Zoeken


Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
hoofdstuk 13
 

Veranderingen in China

 
“Wanneer zal de almachtige Verlosser toch eens zijn bekeringsgenade over die beklagenswaardige volkeren neerstorten.
   Hoe glorievol voor Hem en hoe troostbaar zou het zijn voor ons als al die pagodes door mooie kerken vervangen worden; en als er het tabernakel en de beelden van de Heilige Drievuldigheid en de Heilige Harten de plaats van die afschuwelijke afgodsbeelden mochten innemen!”
   Hubert Kallen in missieblad van Scheut, december 1898
 

***

 
In de laatste jaren van de negentiende eeuw werd de macht van het centrale overheidsapparaat van China steeds verder gereduceerd. Het grote rijk ging niet voldoende mee met z’n tijd, was de mening van een groep jonge Chinese intellectuelen. Eén van hen, Kang Youwei, wist tot keizer Guangxu door te dringen en hem ervan te overtuigen dat hij ingrijpende moderniseringen in westerse stijl moest doorzetten. Er was haast geboden.
   In boeken als De Poort van de Hemelse Vrede (1985) legde Jonathan Spence vast: “In een duizelingwekkende vloed van hervormingsbewegingen gedurende de zomer van 1898 stichtte de keizer een nationale universiteit, maakte van plaatselijke tempels scholen en richtte diensten op die de handel, landbouw en industrie moesten bevorderen. Guanxu benoemde bovendien jonge hervormers op belangrijke posten. Maar de veranderingen die de keizer [in navolging van Japan] probeerde door te voeren riepen grote weerstanden op, zowel in Peking als in de provincie.
   De hervormers raakten in paniek door de weerstand die ze ondervonden en werden steeds banger dat de oude keizerin-weduwe Cixi iets tegen hen en de keizer zou ondernemen. Daarom besloten ze haar voor te zijn en zelf een coup te beramen”.
 
De plannen van Kang Youwei c.s. mislukten. In Op zoek naar het moderne China (1991) vatte Spence de ontknoping samen: “Toen de intrige de keizerin-weduwe ter ore kwam, volgde een scherpe reactie. Zij keerde op 19 september 1898 plotseling naar de Verboden Stad terug. Twee dagen later vaardigde ze een edict uit waarin ze beweerde dat de keizer haar had verzocht het landsbestuur weer op zich te nemen. Ze gaf Guanxu huisarrest in zijn paleis en liet zes van zijn adviseurs die als radicaal golden, arresteren. Nog vóór zij, zelfs op de vage beschuldiging van samenzwering hadden kunnen worden berecht, waren ze, tot ontsteltenis van de hervormingspartij en vele buitenlanders in China, al op bevel van Cixi ter dood gebracht. Kang Youwei zelf wist Peking juist voor de coup te verlaten”.
   In de tweede helft van september 1898 brak een nieuw tijdperk in China aan. De keizer zat gevangen in zijn eigen paleis. Cixi nam in Peking het heft in handen en draaide de Chinese klok in zekere zin terug. Het hof keek nauwelijks meer naar het westen om moderniseringen door te voeren.
 


Keizer Guangxu

 

De missie in Oost-Mongolië in de zomer van 1898

 
Als je leest wat Hubert Kallen in die zelfde zomer aan zijn familie schreef, heb je niet het idee dat hij zich ook maar in het minst bewust was van hetgeen zich op enkele honderden kilometers ten zuidwesten van de Pijnbomen afspeelde.
   Hubert bevond zich, zette hij 5 juli op papier, in ‘de verkeerde wereld’. Daarmee bedoelde hij het land waar de missionarissen te gast waren. “Wij zitten aan de abrikozen. De abrikozen en perziken van Europa hebben hun herkomst in China. Maar terwijl de slimme Europeanen de soorten veredeld en verbeterd hebben, hebben de domme Chinezen de hunne altijd onveranderd en onverbeterd gelaten. Zo kunnen wij de smaak niet voldoen met iets fijns, maar wij genieten toch maar van hetgeen wij hebben”.
   Aan eten geen gebrek voor de paters. “Wij hoeven niet bang te zijn een abrikoos meer of minder te eten. Voor de som van een halve frank [ong. 10 eurocent] kunnen wij een grote mand vol kopen”.
   De Scheutisten hoefden niet te klagen. Het bier was ook weer best in de Pijnbomen. Een vat van 175 liter was er snel door. “Het laatste bier dat ik gemaakt heb valt nog al mee. Het zal wel allegaar soldaat zijn voordat de hondsdagen [hete zomer] om zijn en ik weer nieuw bier kan maken”.
 
Pater Kallen begon zich langzamerhand wat meer met geloofszaken bezig te houden. In de omgeving van de Pijnbomen ging hij een boeddhistische tempel inspecteren. “Met een oudere confrater ben ik naar een pagode of heidense afgodstempel geweest. Bij onze binnenkomst kwamen dadelijk een paar vuile lama’s [monniken] ons toeknikken. Onder het dak stonden enige goden en godinnen te dansen en grimassen te maken. Wij vroegen de lama de namen van al die geheimzinnige heren en dames.
   ‘Dat zijn de vier grote bazen van de hemel. Dat zijn de vijf godinnen van het water. Dat.... ben ik vergeten’.
   We onderdrukten een glimlach en zeiden: ‘Ja, wij weten het. Het is geen kleinigheid om de namen van al die snuiters te onthouden’.
   De lama reageerde: ‘De schilder heeft die niet goed gemaakt. Op de dag dat hij die geesten geschilderd heeft was ik juist afwezig’”.
   De twee paters vonden het maar gebeuzel. Ze waren ervan overtuigd dat het afbeelden flink wat dagen in beslag had genomen. Maar hoe dan ook, ze lieten zich door de monnik rondleiden. “In het bruine gebouw zagen we enige lelijke gezichten. In het midden Pou-sa, de grote godin van de Chinezen. Zij werd omringd door dienaren en trawanten”. Hubert zag meer ‘afgodsbeelden’. “Eén had wel een dozijn koppen en grote handen”.
   Die kon vast goed spoken, zei hij tegen de Chinese geestelijke.
   “Bij deze opmerking schoot de lama in een grote lach. Hij geloofde er zelf niets van. Lama spelen is immers een goed baantje. Ze draaien het volk allerlei vertelseltjes op die ze zelf niet geloven. Ze zijn goed gehuisvest en worden prima onderhouden. De onnozele boeren denken dat ze geen vrouwen bij zich hebben. Maar er zou een boek vol te schrijven zijn over hun zedeloosheid en losbandigheid”.
   De twee Scheutisten liepen langs tientallen grote beelden. “Het ene was nog afschuwelijker dan het andere. De ene afgod trok nog een lelijker muil dan de andere. De heidenen hebben voor alles een afgod, zelfs voor de ondeugden en slechte zaken. Hun afgodsdienstleer neigt tot het zedeloze”.
   Hoe was het mogelijk, dacht Hubert: “Voor sommige koperen beeldjes stonden reukstokjes [wierook], lampjes en schoteltjes met graan erop en dergelijke dingen die door de heidenen geofferd worden om een goed jaar [oogst] te verkrijgen”.
   De missionaris wist wat er moest gebeuren. “Wanneer zal de almachtige Verlosser toch eens zijn bekeringsgenade over die beklagenswaardige volkeren neerstorten. Hoe glorievol voor Hem en hoe troostbaar zou het zijn voor ons als al die pagodes door mooie kerken vervangen worden; en als er het tabernakel en de beelden van de Heilige Drievuldigheid en de Heilige Harten de plaats van die afschuwelijke afgodsbeelden mochten innemen!”
 


 Boeddhistische tempel die Hubert Kallen bezocht en fotografeerde (foto aangeleverd door Henri Houben)

 

Een bekering

 
Niet veel later kon Hubert Kallen een bekering melden. In het maandblad van Scheut, december 1898, werd het vol trots als artikel afgedrukt.
   “Ik reed met een christen door een naburig heidens dorp. We zagen een haveloze, gans uitgemergelde bedelaar liggen die bijna geen teken van leven meer gaf. Mijn dienaar stapte van zijn paard. De sukkelaar kon ternauwernood enige onverstaanbare woorden uitbrengen. Thuis gekomen vertelde ik het geval aan een medebroeder.
   We besloten de arme man alle mogelijke hulp te bieden, naar ziel en lichaam. Er werden dadelijk twee christenen gezonden om hem wat eten te brengen – en tegelijkertijd om te zien of er geen middel zou zijn om hem het heilig doopsel toe te dienen.
   Na hem een weinig opgebeurd en versterkt te hebben vroegen de christenen wie hij was en waar hij vandaan kwam.
   De man antwoordde dat hij van het dorp zelf was. Een maand daarvoor was hij door zijn ontaarde zoon en schoondochter, een echte helleveeg, de deur uitgegooid. [De Chinees] zei dat hij onze christenen kende, dikwijls van onze godsdienst had horen spreken. Hij wist er zelfs een en ander van af en verlangde vurig gedoopt te worden alvorens te sterven”.
   Het verhaal van Kallen kreeg langzamerhand wat onwaarschijnlijke trekken. Ging je zo om met iemand die bijna dood op straat lag?
   “Onze mannen waren verheugd toen ze dat hoorden. Onmiddellijk begonnen de christenen hem de belangrijkste punten [van de catechismus] uit te leggen. Toen zij overtuigd waren dat de arme stumper het allernodigste voldoende begrepen had, en nadat hij die punten stotterend en stamelend had opgezegd, besloten ze de doop maar niet langer uit te stellen. Haastig ging een van hen met een kommetje naar een nabij gelegen poel. Weldra vloeide het heilzaam water van de geestelijke afwassing over het morsig voorhoofd van de bedelaar. Onze twee christenen waren verheugd over de goede daad die zij verricht hadden.
   Ondertussen was het in de eenzame vallei volkomen donker geworden. De Chinese christenen, overtuigd dat de zieltogende grijsaard spoedig de laatste adem zou uitblazen, keerden naar de Pijnbomen terug. De gedachte om voor de arme sukkelaar een onderkomen te zoeken kwam zelfs niet bij hen op.
   De volgende dag vernamen wij dat onze nieuw-gedoopte nog in leven was. We stuurden een geloofsleraar met twee christenen om de arme man, met toestemming van zijn familie, naar onze residentie te brengen. In een zijgebouw werd hij op de kang gelegd. Men gaf hem een warme deken, deed hem schone kleren aan en diende hem lekker voedsel toe, zodat hij kon aansterken. Omdat er nog steeds weinig hoop bestond hem lang in leven te houden, bleef een geloofsleraar bij hem om hem nog wat grondiger in de godsdienst te onderwijzen.
   De goede oude man luisterde gretig naar dat onderricht. Hij mocht het geluk smaken ook de heilige absolutie en daarna het heilig oliesel te ontvangen. De volgende ochtend verliet zijn reine ziel dit dal van tranen en ellende, om in de hemel een eeuwige, onvergankelijke vreugde te genieten”.
   Terecht stelde Hubert: “Ziedaar een uitverkoren gunsteling van Gods barmhartigheid, tot wiens bekering wij missionarissen weinig of niets hebben bijgedragen”. Het ‘werk’ was immers vooral door de Chinese helpers verricht. De paters hadden geen hand uitgestoken.
   Kallen gaf er evenwel een andere draai aan: “Het is wellicht enkel aan het gebed van de een of andere geestelijke [Europese] weldoener te danken dat die arme bedelaar het geluk had de hemel op het laatste ogenblik van zijn leven te roven. Moge dit troostrijk geval de vrome zielen van Europa meer en meer aanwakkeren om steeds vurig te bidden voor de bekering van de arme heidenen. Zulk gebed is de hemel hoogst aangenaam. God zal niet nalaten deze geestelijke aalmoes rijkelijk te belonen”.
 
De redacteur van het blad had de originele tekst bewerkt om daarmee de idealen van de missie uit te dragen. Opgeleukt zou je vandaag de dag zeggen. Hubert schreef bijvoorbeeld aan zijn familie dat de halfdode man ‘wel verlangde gedoopt te worden’. In het artikel was dat omgezet in ‘vurig verlangde gedoopt te worden’. De zinsnede dat de man ‘voor het doopsel al iets van het christendom af wist’ kwam in de oorspronkelijke brief niet voor.
   In plaats daarvan legde Hubert uit dat je met preken niet ver kwam in China. “Aan de wilde en tot hier toe onbezochte volksstammen [in de binnenlanden van Afrika bijvoorbeeld] kan men het geloof wel in het openbaar gaan prediken. Maar hier in China is het niet mogelijk ergens een tafel te beklimmen en dan daar een sermoen [preek] voor een menigte heidenen te houden. Men kan voor die gele geldduivels zoveel preken als men wil, als God zijn genade niet schenkt is het allemaal boter aan de galg gesmeerd. Gelukkig gaat er toch zelden een week voorbij zonder dat zich enige nieuwe catechumenen [mensen die aansluiting zoeken bij de katholieke kerk] komen aangeven”.
   Die toevoeging werd door de redactie niet in het artikel opgenomen.
 

Volle zomer in Oost-Mongolië

 
Al kort na zijn aankomst in de Pijnbomen werd Hubert Kallen er op uitgestuurd om in de winter over de rivier voor bekeerlingen de mis op te dragen. In de zomer ging hij door met die activiteiten. Op 5 juli 1898 schreef hij: “Nu begint de ware hitte, iedere dag 37 of 38 graden. Over een paar dagen begint het regenseizoen. Frisser zal het niet zijn, want dan zal de thermometer dagelijks de 40 graden overschrijden.
   Gelukkig zijn wij nogal dun en luchtig gekleed. Dat is anders dan in zo’n enge zwarte toog. Wij hebben nu slechts de broek aan en daarover een dun wit kleed. De Chinezen dragen alleen een broek, lang of kort, meestal zo klein als een zwembroek. De kleine kinderen lopen meestal in Adams kostuum rond. Dat is fris en niet duur. In de heidense dorpen ziet men zelfs overal jongens en meisjes tot tien jaar, soms twaalf jaar, rondlopen – zonder andere kleding (als die er is) dan een lapje in de vorm van een ruit dat met een snoer aan de hals wordt vastgehecht. De Chinezen merken niet dat het onbetamelijk en onzedelijk is omdat ze in zulk bederf zijn opgetrokken”.
   De niet bekeerde Chinezen gedroegen zich volgens Hubert soms even erg als de wilden in het donkere Afrika. “Aan de rivieren trekt men, groot en klein, jong en oud, alles uit om door het water te geraken. Onder de heidenen hier is het niet beter dan bij de negers.
   Bij de christenen kan het er enigszins mee door. Ze zorgen wel dat er geen kinderen, die de jaren van verstand bereikt hebben, onbetamelijk rondsjouwen. Dat belet toch niet onder de mis een half dozijn krawatten [jongetjes] voor u te zien, die deftig met drie of vier vierkante decimeter stof daar zitten te pronken. Men zou dikwijls willen zeggen: ‘Ga eens naar huis een broek aandoen’. Maar dan zou hij kunnen zeggen: ‘Als u er mij een geeft, priester. Ik heb er geen’.
   Men moet dus maar alles door de vingers zien. Anders zou de priester een paar dozijn Chinese engeltjes op zijn kamer moeten hebben om broekjes te halen. Zo ver kan onze uitdeling niet gaan”.
 

Hulp voor bekeerlingen

 
De inzet van de Europese missionarissen om bekeerde Chinezen te helpen ging al ver genoeg, voegde hij er aan toe met een voorbeeld. “Peking had duizend soldaten gestuurd om veertig rovers te grijpen. In anderhalve maand hadden ze er slechts één in handen kunnen krijgen en dat niet eens levend. Op het einde wilden ze toch een vangst doen. Ze pakten onderweg twee vreedzame christenen op en stopten die in de gevangenis”.
   Die Chinezen waren niet zonder reden tot het katholieke geloof overgegaan. Van de Europese paters, die op basis van de verdragen van 1860 opereerden, verwachten ze dat die hen zouden beschermen. En dat deden ze. “Die vlieger ging niet op. Een dappere medebroeder reed dadelijk met twee mannen naar de stad om bij de gouverneur een proces aan te spannen. Dat hebben wij gewonnen. De christenen zijn losgelaten, twee soldaten vastgezet en twee soldaten-mandarijnen ontslagen. Dat zal hen leren!
   De mandarijn heeft tien soldaten naar hier gestuurd om de medebroeder plechtig naar huis te begeleiden en excuus te vragen aan de bisschop. Zij beginnen misschien angst [voor ons Europeanen] te krijgen. Zoveel te beter”.
   In tegenstelling tot andere Chinezen, maakte Hubert zijn familie duidelijk, kon de Chinese overheid met bekeerlingen niet naar willekeur handelen. Ongetwijfeld een reden voor menige inwoner van Oost-Mongolië om zich bij het ‘geloof van het westen’ aan te sluiten.
 

Regen

 
Als een groep Chinezen zich eenmaal ‘bekeerd’ had moest men wel gaan leven volgens de regels van de catechismus. Een jonge pater als Hubert Kallen ging tot in de verre omtrek de mis lezen. Van de nieuwe christenen werd verwacht dat ze acte de présence gaven.
   In de zomer leverde dat wel eens problemen op. Op 31 juli 1898 legde Hubert uit wat de reden was. “Wij zitten hier in het regenseizoen. De regen, die elf maanden niet afkomt, valt nu met ongelofelijke hoeveelheden uit de hemelkanalen. De laatste twee zondagen hebben we in de buitenparochies geen mis meer gelezen omdat er geen middel was om over de rivier te komen.
   Verleden zaterdag viel er gedurende een half uurtje zoveel water dat alle wegen in beken herschapen waren. Het water stroomde overal met een luidruchtig geweld van de bergkloven af naar de rivier. Het baande zich een weg over tuinen en velden. De rivier was gewoonlijk vier tot zes meter breed. Maar na die regenbui was de stroom ineens 200 tot 600 meter breed en drie meter diep. Alles moest voor die woeste watermassa wijken. De rivier heeft duizenden en duizenden kubieke meters akkergrond meegesleept. Dat is droevig. De arme vallei-bewoners zullen bij gebrek aan grond en bij gevolg aan eten naar andere oorden moeten verhuizen en slechts de eenzaamheid van de naakte rotsen en onbebouwbare keigronden achter zich laten. Alle twee of drie dagen begint het overstromingsspel opnieuw”.
   Heel wat Chinezen, door die jaarlijkse natuurramp getroffen en niet geholpen door de overheid, hadden waarschijnlijk geen andere keus dan zich aan te sluiten bij rondtrekkende bendes.
   Menig boerenhuisje in de omgeving van de Pijnbomen begaf het in de zomer van 1898. Bij de paters viel de schade wel mee. “In iedere kamer lekt het dak op drie of vier plaatsen. Mgr. Abels werd een paar dagen geleden ’s nachts wakker door doorsijpelende regendruppels die juist op zijn gezicht terecht kwamen. De priesterstudenten zijn een keer uit de eetzaal moeten vluchten. Men heeft dadelijk een paar metselaars en timmermannen ontboden om de nodige versterkingen aan te brengen. We zijn in de hondsdagen. Het is zengend heet”.
 

Een heidens huwelijk in de hondsdagen

 
Hubert maakte van de gelegenheid gebruik om te vertellen wat hij had gehoord had. “Verleden week moest er op een uur afstand een heidens huwelijk plaats hebben. De dag was volgens gewoonte door waarzeggers vastgesteld. Die dag zou een ware geluksdag zijn voor het jonge paar. Op een andere dag trouwen zou niet mogelijk zijn. Dan zou hun leven vol rampspoed ten onder gaan.
   Het noodlot sloeg toe. Op de avond vóór de vreugdevolle dag plaste er een geweldige wolkbreuk neer. De rivier, die de dorpen van bruid en bruidegom scheidde, was herschapen in een ontzaglijke stroom. Van uitstel kon geen sprake zijn. De dag was vastgesteld. De bruid was betaald [gekocht]. Het varken was geslacht, de koekjes gekocht, enzovoort.
   In China gaat het altijd tegenovergesteld dan in Europa. Daarom wordt de bruiloft niet bij de ouders van de bruid maar bij de familie van de bruidegrom gevierd. Daar trouwt het jonge paar ook in.
   De vurige bruidegom, die volgens Chinees gebruik zijn aanstaande nooit aanschouwd had, toog met een paar mannen de rivier over om zijn geliefde te gaan halen. De ouders waren meer dan tevreden het geld voor hun dochter te kunnen ontvangen. Ze deden dan ook geen moeite haar tegen te houden. Integendeel, zij zetten haar nog aan om mee te gaan.
   Het meisje wilde volgaarne in het huwelijksbootje stappen, maar ze was toch niet op haar gemak. De bruid wist natuurlijk niet in welk bootje ze over de opgezwollen stroom zou geraken. Met een kar of een paard, de gewone vervoermiddelen voor de bruiden van het arme volk, ging dat nu niet. De vernuftige vader kwam snel met een alternatief. Men zou de dochter op een deftige manier in een palankijn vervoeren”.
   Hubert legde uit wat een palankijn in dit boerenland betekende. “U stelt zich waarschijnlijk een prachtig draagpalankijn voor met blauwe omhangsels en rode banden. Mis. Men neemt een kleine Chinese tafel, keert die om met de poten in de lucht. Men bindt langs het tafelblad een paar lompe, kromme stokken, men spant over de vier poten een blauwdoek. Klaar is Kees, zouden de Hollanders zeggen.
   Om de jonge vrouw helemaal gerust te stellen gingen acht kloeke venten mee. Toen ze bij de rivier kwamen trokken ze hun enige kledingstuk uit. Ze schoven een lage vierkante voerbak onder het tafeltje. Vooruit met de schat het water in!
   In het begin ging alles als een fluitje van een cent. Maar allengs begon de uit tenen gevlochten paardenbak te lekken en water te scheppen. De rivier werd bovendien zo diep dat die lui geen grond meer onder hun voeten hadden. Ze moesten met het ‘voertuig’ mee zwemmen, terwijl ze de tafelpoten met een hand omhoog probeerden te houden.
   De stroming werd zo hevig dat er geen richting meer te houden was. Op een gegeven ogenblik ontsnapten de bak, tafel en bruid aan hun vermoeide handen, kantelden om en verdwenen tot hun schrik voor altijd in de gele onstuimige golven”.
   Ondanks de tragische afloop ging het feest gewoon door, aldus Kallen. “De mannen dachten alleen maar aan hun eigen redding. Vreugdevol begaven ze zich vervolgens naar het bruiloftsmaal. Bij de Chinezen wordt er bij begrafenissen evenveel pret gemaakt als bij de huwelijken.
   Slechts één van hen was minder goed gestemd, namelijk de bruidegom. Niet zo zeer omdat hij een dierbare wederhelft betreurde. Die kende hij immers niet. Maar wel omdat hij de koopsom kwijt was. Het zal hem nu menige druppel zweet kosten eer hij opnieuw bij machte is een vrouw te kopen”.
 

September 1898

 
In nogal korte tijd kwam er een einde aan de hondsdagen. Het was tijd om te oogsten vóór de vorst inviel. Hubert beschreef uitvoerig hoe het er toe ging op het land. Tegelijk keek hij vooruit. “Laat moeder op een zondagmiddag eens dicteren hoe de verschillende worsten gemaakt moeten worden. Anders zal ik in de winter weer geen leverworst kunnen eten”.
   De Chinezen zouden zich waarschijnlijk minder de buik vol eten. “De oogst is maar half gelukt omdat de regens te vroeg hebben opgehouden. Veel arme mensen zullen lange tijd honger moeten lijden”.
   In zijn brieven legde de pater geen direct verband met de opkomst van bendes die juist in de oogsttijd hun activiteiten ontplooiden. Hoewel de feiten toch zo duidelijk op elkaar aansloten. “Terwijl het graan hoog stond hebben de baanstropers hun roofzucht weer geweldig bot gevierd. Ze hielden zelfs feesten in het openbaar. Op 27 augustus waren er niet minder dan zeventig dieven vergaderd. Toen ik ’s morgens langs dat dorp reed om een kwartiertje verder de H. Mis te gaan lezen, heb ik er een ganse hoop gezien”.
   In een brief van 3 oktober 1898 bracht Hubert zijn familie op de hoogte van hetgeen hij de afgelopen weken had meegemaakt. De weken die de Verboden Stad (Peking) niet onberoerd gelaten hadden.
   “Het oogsten is afgelopen. Zo gauw de granen van het land komen worden ze buiten op een dorsvloer gelegd en uitgedorst. Het is immers alle dagen droog weer. Er valt geen regen meer die de oogst kan bederven. In de nacht van 1 op 2 oktober heeft het hier al gevroren. In het noorden van ons vicariaat is het graan al ruim twee weken eerder bevroren. De oogst heeft er zeer veel geleden”.
   Nu de oogst binnen was hadden de boeren rust. Een drukke tijd was aangebroken voor de missionarissen. “De lange koude winter staat voor de deur. Het reizen over de hard-bevroren aarde en over de dichtgesloten rivieren vergemakkelijkt het reizen. Voor de christenen is het tijd de jaarlijkse missies bij te wonen en zich van hun godsdienstplichten te kwijten”.
   De bekeerlingen kregen de komende maanden les in de leer van het katholieke geloof. Ze waren om praktische redenen misschien wel gedoopt maar wat dat betekende moesten ze vaak nog ontdekken.
   Aan het begin van het nieuwe missieseizoen, zo was gebruikelijk, kwamen alle paters uit Oost-Mongolië bij elkaar. Om te bidden maar tevens om van de bisschop te horen wat hun taken en hun standplaats het komende jaar zou zijn.
   In het najaar van 1898 pakte de jaarlijkse retraite anders uit. “Er zijn slechts vier confraters aangekomen. De anderen durven hun posten [vanwege de gewijzigde omstandigheden] niet te verlaten”.
 

De gebeurtenissen in Peking

 
Vanuit het westen van het vicariaat, niet ver van Peking, was onrust gemeld.
   “Zuid-China [Shandong, waar de Duitsers een hele regio hadden geannexeerd] is gedeeltelijk in oproer. De Pruisische arend heeft zijn roofzuchtige klauwen op de rug van het hemels rijk gezet. De andere Europese gieren [Frankrijk, Engeland] hebben nu hun poten op de gele koek gezet. De geletterden en de geheime sekten stellen alles in het werk om een revolutie te doen ontstaan tegen de [Qing]-dynastie en tegen de Europeanen.        
   Enige kopstukken te Peking willen de Europese invloed en de Europese beschaving (die onvermijdelijk worden) tegengaan. Ze hebben de beruchte keizerin-moeder Cixi overgehaald om zich tegen de plannen van de keizer [om te moderniseren in westerse stijl] te verzetten. De keizer was – meer gedwongen dan vrijwillig – de Europese beschaving toegedaan. Hij werd daarbij gesteund door Li Hongzhang.
   De ‘virago’ [Cixi] heeft haar aangenomen lieveling, die ze 24 jaar geleden toen hij nog maar zeven jaar oud was als keizer had doen uitroepen, vervolgens van de troon afgestoten om hem zelf te beklimmen”.
   Kallen had geen hoge dunk van keizer Guangxu en zijn hervormingsplannen. “Het is om te lachen. In zijn laatste edict spoorde de keizer alle domme geelhuiden aan betere machines uit te vinden dan de Europeanen! Daar is die dertigjarige man veel te versleten en verwijfd voor.
   Het volk is doorgaans onverschillig en vindt nogal smaak in Europese nieuwigheden. Maar de geletterden [de mandarijnen en hoge functionarissen in Peking], die daarmee langzamerhand hun overheid en hun aanzien zullen verliezen, werken tegen zoveel als zij kunnen. Hier spreekt men reeds van het afzetten van de keizer, van het afsterven [leefde de keizer nog wel?]. Men heeft de klok horen luiden maar men weet niet waar de klepel hangt. Het afsterven van een keizer wordt altijd enige weken tussen de muren van het paleis stil gehouden, totdat er een nieuwe uitgeroepen is. Als men zulks niet deed zou een opstand onvermijdelijk zijn”.
   De toekomst zag er gevaarlijk uit. “Wat zal uit deze crisis voortspruiten? Niemand weet het dan Onze Lieve Heer, die in alles inzicht heeft en die de rijken [vorstendommen] bestiert volgens de besluiten van zijn alwijze Voorzienigheid.
   Het is haast zeker dat er in China een totale ommekeer moet komen. Zo kan dat onmetelijk rijk toch niet meer blijven bestaan. Alles hangt ineen met koordjes van onderdrukking, onrechtvaardigheid en bedrog. De keizerin-moeder is een dragonder – vrouw die haar op de tanden heeft. Ze heeft de staatssecretaris doen onthoofden en drie Europees-gezinde ministers in ballingschap gestuurd”.
 

Laatste nieuws uit China

 
Aan het einde van zijn brief wist Hubert voor zijn familie nog het laatste nieuws uit de hoofdstad toe te voegen, althans wat hij er in de Pijnbomen van had opgevangen.
   “Mgr. de bisschop in Peking [de Lazarist Stanislan Jarlin] bericht ons dat de keizerin wel degelijk regeert. Waarschijnlijk zal ze onder de bloedverwanten een nieuwe keizer doen uitroepen. De keizer is zeker dood maar de Chinezen weten het nog niet. De keizerin heeft hem vermoord. Of [Guangxu] heeft zichzelf vergiftigd na het verlies van de troon. Alles wordt nog geheim gehouden, want anders zou de keizerin misschien zelf een vogeltje voor de kat zijn.
   In Peking zijn twee Europeanen aangevallen. De ministers [gezanten] hebben troepen van Europese naties naar de hoofdstad geroepen om zich in geval van nood te verdedigen”.
   Wat er in Peking gebeurde zou bovendien van belang zijn voor de missionarissen. Voorlopig maakte Hubert zich nog geen zorgen. En dat terwijl hij tijdens de retraite vernomen had dat hij de Pijnbomen na een jaar zou gaan verlaten om ergens tussen de bergen op een missiepost ingezet te worden. “Mgr. van Peking schrijft ons dat de keizerin een edict uitgevaardigd heeft ten gunste van de missionarissen. Zoveel te beter onder de hoede Gods. Voorlopig hebben wij niets te vrezen. Onze Lieve Heer, die zijn arme missionarissen niet verlaat, zal ons in alle moeilijke omstandigheden ook wel op bijzondere wijze beschermen”.
   In de Pijnbomen hoefden ze al helemaal niet ongerust te zijn. “De vestingmuur is af zodat alleman in veiligheid zit. Ik denk dat Monseigneur [Abels] en de confraters zich hier zouden kunnen verdedigen zo lang als zij eten hebben. Maar dat zal toch wel niet nodig worden”.
 
Harry Knipschild
18 februari 2014 - 30 mei 2015
 
Literatuur
 
Hubert Kallen, ‘Op het laatste moment nog bekeerd’, Missiën in China en Congo, december 1898
Jonathan Spence, De poort van de Hemelse Vrede, Amsterdam 1985
Jonathan Spence, Op zoek naar het moderne China 1600-1989, Amsterdam 1991

Wil je vanaf het begin lezen, het eerste hoofdstuk, de proloog, vind je hier.

Het volgende hoofdstuk, nummer 14, 'Kapelaan in Shanhou', vind je hier.