Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
 
hoofdstuk 18

Een nieuwe pastoor in Shanhou
 

 

 
 

 

“Op de dag van mijn heilige patroon [Hubertus, 3 november] trok ik er vandoor naar de catechumenen. Tweehonderd geloofsleerlingen vroegen er onderwezen te worden om het heilig doopsel te kunnen ontvangen.
   Men moet het ijzer smeden als het heet is. Zo ook moet men de catechumenen ophitsen en aanvuren, terwijl zij nog goed gesteld zijn. Wacht men te lang dan verkoelt die eerste ijver. Het vuur gaat er langzaam uit en als echte Chinezen vervallen ze weer in de koudste onverschilligheid”.
Hubert Kallen, Shanhou, 25 november 1899
 

***

 
Hubert Kallen bleef diverse leden van zijn familie trouw op de hoogte houden van wat hem als kapelaan in Shanhou en omgeving allemaal overkwam. Op 5 augustus 1899 kwam hij nog eens terug op de rovers. Voor hem was duidelijk waarom hun bedreiging van de missiepost zo goed was afgelopen: “Het is door een bijzondere bescherming van de Goddelijke Voorzienigheid dat de christenen gespaard bleven. Alle gevaar is nu geweken. Voor de toekomst vertrouw ik ten volle op de Heilige Maagd Maria”.
   Met gebed in Lanaken zou hem nóg minder onheil te wachten staan. “Laat veel voor mij bidden opdat Gods bescherming steeds bij ons blijft. Zonder Gods toestemming immers zal er geen haar van ons hoofd gekrenkt worden. U kunt [zelf] voor mijn lichamelijk behoud bidden en ook aan de geestelijken en zusters tot die intentie een gebedje vragen. Maar vraag vooral aan God dat ik steeds meer Zijn heilige wil volg en een heilig missionaris word. Ik hoop veel op de gebeden die de familieleden, alle weldoeners, vrienden en kennissen voor mij ten hemel sturen”.
   Er zwierven nog wel heel wat rovers rond in de streek van de Pijnbomen. Dat was erg, vertelde Hubert – voor de christenen. Maar niet voor de Europese missionarissen. “De priesters hebben er niets te vrezen. Dankzij de versterkingsmuur kunnen ze de verdediging zo lang volhouden als er eten is”.

Omdat het vanwege de rovers onmogelijk was een algemene retraite onder leiding van bisschop Abels te houden, besloten de paters bij elkaar te komen in Bagou, de standplaats van Jozef van Hilst. Er was verder toch niet veel te doen. De Chinezen waren aan het einde van de zomer druk aan het oogsten en dorsen. Ze hadden wel iets anders te doen dan de regels van de catechismus uit hun hoofd leren.
   De bekeerlingen kregen van Mgr. Abels zelfs dispensatie om zes weken achter elkaar op zondag te werken. Op één voorwaarde: ze moesten de dag dan beginnen met het bijwonen van de mis. Evenmin mochten ze ontbreken bij het gezamenlijk gebed.
   Hubert besefte dat er, zoals elk jaar, veranderingen zouden komen in de bezetting van de missie-posten van Oost-Mongolië. “Maar ik geloof niet dat ik na dit leerjaar [zelf] zal veranderen. Ik blijf liever nog een jaar hier om op deze ondervindingrijke plaats nog wat chinezerijen bij te leren. Ik wijd me slechts met hart en ziel aan de geestelijke verzorging van de ons toevertrouwde schaapjes”.
   Met andere zaken hoefde hij zich gelukkig niet bezig te houden.
 

Brief uit de Tijgervallei over de Zaili-opstand in 1891

 
Op 25 september 1899 stuurde Hubert onverwacht een brief uit het zuidwestelijk gedeelte van het missiegebied Oost-Mongolië. Vanuit Shanhou was hij eerst naar Bagou en vervolgens naar de Tijgervallei gereisd. Blijkbaar was zijn aanwezigheid niet noodzakelijk op de plek waar hij kapelaan was.
   Na de opstand van de Zaili was er in Bagou meteen flink gebouwd, schreef hij. “Hier zetelt onze district-directeur meneer Van Hilst in een fonkelnieuwe residentie. De oude kapel met kindsheid en gebouwen werd in 1891 door de vervolgers tot op de grond afgebrand. Tussen Shanhou en Bagou werd nog een christenheid totaal in de grond gedolven, terwijl de Chinese priester Petrus Lin er vermoord werd”.
   Enkele jaren vóór Hubert in China arriveerde was er in Bagou en omgeving heel wat gebeurd. Het blad van Scheut had er uitgebreid melding van gemaakt. Allereerst was de oogst mislukt vanwege de droogte. Het Chinese keizerrijk was niet zo goed georganiseerd dat er dan voedsel tegen een redelijke prijs uit andere gebieden aangevoerd werd. Er was dus tekort aan eten voor de mensen. Honger veroorzaakte ziektes en onrust. Op het Chinese platteland ten noorden van de grote muur werden de opdringerige missionarissen er waarschijnlijk op aangekeken door de bevolking. Het is niet ondenkbaar dat sommige Chinese mandarijnen en ook de Mongoolse autoriteiten van de gelegenheid gebruik maakten en zich achter de ontevredenen stelden. Dat kun je tenminste afleiden uit de verontwaardigde verslagen in het missietijdschrift van Scheut in 1891 en 1892.
 
Ook de missie werd getroffen door ziektes, die er uitgebroken waren. Kallen: “In dat zelfde jaar waren hier twee jonge missionarissen begraven. Hun grafstenen staan op het kerkhof naast elkaar. De eerste was een heilige man: [Theophile] Redant van bij Aalst. Het was hier hongersnood. Na al het graan aan de honger lijdenden te hebben uitgedeeld, kreeg hij van ellende de tyfus.
   Zijn opvolger was een vurige Waal [Jules Bauwens], die vervaarlijk kon zweten en niet altijd voorzichtig was. Na een hoogmis in volle zomer geraakte hij zo onhebbelijk aan het zweten dat hij twee knechten riep om hem met waaiers wat af te koelen. Maar o wee, de verkoeling was te sterk. De zelfde avond kreeg hij de tyfus. Acht dagen later werd zijn lijkdienst reeds gezongen”.
   Bij het uitbreken van de Zaili-opstand in 1891 keerde de bevolking zich tegen de twee aanwezige missionarissen: “Meneer Van Dyck, onze tegenwoordige provinciaal, en meneer Denys. Op het uiterste ogenblik dat de gebouwen begonnen te branden nam een knecht missionaris Van Dyck op, zette hem op een paard en beiden vluchtten door een achterpoortje de bergen in. Meneer Denys was bij het naderen van de storm al vertrokken. Hij reed naar Peking om de Franse consul te verwittigen”.
  
Na zijn bezoek aan Bagou reisde Kallen door naar Laohugou in de streek die de paters de Tijgervallei noemden. In 1891 was Van Dyck diezelfde kant op gegaan, wist Hubert. “Meneer kwam van Bagou naar hier gevlucht”.
   In Laohugou aangekomen gaf hij zijn bevelen. De daar aanwezige Chinese priester moest met de meisjes van de Heilige Kindsheid onmiddellijk tot binnen de grote Chinese muur vluchten. “Toen deze terugkwam zat meneer Van Dyck in een berghol verscholen.
   De Chinese priester zei eenvoudig: ‘Blijft u hier, ik ga naar Bagou’. Als koopman verkleed trok hij er heen. Ginder vond hij niets dan rokende puinen. Daar zat de overste der kinderen met enige meisjes te wenen. Ze hadden dagenlang, in het hartje van de winter, in de bergen rondgedwaald. De overige maagden waren half vermoord of bevroren. Wie verdwaalde was door slechte kerels weggevoerd of geschaakt. Men denkt dat onder die laatste groep ook de zuster van de overste van de Heilige Kindsheid was. Men heeft er later [na 1891] dikwijls onderzoek naar gedaan. Maar tot op heden is geen spoor van haar ontdekt.
   De overste is een ware martelares. Ze zal later een mooie kroon in de hemel verwerven”.
 
Sinds de gewelddadige gebeurtenissen in 1891 deden heel wat mooie verhalen de ronde. Hubert diste er een op voor zijn familie. “De moordenaars kwamen in een huis van nieuwe christenen. Twee jonge vrouwen zaten op de bed-oven. Beiden waren nog niet gedoopt. De vervolgers zeiden: ‘Offert aan de afgoden, of wij doden u’.
   Zij antwoordden: ‘Nee. Wij zijn christenen. Dood ons maar’”.
   De twee vrouwen hadden nog een laatste wens. “‘Wij kennen alleen nog maar het Onze Vader en Wees gegroet. Laat ons dat eerst bidden’.
   ‘Allez, bid maar honden’, klonk het antwoord.
   De twee vrouwen knielden op de bed-oven, vouwden godvruchtig de handen tezamen, en baden vroom de twee gebeden. Na het amen rolden de twee hoofden van die twee martelaressen over de bed-oven. Die twee brave zielen zullen nog beter af zijn met hun doopsel van begeerte en het doopsel van het bloed, dan wij met het doopsel van het water. Gelukkige begunstelingen van God!”
 

Frankrijk laat missie in de steek

 
Vanuit Laohugou analyseerde Kallen hoe het na de Zaili-opstand verder gegaan was in Bagou en omstreken, in de jaren 1892-1899 dus. “Nadat die noodlottige storm was uitgewoed trok meneer Van Dyck terug naar Bagou. Om aan de Chinezen te tonen dat de Kerk niet onmachtig was beval Mgr. Rutjes zaliger de missie-residentie onmiddellijk weer op te trekken. De goede bisschop hoopte dat alle onkosten door de Chinese regering zouden vergoed worden”.
   De missionarissen hadden gerekend op de Franse gezant in Peking. De Fransen hadden in hun verdragen met China immers weten vast te leggen dat de Chinese autoriteiten de missie zouden beschermen. De Belgische missie van Scheut opereerde dan ook onder Franse vlag. Groot was de teleurstelling toen bleek dat Frankrijk aan het einde van de negentiende eeuw niet meer bereid of bij machte was China te dwingen ook maar iets van de geleden schade te vergoeden.
   In Parijs speelden andere zaken. Voor zover de Franse regering nog belangstelling had om de belangen van de katholieke kerk in verre landen te behartigen was dat louter om prestigieuze redenen.
   Kallen formuleerde het als volgt: “Heden wachten wij nog steeds op geld. Is me dat Franse bescherming? Als je de laatste berichten uit Europa hoort kan Frankrijk zich zelf niet eens beschermen. Wat wil dat rot land ons nog beschermen? Het is tot in het merg der beenderen verketterd. Zaten we maar onder de ijzeren arm van de Pruis. Dat zou nog beter zijn!”
 
Het Duitse rijk onder keizer Wilhelm II maakte zich los van de rol van Frankrijk als algeheel beschermer van de katholieke missie. Duitsland had nu bovendien zelf imperialistische idealen. Kort nadat twee Duitse missionarissen in de Chinese provincie Shandong om het leven waren gebracht viel de Duitse marine aan. ‘De Pruisen’ annexeerden een flink stuk van het Chinese schiereiland. De Duitse vlootbasis Qingdao was een feit.
 
De paters van Scheut beseften dat ze hun eigen boontjes moesten doppen. “Onze betrekkingen met de Chinese overheden in Bagou zijn nogal goed. Meneer Van Hilst, de tegenwoordige collega, een klein en jong maar dapper mannetje, leeft er in goede verstandhouding met de mandarijnen. Een paar dagen geleden werd hij nog uitgenodigd op een feestmaal door de grote prefect, eerste klasse, dat te zijner eer gegeven werd”.
   De kwaliteiten van Hubert Kallen werden ingezet om de goede relatie met de Chinese autoriteiten te smeren. “Meneer Van Hilst had mij verzocht mijn fotografie-toestel mee te brengen en die Chinese heren het genoegen te doen hun vuil ongelikt geel wezen eens op het papier te zetten. In de acht dagen die ik in Bagou doorbracht heb ik ongeveer 25 portretten gemaakt van mandarijnen. Ik zal u later een paar foto’s van die kwakzalvers sturen. Mijn fotografie-kunde heeft zo niet weinig nut voor de missie. Die venten zullen nu immers hun best doen om de processen van het district tot een voor de godsdienst voordelig einde te voeren”.
 

Reiservaringen

 


 fragment brief Kallen over goudmijn, met uitleg door middel van tekening 


Ook tijdens zijn reis door het zuiden en westen van Oost-Mongolië was Hubert Kallen een goed waarnemer. Waar hij kon maakte hij foto’s, schreef hij. In de brieven aan zijn familie legde hij met af en toe een tekening bovendien vast wat hij zag.
   “Op vier uur afstand van Bagou zijn we naar een nieuwe goudmijn geweest. Het gaat daar heel eenvoudig aan toe. Ze graven in de goudaderen wat manden grond uit en spoelen die zo lang af tot de zwarte goudgrond overblijft.  Deze laatste wordt in een klein dubbel houten wannetje zo lang gespoeld tot afgescheiden gouddeeltjes op de boden blijven liggen. Dan worden ze in een hoekje bijeengespoeld, er uit genomen en klaar is Kees. Ik maakte een paar mooie foto’s: goudgravers, goudgrondspoelers, goudwassers enzovoort.
   Een tijd geleden waren er duizenden werkers. Er zijn er sinds die tijd nog maar nauwelijks over. Die arme sukkelaars hebben er recht op wel twee à drie francs per dag te verdienen (tien maal het gewone dagloon hier). Maar zij werden door de mandarijnen zo bestolen en bedrogen dat de meesten weer naar huis trokken”.
 
Het was zeer warm weer toen Hubert Kallen zijn reis naar Bagou en Laohugou maakte. Zijn fotoapparatuur was niet tegen de hitte bestand. Ook zijn horloge begaf het volgens hem om die reden.
   Hubert wilde in de omgeving van Laohugou juist mooie natuurfoto’s maken. Daar was de Tijgervallei, het oude jachtgebied van de keizer en de stad Jehol (Chengde). “Ik klom een heel hoge berg op. Ineens stonden wij voor de oude keizerlijke hoofdstad van Mongolië, namelijk het beroemde Jehol. Wij stonden opeens voor een groots panorama. Wij bevonden ons te midden van de grootste bergenverzameling die ik ooit gezien heb, en die er misschien bestaat. Duizenden bergtoppen verhieven hun woeste kruinen tot aan of boven de wolken.
   Van verre lag in een klein dal de grijze keizerstad met haar achtkantige toren, haar lusthoven, paleizen en jachttuinen, alsmede een wonderbaar lamaklooster! Langs de stad kronkelde de woelige rivier, waarnaar de stad genoemd is (Je ho – warme rivier). De uitgestrekte jachttuin, waar de keizers in vroeger tijden ’s zomers kwamen jagen, is helemaal met een muur omgeven. Men verzekerde ons dat er nog wonderbare dieren in waren, onder andere een soort herten waarvan er nergens meer exemplaren van te ontdekken zijn. Dertig jaar geleden heeft een Franse missionaris een dood exemplaar van die dieren bemachtigd. De bewakers, door geld en list omgekocht, gooiden het over de muur”.
 


Jehol (tekening gemaakt door Willam Alexander, 1767-1816) 


Hubert wijdde tevens een paar regels aan de missiepost van Laohugou in de Tijgervallei waar hij vijf dagen verbleef. “De residentie ligt er ellendig in een kleine vallei. Het is een oude christenheid. Hier is het graf van onze goede stichter, de hoogeerwaarde heer Verbist”.
   De eerste missionarissen van Scheut, Theophiel Verbist, Alois Van Segvelt, Frans Vranckx en Ferdinand Hamer, reisden in het najaar van 1865 naar China. Van Segvelt overleed in Oost-Mongolië als gevolg van tyfus in 1867, Verbist werd er in 1868 door dezelfde ziekte geveld.
 

Terug in Shanhou

 
Op 18 oktober 1899 kon Hubert Kallen zijn familie weer gewoon vanuit Shanhou op de hoogte brengen. Tijdens de terugreis had hij vernomen wat zijn superieuren in de Pijnbomen tijdens een beperkte retraite in de Pijnbomen besloten hadden. “Raad eens wat nieuws? Een bijna algemene verandering van missionarissen. Slechts vier of vijf blijven op hun post. Ik behoor er gelukkig bij. Maar helaas, mijn twee confraters zijn uit elkaar gehaald en naar elders verplaatst. [Oscar] Conard is naar een missiepost in het noordoosten gegaan, die verleden jaar begonnen is. Pater Patricius is naar een verse, nieuwe post gegaan. Ik heb niet meer het genoegen gehad afscheid te nemen”.
   Voor de tweede keer was Hubert Kallen helemaal alleen als kapelaan in Shanhou. Hij zat er bovendien zonder geld. Zo kon een missionaris niet functioneren. “Ik heb meteen een vent naar Bagou gestuurd om wat blokjes zilver [geld] te halen. Eén ons Chinees zilver, een tael, is tegenwoordig 3,30 francs waard”. Kallen constateerde dat het Chinese zilver steeds minder waard werd. Vijf jaar geleden moest je zeven francs voor een tael neertellen, daarvoor zelfs negen francs. Tijdens zijn reis had hij op een gegeven ogenblik zelfs niet meer dan drie francs voor het zilver hoeven te verruilen.   
 
Het wachten in Shanhou was op de andere paters die voor die plek bestemd waren. De nieuw-benoemde pastoor was Jan Uijt de Willigen, uit Oud Gastel in Noord-Brabant, die in 1892 naar China vertrokken was. Tot in 1899 had hij steeds hoog in het noorden van Oost-Mongolië gemissioneerd.
   Hubert had zich voorgenomen zijn nieuwe chef, onbekend met het zuiden, goed te onthalen. Na terugkomst van zijn reis las hij zo goed mogelijk alle papieren die pastoor Conard bij zijn onverwachte vertrek had achtergelaten. Tot Allerheiligen wilde hij in Shanhou blijven om zijn nieuwe pastoor van alles op de hoogte te brengen. Daarna was het zaak, schreef hij, om weer wat discipline aan te brengen bij nieuwe bekeerlingen. Hij wilde de nieuwelingen ‘naar de school drijven’. Daar zouden ze dan onderwezen worden in het katholieke geloof.
   Hubert vroeg zich af wie er nog meer in Shanhou gestationeerd zou worden. Hij was vol optimisme. “Mgr. Abels heeft vier nieuwe Chinese priesters gewijd, de eersten in dit vicariaat. We zitten er goed voor. Er zijn tien jonge missionarissen, behalve de vier Chinezen ook de zes priesters die vorig jaar in de Pijnbomen aangekomen zijn. Het is niet onwaarschijnlijk dat we hier met vier man zullen zijn – juist genoeg om kaart te spelen. Maar daar is geen denken aan. Hier valt wat anders te doen dan kaart te spelen”.
   Aan het einde van de brief bracht Hubert zijn familie op de hoogte van zijn gastronomische belangstelling. Met waarschijnlijk een recept van thuis had hij uitgevogeld hoe je een salade van wortels kon maken. “Ik zal er mijn pastoor eens mee foppen. Hij zal op geen tien mijlen raden wat ding het is”. Er was nog meer goed nieuws: “Aanstaande week krijg ik weer leverworst”.
 

Jan Uijt de Willigen arriveert zonder verwelkoming

 
Van het plechtig verwelkomen van de nieuwe pastoor kwam niets terecht, schreef Hubert op 25 november 1899. “Buiten de deur van de sacristie kwam een vreemde christen mij voor de voeten gevallen. ‘Priester, ik kom u verzoeken naar ons te komen. Mijn oom is erg ziek. Hij verlangt het H. Oliesel’”.
   Kallen was er niet blij mee. Maar wat het zwaarste was, moest het zwaarste wegen. Hij was nu eenmaal naar China gekomen om de heilige sacramenten te verstrekken. “Plezierig nieuws. Oomke woonde zestien uren van hier. Doch aan aarzelen viel niet te denken. Ik gaf onmiddellijk bevel alles gereed te maken en de paarden te zadelen. Ondertussen ging ik natuurlijk eerst een paar flinke boterhammen naar binnen spelen. De eerste dag reed ik tien uren zuidwaarts. Mijn bruintje, dat al drie maanden ziek is, kon niet meer. Het was bovendien pikkedonker.
   De tweede morgen legde ik de zes overige uren af zodat ik rond de middag bij oomke geraakte. Daar zat de arme blinde op de bed-oven te kermen en te rochelen. Sinds kindsbeen miste de man het gebruik van zijn ogen. Bij mijn binnenkomst maakte hij groot misbaar gelijk Reynaert de Vos bij de begrafenis van zijn neef”.
   Kallen ontdekte dat er nogal wat ruzie was in de familie die hij bezocht. De man die op sterven lag en zijn broer konden elkaar niet luchten of zien. Het sacrament van de biecht bleek meer op zijn plaats te zijn, vond de missionaris. “Ik trachtte alles in der minne te schikken. Ik vuurde de blinde aan eens degelijk een goede, welgemeende biecht voor te bereiden. Hij werd heel gewillig. ’s Avonds hoorde ik zijn biecht. De volgende morgen gaf ik hem het brood der sterkte en verzoening. Toen ik hem na de H. Communie vroeg of hij nog dacht het H. Oliesel te moeten ontvangen, zei hij; ‘Nee priester, daar zullen wij wel mee wachten. Ik ben weer goed’”.
   Hubert verzuchtte dat hij zestien uur had moeten reizen, alleen maar om de huiselijke vrede te herstellen. Toch was hij niet boos. “Een arme zondaar was voorgoed met de barmhartige Zaligmaker verzoend – met het vaste voornemen voortaan niet meer in zijn oude nalatigheid te vervallen. God heeft hem deze gelegenheid willen schenken. Volgens Jezus’ woorden is er over de bekering van een arme zondaar vreugde in de hemel. Wij, nederige werktuigen van God, kunnen dan ook niet anders doen dan ons er over verheugen”.
 
Bij terugkomst in Shanhou bleek Jan Uijt de Willigen inmiddels gearriveerd te zijn. “Mijn beste nieuwe zeer eerwaarde pastoor had zich al geïnstalleerd. Zijn eerste bezigheid was natuurlijk op de hoogte te geraken van de stand van de mensen en zaken hier”.
   Kallen trok er snel weer op uit. Van een nieuwe reis naar de Zwarte Bergen verwachtte hij veel heil. “Op de dag van mijn heilige patroon [Hubertus, 3 november] trok ik er vandoor naar de catechumenen. Tweehonderd geloofsleerlingen vroegen er onderwezen te worden om het heilig doopsel te kunnen ontvangen.   Men moet het ijzer smeden als het heet is. Zo ook moet men de catechumenen ophitsen en aanvuren, terwijl zij nog goed gesteld zijn. Wacht men te lang dan verkoelt die eerste ijver. Het vuur gaat er langzaam uit en als echte Chinezen vervallen ze weer in de koudste onverschilligheid”.
   Bekeren was dus een zaak van stevig disciplineren. “Ik heb die catechumenen zo veel mogelijk allemaal bezocht, de mannen- en vrouwenschool in orde gezet, nog een paar meesteressen [zoals Trees Tchang] bij ver verwijderde families gezet. Ik heb ze duchtig aangezet deze winter toch goed de catechismus te leren. Met er zo achter te zitten, en vooral met de genade van de Allerhoogste, hoop ik dat wij langzamerhand terrein zullen winnen”. De Chinezen, die tot hun doop nog heidens waren, moesten, zoals Hubert het vastlegde, ontrukt worden aan de klauwen van Satan. In de Zwarte Bergen hoopte Kallen evenveel te bereiken als in Shanhou: “De beide scholen zitten er propvol”.
 

Uitbreiding van de missie in Shanhou

  
Op 22 november arriveerden nieuwe paters onder leiding van provinciaal Van Dyck in Shanhou. Het leken wel kneusjes. Een van hen was Léon Delhaye een tbc-patiënt uit Frasnes-les-Buissenal (ten oosten van Doornik), die in 1898 in de Pijnbomen was gearriveerd. “Hij is vol moed en ijver en hoopt dat er nog kans bestaat die lelijke kwaal hier kwijt te raken”. De ander was Marcus Tchao, een Chinees die Mgr. Abels kort daarvoor gewijd had. “De jonge Chinese priester heeft gedurende vijftien jaar niets gezien dan de enge muren van het seminarie. Hij komt wel wat onbeholpen over. Alles is hem nog vreemd. Maar het is een brave jongen”.
   Kallen vernam dat er ook weer twaalf nieuwe paters uit België in China aan land gekomen waren. Onder hen ook de Limburgse priesters Ed van Kan en Henri Bongaerts. Voor Oost-Mongolië waren de Belgen Jozef Heylaerts, Gustaaf Van Roo, Louis Delvaux en Marinus Van Audenhoven bestemd.
   De reis was niet voorspoedig verlopen. “Die goede missionarissen hadden tussen Saigon en Hongkong met een vreselijke orkaan te strijden gehad. Hun boot was vreselijke toegetakeld. Op het dek was alles aan stukken. Het waterrad was gans vernield. Zij waren maar een spanbreed van hun ondergang af. In Hongkong waande men hun schip reeds verloren”.
   De paters waren in twee groepen vertrokken uit Marseille, op 7 en op 21 september 1899. “Bij het tweede vertrek waren drie zusters voor de missie van Midden-Mongolië. Een is onderweg gek geworden. Ze is in een klooster moeten achterblijven”.
 

Contact met geboortestad Roermond

 
Aan het einde van de brief die een koerier op 25 november meenam, ging Hubert zoals gebruikelijk in op de gewone contacten met Europa. Onverwacht was er met een ezeldrijver een platte kist voor hem gekomen. “Ik wist niet wat dat moest beduiden”. Maar onmiddellijk maakte hij die open. “Blijde verrassing. Een stel kerkgewaden kwamen er uit te voorschijn. Het waren de benodigdheden van de Roermondse damesvereniging. Mevrouw Strens, de presidente [en echtgenote van notaris Strens], had ze me bij mijn vertrek, twee jaar geleden, beloofd: altaarlinnen, misgewaden, twee grote koorkappen, alben, enzovoort”. Het wachten was nog op het bestelde Redemptoristen-kruis en de vleesmachine.
   Hubert liet zijn familie weten dat hij zich steeds beter aan Chinees voedsel wist aan te passen. “Sedert een paar weken ben ik een dolle liefhebber van de Chinese jujuben [rode dadels] geworden. Eerder wilde ik ze niet aanraken. Als men niets heeft eindigt men toch met de bestaande zaken redelijk en eetbaar te vinden”.
 
Aan het einde van het jaar ontving Hubert de post die zijn familie hem op 27 september gestuurd had. Daarbij het bestelde kruis, een pak chocolade en een doosje met pillen van dokter Lejeune uit België. Alleen de worstmachine ontbrak. Hubert maakte zich zorgen. “[Broer] Emile schreef al op 4 juli: Wij zullen het worstmachientje onmiddellijk naar meneer Ottens [in Scheut] sturen. Tot hier toe is van die worstendraaier niets te zien of te horen’. Hebt u die opgestuurd? Wanneer? Op tijd of te laat? Antwoord mij, dan kan ik reclameren’”
   De pillen met name waren uiterst welkom. “Toen die maagziekte mij het eerste jaar belette iets te verrichten was ik soms bekommerd voor de toekomst en wat verdrietig gestemd. De dokter van Tianjin had mij alle gebruik van alcohol verboden. Ik drink ook nooit inlandse wijn, altijd thee, thee, thee. Daarom had ik vorig jaar de kruik met ‘cerise’ onaangeroerd gelaten”.
   Rond nieuwjaar 1900 was het, dankzij de pillen uit België beter gegaan. “Ik dacht, kost wat kost, kan ik meedoen of niet, dit jaar moet de lekkere ‘cerise’ toch uit. Ik heb hem opengetrokken en met een ‘zalig nieuwjaar’ aan mijn confraters aangeboden. Voor de eerste keer sinds twee jaar heb ik meegedaan met eerst een proefje, dan een slokje, eindelijk was de druppel uit. Heerlijk, kostelijk, overheerlijk!”
   De missionarissen in Shanhou waren toch niet dronken geworden? 

Harry Knipschild
21 maart 2014 - 29 augustus 2015

Topografie: De stad Jehol (tegenwoordig Chengde) ligt ten westen van Shanhou. Bagou is halverwege Jehol vanaf Shanhou. Laohugou en de Tijgervallei bevinden zich niet ver van Jehol.

Het volgende hoofdstuk (19), 'Missie bedrijven in het jubeljaar 1900', vind je hier.

Wil je vanaf het begin lezen, klik dan hier voor de proloog. Een kaartje van Shanhou (rood-onderstreept: Pei-tzeu-chan-heou) en omgeving vind je hier, onderaan hoofdstuk 2.