jezus en Maria een gelegenheid om de rust te herstellen en de weg tot terugkeer [naar Shanhou] te openen”.
   Hubert was de situatie in de Pijnbomen helemaal beu schreef hij in de kantlijn. Misschien kwam dat ook wel een beetje omdat hij zelf al heel lang geen post meer ontvangen had. Kwamen zijn brieven überhaupt wel aan? “Het walgt mij al onze ellende op papier te zetten. Ik schrijf zulke lange brieven alleen maar om u plezier te doen”.
 


Koekeloeren

 

Opnieuw de Russen

 
Het zal in februari 1901 geweest zijn dat de missionarissen weer wat hulp van de Russen ontvingen. Misschien kwam dat wel omdat bisschop Abels de ferme pater Oscar Conard als een soort ambassadeur bij de Russische troepen in Jinzhou (Mandchoerije) had gepost.
   In een brief aan zijn familie in Lanaken vertelde Hubert nog eens over zijn ervaringen met de Russen. Als toegewijd missionaris schreef hij bovendien: “Mogen ze eenmaal tot de schoot van de Katholieke Kerk terugkeren”.
   Goede ervaringen had hij naar eigen zeggen persoonlijk gehad met kolonel Roubofsky en Stanislas Sehrinsky, ‘een flinke, jonge officier’. Beide militairen waren afkomstig uit Polen (ingelijfd door de Russen) en katholiek. Bovendien spraken ze Frans. “Daarom waren wij goede kameraden”.
   Van de Russen had Kallen gehoord dat ze nergens zo hard hadden moeten vechten als in Oost-Mongolië. Dat bleek nog eens toen de troepen de veertien dorpen van de bloemenvallei hadden onderworpen. “Daar woonde het hardnekkigste volk van de wereld. De spitsboeven deden niets dan wapens en andere oorlogsvoorraad kopen om ons weer te komen bevechten. Dat was niet erg maar zo beletten ze de andere dorpen hun onderwerping aan ons te komen aanbieden en ons de nodige levensmiddelen aan te brengen. Daarom trokken de Russen er heen. Die hardnekkige booswichten hadden de toppen van de bergen bezet. Maar menigeen heeft weer met de Russische speer kennis gemaakt”.
   De Russen voorzagen de paters in de Pijnbomen later nog van ‘tweehonderd oorlogsgeweren waaronder honderdzestig vonkelnieuwe Mausers (model 1887), in het arsenaal van Peking buitgemaakt en opgestuurd door de Franse gezant, beschermer der missies’. De wapens waren gebracht door een Russisch garnizoen onder bevel van kolonel Gamitzky. Van die militairen had Kallen tevens geleerd hoe je onderaardse springlading kon aanbrengen.
 

Onweerstaanbare verlangens

 
Naarmate de tijd vorderde voelde Kallen zich onrustiger worden. Hij kreeg de kriebels. Het werd tijd, merkte je uit zijn brieven, om terug te gaan naar Shanhou. “Wij zitten hier nog altijd te koekeloeren temidden van kanonnen en geweren. Niemand kan zeggen wanneer dit vervelend missie-leven een eind zal nemen.
   Wij zijn hier nog met 21 priesters. We hebben wel wat te doen – voor de helft geestelijke, voor de helft materiële zorgen. De lessen van het seminarie en college zijn herbegonnen. Onze residentie telt een heleboel kinderen van de H. Kindsheid en twee dorpen tellen wel 2.400 christenen.
   Voor de christenen is er nu op zes plaatsen heilige mis. Op zondag moet er op iedere plaats twee keer gepreekt worden. Daarbij zijn er de gewone wekelijkse biechten, catechismuslessen in de school. Bovendien zijn er paters aangesteld voor alles wat de soldaten aangaat, de in- en uitgaande granaten, het arsenaal, de kanonnen, de kardoezen enzovoort. De tijd die ons overblijft maken we nuttig met Chinees leren, voor later”.
   Aan zijn familie (en aan alle vrome zielen) vroeg Hubert nog eens nadrukkelijk te bidden. God moest nu maar eens een einde maken aan deze rumoerige tijden en de vrede te herstellen. Dat was toch tot Zijn meerdere eer en glorie.
 
Op 17 maart 1901 stuurde Hubert een nieuwe brief aan zijn familie. Het was de verjaardag van zijn moeder. “Deze morgen heb ik het H. Misoffer voor haar opgedragen. Ik heb aan Jezus gevraagd U de gunst te schenken deze dag aangenaam en ongestoord door te brengen zonder angst en zonder vrees van degene die u geheel aan Jezus en Maria hebt opgeofferd”.
   Zijn moeder hoefde zich, verklaarde hij nadrukkelijk, geen zorgen over hem te maken. “Mijn lot is immers in Gods handen. Ik ben hier steeds tevreden en gerust. Ja veel te rustig zelfs in verhouding met de haast onweerstaanbare verlangens die mijn hart onophoudelijk overrompelen. O! Wanneer zal dan toch de lang verbeide dag weer aanbreken dat wij ons geliefkoosd missiewerk kunnen hernemen!”
   Tegen zijn zin in moest hij steeds maar wachten. De onderhandelingen tussen de geallieerden en de Chinezen in Peking hadden nog steeds niets opgeleverd. “Onze koerier uit Peking bracht het nieuws dat Li Hongzhang & co de Europese onderhandelaars steeds om de tuin willen leiden over de vrede. Altijd toch Chinees tot aan de dood”.
   De pater besefte niet, of wilde niet beseffen, hoezeer de Chinezen tijdens die onderhandelingen het mes op de keel gezet werd. Er werd gesproken over een onvoorstelbaar hoge ‘schadevergoeding’. Bovendien moest menige Chinese hoge ambtenaar voor eeuwig uit zijn ambt gezet worden. Sommigen moesten op bevel van de Europeanen zelfs de doodstraf ondergaan.
 
Omdat er in China nauwelijks centraal gezag was bleef het onrustig. “In Shanhou is altijd nog gevaar van de rovers en andere schavuiten. Tot nog toe is de Chinese confrater Marcus Tchao haast wonderdadig gespaard gebleven. Maar we zijn voortdurend ongerust over zijn lot”.
   De bendes hielden niet op elkaar uit te moorden. “T’oung-lao-ka-ta is nu ook doodgeschoten. Het is de beruchte hoofdman die ons in juni 1899 te Shanhou dat bezoekje gebracht had. Hij heeft eindelijk loon naar werken ontvangen”.
   Het was zaak waakzaam te blijven, ook in de Pijnbomen. “Een paar dagen geleden schoten onze wakers nog een vent neer omdat hij op het drievoudig wachtwoord niet wilde antwoorden. Hij was vergezeld van drie rovers te paard en één makker te voet. Bij halve maneschijn legden drie wakers op hen aan en doodden er een. De andere mannen namen aanstonds de benen. Dat is niet plezierig en zelfs onaangenaam, maar wet is wet en regel is regel”.
   Opletten was dus de boodschap. “Er komen veel heidenen in onze twee dorpen hier. Het gebeurt soms dat er een verdachte spion tussen loopt. Zo’n vent wordt gewoonlijk opgepakt, een paar dagen opgesloten en dan, onder een goede borg van bekende en/of bevriende heidenen, weer losgelaten”.
   Het alert zijn had het leven rond de residentie van Koenraad Abels nog niet voldoende veilig gemaakt. “Onze christenen kunnen hun landerijen zelfs niet bezaaien. Ze moeten voorlopig nog maar enige maanden in het Grote Dorp blijven wonen. We hebben er veertien dagen missie gegeven. Het heeft de christenen veel goed gedaan”, vond de pater. “Nu dragen zij hun leed en verdriet met meer geduld en meer moed. We zijn nu hier in de Pijnbomen begonnen met de missie. Zo blijf ik toch nog een beetje aan het werk”.
   De Russen waren gestopt met het helpen van de missionarissen en hun bekeerlingen. Ze hadden andere prioriteiten. “Van de Russen zien we niets meer. Pater Wauters wacht al tien weken in Jinzhou. Maar de Russen komen niets meer brengen. Nog zo’n maand en dan kunnen onze christenen beginnen hout te knagen. Er blijft voor ons nog grote miserie te verwachten”. Kallen vond dat hij reden tot klagen had. “Wij hebben voor eten nog slechts vlees, brood, enige eieren en vogelzaad. Maar geen groente, aardappelen of iets van dien aard. Wij kunnen Onze Lieve Heer bedanken dat we het nog zo goed hebben want wij hebben geen zwaar werk.
   Pater Conard is samen met tweeduizend Russische soldaten op verkenning in Mandchoerije. Ze achtervolgen de Chinese generaal Eull-tja-jenn. Door zijn toedoen zijn Mgr. Guillon en zeven priesters vermoord en alle missieresidenties vernield”.                               
 

Verslag van medebroeder Jan Uijt de Willigem

 
Ook Jan Uijt de Willigen, pastoor van Shanhou en de directe chef van Kallen, liet van zich horen. Vanuit het Grote Dorp stuurde hij op 12 april 1901 een brief aan de redactie van het nieuwe Nederlandse tijdschrift van Scheut in Nederland, de Annalen van Sparrendaal.
   Uijt de Willligen bevestigde veel van wat Kallen aan zijn familie geschreven had. Zoals hoe slecht men op een paar honderd kilometer afstand van Peking op de hoogte was van wat zich daar afspeelde. “U moet van mij geen nieuws verwachten. Wij zijn om zo te zeggen geheel van de wereld afgesloten. Van de oorlog weten wij nog veel minder. Het nieuws moeten wij uit Europese kranten vernemen. U zult dus alles veel beter en vroeger weten dan wij”.
   De pater uit Oud-Gastel in Noord-Brabant had geruchten gehoord dat er niet alleen in China, maar ook in Europa gevochten werd. Dat was een directe bedreiging voor de Europeanen in het verre oosten. “Er zou sprake zijn van een algemene oorlog tussen de Europese mogendheden. Als dat waar zou zijn is het niet zeker dat er nog één Christen of Europeaan in China blijft leven”.
   Voorlopig was het nog rustig in het Groot Dorp bij de Pijnbomen. Maar ook Uijt de Willigen had nu zo z’n twijfels over de soldaten van tsaar Nicolaas II, die immers het orthodoxe geloof beleden. “Ik verblijf in een dorp dat de mandarijn op bevel van de Russen aan onze uitgeplunderde christenen heeft moeten afstaan. Op het ogenblik is het hier rustig. Men is bang voor de Russische soldaten die in de stad Jinzhou, op negen uur van hier, liggen. De Russen hebben veel voor ons gedaan. Maar het schijnt dat er een ommekeer in hun politiek gekomen is. Tegenwoordig kunnen wij niets meer bij hen voor elkaar krijgen. Integendeel. Er is zelfs sprake van dat ze de Franse missionarissen in Mandchoerije de toegang ontzeggen. Dat moest er nog bijkomen. Gelukkig dat zij Mongolië nog niet bezet hebben”.
   Vanzelfsprekend gingen de gedachten van de pastoor uit naar zijn dorpje Shanhou in de Zwarte Bergen. “Op 22 juni [1900] ben ik er met mijn confrater Hubert Kallen en de priesters van Bagou, Van Hilst en Van Obbergen, vertrokken. De toestand was onhoudbaar. Enige dagen na ons vertrek werden onze knechten door de Mongolen verjaagd en de residentie geplunderd. Bijna al onze boeken, kleren etcetera zijn verloren. Huizen en kerken zijn blijven bestaan, maar ze zijn deerlijk beschadigd. Het mooie missiedorp Shanwan werd enige dagen later met kerk en huizen in brand gestoken. Gelukkig konden alle christenen hun leven redden door te vluchten.
   Onze residentie Shanhou zelf is blijven bestaan, maar al onze misgewaden en kleren zijn verloren geraakt. Van de christenen zijn er slechts enigen gedood. De overigen hebben hun leven gered door zich te verbergen. Ze zijn nu weer naar hun woonplaats teruggekeerd. De Chinese priester Tchao Marcus bewoont de residentie weer. Maar voor ons is het nog niet mogelijk om terug te keren. Op dit moment zou onze tegenwoordigheid meer kwaad dan goed doen”.
   Evenals Hubert Kallen keek Jan Uijt de Willigen uit naar een nieuwe toekomst voor de missie in China en wel speciaal in Shanhou. Met koekeloeren kwam je niet verder. “Wat er ook gebeurt, de goede God zal zeker niet toelaten dat honderden priesters en bijna één miljoen christenen door een handvol Boksers vermoord worden. Op het ogenblik durf ik niet meer te vragen dan gebeden en aalmoezen. Later, als het mogelijk is, willen wij immers onze kerken en de huizen van onze christenen, die alles verloren hebben, opnieuw opbouwen”.
 
Harry Knipschild
28 mei 2014 – 8 januari 2016
 
Literatuur
Brief van Jan Uijt de Willigen aan zijn moeder, 12 april 1901, Annalen van Sparrendaal, 1901, 190-191

Het volgrnde hoofdstuk, 'Eindelijk terug in Shanhou' (26), vind je hier.

Wil je vanaf het begin (proloog) lezen klik dan hier.