Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
hoofdstuk 24
 

De vijand verdreven

 
“Het is koud. De Russen kunnen het bijna niet uithouden. Droevige tijden! Toch schijnt de goede God voor ons en onze christenen alles op buitengewone wijze te schikken. Aan Hem dus lof en dank!”
Hubert Kallen in de Pijnbomen, 30 november 1900
 

***

 
In de meeste streken van China kwam er na de inname van Peking door geallieerde troepen in augustus 1900 snel een einde aan het geweld van de Boksers en andere opstandelingen. Vooral de soldaten die de Duitse keizer Wilhelm II met zijn ‘Hunnenrede’ naar het verre oosten stuurde om wraak te nemen op het vermoorden van zijn gezant Von Ketteler, wisten de Chinezen er door hun hardhandig optreden flink onder te krijgen.
 
In het gebied ten noordoosten van Peking, het apostolisch vicariaat Oost-Mongolië onder leiding van Koenraad Abels uit Weert, waren geen Duitsers. De Europese priesters moesten hun eigen boontjes doppen. Intussen rukten de Russen vanuit Siberië op en staken een handje toe, of de paters dat nou wilden of niet. Van hun militaire activiteiten kwam in eerste instantie niet veel terecht. Commandant Eletz bevond zich in zo’n precaire positie dat hij aan de lopende band koeriers naar zijn chef stuurde met het dringende verzoek hulp te komen bieden.

Verwarring

 
Op 3 november 1900 was er eerst slecht en daarna goed nieuws voor Hubert Kallen. In zijn dagboek noteerde hij: “Om drie uur in de morgen werden we uit de slaap gewekt door een noodkreet. ‘Op, op! De vijand is in het Zuiderdorp!’ Geweergeknetter weerklonk van die kant. Omdat we gekleed te bed lagen stonden we binnen een minuut klaar om te vechten.
   In alle haast liep ik de straat op. Aan de grote poort ontmoette ik een Russische officier met enige mannen. Goddank! Het waren hulptroepen. We waren gered”.
 
Aan zijn familie legde Hubert uit hoe het gegaan was. “Zodra de eerste koeriers in Jinzhou arriveerden, besefte kolonel Roubofsky, bevelhebber van die plaats, dat hij naar hier moest snellen. Bovendien zond hij per trein iemand naar generaal Tzerpitzky, opperbevelhebber van de Russische troepen, met het verzoek enige honderden kozakken te sturen om hem in Jinzhou te vervangen. En bovendien om hier in de Pijnbomen oorlogsvoorraad en verdedigingsmiddelen te komen brengen.
   Na een snelle mars van enige uren was kolonel Roubofsky nog maar een uur of vijf van ons verwijderd. Omdat hij vernam dat alle bergen door vijanden bezet waren vond hij het raadzaam er die avond halt te houden. In het donker van de nacht liet hij zich met zijn troepen door onze koerier over ongewone paadjes leiden. Dat was zijn geluk”.
   De bekeerlingen die de wacht hielden bij de Pijnbomen waren niet op de hoogte van de komst van de hulptroepen. Ze schrokken zich dan ook rot. “De christenen waakten met honderd man. Midden in de nacht hoorden ze van een onverwachte kant eensklaps volk uit de bergen komen en door de rivier op de zuidkant van het dorp aantrekken. De weg van Jinzhou komt recht door de vallei vanuit het oosten. De paarden van wat Russische officieren bleken te zijn, maakten nogal wat lawaai in het water. De bewakers van het Zuiderdorp dachten dat er een bende rovers aankwam om op listige wijze de zwakke kant van het dorp te overrompelen. Meteen begonnen ze er geducht op los te vuren.
   De Russen begrepen niets van het vijandelijke onthaal. Zij dachten dat de vijand het zuidelijk gedeelte van het dorp, waar nog veel heidenen woonden, al bezet hield. Met een luidruchtig ‘hoera’ stormden de helden met hun blanke bajonet vooruit. Hun kogels troffen gelukkig niemand maar met de bajonetten staken ze drie christenen dood. Aan zeven of acht anderen brachten ze zware wonden toe. Het scheelde niet veel of ook een van mijn confraters, die mee op wacht stond, kreeg een bajonet in zijn rug. Gelukkig werd de vergissing spoedig opgehelderd, tot grote spijt van de dappere kolonel”.
 

Russische bezetting van de Pijnbomen

 
Na aankomst namen de Russen het heft ogenblikkelijk in handen. “De compagnie bestond uit tweehonderd man. Na het ontbijt rukten enige troepjes kozakken op naar de christelijke stellingen om de uitgeputte verdedigers te vervangen. Zodoende werd de vijand op eerbiedige afstand gehouden – totdat de grote hulptroep zou komen opdagen. De omliggende hoogten waren weer bezet door vijandelijke bendes”.
   Vanaf dat moment hoefden de missionarissen zich voorlopig geen zorgen meer te maken. “Na het middagmaal verscheen het regiment van generaal Tzerpitzky aan de ingang van de vallei. Het bestond uit 1500 man en voetvolk, evenals een afdeling bereden ruiterij met vier kanonnen en twee mitrailleurs. De militairen trokken meteen het Grote Dorp binnen”.
   De Russische overmacht was groot. “Alle vijanden, soldaten, Boksers, rovers, Zaili enzovoort, ze vluchtten in allerijl de bergen over. Sommigen waagden er nog wat geweerschoten aan. De bevelhebber liet hen een paar kanonskogels achterna zenden om hun vlucht te verhaasten”.
   Hoewel ze een ander geloof hadden dan de katholieke missionarissen van Scheut waren de onderdanen van tsaar Nicolaas II meer dan welkom. “De generaal kwam met zijn fiere staf in vol galop naar hier gereden. Alle christelijke strijders hadden zich in twee rijen opgesteld. Ze presenteerden het geweer en ontvingen onze edelmoedige bevrijder en zijn officieren met een krachtig en langdurig ‘hoera!’. Op de grote poort wapperde de Russische driekleur, terwijl de Franse, Duitse, Belgische en Hollandse vlaggen op de andere forten [torens] prijkten.
   Zodra het hele legercorps binnen was liet de bevelvoerende officier de vier kanonnen vóór de grote poort plaatsen. Vandaar deed hij enige granaatbommen op de grootste stellingen van de vijanden werpen. De meeste vechters kozen weldra het hazepad.
   Zo eindigde deze driedaagse belegering. Hoeveel vijanden in het zand gebeten hadden konden wij niet met zekerheid vaststellen. In het geheel hadden twintig christenen in die drie dagen het leven gelaten. Bovendien was nog een dozijn vrouwen en meisjes door die gewetenloze schurken weggevoerd”.
 
De volgende dag, 4 november 1900, was er geen speciale feestmaaltijd voor Hubert Kallen. “Heden feestdag van de heilige Hubertus. Ver van mijn naamdag te vieren was er zelfs geen tijd om er aan te denken. Zo gaat het in de oorlog”, schreef hij op.
   De paters waren nu wel ondergeschikt aan de Russen. “Er greep nogal wat geharrewar plaats hier. In het dorp zaten 2.400 christenen opgepropt. De helft sliep ’s nachts, de andere helft moest overdag slapen. Het kerkgebouw was in een kazerne herschapen. Het groot hof diende tot legerplaats voor een gedeelte van de soldaten. De kozakken en kanonniers sloegen buiten ieder nog een kamp op.
   Veertig officieren namen bezit van onze kamers, zodat wij genoodzaakt waren enige nachten door te gaan brengen in de slaapkotjes van de seminarie-studenten. Het was zo’n wanorde dat er ’s morgens zelfs geen plaats was om heilige missen te lezen”. Een missionaris die geen mis meer las, dat moet iets betekend hebben.
  
De Russen verspilden ook in andere opzichten geen tijd. “In de middag trok het hele legercorps erop uit om de vijanden uit de omliggende plaatsen te jagen. In twee dorpen, waarvan de inwoners de meeste schuld hadden, waren heel wat vijanden bijeengekomen om te trachten nog tegenstand te bieden. Maar in een oogwenk werden zij door alle kanonnen uiteen geschoten. Ze vluchtten naar alle kanten weg om nog zo veel mogelijk hun leven te redden. In die dorpen liet de Russische aanvoerder de huizen en bezittingen van de meest schuldige Boksers, rovers en andere vijanden in brand steken. De toorn zou nu wel wat verminderd zijn, maar de straf was verschrikkelijk”.
   Kallen was er op dat moment van overtuigd dat hij voortaan geen last meer zou hebben van de niet-bekeerde Chinezen. “Het bulderen van de Russische kanonnen tussen de bergen was zo schrik- en ijzingwekkend dat de vijanden er nu hun buik van vol hadden om oorlog te voeren tegen de Kerk en tegen de Europeanen”, beweerde hij, in die volgorde. “’s Nachts durfde zelfs geen levend wezen in de omliggende plaatsen te blijven. Het rumoer van de vorige dagen was herschapen in een doodse stilte”.
 

Russisch dictaat voor Chinese autoriteiten

 
Nadat de gewone Chinezen hun verzet tegen de indringers hadden moeten opgeven was het zaak de Chinese overheid een dictaat op te leggen. Dat gebeurde op 6 november. Vóór de militairen oprukten, legde missionaris Willem Meyer vast in een brief, werden zij op godsdienstige wijze in de juiste stemming gebracht.
   “Tzerpitzky had er geen idee van hoe zijn soldaten ontvangen zouden worden. Zouden zij zich overgeven zonder tegenstand te bieden? Zouden ze de poorten sluiten en zich verdedigen? De generaal besloot zich op de tocht voor te bereiden door middel van een openbare godsdienstoefening.
   Buiten in het open veld, naast onze residentie, werden al de soldaten in een vierkant in het gelid opgsteld. In het midden werd een tafel naast een groot kruisbeeld geplaatst. De aalmoezenier van het leger (een Russische priester) plaatste zich achter de tafel en begon de zegen met lange gebeden uit zijn ritueel te lezen en naar alle kanten met het kruisbeeld kruistekens te maken over de rondom geknielde generaal, officieren en soldaten.
   Daarna kwam Mgr. Abels met mijter en staf, omringd door enigen van ons, de ‘poop’ ontvangen, om de plechtige bisschoppelijke zegen te geven, die door allen onder veel kruisjes maken met diepe eerbied werd ontvangen. Tenslotte verlieten de generaal en de officieren hun plaats en kwamen in militaire orde de ring van Monseigneur kussen. Na een diepe buiging namen ze hun plaats weer in”.
 
Kallen vertelde hoe de militaire operatie verliep: “Op verlangen van de overste trok generaal Tzerpitzky in vliegende vaart naar Chaoyang, de zetel van onze mandarijn-prefect. Bewezen was dat deze deugniet de onderhandse bewerker was van al het kwaad dat men ons had aangedaan. Nu was voor die schobbejak de tijd gekomen om rekenschap van zijn daden te geven.
   De Russen stuurden een bode vooruit om hem een brief te brengen. Daarin werd hij verzocht zich heel braaf te onderwerpen en van alle nutteloze tegenstand af te zien. Al vóór het vallen van de avond legde Tzerpitzky met zijn voorhoede de vijftig kilometers af. Nergens werd hem ernstige tegenstand geboden. Bij de stadspoort kwam de mandarijn, vergezeld door slechts vijf mannen, de generaal afhalen.
   Diezelfde avond nog werden de voorwaarden vastgesteld, waaraan de mandarijn moest voldoen om onze rampen gedeeltelijk te vergoeden. De twee meest dringende waren:
   1. De mandarijn moest een decreet uitvaardigen waardoor alle heidenen van het Grote Dorp hun huizen voorlopig aan de christenen moesten afstaan.
   2. De mandarijn moest ons in heel zijn district voldoende graan verschaffen om al onze christenen te onderhouden”.

Wat Tzerpitzky verder aan de Chinese autoriteiten commandeerde legde Kallen niet vast. Voor hem ging het erom dat de katholieke missie opnieuw goed zou kunnen functioneren. Maar dat de Russen krachtig optraden in Chaoyang maakte hij met een mooi voorbeeld duidelijk: “Terwijl men onderhandelde kwamen de mannen van de mandarijn zeggen dat het grauw bezig was een berg van barmhartigheid te plunderen. Op verzoek van de mandarijn stuurde de generaal er een twintigtal kozakken op af. Met getrokken bajonet rukten deze op de mensenmenigte af en staken een dozijn bandieten neer”.
   Voor iedereen was het duidelijk dat de Russen het voor het zeggen hadden op dat moment. “De mandarijn willigde onze eisen in. Daarna kreeg hij een hand van de generaal en daarmee afgelopen”.
   Om zeker te zijn dat er geen rare dingen zouden gebeuren namen de Russen bovendien nog drie mannen uit de stad, waaronder een neef van de mandarijn, als gijzelaars mee.
  

Taak afgerond

 
Tzerpitzky kon nu doen en laten wat hij wilde. In eerste instantie was het gewenst orde op zaken te stellen. “Een compagnie soldaten verkende de dorpen in het zuiden om deze schoon te vegen van alle booswichten, oproermakers en bandieten. Op sommige plaatsen werden de Russen nog ontvangen met klein en grof geschut. Ze kwamen er echter met kleine wonden van af. Het ene na het andere dorp werd ingenomen. Hier en daar lieten ze huizen van de grootste oproerstokers in de lucht vliegen. Dit moest tot straf en voorbeeld dienen zodat de anderen zouden beloven zich binnen enkele dagen formeel te komen onderwerpen”.
   Het zat erop voor de Russen. Op 8 november van het jubeljaar vertrokken ze uit de Pijnbomen. Die dag legde Kallen vast: “Vertrek van onze weldoener en onvermoeibare generaal Tzerpitzky. Het is een goede, minzame officier. Door zijn innemende omgang heeft hij ons aller achting veroverd. Men zegt dat hij door zijn ijzeren wil een van de knapste veldheren van het Russische leger is. Dat moet wel zo zijn. Want het is bijna onbegrijpelijk hoe hij met zoveel voetvolk in twee dagen van zijn hoofdkwartier helemaal naar hier kon snellen. Dankzij zijn opoffering en zijn goedheid zullen wij en onze christenen ons leven voortaan beter beschermen. Hij laat ons immers voorlopig nog een compagnie beschermingstroepen achter en belooft ons van de nodige oorlogsvoorraad te voorzien om onze latere verdediging te waarborgen.
   God lone hem voor de onschatbare dienst die hij aan de missie van Oost-Mongolië bewijst. Hij zal bij zijn terugkeer in Chan-hai-koan al een tijdelijke beloning voor zijn beleid en moed vinden, namelijk zijn benoeming tot luitenant-generaal, tot opperbevelhebber van de Russische troepen in Zuid-Mandchoerije en nog andere onderscheidingen.
   Tegelijk met Tzerpitzky vertrokken ook alle gewonden, gedragen door een honderdtal christenen en vergezeld van vier paters. Bij het vertrek van de twee gewonde officieren, commandant Eletz en luitenant Bougnine, schaarden alle christenen zich bij de uitgang. Als afscheidsgroet brachten zij het tweetal een welverdiende hulde”.
 

 

Rust

 
Na het vertrek van de Russen voelden de missionarissen van Scheut zich weer superieur. Wat er in meer dan een week gebeurde kon Hubert kort samenvatten: “De heidenen komen vanuit de omtrek stilletjes aan hun onderwerping doen. Ze zijn vol ontzag en vrees voor de twee kanonnen die hier nog zijn gebleven. Als bewijs van hun onderwerping leveren ze graan en beesten af”. Meer had hij niet te melden vóór 19 november.
   Langzamerhand kwam ook de communicatie met de buitenwereld weer op gang. “De paters uit Jinzhou berichtten ons dat een pak brieven uit Europa op zee door zeeschuimers afgenomen was en in zee geworpen. Een koerier bracht ons brieven van generaal Tzerpitzky en een van James de Bourbon, zoon van de Spaanse kroonpretendent Don Carlos. Deze prins is officier in het Russische leger”.
    De Spanjaard liet weten dat het hem speet dat hij wegens een hevige koorts niet mee had kunnen oprukken met Tzerpitzky. “Ik had de eerste willen zijn om mijn degen ten dienste van de Kerk te stellen en zo de katholieke overlevering van mijn familie hoog te houden”.
   Voor de inwoners van het Grote Dorp (Tatouen) zat er niets anders op dan te vertrekken. Hun eigen overheid had dat bij decreet afgekondigd. Dat zal de harmonie tussen niet-christenen en bekeerlingen niet bevorderd hebben. Kallen: “Alle heidenen, 250 families, zijn uit het Groot Dorp vertrokken. Conform het decreet van de mandarijn hebben de christenen van de in brand gestoken buitendorpen er hun intrek genomen. Drie priesters en twee [Russische] officieren met hun soldaten verhuizen er heen. Zo wordt een heidens dorp ineens herschapen in een parochie van 1.500 christenen. Twee huizen worden in kapellen veranderd. De een neemt de plaats van de ander in, zo gaat dat op deze wereld”.
 
Op 24 november kwamen de missionarissen terug met de christenen, die de troepenmacht van Tzerpitzky uitgeleide gedaan hadden. Voor alle zekerheid werden ze door Russische militairen begeleid. De paters hadden niet alleen graan en stoffen voor kleding bij zich, maar ook de wapens die de generaal beloofd had. Meteen bij aankomst bleek dat het militaire materiaal niet veel voorstelde. Het waren ‘vier oude koperen kanonnen, vier mitrailleurs, oude repetitiegeweren en 100.000 kardoezen die de Russen een paar maanden eerder op de Chinezen hadden buitgemaakt’.
   In een brief aan zijn familie liet de priester, die in Roermond geboren was, zich nog kritischer uit over de kwaliteit van de wapens waarmee ze eventueel zouden moeten vechten. “De vier mitrailleurs hadden de Russen in Jinzhou buitgemaakt. In 1894, tijdens de oorlog met Japan, hadden de domme Chinezen ze achter de yamen [officiëel verblijf van de mandarijn] in de grond gegraven. Vandaar dat er nog veel aan verroest en benadeeld was. Drie gaan er nu al opperbest. Binnen enkele dagen zal de vierde ook wel in staat zijn enige honderden kogels per minuut te spuwen. Het is te hopen dat wij er niet mee hoeven te werken, want dan zouden onze kardoezen niet lang tegenhouden.
   Onze vier kanonnen zijn van dezelfde stad afkomstig. Het zijn dikke koperen veldstukken die twintig jaar geleden gegoten zijn. Misschien komen ze uit Europa, maar het is ook mogelijk dat ze in het Chinese arsenaal vervaardigd zijn. Ze zijn nog van een oud systeem, dus van vóór te laden. Zij dragen hoogstens drie kilometer. De eigen wagens [voor de kanonnen] waren zo vermolmd en rot dat ze onmogelijk een bergje over konden zonder ineen te vallen. Daarom moesten ze met voerkarren hierheen komen. Onze timmerlieden zijn bezig er vier nieuwe wagens voor te maken. Maar dit onbekend werk is zeer zwaar voor de mannen. Niettegenstaande is één kar zo goed als klaar. Ik hoop dat ik met deze nieuwe kar nog een paar schietoefeningen zal kunnen houden zonder alles aan stukken te schieten. Bij de oorlogsvoorraad zijn [immers] geen juiste bommen voor onze kanonnen.
   Generaal Tzerpitzky had ons maar een rommel gestuurd van alles wat de Russen in de omstreken van Jinzhou hadden buitgemaakt. Zo zijn er veel wapens waar geen munitie voor is, en veel bommen of kardoezen waar geen wapens van te vinden zijn, onder andere de kanonnen. Er zijn wel een paar kistjes met lege granaten en bommen, maar voor kanonnen van klein kaliber”.

De missonarissen hadden geen keus. Ze moesten roeien met de riemen die ze van de Russen gekregen hadden. “Onze slimme smid is er gelukkig in geslaagd een laag lood omheen te gieten zodat de granaten toch nog in onze kanonnen passen”.
   De jonge pater had zelf uitgezocht in hoeverre je met de buitgemaakte wapens kon schieten. “Toen er een paar bommen gereed waren moest ik, als luitenant-kanonnier, dat kanon eens proberen. De granaat werd gevuld en van ontploffer voorzien. Om de verte goed waar te nemen richtten wij het veldstuk recht de vallei in. Omdat de granaat nogal zwaar scheen stak ik een ruime maat poeder erachter. Bij het afschieten ging mijn kanonnetje vijf meter achteruit. De granaat floot gierend door de lucht tot aan de andere kant van het Groot Dorp. Daar, op 2.500 meter van de Pijnbomen, kwam ze neer en ontplofte heerlijk. Het moordend staal spoot alle kanten op. Toen wij er meteen naar toe reden was er niets meer te zien dan het gat in de grond. Van lood of ijzerschroot was er niets meer te bespeuren”.
   De nieuwe wagen van het kanon had het er minder goed van afgebracht. “De as was er bij ingeschoten en de wagen was zo ontredderd dat hij door een nieuwe vervangen moest worden”.
   Voor een missionaris in Oost-Mongolië was er genoeg te doen aan het einde van het jaar 1900.
 

Een terugblik op het jubeljaar

 
Aan het einde van 1900 keek Hubert Kallen in een brief aan een Nederlandse geestelijke, zijn heeroom Godefridus Kallen (1837-1921, Jezuiet, kapelaan in Den Haag), nog eens terug op wat het jubeljaar gebracht had. Hij beschouwde zich als een gevangene in Babylon. Zo rooskleurig keek hij nu ook weer niet tegen de toekomst aan.
   “Wij bevinden ons in de versterkte residentie der Pijnbomen, ver van onze christenheden verwijderd. In volslagen ballingschap bevinden wij ons tussen woeste, op bloed beluste vijanden. We hebben vijf lange en bange maanden van vervolging, omwenteling, oorlog, hongersnood enzovoort achter de rug. Volgens mij zijn we nog slechts aan het einde van het begin en nog lang niet aan het einde van het einde. Maar Gods wil geschiede. Tot nog toe heeft ons vicariaat van Noord-Oost Mongolië, waar Mgr. Abels aan het hoofd staat, de wonderbare bescherming van de Heilige Harten van Jezus en Maria ondervonden.
   In het naast ons gelegen vicariaat van Zuid-Mandchoerije [onder supervisie van de Franse Missionaires Etrangères de Paris] blijft er niets meer over dan één residentie (in de haven) en enige priesters. In ettelijke woorden zal ik u ons wedervaren en onze toestand aangeven.
   In ons vicariaat is slechts één priester vermoord, namelijk de eerwaarde pater Segers die, met goedkeuring van de onderkoning, door zijn mandarijn-prefect levend begraven werd op het einde van juli. Daarenboven zijn in het noorden nog twee confraters gestorven ten gevolge van de doorstane ontberingen en ellende, namelijk de eerwaarde pater Van Acht en een Chinese priester, Petrus Kia, beiden in oktober overleden.
   Van de zestien residenties blijven er nog vijf ongeschonden over. Acht zijn er tot op de grond afgebrand en de drie overige zijn geheel geplunderd. In deze laatste drie staan nog de kale huizen, zonder deuren of vensters. De stoffelijke schade is dus zeer aanzienlijk. Daarbij blijft er van de meeste christen-dorpen niets over dan enige puinhoopjes.
   Tot nu toe zijn er circa zesduizend van onze christenen zonder graan. En zeer velen bovendien zonder kleren. De barre winter heeft een aanvang genomen. Het vriest vijftien graden Celsius. Velen zijn reeds van honger en koude omgekomen. In totaal zijn er in ons vicariaat 450 christenen vermoord. De meesten van hen hebben voorbeeldig de marteldood ondergaan. Slechts weinige Chinezen, die nog maar kort in het geloof onderwezen en bevestigd [gedoopt] waren, zijn uit vrees voor dood en foltering bezweken en hebben het geloof verzaakt. U ziet dus dat wij reden tot troost hebben. Er blijven ons nu nog omtrent tienduizend christenen getrouw. Samen met hen zullen wij volhouden tot het einde – met hen leven en, zo nodig, sterven.
 
Hier in de bisschoppelijke versterking, die gebouwd is ter beveiliging tegen roversbenden die deze streken, vooral vroeger, onveilig maakten, bevinden wij ons met twintig confraters en vier Chinese priesters. Buiten de residentie zijn nog vier Chinese priesters en zeven Europese missionarissen. Eén van die Chinese priesters heeft drie maanden in de gevangenis van de onderkoning in Jehol gezeten. Maar toen de Russen dichterbij kwamen is hij losgelaten. Hij kan echter onmogelijk hierheen komen en blijft daarom, zonder mis-kleren en andere noodwendigheden, ondergedoken bij zijn christenen.
    In het noorden, op acht dagreizen van hier, bevinden zich nog zes paters met een vrij groot aantal christenen. In juli hebben zij enkele hevige aanvallen te doorstaan gehad vanwege de boksers, Chinese soldaten en ander grauw. Nadat ze hun vijanden verslagen hadden kwam er wat rust, maar toen zijn twee van de paters, over wie ik sprak, van uitputting en gebrek gestorven. Die rust was echter van groot belang, want hun krijgsvoorraad was op. Wij konden hen nog wat kruit in uitgeholde wandelstokken sturen. Een van de paters, die mee ten strijde trok om de christenen aan te moedigen en de gewonden bij te staan en daarbij gewond werd [Leo De Smet] is, God zij dank, thans geheel hersteld.
 
Op 30 juli werden wij hier de eerste keer bestormd door boksers, soldaten en andere booswichten. Na anderhalf uur vechten waren verscheidenen van hen doodgeschoten en velen gewond. Onze overwinning was schitterend. Bij ons werd niemand gewond.
   Vanaf begin juli zijn wij steeds op voet van oorlog, op schildwacht, ’s nachts waken enzovoort. Vier maanden aan één stuk zijn wij niet buiten de muur van de Pijnbomen kunnen komen. In oktober zijn er twee weken van kalmte geweest. Wij deden gauw onze retraite en ik dacht spoedig naar mijn residentie in Shanhou te kunnen terugkeren. Toen hoorden we van een verschrikkelijk complot, dat in de hele streek tegen ons gericht was. Maar hierboven leeft er een Goddelijke Voorzienigheid, die de Zijnen weet te redden.
   Er kwam hier onverwacht en ongevraagd een afdeling Russen – negentig kozakken te paard in volle ren. Op 31 oktober gingen die moedige mannen de voorhoede van onze vijanden aanvallen. Een overmacht van tweeduizend man konden ze echter niet overmeesteren. De Russen doodden wel zeventig à tachtig en verwondden ontelbare vijanden, maar moesten met elf gewonden en twee doden terugkomen. Eén luitenant was zeer zwaar gewond. Met twee priesters waren wij bij het gevecht tegenwoordig om op de gewonden te passen. We hadden honderd christenen bij ons om de gewonden te dragen. We meenden dat we in goede orde naar de Pijnbomen konden terugkeren. Maar eensklaps kwamen honderden strijders boven een berg uit en overvielen ons.
   De christenen lieten de gewonden en de paarden van de soldaten van schrik los. De Russen moesten toen zelf voor hun gewonde strijdmakkers zorgen en ook nog de vijand tegenhouden. Dat was een roemrijk wapenfeit in de annalen van het Russische leger.
   Hoe ik daar uitgeraakt ben weet ik niet. Maar voor mij is het zeker dat wij, twee priesters en onze christenen, miraculeus bevrijd zijn van de vijandelijke kogels die een kwartier lang als regendruppels of hagelkorrels om ons heen vlogen. Het was verschrikkelijk. Mijn paard was wild van het oorverdovend geschiet en geknetter.
   De Russen vochten als leeuwen. Dankzij hun moed en koelbloedigheid hebben zij alle gewonden meegebracht. Alle niet gewonde kozakken hadden hun kleren vol gaatjes, van kogels en hagelkorrels. De wakkere aanvoerder, de dappere commandant Eletz, had zelf twee gaten door zijn mouw en een lichte wond aan de hand. Twee dagen later werd hij zwaar gewond door een kogel in het bovenbeen.
   Thuis gekomen (31 oktober) werd terstond een koerier naar de Russische troepen in Jinzhou (Mandchourije) gestuurd om ons hulp te brengen. Van die avond af werden wij omsingeld. Vijf- tot tienduizend man hebben ons dag en nacht omringd. Drie volle dagen hebben wij toen gevochten van zonsopgang tot na zonsondergang. Gedurende die drie dagen (Allerheiligen, Allerzielen en Sint Hubertus) werden hier alle kerken, kapellen en huizen van de christenen in de as gelegd. De 2.500 christenen van hier zijn bijna allemaal gered, met ons dorp dat wij wisten te behouden.
   In totaal zijn er slechts 25 à 30 christenen gesneuveld of vermoord. Onze christenen waren bereid om dit dorp en de residentie tot de laatste druppel bloed te verdedigen. Zelfs de Russen waren verwonderd over hun moed. Het aantal gesneuvelde vijanden is niet bekend, omdat de meesten van ver op de heuveltoppen zijn doodgeschoten en toen door hun makkers werden weggedragen.
   Omdat het leven van negentig Russen op het spel stond kwamen hun landgenoten vanuit Mandchourije in allerhaast te hulp gesneld om ons te verlossen. Eerst kwamen ’s nachts 230 man in het geheim. Daarna arriveerden zestienhonderd man met generaal Tzerpitzky aan het hoofd, zes kanonnen enzovoort. De Russische troepen slaagden erin de kring van belegeraars voorgoed te verbreken en uiteen te drijven. Eer aan de Russen voor die schone, moedige, verdienstvolle daad! Wij zullen hen er eeuwig dankbaar voor blijven.
   Na drie dagen waren wij meester in de omtrek. Alle heidenen van het naaste dorp (250 families) hebben hun woningen moeten ontruimen op bevel van de Russische generaal. Alle christenen die geen onderkomen meer hebben zijn er ingetrokken. Harde noodzakelijkheid.
   De generaal is met de gewonden teruggegaan. Hij heeft hier driehonderd man achtergelaten om ons te beschermen. De drie schuldigste dorpen uit de omtrek zijn gestraft, dit is gedeeltelijk afgebrand. De andere dorpen moeten eten brengen voor de soldaten en de christenen, maar dat zal niet lang kunnen duren. Zij hebben al bijna alles gegeven.
 


Martelaren van Scheut in 1900

 
Van de andere delen van Mongolië weinig nieuws. Het voornaamste is dit: Mgr. Hamer, onze oudste missionaris der congregatie, is gepakt met enige van zijn priesters. In een grote stad is Monseigneur rondgeleid in misgewaad, bespot en gehoond. Omdat hij nog het rozenhoedje bad, kapte men hem de beide handen af. Daarna bedekte men zijn ontkleed lichaam met vele diepe wonden, men stak er katoen met petroleum in, en zo werd hij levend verbrand! O, wat schone martelkroon moet die grijze bisschop bekomen hebben”.
 

Onzekere toekomst

 
Na aan een medepriester, zijn familielid, samengevat te hebben wat hij in het jubeljaar allemaal had meegemaakt keek hij samen met hem vooruit naar 1901. “De hongersnood zal misschien nog onze onoverwinnelijke vijand worden. De toekomst is zwart. God helpe ons! Vraag geld, stuur geld uit België en Holland, want wij lopen gevaar met onze brave christenen van honger te sterven. De oogst is mislukt, in de kerk is geen graan. Al het graan van de christenen is gestolen en verbrand”.
   Alsof geld vanuit Nederland en België, dat er maanden over zou doen om de Pijnbomen te bereiken, de acute problemen kon oplossen....
   Hubert eindigde zijn overzicht met de woorden: “Het is koud. De Russen kunnen het bijna niet uithouden. Droevige tijden! Toch schijnt de goede God voor ons en onze christenen alles op buitengewone wijze te schikken. Aan Hem dus lof en dank! Dringend beveel ik mij en onze missie aan in uw gebeden en vooral aan het altaar [tijdens de heilige mis]. Uw neef, Hubert Kallen, missionaris”.
  
Harry Knipschild
18 mei 2014 – 18 december 2015
 
Literatuur
brief Willem Meyer vanuit de Pijnbomen, 8 januari 1901, afgedrukt in Annalen van Sparrendaal, 1901, 81-83

Wil je vanaf het begin lezen, klik dan hier voor de proloog.

Het volgende hoofdstuk (25, Koekeloeren) vind je hier.