Zoeken


Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
hoofdstuk 19
 

Missie bedrijven in het jubeljaar 1900

 

 
“Sedert mijn oproep hadden de nieuwe geloofsleerlingen goed hun best gedaan. In drie maanden tijd hadden allen het boekje der morgen- en avondgebeden, alsmede de gehele catechismus, op hun duimpje van buiten geleerd. Ik had het zoete genot het heilig sacrament van het doopsel toe te dienen aan 34 mannen en vrouwen. Dus ineens 34 zieltjes ontrukt aan de klauwen van satan en geschonken aan het Allerheiligste Hart van Jezus”.
Hubert Kallen, voorjaar 1900
 

***

 
Volgens de katholieke traditie was het jaar 1900 een jubeljaar. Het was immers 1900 jaar geleden dat Jezus Christus, grondlegger van het christendom, geboren zou zijn. In het begin van het nieuwe jaar 1900 konden alle missionarissen van Scheut waar ook ter wereld in een rondschrijfbrief van hun nieuwe algemeen overste Adolf Van Hecke dan ook lezen:
   “Laten wij onze gebeden verdubbelen, laten wij onze goede werken en onze deugdzame daden verdubbelen ter gelegenheid van het jubeljaar dat op komst is. Het is voor ons een buitengewoon gunstige tijd. Dit jaar is een van die bijzondere jaren zoals God ze soms zaait in de loop der tijden, een van die jaren waarvan alle dagen bijzondere dagen zijn, waarvan de tijden bijzonder zijn als fonteinen van genade, die open staan om hun irrigatie van weldaden te geleiden over de mensen afzonderlijk en over de volkeren die voordeel weten te halen uit deze kostbare giften van de Heer.
   Laten wij ons voordeel halen uit het jubeljaar [1900], een juiste inschatting van het verleden met zijn goed en zijn kwaad om de lessen van de ervaring ten voordele van de toekomst aan te wenden. In de tweede helft van de eeuw die gaat eindigen is onze dierbare congregatie geboren, volwassen geworden en ontwikkeld tot wat die nu is.
   Met vertrouwen zie ik de toekomst tegemoet en zo zeer voorzie ik de beste oogst voor onze congregatie dat we ons inspannen om al die gunsten waard te zijn.
   De verschillende missiegebieden hebben ons troostvol nieuws gebracht ten aanzien van de verkondiging van het Heilige Evangelie. Tot nu toe is het overal rustig behalve in het oosten van Mongolië [de regio van Kallen!] waar de bendes in aantal toenemen en steeds brutaler worden. Ik hoop dat God dat missiegebied nieuwe rampen zal besparen.
   In september zijn zeventien nieuwe leden van onze congregatie naar China en de Congo vertrokken, 18 novices hebben hun eerste geloften gedaan, terwijl verscheidene medebroeders het afgelopen jaar hun geloften hebben hernieuwd. Twee hebben al gevraagd om eeuwige geloften af te mogen leggen en daar gaan we [natuurlijk] mee accoord, maar ik ben ervan overtuigd dat er nog veel meer zullen zijn die zich voor hun gemoedsrust voor eeuwig aan hun congregatie zullen verbinden.
   Dit jaar hebben zich 45 excellente jonge mannen voor het noviciaat van Scheut aangemeld. In Leuven en Scheut studeren nu in totaal 166 [studenten om uitgezonden te worden naar de missie]. Onze congregatie telt nu meer dan 300 leden. Ook in Nederland komt er een missiehuis.
   Wij zien een bijzonder teken van goddelijke protectie”.
 

De ‘verdeling van China’

 
In een ander schrijven van Adolf Van Hecke, gedateerd 1 juli 1899, ging de overste van Scheut nader in op de situatie in Oost-Mongolië.
   Er waren in het apostolisch vicariaat op dat moment 9061 (gedoopte) katholieken op een bevolking van ongeveer tien miljoen Chinezen en Mongolen. In het gebied werkten 24 Europese en vier Chinese priesters. Niet minder dan 2577 inlanders (of hun verwanten) hadden de wens uitgesproken om gedoopt te worden en leerden uit de catechismus alvorens tot het ware geloof te kunnen toetreden. In dat jaar hadden 36.481 katholieken gebiecht, 506 waren er gevormd, 159 hadden het Heilig Oliesel ontvangen. Er waren 158 katholieke huwelijken voltrokken en 43.005 bekeerlingen waren tot de heilige tafel ter communie gegaan. De missie had in twaalf maanden dertig kinderen (vrij)gekocht. Dat soort gegevens werd nauwkeurig bijgehouden.
   Naast de voortgang van de missie in Oost-Mongolië ging de overste van Scheut in op enkele specifieke beproevingen: het gevaar van een nieuwe Zaili-opstand, speciaal in het district Bagou, roversbenden, het uitbreken van een pest-epidemie en het Russische gevaar. De Russen trokken steeds verder op.
   “Bij een [eventuele] annexatie van Oost-Mongolië is het te vrezen dat de verkondiging van het geloof tot stilstand komt. Om dat gevaar te bezweren kan men nauwelijks rekenen op menselijk handelen, dat immers niet verder kijkt dan politieke en commerciële voordelen. We moeten onze hoop dus vestigen op God en Hem bidden de ter Zijner glorie opgezette onderneming te redden”.
 
In het jubeljaar 1900 werd niet alleen Oost-Mongolië maar heel China bedreigd door de Europeanen, met alle gevolgen vandien. Pater Jaak De Groef, medebroeder van Hubert Kallen in zijn missiegebied, schreef op 25 juni 1899: “Van de gewoonste soldaat tot de hoogst geplaatste ambtenaar, iedereen zoekt zijn schaapjes te scheren in de volkomenste ledigheid, zonder zich om de gevolgen van zijn zorgeloosheid te bekommeren.
  De soldaten verkopen hun kardoezen [munitie] aan de rovers die zij moeten bevechten. De trawanten van de gerechtshoven teren en smeren enkel op de kap der pleiters, die zij naar willekeur het vel over den nek stropen. De ondergeschikte mandarijnen pluimen het volk, om hun oversten te kunnen omkopen, en deze weten de keizer zelf te foppen.
  Wat de toestand nog deerlijk verergert, de Europese mogendheden schijnen het tamelijk eens te worden om China van lieverlee ondereen te verdelen. Wie maar een moord kan doen gelden, op een van zijn landgenoten, missionaris of koopman, gepleegd, maakt er gretig gebruik van om zich de grootste en beste brok toe te eigenen. In zulke omstandigheden is het licht te begrijpen dat de oproermakers, de bandieten en de vijanden der christenen vrije speelruimte hebben”.
 
Het leek erop dat na de ‘verdeling van Afrika’ een nieuwe verdeling op gang was gekomen aan het einde van de negentiende eeuw. Die ‘verdeling’ was in 1897 begonnen toen de Duitsers het schiereiland Shandong waren binnengevallen en er de vlootbasis Qingdao opgezet hadden. Met name Engeland en Frankrijk lieten niet na de Duitsers te volgen in hun annexatie-zucht. Na de gewonnen oorlog met China hadden de Japanners in 1895 trouwens al Formosa (Taiwan) weten te verwerven. De Amerikanen, met hun groeiende macht, hadden in 1898 de Filippijnen veroverd. Aan China waren ze nog niet toe.
  Was dit de buitengewoon gunstige tijd waar Adolf Van Hecke op doelde?
 


Adolf Van Hecke

 

Van Hecke: “Laten wij onze deugdzame daden verdubbelen”

 
Als je de brieven leest die Hubert Kallen schreef in de eerste maanden van het jubeljaar zette hij zijn missie-activiteiten in een hogere versnelling, conform de wensen van zijn algemeen overste. In de winter van 1899-1900, trok hij er in elk geval op uit om bekeerlingen, gedoopt of nog niet gedoopt, te bezoeken.
   De winter was een ideale tijd voor de paters. Het was dan immers te koud om op het land te werken. In de correspondentie deed Hubert openhartig verslag. Steeds weer maakte hij melding van de vuile omgeving waarin een missionaris verkeerde tijdens het rondtrekken in de ijzige kou.
   In januari 1900 was hij duidelijker dan ooit. “Na bij de Chinese vuilerikken geslapen te hebben kreeg ik geweldige jeuk. Ik kon maar niet begrijpen wat dat toch mocht zijn. Maar het zien van een dikke luis loste het vraagstuk op. Ik ging gauw van kleren veranderen. In mijn Europees hemd en in mijn Europese borstrok zaten honderden lijfluizen. Ik schrok ervan.
   Zonder me nog langer te bedenken was hun vonnis geveld: eerst een nacht vervriezen en dan voor alle zekerheid nog het kokend water in”.
   Het poolklimaat liet hem evenmin onberoerd. “Ik kroop op de bed-oven om mij daar wat op te warmen. Maar dat ding had sedert vier maanden geen vuur meer gezien. Er was geen verwarmen aan. Ik deed er nog wat brandstof onder, maar alles vergeefs. Na wat vogeltjeszaad binnengeslurpt te hebben nam ik het besluit de opening van de missie tot de volgende morgen uit te stellen en maar zo gauw mogelijk onder de dekens te kruipen. Ook daar was het geluk niet te vinden. Ik kon niet slapen van de koude voeten. Dat was nu eens echt ellende”.
   De pater zag in dit nadeel ook voordeel: “Zulk een avontuur is niet heel erg. Wat boete doen is zalig [makend]. Wat wij hier voldoen hoeven wij hiernamaals niet te boeten”.
 
Als missionaris had je het beter dan de bekeerlingen, besefte hij goed. “’s Morgens bij de preek had ik meer medelijden met die arme christenen dan met mezelf. Die arme stumpers in wat gescheurde, schamele kleren gehuld zaten te bibberen van de kou. Toch luisterden ze aandachtig naar mijn geradbraakte volzinnen. Vervolgens baden ze dat het kletterde”. Aan zijn familie vertelde Hubert dat het bidden zelfs het ongevoeligste hart zou vermurwen.
   Toch pakte de Europeaan zijn gelovigen met harde hand aan in wat hij als een ‘meesterlijke speech’ omschreef: “Beste christenen, de priester komt hier voor uw aller welzijn. U bent dus allen, zonder uitzondering, verplicht om bij te dragen aan de onkosten van de missie: het onderhoud van uw geestelijke vader, de knecht en hun paarden. Ik wil niet dat het gaat zoals in vorige jaren. Vroeger trokken de meesten zich niets van het verzorgen aan. Twee families moesten alles voor de priester doen.
   Dat kan niet. Ik weet dat u arme schobbejakken bent. Maar vele handen maken het werk licht. Die geeft wat hij heeft is waard dat hij leeft. Ik vraag u niets onmogelijks. Geef maar wat u hebt, hetzij een brokje vlees, een kom vogelzaad, wat graan of wat stro voor de paarden, wat brandhout om de kang te stoken. Wie geld geeft is het meeste bedankt”.
 

Harde aanpak van bekeerlingen

 
Een missionaris moet aardig wat macht hebben kunnen uitoefenen begin 1900. De verkleumde, nauwelijks geklede christenen deden noodgedwongen meer dan ze zich konden permitteren. Blijkbaar liet het Hubert koud. “Ze kwamen met het een en ander. Maar dat was niet genoeg voor ons zesdaags onderhoud. Twee families moesten het grote gat stoppen”.
   Hubert vond het eten bij de eerste familie zo slecht en de logeerruimte zo vies dat hij zijn heil elders zocht. “Daar er een kamertje wat minder smerig en vuil uitzag zei ik: ‘Ruimt eens gauw dit kamertje op en veegt alles deftig af. Ik zal hier komen huizen!’ Enige minuten later was de verhuizing voltrokken”.
   Zo’n dwingende toon had de Europese missionaris niet eerder aangeslagen, althans niet in de brieven aan zijn familie. En Kallen ging door op die toon. “In het hartje van de winter bij die arme stumpers missie geven is nog veel erger voor hen dan voor ons. Wij zijn goed gekleed en kunnen ons dus nog al tegen de koude vrijwaren. Maar zij hebben soms geen kleren met watten om buiten hun huis te komen en vooral om vijf tot zes kwartier in een ijzige bidplaats te verblijven”.
   Hubert droeg de mis op in een ruimte die moest doorgaan voor kerk. “In het noorden een deurgat zonder deur en in het zuiden niets dan Chinese vensters waarvan er niet één dicht was. Onnodig te bewijzen dat het geen broeikas was”.
 
De katholieke discipline mocht echter niet verslappen als een Europese pater rondtrok door zijn Chinese parochie. “Iedere morgen moesten twintig man het H. Misoffer bijwonen. ’s Morgens onder de H. Mis was er onderrichting over de catechismus en ’s avonds missie-preek onder de rozenkrans. De eerste dag moesten eerst de kinderen te voorschijn komen om catechismus op te zeggen en te biechten. De kinderen die bekwaam waren om de H. Communie te doen werden uitgesteld tot de laatste dag. Ze kregen iedere dag een kleine onderrichting over de H. Communie. Op de tweede dag kwamen de mannen en vrouwen beurtelings te berde om netjes hun catechismus op te zeggen en te biechten. De laatste twee dagen was er pauselijke zegen na de algemene communie”.
   De nogal harde bekeringsaanpak had wel succes, vooral in Kankeou, ingesloten tussen bergen en rotsen. “Het stadje bestaat uit magazijnen, winkels, verkoophuizen, herbergen en wat kotten. Er wordt handel gedreven tussen China en het oostelijk deel van Mongolië. Alle voortbrengsels van het noorden worden er gewisseld tussen de producten uit het zuiden. Er is hoop op een telegraaf, maar vanwege de ligging zal er nooit een spoorweg komen.
   Ik ben in die streek al nieuwe catechumenen afgereisd. Er zit vuur in en er is waarlijk veel hoop op bekeringen. Bij ieder bezoek komen zich nieuwe families aangeven. Het getal der catechumenen overschrijdt de vijfhonderd. Meer dan tweehonderd zijn met hart en ziel bezig de gebeden en catechismus te leren. De anderen moeten maar wachten totdat wij meesters [geloofsleraren] en geld hebben. Voor hun volharding steunen wij steeds op de vurige en vrome gebeden van onze weldoeners [in Nederland en België]”.             
   In de brieven van de missionarissen wordt zelden of nooit expliciet melding gemaakt van de reden waarom de mensen tot het katholieke geloof over wilden gaan, zich ‘bekeerden’. Zochten sommige ‘inlanders’ bescherming bij de Europeanen die steeds meer macht kregen? De vertegenwoordigers van Peking, de mandarijnen enhun helpers (trawanten) leken steeds minder in staat de orde te handhaven. Geld, het geld dat in Europa door weldoeners verschaft werd, moet eveneens van groot belang geweest zijn. Met dat geld konden de missionarissen van alles kopen: wapens, voedsel, kleding, grond, invloed, gebouwen, enzovoort.
 
Volgens Hubert was de missie in Oost-Mongolië ‘arm’. De middelen ontbraken hem wel eens om de activiteiten te verrichten die van belang waren bij de bekering. Zo schreef hij begin 1900: “Indien de christenen rond een kerkje bijeengeschaard waren, zou er een vurige christenheid uit groeien. Maar dat middel hebben wij hier niet. Wij hebben geen geld om landen aan te kopen gelijk in Centraal-Mongolië [westelijk van de missie onder leiding van Mgr. Abels] en stichtingen te doen, waar de christenen van de heidenen worden afgescheiden. Nu moeten wij maar vooruitboeren gelijk wij kunnen en ons tevreden stellen met de schaarse middelen, die Onze Lieve Heer ons ter hand stelt”.
 

Hubert Kallen als deurwaarder

 
In een brief die Hubert op 19 maart van het jubeljaar 1900 aan zijn familie in Lanaken schreef legde hij vast hoe hij zich op dat moment opstelde ten aanzien van nog niet gedoopte bekeerlingen. Vrijblijvend ging het er niet aan toe.
   “Ik zal u voor de aardigheid eens een paar staaltjes vertellen van de wijze waarop ik catechumenen naar school gedreven heb. Vooraf zij gezegd dat er enige families zijn, die al zes, zeven of acht jaar geleden [vóór zijn komst dus] bekeerd zijn. Door nalatigheid hebben ze het nog niet zo ver gebracht dat er ook maar één gedoopt kon worden. Door hun onverschilligheid hebben ze thans hun wens om [zich te laten] te bekeren, om zo te zeggen, verloren.
   Het is waar dat zij in het openbaar misschien geen heidense bijgelovigheden begaan en dat zij met nieuwjaar bijvoorbeeld geen afgodsprenten op deuren en muren plakken. Zodoende menen de andere heidenen dat zij waarlijk christen zijn. Ze vallen hun [dan ook] niet lastig om geldelijk bij te dragen aan het bouwen van pagoden, aan comedie spelen [niet-christelijk toneel] en meer van dat soort afgoderijen”. Als je je bekeerd verklaarde spaarde je dus kosten uit.  
   Voor Kallen was dat natuurlijk niet genoeg. Een ‘christen’ moest verder gaan, legde hij uit. “U kunt wel denken dat zulke handelwijze in de kaart speelt van veel Chinezen. Zij zouden geneigd zijn zulk een verderfelijk voorbeeld [je alleen voor de vorm bekeren] na te volgen.
   Indien wij enige families ongestoord die kwade weg zouden laten inslaan, dan zouden alras meer mensen hun voetstappen volgen. Wij zouden ons dan moeite voor niets gegeven hebben. Dat soort bekeerlingen zou nooit echt christen worden”.
 
Het moest afgelopen zijn met dat soort praktijken, besloot Hubert Kallen in de eerste maanden van het jubeljaar. Van overleg met pastoor Jan Uijt de Willigen of wie dan ook maakte hij geen melding. “Om dit voor het vervolg te voorkomen was ik besloten aan al dat uit- en afstellen een einde te maken.
   U kunt allicht begrijpen dat zulke deurwaardersbezoeken niet plezierig waren en mij tegen het hart stootten, maar volgens mijn inzien was deze de enige mogelijke handelwijze. We kwamen bij het huishouden van zulk een flauwe en niets-menende catechumeen. Ik zag al gauw met wat voor mensen ik te maken had. Van de ganse familie was er niet één die mij zelfs de kleine groet gaf. Terwijl christenen en catechumenen ons altijd de grote groet [kowtow] geven.
   Met goede woorden wilde ik eerst proberen hen over te halen om te volharden zoals ze vroeger gedaan hebben, namelijk behalve hun lichaam ook hun ziel te redden, om aanstonds een paar man naar de catechumenen-school te sturen ten einde gebeden en christelijke lering aan te leren. Al mijn praten was echter voor de muren en al mijn preken voor de wind.
   Toen ik eindelijk zag dat er geen vet op te strijken viel, zei ik tegen de catechist: ‘Vraag hun maar 30 ligaturen’”.
   Bekeren en geld waren dus met elkaar verbonden! Kallen liet de onderhandelingen om zich al dan niet te bekeren echter aan zijn helper, de catechist, over.
   “De catechist begon een speech af te steken. De priester, zei hij, spoort u aan om eens degelijk op de christelijke weg vooruit te gaan en u antwoordt niet. De priester verlangt niets meer dan dat u goede christenen wordt. Hij kan u evenwel niet met geweld dwingen en u het christelijk [gedachtegoed] met geweld inpompen.  
   Wilt u christen worden, goed! Toon uw goede wil en zend binnen twee dagen een drietal leden van de familie naar de school. Wilt u geen christen worden, doe dan wat u belieft. Maar in dat geval is er nog een klein zaakje te regelen. Toen u zich aanmeldde als bekeerling, heeft de priester u uit een netelige toestand gered. Daarvoor heeft de Kerk toen reisgeld en andere onkosten gemaakt. Indien u nu niet christen wordt is dat geld onnodig weggeworpen. Het is dus echt een rechtvaardige plicht dat u die onkosten nu vergoedt en aan de Kerk ten minste 50 ligaturen teruggeeft. Binnen twee dagen verwacht de priester uw antwoord. Beslis ondertussen naar school te gaan of geld te geven”.          
   Er werd dus onderhandeld op het scherpst van de snede. “Wij lieten de mannen onthutst staan en wij waren de deur uit. Twee dagen later waren er al bemiddelaars bij mij om een maand uitstel te vragen voor de boete-betaling. Ze wilden liever in de klauwen van satan blijven dan christen worden. Maar zij moesten eerst een paar mud graan verkopen. Dit uitstel was het minste van alles. Zo heb ik nog op drie andere plaatsen moeten doen.
   Er was nog een half dozijn families in grote twijfel. Met aanmoedigende woorden en wellicht ook wel afgeschrikt door afdoende voorbeelden van anderen, haalden wij ze over. Ze beloofden [voortaan] naar school te gaan. Mijn doel was bereikt. Enige dagen later kwamen er zoveel naar school dat de meesters [geloofsleraren] enige nieuwe catechumenen hebben moeten weigeren. Dat zijn alweer zoveel zielen, die op de weg van de waarheid en op de baan van de hemel wandelen. Jezus Christus zij ervoor geloofd”.
   Met die laatste zin maakte Hubert resoluut een einde aan de brief waarin hij tevens de groeten deed aan de heren geestelijken, vrienden, weldoeners en bloedverwanten in het thuisland. Hubert liet niet met zich sollen, zo leek zijn boodschap in maart 1900.
 

De beloning

 
In juni kon Hubert zijn familie melden wat de reactie was op zijn manier van intensief missioneren. “Sedert mijn oproep hadden de nieuwe geloofsleerlingen allen goed hun best gedaan. In drie maanden tijd hadden allen het boekje der morgen- en avondgebeden, alsmede de gehele catechismus, op hun duimpje van buiten geleerd. Bij de ondervraging was het dan ook een waar genoegen te horen hoe die nieuwe christenen de leer van voor tot achter opzeiden. Het ging op rolletjes! Op een paar uitzonderingen na kregen allen ‘zeer goed’.
   Het was voor mij een ware voldoening die brave mensen zo goed voorbereid te zien tot het heilig doopsel. Ik had het zoete genot het heilig sacrament van het doopsel toe te dienen aan 34 mannen en vrouwen. Dus ineens 34 zieltjes ontrukt aan de klauwen van satan en geschonken aan het Allerheiligste Hart van Jezus. Dank en lof aan de Heer!
   Zulke dagen zijn waarlijk troostvol voor ons en vergoeden hier op aarde zelfs ruimschoots al de opofferingen van een arme missionaris. Het was de eerste keer dat ik op één dag de zalig makende wateren van het doopsel over zovele hoofden uitstortte”.
 
Mede door zijn krachtig optreden waren er zo veel ‘vurige’ bekeerlingen dat niet iedereen toegang had kunnen krijgen tot het schooltje. “Het getal is uit nood nog beperkt. Waarom? Omdat er een tiental wegens gebrek aan plaats en mondbehoeften naar huis gestuurd had moeten worden”.
   In het jubeljaar was Kallen blijkbaar onder druk gezet om nog vóór de jaarlijkse statistieken met goede doopsel-resultaten te komen. “Voor de slotrekening van dit jaar (van 1 juli 1899 tot 1 juli 1900) hebben wij 180 volwassenen gedoopt in het district. Met het dopen van de kinderen erbij zal het aantal christenen de 1.800 wel overschrijden. Het is te hopen dat de Heilige Harten van Jezus en Maria onze bloeiende christenheid blijven beschermen en vooral dit (jubel)jaar vrijwaren van hongersnood en vervolging”.
 

China ‘slentert’

 
Op 19 juni 1900 keek Hubert Kallen nog eens goed om zich heen en legde zijn familie vervolgens uit wat hij vond van de situatie in het keizerrijk. De Chinezen hielden te veel vast aan hun tradities. “Niets gaat boven hun armzalige en zeer oorspronkelijke werktuigen. Niets overtreft hun eeuwenoude slenter”. De ondergang leek ook hem naderbij. “China, het rijk der bloemen, hangt nog slechts met broze koordjes aaneen om misschien weldra uiteen te brokkelen”.
   De Chinezen moesten meer van het Westen leren. “Dan slechts, wanneer zij schone Europese zaken met beide ogen aanstaren en met beide handen betasten, bekennen ze, heel beteuterd, dat de Europeanen door hun praktisch verstand en hun uitvindingsgeest voorop lopen en dat Europese zaken niet altijd te misprijzen zijn. Maar aanstonds voegen zij er in hun verwaandheid aan toe: ‘Dat is niet omdat de Chinezen geen groot verstand hebben, maar omdat zij het niet weten te gebruiken’. Dat geeft waarachtig een van de karaktertrekken van het gele volkje weer”.
   Zelfs aan het hof in Peking konden ze de realiteit maar moeilijk inschatten, vond de missionaris. “Toen de zoon des Hemels [keizer Guangxu], verleden jaar zag dat hij het hoofd moest buigen voor de kuiperijen van de anti-Europese keizerin-weduwe [Cixi] gaf hij gauw een bevelschrift uit, waarin hij onder andere aan het volk de volgende raad gaf: ‘Doet allen uw best om ook al die Europese zaken uit te vinden en voort te brengen. Zodoende zullen wij die buitenlandse voortbrengselen zeker niet nodig hebben’. Dat is nogal kras gezegd. Vóór de uitvoering of verwezenlijking van die raadgeving plaats vindt zal het laat worden op de Chinese klokkeschijf!”
    

Een tochtje

 
In juni waren de meeste Chinezen, gedoopt of niet gedoopt, weer bezig op het land. Tijd voor Kallen om een tochtje te maken en foto’s te maken. “Men had mij verteld dat er in de zwarte bergen wonderbare plaatsen bestonden, waar heksen en spoken op geheimzinnige wijze huis hielden. Men had mij van grote grotten en prachte spelonken gerept. Volgens onze Chinese bluffers moesten die alle soortgelijke berg-galerijen waar ook ter aarde in schoonheid overtreffen. De natuurversierselen zouden al de merkwaardigheden van de onmeetbare St. Pietersgroeven van Maastricht, van de luisterrijke grot van Han [in België] en de indrukwekkende catacomben van Rome in de schaduw laten. Zo is het altijd met die dwaze Chinezen”.
   Meteen na Pinksteren ging Hubert op stap. Maar eerst las hij heel vroeg de H. Mis. “Daarna sprongen wij te paard. De oudste zoon van de catechist deed dienst als gids”.
 


Chinezen aan het werk (foto gemaakt door Hubert Kallen, aangeleverd door Henri Houben)

 
Onderweg maakte het tweetal nog wat propaganda voor het katholieke geloof. Voor de lunch hielden ze halt bij een familielid van de geloofsleraar. “De goede mensen waren wat onthutst van het onverwachte bezoek. Ze geleidden mij naar de hoofdwoning. Ik deed mijn best om hun lomp en boers [gedrag] met veel vriendelijkheid te beantwoorden. Ik haalde mijn ganse inboedel van Chinese taalkennis (het is nog zó bekrompen) voor de dag en kraamde die zo goed en slecht mogelijk uit.
   Het beste middel om onze heilige godsdienst te verspreiden is mensen van goede wil door goedheid en vriendelijkheid tot ons te trekken. Omdat die goede mensen familie van de catechist waren, was er mij niet weinig aan gelegen hen een goed idee te geven van een missionaris, die 50.000 li’s (Chinese mijlen, van ongeveer 600 meter) ver gekomen was om de zielen te redden door het [ware] geloof te verkondigen en de rechte weg naar de hemel aan te duiden. Het zou zonde zijn een gunstige gelegenheid te laten voorbijgaan om het zaadje van ons H. Evangelie uit te strooien”.
     Volgens Hubert wilden de meeste leden van de familie zich wel bekeren. Slechts de beslisser, de pater familias, voelde er weinig voor. “Die brave familie is jegens onze godsdienst goed gestemd. Allen zijn zo goed als beslist om zich te bekeren. Alleen de baas des huizes kan het niet over zijn hart verkrijgen aan de heidense geesten te verzaken en de kleine pagode, die in de tuin staat, omver te werpen. Moge God dit beletsel wegnemen en ons omtrent vijftig nieuwe catechumenen verschaffen. Dat is de getalssterkte van deze familie”.
 
Het bezoek aan de grotten, het eigenlijke doel van de reis, was nogal teleurstellend. Bij het beklimmen van de berg maakte Hubert nog bijna een val. Een missionaris was echter nooit zonder hulp. “Mijn engelbewaarder moest weer tussenbeide komen om mij van halsbrekerij te vrijwaren”.
   Bij de grotten was een Mongoolse boeddhistische pagode, ‘bewoond door drie, luie, vuile lama’s’. Kallen werd vriendelijk ontvangen. “De huisbaas bood ons zelfs een kopje thee aan”. Dat was mede omdat hij nog even moest wachten, zei de lama. “De Mongolen houden een processie in de grot om Boeddha om regen te vragen”. Eenmaal binnen viel er niet echt veel te zien. Ook van fotograferen kwam niet veel.
 

Nare berichten over China

 
Na terugkomst in Shanhou kreeg Hubert Kallen te horen dat de Chinezen begonnen waren te ageren tegen de manier waarop ze door de Europeanen bejegend werden.
   Alvorens zijn brief op 19 juni 1900 te verzenden schreef hij: “Heden zijn twee koeriers aangekomen. Binnen China woedt een opstand. Om meer kwalen te voorkomen hebben de Europese machten maatregelen moeten nemen. In weerwil van de aanwezigheid van troepen is de kathedraal van Tianjin afgebrand. De Europese troepen hebben de opstandelingen verslagen en de vesting van Dagu (waar wij aan land gekomen zijn) ingenomen. Dit nieuws is ons zo even gebracht. Hier weet men het dus niet. Hier in Mongolië is het nog rustig. Indien ons iets gebeurt weet u het per telegraaf, dus nog vóór de ontvangst van deze brief. Zo niet wees dan ten volle gerust”.
   Helemaal zeker voelde hij zich niet. “U zult nare berichten over China [in de krant] gelezen hebben. Wie weet, in welke bergen ik verscholen zal zitten. Maar zonder de toestemming van God zal geen haar op ons hoofd gekrenkt worden. Ik betrouw gans op de Heilige Harten van Jezus en Maria. Aanstaande vrijdag, feest van het H. Hart, zullen wij ons nogmaals met onze christenen aan Jezus’ Hart opdragen”.
   Kort na het schrijven van deze woorden moest Hubert Kallen vluchten uit Shanhou. Het duurde nog maanden voor hij in staat was opnieuw verslag te doen. De volgende brief kon Hubert pas op 26 oktober versturen – vanuit de Pijnbomen.
 
Harry Knipschild
28 maart 2014 – 14 september 2015
 
Bronnen (aanvulling op de brieven van Kallen aan zijn familie)

* Rondschrijfbrief Adolf Van Hecke, 1 juli 1899. archief Scheut G VII f 2 11
* Rondschrijfbrief Adolf Van Hecke, 29 oktober 1899, archief Scheut C VII f 2 9
* Brieven Jaak De Groef, 25 juni 1899, Missiën in China en Congo, november en december 1899

Wil je vanaf het begin lezen, dan vind je hier hoofdstuk 1 (de proloog)
Het volgende hoofdstuk 'Terug in de Pijnbomen' (20) vind je hier.