Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
hoofdstuk 11
 

Voorjaar 1898

 
“Op het voorbeeld van Duitsland en vriend Rusland heeft ook Frankrijk al twaalf oorlogsschepen in de Chinese Zee – om zijn hapje te krijgen. Rusland zal er wel voor zorgen het grootste brokje te krijgen. De Russen zullen Mandchoerije en een deel van Mongolië wel inpalmen”.
Hubert Kallen in de Chinese stad Tianjin, maart 1898
 

***

 
Hubert Kallen was er beducht op dat het samenvallen van het Chinese nieuwjaar met de voorspelde zonsverduistering tot onlusten zou leiden. Achteraf constateerde hij dat het allemaal  meeviel. “De zonsverduistering op nieuwjaar [22 januari 1898] is nog al goed voorbij gegaan. Wij hebben ze hier niet totaal gezien, alleen maar in midden-Azië [was die volledig]. Zij had plaats om half vijf ’s avonds bij het ondergaan van de zon”.
   Voor Hubert was het de eerste keer dat hij het grote Chinese feest meemaakte. Je kon er niet omheen. “In het nabijgelegen heidens dorp was er verschrikkelijk lawaai. Ze waren daar de klok van de pagode aan het luiden. De mensen sloegen op ketels, tam-tams en trommels. Het was zo’n lawaai, het leek wel alsof er muziek uit de hel kwam”.
   De missionaris was inmiddels begonnen de uit Europa meegebrachte foto-apparatuur te gebruiken. Hij legde onder meer vast dat de schijf van de zon gedeeltelijk verduisterd was.
   De plaatselijke bevolking plaatste een en ander in een eigen religieus kader. “Met het lawaai wilden de Chinezen de hond (een Chinees hemeldier) verschrikken om zo de zon te doen loslaten en die hond te beletten de zon in te slikken. Ik heb er een fotografie van genomen. Goed is op dat zwarte plekje te zien hoe de hond al een stuk uit de schijf gebeten had”.
   Hubert noemde de nog niet bekeerde Chinezen in zijn brief ‘bijgelovige geelhuiden’.
  
De missionarissen van Scheut vierden het feest voornamelijk met een goede maaltijd. “We hadden een kar naar de stad gestuurd [knechten om voedsel in te slaan], over een afstand van Lanaken tot Roermond. Ze hadden tevens mooie noten meegebracht, afkomstig uit het zuiden van China. Kastanjes waren er ook maar te zeer bevroren om goed te smaken. We hebben hier nu enige trosjes druiven, die de Chinezen heel netjes kunnen bewaren. Ze hangen in stenen potten waarvan de bodem met water bedekt is”.
   Voor de gewone Chinezen, ook de christenen, was nieuwjaar ingrijpender. “Op voorhand werd er voor schone kleren gezorgd. Enige Chinezen werden gewassen. Niemand dacht die dag aan werken. Alleman ging nieuwjaar wensen. Dat duurde zeker een week. Er werd heel wat maagvulsel verorberd. Men zag ze blinken en zweten om de ene schotel na de andere leeg te schuimen”.
   Helemaal prettig was het niet voor Hubert. Wat de Chinezen verorberden was een aanslag op zijn Europese reukorgaan.
 

Hubert Kallen als fotograaf

 
Voor het eerst had men in de Pijnbomen berichten opgevangen over de jonge paters die samen met Hubert de reis naar het verre oosten gemaakt hadden. Met twee van de vier was het na het afscheid in Tianjin helemaal niet goed gegaan. “Arthur Hustin en Jozef Van Kerkckhoven hebben een maand in het hospitaal van Peking gelegen met de tyfus”. Zij waren gelukkig genezen.
   Slechter was het afgelopen met Piet Smet (geb. 1860 Melsele, Vlaanderen) die de twee andere nieuwe paters in Tianjin was komen halen. “Deze missionaris, een flinke heer van ongeveer 36 jaar, is een paar weken na terugkomst op zijn residentie schielijk overleden”.
   Erger dan de dood was in de ogen van Kallen dat hij zonder het heilig oliesel kwam te sterven. “Het schijnt dat er geen tijd meer was om een Chinese priester te roepen. Die gaf missie in de omtrek”.
   In de brieven die Kallen naar huis stuurde stelde hij regelmatig dat hij nog goed gezond was. Dat was niet vanzelfsprekend voor missionarissen in China. Heel wat van hen bezweken, soms al kort na aankomst, aan wat zij aanduidden als tyfus of vlektyfus.
 
De paters die gezond bleven waren regelmatig op reis. “Monseigneur is uit het noorden terug gekomen, vergezeld van [Leo] De Smet, de enige confrater die wij nog niet gezien hadden. Hij is acht dagen hier gebleven”. En daarna was De Smet alweer en route.
   Dat gold tevens voor Abels, Raymakers en Meyer. “[Abels] moet de wijding van de nieuwe hulp-bisschop van Peking bijwonen. Hij vertrekt samen met de provinciaal, die hier niet meer zal terugkomen. Pater Meyer gaat evenals [Raymakers] naar Tianjin. Ze varen terug naar België. Op het einde van mei zal te Scheut het generaal kapittel plaats hebben, waarop vele belangrijke vraagstukken behandeld moeten worden”. Kallen doelde onder meer op het kiezen van een volgende algemeen overste en het vaststellen van nieuwe leefregels voor de leden van de congregatie.
   Confrater Meyer zou een aantal foto’s overzee meenemen voor de familie Kallen. Hubert deed er alles aan. Uiteraard mocht hij zelf niet ontbreken. “Ik zal mijn Chinees voorkomen toch ook eens moeten weergeven, anders krijgt u van alles te zien behalve de fotograaf”.
 
Kallen zette zich met name in om de gebonden voetjes van Chinese vrouwen op de gevoelige plaat vast te leggen. “Het is zeer lastig Chinese heidense vrouwen met kleine voetjes te fotograferen. Dat laten ze niet toe. Ik heb toch een middel gevonden [om dat voor elkaar te krijgen]. Met vier kwajongens ging ik naar een brug. Ik liet de jongens daar op staan en zette mijn toestel gereed om foto’s van hen te nemen. Op de brug moet iedereen voorbij.
   Opeens kwam er van verre een vent af, die heel ernstig een ezel vooruit trok. Zijn madame met van die geitenpootjes zat er op. Zo had ik het verwacht. Mijn toverkastje stond gereed om de brug weer te geven. Geen middel om te ontsnappen. Toen ze bij de brug kwamen ging ik met mijn rug naar ze toe staan, nam de peer in de hand en zodra ik dacht dat het drietal op de gewenste plek was: krak! Klaar was Kees!”
   Die foto zou hij aan pater Meyer meegeven voor Lanaken.
 


Vrouw met gebonden voetjes (foto Hubert Kallen, 1898, aangeleverd door Henri Houben)

 
Aan zijn familie legde Hubert bovendien uit dat de Chinezen in zijn omgeving niet het minste idee hadden van de betekenis van een foto. Meneer en mevrouw moesten eens weten dat ze gefotografeerd waren. “Moet ik nu geheel mijn leven veroordeeld zijn om een ezel vooruit te trekken?” zou de eerste zeggen, “En ik zou dan voor altijd op een ezel moeten zitten”, zou de vrouw met de geitenpootjes uitroepen.
   Kallen: “Wat zou ik een hoop smerige verwensingen naar mijn hoofd krijgen. Die belachelijke heidenen menen in hun bijgeloof immers dat zij hun hele leven in dezelfde lastige omstandigheid moeten blijven waarin zij gefotografeerd werden”.
   Soms was dat een voordeel. “Aan tafel [bij het eten] zullen ze daarom wel gaarne genomen worden”.
 

Voedsel

 
Nu Hubert bij zijn favoriete onderwerp aangekomen was, ging hij door. “Het was nog altijd winter. Verleden week had het een hele dag gesneeuwd. Een goede gelegenheid om eens een haasje op te sporen. Door de sneeuw kan men een spoor van het dier volgen tot men erbij geraakt”.
   Jammer genoeg ging de pret niet door. “Het was de eerste vrijdag van de maand”. Op die dag hielden de Europese geestelijken hun maandelijkse retraite. “De jacht moest er dus bij inschieten. We kochten daarom wat haasjes van scherpschutters. Die kwamen goed van pas bij het afscheidsfeest [van onze medebroeders die op reis gingen].
   De peren zijn nu ook bijna op. U kunt zich waarschijnlijk niet voorstellen hoe blij men is zulk een nagerecht op de grote feesten te krijgen. Chinese peren zijn goed houdbaar, maar hebben geen bijzondere smaak. Appelen zijn hier niet. In zuidelijk China zijn er wat wilde appeltjes. Kersen zijn hier ook niet. Vergeet niet deze zomer wat kersenpitten te bewaren. Ik zou ook nog veld- en tuinzaden moeten hebben in het najaar. Ik hoop hier in de Pijnbomen wat verbetering aan te kunnen brengen”.
   Over hoe hij bezig was, of zou zijn, om Chinezen te bekeren geen woord. Als kind van een boerenfamilie stond zijn hoofd er nog niet naar, lijkt het. “In het vicariaat zijn maar twee of drie missionarissen die van een pachthoeve afkomen. De anderen zijn allemaal uit goede burgerfamilies afkomstig. Zij weten daarom maar weinig van landbouw”.
   Hubert Kallen had zijn hoop op de onderdanen van tsaar Nicolaas II gevestigd. “Wanneer de Trans-Siberische spoorweg klaar zal zijn kunnen [landbouwproducten] ingevoerd worden”. Alsof de Russen daarvoor zo’n lijn waren aan het aanleggen. Het waren de dagen dat de Europeanen met begerige ogen naar het Chinese grondgebied keken – de West-Europeanen, Japanners en Amerikanen vanuit zee, de Russen vanuit Siberië.
 

Belangrijke gebeurtenissen in het Chinese leven

 
Van goed eten kwam Kallen vanzelf op belangrijke gebeurtenissen in het leven in zijn omgeving. “Behalve het nieuwjaar zijn er nog twee gelegenheden waarop de Chinezen geweldig katoen leveren aan spijs en drank. Die twee omstandigheden zijn: trouw- en begrafenisfeesten, de twee voornaamste tijdstippen van hun leven. Op die momenten maken ze lawaai en hebben veel plezier.
   Van de trouwfeesten kan ik nog niet veel zeggen omdat ik nog niet de gelegenheid had ze gade te slaan. De kleur bij de huwelijksfeesten (kleren en versieringen) is schreeuwend rood, de geliefkoosde kleur van de Chinezen. Bij de begrafenis heeft wit de bovenhand. U ziet dat in China alles omgekeerd is als in Europa. Wij zitten hier dus scheef met de zwarte kleur van de mis-kleren voor begrafenissen”. De missionarissen waren niet van plan van die gewoonte af te wijken. De Chinese katholieken moesten zich maar aan de westerse gewoontes aanpassen. “De kinderen zijn er al aan gewend”.
   Wit was dus de rouwkleur van de nog niet aangepaste Chinezen. “Bij iedere fatsoenlijke begrafenis zijn enkele personen van top tot teen in het wit gestoken. Zelfs witte schoenen en witte muts in de vorm van een halve tulband met van achteren afhangende linten. De overige familieleden dragen tenminste witte mutsen, witte schoenen en witte ceinturen”.
 
Kallen vertelde meer over hoe het toeging bij het overlijden. Kennelijk had hij er die winter al ervaring mee. “Het is de man verboden bij de dood van zijn wederhelft te huilen. Bij het sterven van een echtgenoot hoort de vrouw zelfs vreugde te tonen en te lachen. De man komt op de begrafenis van zijn vrouw, maar zij is afwezig als hij ter aarde besteld wordt.
   U weet dat een Chinees gelukkig is als hij een flinke, sterke doodskist bezit. Vele families worden straatarm door het kopen van dure lijkenkisten. Deze zijn ontzettend groot en van uiterst dikke planken gemaakt. Als er genoeg geld is zijn die planken minstens tien centimeter dik. Zo dik waren die van de kist van Mgr. Rutjes”. (Theodoor Rutjes, voorganger van Mgr. Abels, overleed op 4 augustus 1896 in de Pijnbomen).
   Blijkbaar wilden de missionarissen bij de begrafenis van de bisschop in 1896 indruk maken op hun omgeving.
   “Binnen in die kisten is zoveel ruimte dat twee Chinezen er op hun gemak in kunnen dobbelen of kaartspelen. Dat komt door het bijgeloof van de heidenen. Die steken geld, kleren en eten bij het lijk. Ze menen dat de overledene het geld nodig heeft om zijn reis te kunnen volbrengen. Zij geven hem behalve papieren geld soms ook een papieren paardje en een papieren karretje mee om aan de overkant niet te voet te moeten lopen. Evenals de oude Grieken geloven ze ook dat ze een kwade hond moeten passeren. Daarom leggen veel Chinezen nog een paar koekjes in de kist. De dode kan die dan voor de hond werpen en zelf gauw doorsluipen als ‘Cerberus’ bezig is die op te peuzelen. Toch slim!
   Omdat de kist zo zwaar is zijn er minstens zestien dragers nodig, dikwijls zelfs 20 of 24. Het is dom en koddig om aan te zien. Ik zou er wel eens een foto van willen maken, maar dat zal niet gemakkelijk zijn. Lachend, tierend en roepend sjouwen ze met de zware kist de bergen op – totdat ze bij de hemel gekomen zijn, de plek waar de familiegraven bijeen liggen. Onderweg, bij de treurige plechtigheid, maken ze muziek en lawaai, lawaai en muziek”.

De missionarissen probeerden tot stand te brengen dat begrafenissen voortaan normaal zouden verlopen, dat wil zeggen volgens de normen van het geloof van het Westen. “De christenen doen het wel een weinig bedaard maar ze zullen op dat punt toch nog veel vooruitgang moeten maken. Het is al goed dat ze, anders dan de heidenen, geen bijgelovigheden of afgodendienst meer doen. De [Chinese] gebruiken kunnen zo gauw niet uitgeroeid worden. Vooral die weensters niet. Wanneer de kist tot rust gekomen is verschijnen er enige vrouwen. Met veel droevige gebaren vallen ze op de grond. Een paar uur lang huilen en schreeuwen de vrouwen zo hevig dat ze er wilde dieren mee zouden wegjagen. Misschien is er daarom geen wild meer te vinden!”
   Op die manier kon Hubert aan zijn familie uitleggen waarom hij tot nog toe zo weinig resultaat had als hij weer eens op jacht ging.
 

Naar Tianjin

 
De volgende brief die de familie Kallen uit China ontving was gedateerd 22 maart 1898. In Lanaken kwam men erachter dat hun Hubert eveneens op pad gestuurd was.
   Vanuit Tianjin, voorstad en haven van Peking, schreef hij: “Ik ben weer aan het reizen geraakt. Ik heb [Willem] Meyer naar de haven gebracht waar hij zich heeft ingescheept om naar het generaal kapittel van Scheut te gaan”.
   Volgens de mensen in zijn omgeving was Meyer (geb. 1838) een heel oude man geworden. “Meneer Meyer is heel versleten, beweegt zich niet meer. Hij kan zelfs niet meer naar de retraites komen” schreef zijn medebroeder Jaak De Groef.
   De reis van Kallen en Meyer door het berglandschap zal dan ook wel niet soepel verlopen zijn. “Wij waren op 6 maart [1898, dus zestien dagen eerder] uit de residentie vertrokken. Onderweg hebben we een verschrikkelijke noordenwind met zand, stof en duchtige sneeuwvlagen gehad. Je zag geen hand voor je ogen. Meyer zat in een dicht karretje. Op het paard was het ook niet alles. De winter is hier nog niet voorbij”.
   De oude missionaris, die het laatste stuk naar Tianjin per trein aflegde, kon nu kennis maken met de westerse vooruitgang. Meyer was in 1866 boven de Grote Muur van China uitgekomen en in die regio blijven steken. Kallen: “In de trein was het geweldig koud. Zo koud dat we niet in ons brevier lazen. In plaats daarvan baden we drie rozenhoedjes, conform Rome het bepaald heeft als regel tijdens reizen.
   Meyer had sinds 32 jaar [bij zijn vertrek uit Europa] geen trein meer gezien. Hij had nog nooit een velo voor ogen gehad. U kunt wel denken welke ogen hij opzette toen hij hier in de havenstad voor het eerst enige Europeanen per fiets zag voorbijsnorren!”
 


 Willem Meyer en provinciaal Raymakers (foto Hubert Kallen, aangeleverd door Henri Houben)

 

Europese reactie op de moorden in Shandong

 
In Tianjin hoorde Kallen meer over de consequenties van de moord op de twee paters van Steyl in Shandong op 1 november 1897. “De vermoording van twee Duitse missionarissen is het uitgangspunt geweest van allerlei daden en feiten. De Europese mogendheden zijn weer goed bezig het arme China de veren uit te plukken. Ik zeg niet dat China niet verdiend heeft een flinke aframmeling te ontvangen, maar nu gaat het er toch wat wreed aan toe.
   De Europeanen deinzen voor niets meer achteruit. Met het volkerenrecht houden ze geen rekening meer. En dat alles onder het voorwendsel de katholieke missies te beschermen. Het is om te lachen. Die vermoorde missionarissen zullen er vet mee zijn. Onrechtvaardigheid, roof, plundering en diefstal, ziedaar het doel. Wat zou men ook anders kunnen verwachten van goddeloze [Frankrijk] of protestantse staten [Engeland]? Zij beschermen veel minder de missies dan wel om er groot voordeel uit te trekken”.
 
Voor zover het zijn familie nog niet duidelijk was, legde Hubert het opnieuw uit: “Waarom beschermen ze de missionarissen niet door de moeilijkheden en moorden te voorkomen? Ze worden steeds door de heidenen bedreigd en gepest. Maar als ze in Peking gaan klagen vinden ze bij de Europese gezanten geen gehoor. Waarom zetten die de Chinese regeerders niet meteen het mes op de keel?” In de ‘ongelijke verdragen’ van 1860 waren de rechten van de westerlingen toch vastgelegd.
    “Nee, eerst maar een van die goede missionarissen de kop laten afslaan en dan onder voorwendsel van wraak een provincie [Qingdao in Shandong] inpalmen.
   De missies verlangen geen andere bescherming dan deze: na baldadigheden de schuldigen te doen straffen en de stoffelijke schade te doen herstellen”. Zo simpel was het. “Levens van missionarissen zijn tegen geen prijs betaalbaar, zoals de bisschop van Peking na het bloedbad van Tianjin [1871] antwoordde”.
   De Scheutisten in Oost-Mongolië hadden ervaring genoeg. “In 1890 zijn er in ons vicariaat een Chinese priester [Petrus Lin] en vierhonderd christenen vermoord. Daarbij werden nog drie residenties en vier kerken in brand gestoken. Nooit hebben wij daar één cent van terug gekregen”.
   Kallen legde de schuld bij de ongelovige Fransen. De paters van Scheut opereerden in China immers onder Franse protectie. “De Franse minister van die tijd, de goddeloze Lemaire, heeft na enige grimassen een stuk ondertekend waardoor alles blauw blauw bleef”.
   De Duitse missie van Steyl had zich los van de Franse invloedssfeer gemaakt en was een eigen koers gaan varen. “Daarom hebben de Duitse missionarissen het protectoraat van Duitsland gevraagd en verkregen. Duitsland wist wel waarom het zijn toestemming gaf. Frankrijk durfde niet vooruit te rukken, deels uit vrees, deels omdat het reeds genoeg te stellen had in Tonkin en Annam”.
   Die twee staten in het huidige Vietnam kwamen regelmatig in opstand tegen de Franse kolonisatie van het gebied. 
          
De annexatie van een stevig gedeelte van Shandong door het Duitse keizerrijk had de Europese ambities in China volgens Hubert Kallen in een stroomversnelling gebracht. “Op het voorbeeld van Duitsland en vriend Rusland heeft ook Frankrijk al twaalf oorlogsschepen in de Chinese Zee om zijn hapje te krijgen. Rusland zal er wel voor zorgen het grootste brokje te krijgen. De Russen zullen Mandchoerije en een deel van Mongolië wel inpalmen”.
   In dat geval zou de missie van Scheut bedreigd worden door de aanhangers van het orthodoxe Russische geloof. “Als dat gebeurt”, aldus Kallen, “zullen ze ons nog wel eens komen zeggen: ‘Gaat maar stilletjes naar huis. Wij hebben u hier niet nodig’”. De Trans-Siberische spoorlijn werd niet voor niets aangelegd.
   Maar hoe dan ook, zo ver was het gelukkig nog niet. “Zolang wij in Mongolië zijn zullen wij ons best doen die arme Chinezen tot betere gedachten te brengen, volgens Gods wil”.
 

Praktische zaken in Tianjin

 
In Tianjin waren er ook Chinezen die, wellicht dankzij goede contacten met het Westen, rijk geworden waren. Eén ervan gebruikte Paul Splingaerd, de Belg die in 1865 met de eerste paters van Scheut naar het verre oosten getrokken was.
   “Hij heeft mij de huizen laten zien die men nu voor zijn Chinese patroon aan het bouwen is. De Chinese gebouwen zijn wonderschoon en vormen een waar paleis. Daarbij is men nog bezig een Europees kasteel af te maken, dat het mooiste van Tianjin zal zijn. Er is zelfs een Europese theaterzaal bij met galerie. Die Chinees zal zeker nu en dan een paar Europese artiesten laten komen. Hij is bijna zo rijk als Li Hongzhang. Hij heeft fabrieken, schepen en mijnen, met een Europese ingenieur aan het hoofd. [De Chinees] is vroeger gouverneur geweest, maar geniet nu de stille rust te midden van zijn zilverklomp [kapitaal]”.
   Vanzelfsprekend hield de jonge missionaris zich ook met aardse zaken bezig. Niets menselijks was hem vreemd, zoals steeds bleek uit de tekst van zijn brieven. “Ik ben aan het rondlopen om een en ander voor de missie te kopen. Bij de Europeanen scharrel ik wat zaad, bloemenzaad en bloemen bijeen. Daar hebben wij anders niet de gelegenheid voor. Ik zal waarschijnlijk ook een drietal jonge honden van Europees ras meenemen. Ik heb al een soort taks. Ik zoek nu nog een kleine fox terrier en een kleine jachthond”.
   Intussen leerde hij de Chinese keuken waarderen. “Weet u wat ik al gegeten heb? Zuivere varkensdarmen, in vierkante stukjes gehakt. De eerste keer is men bang en vies zoiets te nemen. Maar ik verzeker u dat het helemaal niet slecht smaakt. Geen wonder dat de slagers in de grote steden ze in de worsten doen. Voor de Chinezen is dat een buitengewoon lekkere portie, die ze alleen op nieuwjaar krijgen”.
   Hubert at niet alleen regelmatig varkensdarmen, maar ook Mongoolse boter, liet hij zijn familie op de pachtboerderij weten. “Wij krijgen onze boter uit het noorden van de Mongolen. Weet u hoe ze die maken? Zij koken de melk totdat de boter er boven op komt. Zij schuimen dan de boter af en gieten ze in een koe-maag. In die vorm wordt ze ons gestuurd”.
 
De missionaris had iets moois voor zijn familie: een flinke stapel foto’s die hij de afgelopen maanden zelf gemaakt had. Nauwkeurig schreef hij op wat er op al die ‘lichtprenten’ wel te zien was. Allereerst natuurlijk bisschop Abels, provinciaal Raymakers en de medebroeders Jansen, Meyer, Hoogers en [Eugeen] Wauters. Ook heel wat Chinezen, onder wie de studenten van het college en het seminarie, had hij op de gevoelige plaat vastgelegd. Hubert vond het echter niet nodig die met hun naam aan te duiden.
   Wel liet hij gedetailleerd op diverse afbeeldingen zien hoe de bisschoppelijke residentie er van binnen en van buiten uitzag, met kerk, kapelletjes, seminarie, gebouw van de kindsheid enzovoort – en niet te vergeten de ommuring met wachttorens voor een mogelijke aanval van opstandige Chinezen.
    Trots was hij op de foto van ‘madame met de kleine poten op de ezel’. En als laatste afbeeldingen van zich zelf: “Enige portretten van Bertus voor zijn vertrek [naar Tianjin]. Op het zadel van het paard hangt een dubbele leren zak met allerlei reisbenodigdheden, de reisdeken en bovenop het gevoerde geitevel om op te slapen”.
   Bij de foto’s deed hij ook nog wat curiositeiten: een paar versleten Chinese schoenen, wintersokken en de bek van een vogel die hij neergeschoten had.
 

Wensen voor het thuisfront

 
Aan het einde van zijn brieven legde Hubert steeds zijn wensen vast. “U bent daar in het wijnland. Misschien kunt u wel iemand vinden die zelf wijn maakt en die op een paar bladzijden het wijn maken zou kunnen beschrijven: het persen, het laten staan, gisten, in de tonnen doen enzovoort. Het kan in het Duits zijn, maar niet in Duitse letters”. Bovendien: “Ik zou in de herfst graag allerlei zaad hebben. Bewaar van alles maar wat. Ik zou graag een kaart van België en een van Holland krijgen”.
   Het werd tijd om weer terug te gaan naar de Pijnbomen. Daar aangekomen bedacht Hubert dat hij zijn familie een lange, lange lijst met de meest uiteenlopende wensen kon voorleggen. Af en toe maakte hij er een tekening bij om aan te geven wat hij precies bedoelde. Het was niet niks waar hij allemaal behoefte aan had: Zes paar sokken (‘reeds gevraagd’), stopnaalden, linnen of leren broekbanden, boortjes, verfborsteltjes, pekdraden, pijpjes voor sigaren, ringen voor gordijnen, een schop (‘groot genoeg om bloembedden om te spitten’), een diepe koekepan, een klein plat keteltje (‘om voor drie man soep te koken’), schuurpapier, Duitse en Engelse (woorden)boeken, grote stijgbeugels, een kleine ijzeren tuinhark, gelatine, behangselpapier, nagels, een vuurwortel, rode aardappelen, kersenpitten, beukenoten, komkommerzaad, spinazie, koolrapenzaad, charlotten, radijszaad en nog veel meer.
   In Lanaken konden ze die zomer van 1898 aan de slag voor hun dierbare pater in China.
 
Harry Knipschild
7 februari 2014 – 26 april 2015

Wil je vanaf het eerste hoofdstuk (de proloog) lezen, klik dan hier.
    
Het volgende hoofdstuk, 12, 'Assistent van Mgr. Abels voor aardse zaken', vind je hier.