Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
hoofdstuk 17
 

Hulp voor Kallen in de missie

 
“Die godsdienst is niet alleen goed voor de ziel, maar ook voor het lichaam. Want de missionarissen zijn altijd gereed om hun gelovigen te beschermen en bij te staan als zij in nood zijn”.
Hubert Kallen, zomer 1899
 

***

 
Als je de brieven leest die Hubert Kallen schreef nadat de baanstropers uit Shanhou vertrokken waren, krijg je het idee dat het zelfvertrouwen groeide bij de jonge missionaris.
   Dat wil niet zeggen dat het nu overal veilig was in Oost-Mongolië. Integendeel. In het gebied boven de Grote Muur ten noord-oosten van Peking bleven steeds van die bendes rondzwerven. Op 5 september 1899 liet hij zijn familie dan ook weten: “Wegens de roverbendes zal het waarschijnlijk onmogelijk zijn dit jaar een algemene retraite in de Pijnbomen te houden”.
   De Europese paters, die meestal met z’n tweeën op een missiepost zaten, vonden het te gevaarlijk lange reizen te maken. Ze hielden zich voornamelijk op in het gebied dat ze hun parochie noemden. Daar wisten ze in de zomer van dat jaar heel wat te bereiken, zoals de eerder beschreven introductie van Onze Lieve Vrouw Hemelvaart op 14 juli.
 

Trees, een Chinese kenau

 
Kallen kon de verbreiding van het katholieke geloof niet in zijn eentje tot stand brengen. Sterker nog, het echte werk om Chinezen te bekeren werd, lijkt, altijd of vrijwel altijd uitbesteed aan al bekeerde Chinezen. Meestal waren het mannen, maar soms ook vrouwen. Wilde je vrouwen winnen voor het geloof, dan kon je dat het beste doen door het inschakelen van katholieke Chinese vrouwen. Soms mocht je blij zijn als je zo’n vrouw kon vinden. De keuze zal wel eens beperkt geweest zijn. In een artikel voor het missieblad van Scheut legde Hubert een en ander vast.
   De Chinese geloofsleraar Stephanus had pater Van Dyck geholpen bij de aankoop van een landgoed met een boerderij die vervolgens ingericht werd als meisjesschool. “Natuurlijk moest er een onderwijzeres gevonden worden. De keuze viel op een deftige, eerlijke weduwe, Teresia Tchang, die wij kortweg Trees noemen. Trees is behoorlijk scheel en doof”.
   Trees moet een potige dame, een kenau, geweest zijn. “Ze wist de deugdzamen volharding in te boezemen, de nalatigen tot plichtsbetrachting aan te sporen, de vreesachtigen op te wekken, de overtreders te berispen. Als het nodig was schrok zij er niet voor terug de een of andere duchtig over de hekel te halen”.
   Trees runde het landgoed. De Chinezen mochten er wonen maar dan moesten ze zich wel ‘bekeren’. “Soms gebeurt het dat nieuw-aangekomen bekeerlingen, die nog weinig of niets van de godsdienst weten, zich in het begin veroorloven zekere bijgelovige handelingen te plegen. Zodra de ijverige vrouw dat verneemt, trekt zij aanstonds naar hun woning, rukt de afgodische prenten van de muur en werpt ze, met offergaven en wierookstokjes, op de mesthoop. De schuldigen geeft ze een scherpe berisping die hen voor altijd de lust ontneemt opnieuw te beginnen”.  
 
De weduwe had haar positie te danken aan de missionarissen. Door dik en dun verdedigde ze de Europeanen dan ook in die nog grotendeels heidense omgeving. Kallen gaf er een voorbeeld van.
   “Bij mijn laatste bezoek was ik in de bergen op jacht gegaan. Ik had weinig geluk. Mijn heldendaden bestonden uit een enkel mis-schot naar een tortelduif.
   Nauwelijks had ik de christenheid [katholiek landgoed] verlaten of de heidenen kwamen haar vertellen dat ik een kat van een heidense familie had doodgeschoten.
   De goede Trees trok op staande voet naar die familie. ‘Wat durft u onze priester ten laste te leggen’, riep ze verontwaardigd uit. ‘Vuige lasteraars, laffe eer-rovers. De kat zit hier op de kang. Schaamt u dergelijke leugens uit te strooien. U weet dat de priester vertrokken is. Nu durft u zijn faam te bezwadderen’.
   Bij die onverwachte uitval durfde niemand van de heidense familie te kikken of te mikken. Na enige tijd waagde de huisbaas de stilte te onderbreken. ‘Oude moei’, zei hij, ‘het is een vals bericht, uitgestrooid door [andere] kwade tongen’.
   ‘Welnu’, antwoordde Trees, ‘voor deze keer zal ik de zaak door de vingers zien. Maar ik waarschuw u. Als u zich nog eens aan een dergelijke onbezonnenheid schuldig maakt, zult u weten met wie u te maken hebt!’ Met die woorden trok de moedige verdedigster van de faam van haar priester triomfantelijk naar huis”.
 

Gebonden voetjes (geitepootjes)

 


Chinese vrouwenvoetjes, afbeelding uit dokter J.J. Matignon, Superstition, crime et misère en Chine, Parijs 1900
 

 
Met iemand als ‘Trees’ kon je verder in de missie. Kallen legde het uit aan de lezeressen en lezers van het Scheut-maandblad Missiën in China en Congo. “Bij de Chinese heidenen bestaat de schoonheid van de vrouwen in uitermate kleine voetjes. Om er de groei van te beletten worden de voeten van de kleine meisjes omwonden met linnen zwachtels. Van tijd tot tijd worden die zodanig aangehaald dat die voetjes weldra totaal mismaakt zijn”.
   Elders waren de missionarissen al begonnen een einde aan die heidense praktijk te maken. De bekeerlingen moesten niet alleen het geloof van het westen omarmen, maar tevens de oosterse gebruiken afschaffen als dat de paters niet zinde.
   In nieuwe, kleine missiegebieden lag het een stuk moeilijker. “In jonge, kleine christenheden is men wel gedwongen een en ander door de vingers te zien. Hoe wil men aan pas bekeerde lieden opleggen een hervorming op te leggen die zo geweldig indruist tegen hun ellendige gewoonte? In de Zwarte Bergen was er [bij mijn komst] nog weinig gedaan. Niet alleen gingen de vrouwen voort hun eigen voeten te omwinden, maar ook die van hun kleine dochtertjes werden nog steeds verminkt. Ze dachten niet na, die onnozele schepsels. Ze wilden niet weten hoe onnuttig en nadelig die barbaarse handelwijze is”.
   Volgens Hubert waren de gebonden voetjes sowieso slecht voor de vrouwelijke ziel. “De ongelukkige, die een eind van de kerk woont, is dikwijls belet naar de goddelijke diensten te komen en haar christelijke plichten te vervullen”. Maar, zoals gezegd, een missionaris kon de bestaande schoonheidsidealen niet zomaar naar zijn hand zetten. “Dat ware een onvoorzichtigheid die menige bekering zou beletten. Alvorens dat misbruik af te schaffen moeten wij daarom wachten totdat het christelijk gevoel dieper in hun harten was doorgedrongen”.
   Hubert kon het op een bepaald moment niet langer meer aanzien. “Bij mijn bezoek aan de Zwarte Bergen zag ik hoe die arme vrouwen met grote moeite over de rotsen en stenen kwamen aangestrompeld [op weg naar de kerk]. Bovendien wist ik zeker dat heel wat andere vrouwen om die reden belet waren de diensten bij te wonen”.
  

De campagne van Hubert Kallen en Trees Tchang

 

Voor de missionaris was duidelijk hoe hij het probleem moest aanpakken. Als er één persoon was die de verandering tot stand kon brengen was het Teresia Tchang. Bovendien was ze een goed voorbeeld. Haar eigen voeten waren, om welke reden dan ook, nooit afgebonden.
   Voortvarend als hij in de zomer van 1899 was, pakte Hubert het probleem bij de kop. “Trees, is het niet ellendig te zien hoe die arme christen-vrouwen en -meisjes nog altijd op hun afgestompte geitepootjes komen aangewaggeld?”
   “Inderdaad, Vader. Maar tot nu toe is hun daarover niets gezegd. Uit eigen beweging zou niemand als eerste durven beginnen. Ik heb het al meermalen gezegd”.
   De tijd was gekomen, besloot de jongeman uit het Belgische Lanaken, om de vrouwen in de Zwarte Bergen om te turnen voor de vooruitgang. “Welnu, Trees, ik reken op u om die zaak af te haspelen. Tracht maar enige vrouwen over te halen het goede voorbeeld te geven”.
  
Met iemand als Trees kon het resultaat niet uitblijven. Bovendien wist ze dat ze gesteund werd door de missionaris. “Onverwijld trok de ijverige vrouw te velde tegen het afschuwelijke misbruik. Trees haalde enige getrouwde vrouwen over de windsels af te doen. Hardop verklaarden ze aan al wie het horen wilde hoe gelukkig zij waren nu fatsoenlijk te kunnen gaan”.
   Aangemoedigd door het eerste resultaat pakte Hubert de zaak ook zelf op. “Tijdens een nieuwe missie-reis ging ik bij verscheidene families een bezoek afleggen. Overal deed ik de vrouwen beloven de windsels los te doen. De volgende zondag viel ik in mijn preek krachtdadig uit tegen die ijselijke gewoonte.
   Na de mis heerste er onder de vrouwen een ongewone drukte. Ik zag onze goede Trees voortdurend van de ene groep naar de andere lopen. Weldra kwam ze me zeggen dat alle vrouwen het onwrikbare besluit genomen hadden zich voorgoed uit die moedwillige slavernij los te rukken.
   Twee dagen later bevond ik mij in een andere christenheid van dezelfde streek. De schoondochter van de familie bij wie ik logeerde was ’s zondags tevoren bij haar ouders in de Zwarte Bergen geweest. Ze had de preek gehoord.
   ‘Vader’, vroeg ze mij, ‘alle vrouwen in de Zwarte Bergen maken hun voeten los. Mag ik het ook doen?’
   ‘Wel zeker!’
   ‘Spreek er dan straks in het openbaar over als mijn schoonvader en mijn man thuis komen. Probeer ook mijn schoonzuster over te halen’.
   Dat werd gedaan. Ik zag mijn vermaning met de beste uitslag bekroond”.
 

Maria staat ter zijde

 
Pater Kallen had de smaak te pakken. Hij ging door. Als je hem mag geloven steunde Maria hem vanuit de hemel.
   “In een familie van vrome nieuwe christenen zag ik een klein meisje, een jaar of acht oud. Ze danste vrolijk rond. Haar zusjes en nichtjes konden zich op hun uiterst kleine voetjes maar met moeite overeind houden. Aan de oude grootmoeder vroeg ik om uitleg. Ze antwoordde mij:
   ‘De moeder van deze kinderen heeft lange tijd geweigerd zich te bekeren. Toen we haar desondanks eindelijk zover gekregen hadden, wilde ze er niet van horen de voeten van haar meisjes ongebonden te laten. De jongste dochter is door een wonder aan die marteling ontsnapt. Toen het kind nog klein was had het voortdurend hevige buikpijn. Op zekere dag nam ik het jonge meisje in mijn armen. Onder de heilige mis droeg ik haar op aan de H. Maagd. Vanaf dat ogenblik was het kind volkomen genezen.
   Maar zie, een jaar of twee later, toen haar moeder het kleine meisje de voeten wilde omwinden, kreeg ze haar buikpijn terug. Zodra ik de schachtels losdeed, voelde het kind geen pijn meer. Nog drie of viermaal heeft men de proef herhaald, telkens met dezelfde uitslag. Eindelijk gaf de moeder toe. De beschermelinge van Maria werd met rust gelaten’”.
   Hubert Kallen maakte zijn lezeressen duidelijk: “De moeder zal zich wel wachten tegen de wil van de Heer te zondigen door de voeten van haar andere kinderen te verminken”.
 

Wel of geen huwelijk

 
Trees hielp de kerk nog op een ander terrein, namelijk in het tot stand brengen van een katholiek huwelijk. Zoals gezegd was de man in de Chinese wereld eigenaar van zijn echtgenote. Twee jonge kinderen werden op jeugdige leeftijd met elkaar verloofd door middel van een geldelijke transactie.
   Omdat de man het voor het zeggen had nam de vrouw automatisch het geloof van haar echtgenoot over. De missie nam de rol van de vader van de jongen over. Als de kerk financieel over de brug kwam kon een katholieke jongen dus een heidens meisje kopen en zo een katholiek gezin stichten. De kinderen zouden automatisch het geloof van het westen aanhangen. Iemand die van de bestaande traditie afweek, had het moeilijk. Kallen vertelde erover.
   “Op zekere dag, terwijl ik me met Trees onderhield over de belangen van de christenheid, legde ik haar uit hoe ze verdienstelijk werk kon doen. ‘In een afgelegen dorp woont een brave jonge dochter. Als enige in de hele familie hangt zij het christelijke geloof aan. De overige leden van de familie willen van geen bekeren horen. De ouders willen hun dochter zelfs aan een heiden ten huwelijk geven’”. In dat geval zou het meisje dus van haar geloof ‘afvallen’.
   Hubert vroeg zijn helpster om hulp. Als het meisje niet met een katholieke jongen zou trouwen dan was het een ramp. “Dan zou ik niet weten hoe dat ongelukkige meisje haar arme ziel zal kunnen redden”.
   Ongetwijfeld zal Hubert met geld over de brug gekomen zijn om het meisje voor een huwelijk te kopen. Trees offerde zich dan ook op. Haar nog jonge zoontje Paulus werd gecharterd. Chinese helpers en helpsters van de missie wisten van de giften uit Europa voor de missie zakelijk te profiteren. Dat bleek ook uit het vermogen van de catechisten van Kallen in het door de rovers aangepakte dorp Shanhou. De baanstropers waren uit op hun geld, maakte Hubert in zijn verslag duidelijk. Ook bij het tot stand komen van een huwelijk bleek dat Trees (relatief) niet armlastig was.
   “De goede vrouw antwoordde: ‘Vader, als het de zaligheid van een ziel betreft wil ik alle opofferingen doen. Zie, mijn tweede zoon, Paulus, is nog wel wat jong om te trouwen. Er zal fel met dat huwelijk gelachen worden. Maar om die ziel [van het meisje] te redden wil ik mij daar niet om bekreunen. U mag twee geloofsleraren verzoeken als bemiddelaars voor het huwelijk op te treden’.
   En inderdaad, alles gelukte opperbest. De heidenen waren uitermate tevreden hun dochter in een familie te zien treden die door iedereen geacht werd en die er warmer bij zat dan zij zelf”.
 
De missionarissen kregen niet alles voor elkaar. Er waren nu eenmaal grenzen aan hun machtige positie. Petrus, oudste zoon van weduwe Teresia Tchang, wilde helemaal niet trouwen. De nieuwe provinciaal, Louis Van Dyck, deed nog een poging.
   “De jongeling kwam hem groeten.
   ‘Is de zoon van Trees al getrouwd?’ Op het ontkennend antwoord zei onze overste tegen de geloofsleraar: ‘U moet voor die goede jongen eens een deugdzame gezellin, die een smakelijke pot voor hem kan koken, zoeken’.
   Petrus was al 23 jaar en bijgevolg lang de ouderdom voorbij waarop Chinese jongens in het huwelijk treden. Zijn moeder heeft mij verteld dat hij telkens de deur uitloopt wanneer zij over trouwen begint te spreken. Hij schijnt jongeman te willen blijven. Bedeesd keek Petrus dan ook ter zijde en antwoordde Van Dyck: ‘Dat is niet nodig Vader. Mijn moeder heeft mij meermalen gezegd dat men het sacrament van het huwelijk niet hoeft ontvangen hebben om in de hemel te komen’”.
   Voor jongemannen die niet wilden trouwen was er gelukkig nóg een mogelijkheid om de rol van de katholieke kerk te versterken. “Men zegt dat de jongeling naar nog hogere volmaaktheid streeft en van zins is bij de Trappisten te gaan, die in de omtrek van Peking een klooster hebben”, verklaarde Hubert.  
 

De wederwaardigheden van de familie Wang

 
Teresia was tevens betrokken bij de wederwaardigheden van de familie Wang. De vader had van een herbergier vernomen waaruit de voordelen van een bekering bestonden. “Die godsdienst is niet alleen goed voor de ziel, maar ook voor het lichaam. Want de missionarissen zijn altijd gereed om hun gelovigen te beschermen en bij te staan als zij in nood zijn”.
   Het resultaat liet niet lang op zich wachten. “Toen vader Iu die goede tijding aan gade en kroost mededeelde, besloot men eenparig de wrede dwingelandij van Satan af te schudden en voortaan alleen de Meester van de hemel te dienen”.
   Een vriend bracht hem in contact met de missie. “In Shanhou nam Iu het besluit christen te worden. Hij ontving een paar gebedenboekjes en een catechismus en nam ze mee naar huis. Met een onverzadigbare ijver begon hij de gebeden en voornaamste punten van het geloof te leren. Wat hij zelf te weten kwam leerde hij dadelijk aan zijn huisgenoten en weldra bad heel het huishouden alle dagen gezamenlijk het morgen- en avondgebed.
   Kort daarna werd een geloofsleraar gezonden om hen grondiger te onderwijzen. Deze verbleef tien dagen in de familie. In korte tijd waren ze in de gebeden en de catechismus uitgestudeerd. Ze behoefden die nog slechts van buiten te leren”.
   Vader Wang was niet meer te stuiten, volgens Kallen. Iu hoorde nu duidelijk bij de volgelingen van de missionarissen. “Hij hield zijn bekering volstrekt niet geheim. Aanstonds trok Wang openlijk op als bevechter van Satan. Gedurende de zomer van het zelfde jaar bracht hij de missionaris verscheidene families aan die hij overgehaald had zich te bekeren”.
   Het overgaan tot het katholieke geloof gaf nog een hoop problemen. Eén van de dochters was al verloofd met een jongen uit een heidense familie. “Al de leden van de familie werden gedoopt. Behalve de oudste dochter. Deze was aan een heidense jongen verloofd. Hoewel zij goed onderricht en ijverig was, moest de missionaris haar tot zijn verdriet het heilig doopsel weigeren”.
   Er was dus werk aan de winkel. “Men koesterde de hoop de heidense familie van de bruidegom ofwel te bekeren, of de verloving te verbreken. Dat laatste is in China uiterst moeilijk. De familie van de jongeling wilde zich helaas niet bekeren. Om de verloving te verbreken moesten de ouders al de gemaakte kosten vergoeden. Dat was voor de arme Iu volstrekt onmogelijk. Ook de missionaris bezat de middelen niet om te helpen. Het meisje werd dus tegen wil en dank uitgehuwd. Zonder steun of troost werd ze weggevoerd naar een afgelegen heidens dorp, ver weg van haar lieve, schilderachtige [katholieke] dal waar zij zo gelukkig geleefd had”.
   Hoe moest de missionaris het aanpakken?
   “Het moedig meisje had alle hoop echter niet opgegeven. Ze vertrouwde op God. Dagelijks smeekte zij de hemelse Vader haar genadig te zijn. Haar gebed werd verhoord”.
   Toen het meisje na haar trouwen op bezoek mocht in het ouderlijk huis werd de missionaris overgehaald haar alsnog te dopen. “De hele familie kwam zich voor zijn voeten werpen. Ze barstten in tranen los en met opgeheven armen smeekten zij hem medelijden te hebben met een rampzalige ziel die christen wilde zijn en door haar huwelijk met een heiden belet werd in de schoot van de Heilige Kerk te treden”.
   De bisschop moest er volgens Kallen aan te pas komen om dispensatie te geven. “Bij het eerste bezoek daarna vloeiden de wateren van het heilig doopsel over het hoofd van de heldhaftige vrouw, die de naam Barbara ontving”.
   De missie zette Barbara in om haar familie en woonomgeving ‘van binnenuit’ te bekeren. “Toen de hemel haar huwelijk met een zoontje gezegend had, kwam zij wederom af om haar kindje te laten dopen. Hij werd Augustinus genoemd. Barbara vindt nu haar grootste geluk in het toedienen van het heilig doopsel aan kleine heidense kinderen in haar buurt als die in doodsgevaar verkeren. De goede vrouw heeft maar één verdriet: haar echtgenoot en schoonouders willen tot nu toe van geen bekeren horen. Laat ons echter hopen dat haar vurige gebeden en aanhoudende pogingen toch vroeg of laat met een gelukkige uitslag bekroond zullen worden”.
 

De missie helpt met wonderen

Barnabas, Augustijn en Barbara (foto aangeleverd door Henri Houben) 


Als we Hubert Kallen mogen geloven (soms kost het wel eens moeite, met name als je zijn artikelen leest) bleven wonderen niet uit. Dat gold bijvoorbeeld voor Barnabas, de derde zoon van vader Wang die de naam Stephanus kreeg toen hij zelf gedoopt werd.
   “Vurige christenen worden door de hemel waarlijk op een zichtbare wijze bijgestaan. Laat ik daar een voorbeeld van geven. Barnabas, de derde zoon, werd op veertienjarige leeftijd door een lamheid getroffen. Hij verloor het gebruik van zijn rechterbeen en rechterarm, zodat hij onbeweeglijk op de harde bed-oven moest blijven liggen.
   Onze Chinese confrater, de ijverige pater Patricius, bracht een bezoek aan de familie. Bij hen thuis las hij zelfs de mis. De goede priester gaf de zieke een weinig water van Lourdes. De familie raadde hij aan een negendaags gebed [noveen] te doen ter ere van de onbevlekte Maagd Maria. Dagelijks werd met vurigheid en betrouwen gebeden.
   Maria liet het geloof van haar getrouwe kinderen niet onbeloond. De noveen was nog niet geëindigd of de kleine Barnabas kon de kamer rondwandelen. Toen ik een bezoek aan de Zwarte Bergen bracht kwam hij de lange weg over de bergen lopen om te biechten en ter communie te gaan. Van zijn lamheid is niets meer te bespeuren”.
 
Volgens Kallen had de oude vader zich mede bekeerd omdat missionarissen de gelovigen bijstonden als ze in nood waren. Toen Stephanus zelf in nood was kreeg hij dan ook bezoek van de pater. “De oude man lag met koorts te bed. Gelukkig had ik een weinig kina-bast bij me. Iedere dag ging ik de zieke bezoeken en gaf hem wat. Ik zag dat hij niet veel vertrouwen had in het bittere geneesmiddel. Ik zei hem: ‘Stephanus, u moet eerst en vooral uw betrouwen stellen op de hulp van de Heilige Maagd en dan pas op uw medicijn’.
   ‘Goed vader’, antwoordde de eenvoudige man, ‘ik wil uw raad stipt volgen’. Zijn zoon moest onderzoeken of er nog geld genoeg in kas was om drie missen te laten opdragen ter ere van de Heilige Maagd. Er werd gezocht en men slaagde erin de benodigde som bijeen te brengen.
   De derde dag droeg ik het heilige misoffer in zijn huis op, ten einde hem aldus de gelegenheid te verschaffen ter communie te gaan. Alle leden van de familie naderden de heilige Tafel. Wonder genoeg, drie dagen later was de zieke volkomen genezen”.
 
Het leek erop alsof Hubert Kallen en zijn confraters alle hulp ‘van boven’ kregen als dat nodig was. In het artikel gaf hij dan ook aan hoeveel geluk hem dat verschafte in het verre noorden van China. “Bij dergelijke mensen vindt de missionaris waarlijk troost en voldoening; voor zulke uitgelezen familie vat het hart van de priester innige genegenheid op, omdat hij weet dat het uitverkoren zielen zijn, voor wie de hemel wagenwijd open staat”.
 

Materiële middelen en missie

 
In het artikel over Trees Tchang legde de pater uit dat hij voortbouwde op de activiteiten van Jozef van Hilst, die immers grond van de Mongoolse vorst had weten te bemachtigen in de Zwarte Bergen. “Meneer Van Hilst had al in 1897 een kapel gebouwd. Sedert die tijd verblijven we er bijna iedere maand enige dagen. Al tweehonderd personen hebben er het heilig doopsel ontvangen. Een even groot aantal legt zich vol ijver toe op het leren van de catechismus, ten einde zich waardig te maken eveneens de genade van het doopsel te ontvangen. Binnen enkele maanden verwachten we nog een honderdtal nieuwe bekeerlingen. In de school [de voormalige boerderij] zullen ze komende winter dagelijks de lessen van onze ijverige Trees aanhoren”.
 
Missie en geld waren onafscheidelijk. Het geld moest uit Europa komen. Hubert had eerst aangetoond hoe hard hij werkte en hoeveel je kon bereiken. Aan het einde van zijn verslag in het missieblad van Scheut deed hij tenslotte een beroep op de katholieke gemeenschap in zijn thuisland.
   “De nieuwe bekeerlingen wonen dikwijls op grote afstand van elkaar. Dat zal tot gevolg hebben dat er kapelletjes en missie-residenties opgericht moeten worden. We moeten tevens het allernoodzakelijkste aanschaffen om ons kerkje in de Zwarte Bergen fatsoenlijk op te sieren”.
   Er was dus geld nodig, veel geld. “Ik zal eens heel bedeesd bij de edelmoedige zielen in Europa gaan aankloppen. Toen ik twee jaar geleden van mijn vrienden en kennissen afscheid nam, hebben velen mij gezegd: ‘Als u later iets nodig hebt, moet u maar eens schrijven’.
   Welnu, beste vrienden, dat heb ik gedaan en met het volste vertrouwen dat ook u uw belofte niet zult vergeten. Worden wij niet ondersteund dan zullen wij uit nood een groot aantal bekeerlingen moeten weigeren [!]. Ik overdrijf niet als ik zeg dat wij met meer geld het getal geloofsleerlingen zouden kunnen verdubbelen. Wij hebben geen geld om onderwijzers te huren. Wij bezitten niets om nieuwe scholen en kapellen op te richten. We hebben zelfs geen geld om de bestaande gebouwen te onderhouden en te herstellen.
   Onze kerk van Shanhou, die door netheid en sierlijkheid de heidenen zou moeten aantrekken, ziet er erbarmelijk uit. De deuren en ramen zijn rot en vallen uit. De zoldering zakt in. Het altaar bestaat uit een lompe tafel. Het tabernakel is een vierkante pakkist, beplakt met wat behangselpapier. Wij hebben geen rooie duit.
   Als wij een brandbrief aan Mgr. Abels sturen, krijgen we altijd hetzelfde antwoord: ‘De kas is leeg’. Monseigneur hoopt tot nog toe tevergeefs dat Onze Lieve Heer een liefdadige ziel in Europa de goede gedachte zou geven ons met geld te hulp te komen voor het opzetten van nieuwe christenheden”.
    Alle beetjes zouden helpen, verkondigde Hubert Kallen. “Niet iedereen bezit de middelen grote sommen te geven. Maar, zoals het spreekwoord zegt, vele kleintjes maken een grote, veel haartjes maken een borstel”.
   Geld geven om het ware geloof in China te verbreiden deed je niet alleen om anderen te helpen, met die boodschap eindigde de missionaris het artikel, dat in april 1900 werd afgedrukt in het missieblad. “Moge de overweging van deze woorden onze edelmoedige vrienden uit Europa aanzetten om een werk van barmhartigheid te doen, waardoor zij zich de zegeningen van de Hemel zullen verwerven!”
 
Harry Knipschild
14 maart 2014 – 11 augustus 2015

Literatuur

Hubert Kallen, 'Een nieuwbekeerde, die geloofsleeraar en een ware apostel wordt', Missiën in China en Congo, april 1900
Hubert Kallen, 'Een manhaftige vrouw', Missiën in China en Congo, april 1900

Het volgende hoofdstuk, 'Een nieuwe pastoor in Shanhou' (18), vind je hier.

Wil je vanaf het begin lezen, klik dan hier.