Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
hoofdstuk 12
 

Assistent van Mgr. Abels voor aardse zaken

 
“Ik heb beide handen deftig vol eelt. Ik zie hoe langer hoe meer in dat de Chinezen in landbouwkundig opzicht grote knoeiers zijn”.
Hubert Kallen, Pijnbomen, 17 juni 1898
 

***

 
In mei 1898 woonde Hubert Kallen een half jaar in de Pijnbomen, het hoofdkwartier van de Scheutisten in Oost-Mongolië. Provinciaal Raymakers was intussen naar België vertrokken voor het generaal kapittel. Bij die gelegenheid zouden nieuwe statuten voor de congregatie vastgelegd en een nieuwe algemeen overste aangewezen worden.
   In zijn brieven is nergens iets te vinden dat Hubert zich bezig hield met het (trachten te) bekeren van de bevolking, die bestond uit Chinezen en Mongolen. Mgr. Abels, zo lijkt, zette hem in die tijd vooral in om de missiepost van voedsel te voorzien.
   Goed eten was een eerste levensbehoefte voor de missionarissen. Dat bleek niet alleen uit de boodschappenlijst die Hubert naar Lanaken stuurde, maar ook uit tal van opmerkingen als hij weer eens onderweg was. In het verslag van de reis terug van Tianjin naar de Pijnbomen schreef Hubert bijvoorbeeld: “In de herbergen waren geen verse eieren te krijgen. Daarom was ik genoodzaakt op een vastendag vlees te eten. Onze Lieve Heer zal het mij zeker niet ten kwade duiden”. Reizen was al genoeg boetedoening, legde hij uit.
   Kallen onderzocht hoe de Chinezen aan landbouw deden. Veel brachten ze er, vond hij, niet van terecht. “Het vriezen is overdag gedaan. De grond is ontdooid. Op de dorre heuvels begint een weinig leven te komen. De bomen krijgen al een groene schijn. In het veld zijn de boeren druk bezig met zaaien. In de tuinen krabben en dabben de Chinezen dat het een plezier is om te zien.
   Ik weet niet goed hoe de Chinezen genoeg kunnen oogsten om zich het hele jaar te voeden. Ze gebruiken droge paardendrek met aarde en zand als mest. Met hun uiterst eenvoudige ploeg gaan ze nauwelijks tien centimeter diep. Die vieze schapen zaaien onmiddellijk in de voren, die onmiddellijk daarop worden toegesleept. Het is geen wonder dat ze in twee of drie weken al het land bebouwd en bezaaid hebben”.
   Wat van belang was deed Hubert zelf maar. In Tianjin had hij al inkopen gedaan. “Ik heb nu bloemkool, selderie, koolrapen en Europese uien gezaaid. Ik hoop dat het dure zaad zal uitkomen. De koolrapen – boven de grond – staan er al goed op”.
 

Actief op het land en in de tuin

 
Hubert hield zich niet alleen bezig met groente, maar ook met bloemen. “Ik verzorg al de bloemen, alsmede het hofje van Monseigneur, waar niets dan bloemen, struiken, als mede een paar Chinese perzik- en abrikozenboompjes in staan. Ik had nog zaad voor viooltjes uit Scheut, dat begint uit te komen. In Tianjin kocht ik bij een Chinese bloemist twaalf oleanders en honderd bollen van gele lelies. Van een Jezuiet ontving ik twee geraniums. De bisschop van Peking stuurde me vier planten van dahlia’s”.
   Hubert was duidelijk lichamelijk bezig. “Ik heb beide handen deftig vol eelt”, schreef hij wat later. Naar eigen zeggen had de jonge pater meer verstand van grond bewerken dan de mensen in zijn omgeving. “Ik zie hoe langer hoe meer in dat de Chinezen in landbouwkundig opzicht grote knoeiers zijn. Ze spitten de grond nooit om. Ze krabben hem alleen wat open en strooien er dan wat fijne paardenmest boven op”.
   Zelf deed hij het een stuk beter, meldde hij trots. “Mijn bloemperken staan wonderschoon. In dat opzicht heeft de residentie er nooit zo mooi bij gestaan. Mijn Europese tuinvruchten, erwten, uien, selderie en bloemkool staan er zeer goed bij. Als ik het zelf niet doe gebeurt hier niets. Die domme Chinezen, zelfs onze knechten, bekeerd tot het katholieke geloof, bezien alles met minachting als het Europees is”.
   In Mongolië was er steeds een lange koude winter. Snel daarna barstte de zomer los. In korte tijd steeg de temperatuur van min twintig of minder naar soms wel plus veertig graden Celsius. In de overgangstijd hoopten de Chinezen op wat buien. Die waren van essentieel belang. De missionarissen spoorden hun bekeerlingen daarom aan hulp van Boven te vragen.
   “De christenen hebben acht dagen gevast en gebeden. Gelukkig kwam het wel-doende nat nog juist op tijd. Als het pas een week later was gaan regenen zou de oogst in de herfst niet rijp worden en zou onze arme christenen een jaar lang hongersnood met alle ellende van dien te wachten staan. Nu is er hoop op eten”.
   Als je de brief van de Europese pater leest, was er geen sprake van dat hij zich zelf zorgen hoefde te maken over de aanvoer van voedsel.
   Het weer pakte lang niet altijd uit zoals Kallen dat in Nederland en België gewend was.
   “Ik heb van de regendagen gebruik gemaakt om planten uit te zetten. Intussen is de bloemkool maar slecht uitgekomen. Ik heb maar één bedje”. De erwtjes zagen er ook niet zo uit als hij gewend was. “Het beste zijn nog de asperges. Wekenlang eten we er volop van”.
   De pater moest toegeven dat het Chinese klimaat anders was dan hij dacht. “In de lente moet men te lang wachten met planten en in de hete zon groeit alles zeer gauw. We hebben Chinese radijzen en grote Chinese komkommers. Die peuzelen we na het eten op”.
   Niet alles van de Chinezen was blijkbaar slecht.
 

Bierbrouwer

 
Hubert kreeg nóg een bijzondere opdracht van de bisschop. “Een paar weken geleden zei Monseigneur op een morgen tegen me, dat ik me maar eens met bier brouwen moest gaan bezig houden. Pater Hoogers zou het me wel wijzen. Een paar dagen later was ik als bierbrouwer geïnstalleerd. Ik had wel eens een brouwerij van binnen gezien. Maar van brouwerijen zien tot bier maken is nog een grote afstand!
   Meneer Hoogers is de zoon van een brouwer. Zijn vader is omgekomen toen hij in de brouwketel viel. Omdat hij als directeur van het seminarie nu te veel werk heeft kan hij zich er onmogelijk mee bezig houden. De eerste twee keer lukte het me niet het bier aan het gisten te krijgen. Het mout was slecht. Dat ging dus niet. De gerst is ook niet best. We gebruikten bovendien tonnen van gebakken steen. Daarin werd het bier zuur als azijn.
   Toen ging ik zelf mout maken, stoken, overtappen enzovoort. Elke keer was er een kleine verbetering. Nu is het bier goed drinkbaar, maar nog niet helemaal goed van smaak. Als het uit de ketel komt is het goed maar als het uit de gistvaten komt zit er een onaangename nasmaak aan. Op den duur zal het zover moeten komen dat het bier toch wat op dat van Lanaken lijkt. Ik zal eens aan een paar brouwers schrijven. Helaas hebben we maar één ketel van 175 liter. We zouden er toch minstens twee moeten hebben”.
   Bij de missionarissen in de Pijnbomen werd blijkbaar niet alleen goed gegeten maar ook gedronken.
 

Dierenarts

 
Hubert Kallen had naar eigen zeggen bovendien wat verstand van paarden en andere dieren. Mgr. Abels zette hem ook op dat terrein in. “Tegenwoordig heb ik zo nogal mijn bezigheid. Verleden zondag is het beste paard van de residentie door koliek gestorven. Ze hadden een Chinese kwakzalver geroepen in plaats van er mij iets van te zeggen. Ik zou hem wel melk met gebrand leer hebben gegeven. Ze kwamen mij pas roepen toen het te laat was – een half uur voor het kapot gaan”.
   Voor de Chinezen was het volgens Hubert niet erg als zo’n dier kwam te overlijden. “Als een paard of een ezel de hoek om gaat, hebben die Chinese gulzegaars nog het meeste plezier. Dan spelen ze hem van kop tot staart naar binnen”.
   Kallen behandelde daarom zelf een ander paard. “Er is er een van negen jaren dat vlekken op de ogen krijgt. Jammer dat we geen loodwit hebben. Nu kan ik niets anders doen dan het oog met koud water laten wassen”.
   Hij had het maar druk. “De mooiste muilezel van Monseigneur is vervangen. Ik wrijf hem de benen met stro in en ga twee keer per dag met hem naar de rivier”. Aan zijn (deskundige) familie vroeg hij voor alle zekerheid nog of dat goed was. “De tweede ezel van Monseigneur heeft de voorpoot gebroken boven de knie. Een Chinees heeft het been er weer aangezet, maar ik heb er niet veel hoop op”.
   Een klein boekje over paardengeneeskunde zou de jongeman, die naar China gereisd was er om het ware geloof te verbreiden, goed van pas komen.
 

Op jacht

 


De kamer van Hubert Kallen, met (jacht)geweer en kruis (foto aangeleverd door Henri Houben)

 
Als Kallen de kans kreeg ging hij op jacht. Dat kon wel eens iets lekkers aan tafel opleveren. Op 22 april 1898 was het weer zo ver. “De Chinezen hadden mij verteld dat er op twee uur van hier op een tamelijk hoge berg een grot bestond. Volgens hen zou het bovenste deel van de grot door wilde duiven bewoond worden. Ik dacht: als dat waar is, dan riskeer ik er eens een uitstapje aan. Want wilde duiven zijn niet te misprijzen. Na de middag dus werd het paard gezadeld en met het geweer op de schouder reed ik er samen met een knecht heen. Deze had voor mij een jong paard gereed gemaakt. Een medebroeder in het noorden [van Oost-Mongolië] had het onlangs hierheen gestuurd omdat het hem te wild werd”.
   Hubert had er wel zin in. “Ik deed het paard mijn Europese toom om. Als krawats nam ik nog een goede sterke stok en dacht: laat hem nu maar eens de deugniet spelen, dan zal ik hem wel pepers stampen. Hij was gedwee onderweg. Nu en dan maakte hij onverwacht wel eens een bokkesprong. Maar dat is zo onplezierig niet. Zulke springtoeren breken de eentonigheid en verschaffen wat verandering.
   Na drie uur kwamen we dampend en stampend bij de beruchte berg. Tot mijn teleurstelling zag ik bij de vermaarde grot echter geen spoor van duiven. Boven op de top zag ik een sperwer vliegen. Ik nam mijn geweer en vertelde mijn knecht dat hij maar moest wachten”.
   Zonder voorbereiding klom Hubert omhoog in de hoop wat vogels voor de missie-eettafel te kunnen neerschieten. “Toen begon een opstijging zoals ik nog nooit gedaan had. Op handen, voeten en knieën moest ik mij langs de puntige rotsen omhoog trekken. Meer dan tien keer stond ik op het punt om terug te gaan omdat ik geen plaats meer kon vinden om de handen vast te grijpen of de voeten neer te zetten. Maar als ik dan even naar onderen keek was het nog erger. Aan afdalen langs die rots viel niet meer te denken. Mijn stok hield ik in de mond. Mijn geweer botste links en rechts tegen de stenen”.
   Dat moesten ze thuis eens zien, dacht hij terwijl hij moeizaam omhoog klauterde. “Moeder zou me waarschuwen dat ik zo niet alleen mijn armen maar ook nog hals en benen zou breken”. Hubert had echter vertrouwen in de Voorzienigheid. Wat kon een pater in China gebeuren? “Wees maar gerust, moeder. Ik leef nog. Onze Lieve Heer heeft aan de missionarissen een bijzondere engelbewaarder gegeven”.
   Toen Hubert met veel moeite boven gekomen was ontdekte hij dat het aan de andere kant een stuk gemakkelijker was de top te bereiken. Er liep een herder (een heiden) op zijn gemak rond, op zoek naar zijn ossen, schapen en geiten. Uit diens woorden ving hij op dat er op deze berg wel patrijzen waren maar geen duiven.
   “Ik spoedde mij naar de hoogste top van de rotsen. Daar zag ik twee lange valleien aan mijn voeten uitgestrekt. Het panorama was niet lelijk. In het midden rolde de kronkelende rivier haar zilverkleurig water over het hobbelige bed van keien. Aan beide kanten van de rivier lagen dorpjes met huizen van leem. Eromheen landerijen, soms afgewisseld met groene bomen. Ik genoot van het dichterlijke en schilderachtige uitzicht”.
   Pas op de terugtocht wist Kallen zijn jachtpartij met succes af te ronden. “Het was half zes en om half zeven moest ik thuis zijn omdat wij dan samen geestelijk lezing doen en de rozenkrans bidden. Wij hadden een kwartier gereden toen ik een ongewone vogel in een boom zag vliegen. Ik kon aan de bekoring niet weerstaan, sprong van mijn paard, legde aan en vlam! Een tortelduif kwam naar beneden. Even later kwam de wederhelft voorbijgevlogen en ging even verder in een boom zitten. Ik durfde zoveel tijd niet meer te verliezen om daarvoor terug te gaan. Tien minuten verder sprong ik toch nog eens gauw van het paard. In een oogwenk plofte tot mijn plezier een ‘hoep’ met een mooie kuif neer”.
   De missionaris was nu in volle haast om op tijd aan het bidden mee te doen. “Precies om half zeven stapte ik af”.
 

Missie in bedrijf

 
Hubert, de jonge pater, was dus voorlopig blijkbaar alleen actief in aardse zaken. Maar in geestelijk opzicht deed hij wat hij kon. In een brief aan broer Denis schreef hij: “Ik heb vanochtend voor u het heilig misoffer opgedragen, en in het bijzonder voor Elise”. Zijn schoonzus was immers in verwachting en moest bevallen. “Ik heb de eerste vrijdag van deze maand nog een mis voor haar gecelebreerd. Gedurende deze maand van het Heilig Hart maak ik dagelijks bovendien een bijzonder memento voor haar. Ik hoop dat de bijstand van het Heilig Hart haar in deze moeilijke uren niet zal ontbreken”.
   Voor geestelijke activiteiten onder de Chinezen was hij nog te vers. Waarschijnlijk was hij vooral druk bezig de taal onder de knie te krijgen.
   Pater Piet Spoorenberg, uit Helmond, nodigde hem uit mee te gaan op een missietocht. “Meneer Spoorenberg moest naar een kleine parochie op drie uren rijden van hier om er biecht te horen bij de christenen. ’s Morgens vroeg hij of ik mee wilde draven”.
   Hubert had zo zijn voorwaarden. “Als er ’s middags iets te eten valt dan wil ik wel”.
   “O, eten genoeg”, hoorde hij. “Eieren en vogelzaad is er in overvloed. Ik verblijf er bij een rijke boer”.
   Het onderkomen van Spoorenberg bleek echter niet optimaal te zijn. “Hij had er slechts de beschikking over een armoedig kot. Daar moest hij biecht horen en de heilige mis lezen. Geen wonder dat hij bij zijn terugkomst hevig klaagde over wandluizen en consorten. Het beddegoed met kleren stuurde hij meteen naar het washuis”.
 

Chinees toneel

 
Op dat soort tochten leerde je wél het land en de bevolking kennen. Hubert zette zijn ervaring op papier. “Ik maakte kennis met een Chinese komedie. Die vinden gewoonlijk plaats in de omtrek van pagodes. Dat is iets hoor! Een barak van opgeslagen planken en matten dient tot theater of toneel. Enige venten staan er zich in de gekste bonte kleren uitgedost een ongeluk te roepen en te huilen. Buiten etenstijd spelen ze steeds maar door of er volk is of niet. Van alle kanten stroomt er een ontelbare menigte samen.
   De Chinezen verlaten alles en laten alle werk in de steek om eens naar de komedie te gaan. Ja zelfs de vrouwen met hun kleine pootjes. Volgens Chinees gebruik zouden ze niet naar buiten mogen komen, maar ze liepen in groten getale naar het schouwtoneel. Rondom de grote barak staan kleine barakken, waar men kan eten, drinken en ’s nachts slapen
   Toen wij langskwamen liep het volk op ons af. Ze wilden die westerse duivels wel eens zien. Toch gingen de komedianten door met razen en tieren”.
  
De Europese priester maakte van de gelegenheid gebruik om ogen en oren eens goed de kost te geven. Zonder omhalen legde hij aan zijn familie uit wat hij ervan vond.
   “In zulke omstandigheden gaat het er afschuwelijk onzedelijk en liederlijk aan toe bij zo’n troep heidenen. Op die plaatsen wordt verschrikkelijk om geld gespeeld. Huis, inboedel, landerijen, ja zelfs vrouw en dochters van menigeen schieten er bij in”. In China waren echtgenote en dochters eigendom van de man. Die kon je dus verkopen of verspelen.
   Voor de Chinese gezagsdragers, de mandarijnen, had Hubert al helemaal geen goed woord over. “De mandarijnen zijn nog erger dan de andere Chinezen. In plaats van de geldspelers te straffen zijn zij zelf de hele dag met niets anders bezig dan met sapeken [geld] te spelen. Als ze vertrekken nemen ze de een of andere schavuit, die veel gewonnen heeft, bij de nek en steken hem zonder verder proces in het kot [verzekerde bewaring] omdat hij de wet op geld spelen overtreden heeft. In Europa zou dat niet kunnen, maar hier is dat heel gewoon”.
 

Gokken om alles: je huis, je geld, je vrouw, je kinderen  
 

Er werd niet alleen grof gegokt maar ook toneel gespeeld. “De komedianten zijn gewoonlijk jonge jongens. Nooit verschijnt er een vrouw op het toneel. De vrouwenrollen worden door verklede jongens gespeeld. De jongens worden door [toneel]-ondernemers opgekocht of gehuurd. De onderwerpen zijn gewoonlijk uit de oude geschiedenis. De kleding is uit die tijd. Deze wordt over de gewone kleren aangetrokken.
   Een paar minuten voor ze op het toneel verschijnen weten de spelers nog niet wat zij zullen opvoeren. Meestal kiezen de voornaamste toeschouwers een toneelstuk. De spelers trekken dan het bijpassende kostuum aan en de uitvoering begint. Oorverdovende muziek begeleidt het gebarenspel van de komedianten. Het libretto, met weinig stemkracht uitgebracht, is nauwelijks hoorbaar. De opvoeringen voor het [gewone] volk zitten in het algemeen volgepropt met liederlijke, onbetamelijke woorden en zinspelingen. Het spel is doorzaaid met dubbelzinnige en slechte gebaren”.
   Kallen maakte een vergelijking met de kermis thuis. “De komedies duren drie of vier dagen. Soms nog meer. Ze houden slechts op gedurende een deel van de nacht en op het uur van de maaltijden. Het is nog erger dan een boerenkermis. Alle zaken liggen plat. Grote groepen heidenen, meestal landbouwers, komen van alle kanten uit de bergen”.
   De missie wist hoe ze met dat heidense gedoe moest omgaan. “Het is onze christenen verboden zich naar dit onzinnige gedoe te begeven. Want er komt nog bij dat veel komedies een bijgelovig doel hebben. De komedianten doen dikwijls aan afgodendienst, op het toneel of op een altaar dat ze klaargezet hebben. Ziedaar wéér zo’n [slechte] karaktertrek van het Chinese leven!”
 

Belangrijk nieuws

 
Pater Kallen maakte duidelijk dat zo’n Chinees toneel-spektakel direct van invloed kon zijn op het functioneren van de missie. “Deze week is er een komedie in het grote heidense dorp op een kwartier van hier. Wij kunnen nu geen volk meer krijgen om de muur af te maken”.
   Toen Hubert in de Pijnbomen arriveerde was de missiepost al bijna helemaal als een vesting ingericht. In de zomer van 1898 moest er de laatste hand aan gelegd worden. Intussen was het, constateerde hij, ruim 37 graden Celsius geworden. De Europeanen staken, lijkt het, zelf geen hand uit. “De werklieden zijn nu begonnen met het laatste stuk van onze grote muur. Er moeten rots-stenen gehaald worden. Dat is een lastig werk. De Chinezen, die niet veel kracht hebben, moeten alles zonder machine doen.
   Gisteren waren ze dikke stenen in de grondvesten aan het leggen. Die moesten ze met acht man iedere keer naar de kuil dragen. Dat doen ze met tweeën en tweeën een stok op de schouders te dragen; aldus vier stokken waaraan de steen door een dwarspaal en koorden is vastgebonden. In Europa zouden ze zo’n steen misschien wel met drie of vier man dragen. Maar van de Chinezen kun je niet vergen dat ze Hercules worden met rijst en vogelzaad”.
   Tot overmaat van ramp waren de arbeiders nog duur ook. “Wij moeten vierhonderd sapeken, dat is bijna tien cent per dag [ruim 4 eurocent per persoon] betalen”.                       
 
Aan het einde van de brief die Hubert op 15 juni 1898 naar België stuurde, had hij groot nieuws te melden dat in de Pijnbomen juist uit dat zelfde land was gearriveerd. “Gisteren is in een telegram over Koeldja [huidige naam: Yining, in het westen van de Chinese provincie Xinjiang] het bericht gekomen dat [Adolf] Van Hecke tot generaal overste gekozen is. De oude meneer Meyer komt terug, maar [Henri] Raymakers, de provinciaal, niet”.
   Mede door de besluiten in het generaal kapittel te Scheut waren nieuwe tijden aangebroken voor de missionarissen van die congregatie in het noorden van China.
 
Harry Knipschild
12 februari 2014, 20 mei 2015

Het volgende en dertiende hoofdstuk, 'Veranderingen in China', vind je hier

Wil je vanaf het eerste hoofdstuk, de proloog, lezen, klik dan hier.