Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
hoofdstuk 5
 

Op weg naar Shanghai in China

 
“Het is waarlijk bewonderenswaardig hoe arme Chinese meisjes in het gesticht van de heilige kindsheid opgevoed en later opgeleid worden tot goede katholieke huismoeders”.
Hubert Kallen, Shanghai, 15 oktober 1897
 

***

 
Als je vandaag de dag naar Shanghai wilt reizen stap je in het vliegtuig. Diezelfde dag kom je er aan. Maar in de lucht maak je niet veel mee. Voor de terugtocht geldt hetzelfde. De missionarissen die aan het einde van de negentiende eeuw over zee naar die stad reisden hadden andere ervaringen. Regelmatig hadden ze te kampen met zware stormen. Hubert Kallen bleef naar eigen zeggen als enige van het zestal recht overeind. Misschien was de tocht naar het onbekende verre land wel een enkele reis, legde hij vast. Maar dat gaf niet. Hubert had zijn lot immers in handen van de Voorzienigheid gelegd.
 
Op 30 september bereikte de Oceaniën, het schip waarmee de zes Scheutisten van Colombo naar Shanghai reisden, de wateren van Nederlands-Indië. In het noorden van het eiland Sumatra waren Nederlandse troepen al vanaf 1873 in de weer om moslims, die streden voor de onafhankelijkheid van Atjeh, eronder te krijgen. Kallen: “In het midden van de dag kwamen wij langs kaap Achem en voeren de straat van Malakka binnen. Rechts zagen we een gedeelte van Sumatra, namelijk de groene kusten van Atjeh. Dat was iets anders dan die naakte rotsen van Egypte en Arabië. Geen wonder dan ook dat de Hollanders de krijg volhouden om dat rijke land onder de duim te houden. Zelfs op de hoogste bergen troont het groene struikgewas nog boven de wolken”.
   Hubert genoot volop van de natuur terwijl hij het verslag voor zijn familie aan boord zat te schrijven. “Heerlijk is de zonsondergang. Het bloedrood van de ondergaande Phebus-ster omgeeft de slanke toppen van een verdwijnende berg. Op allerhande wijze komen asgrauwe onweerswolken die vuurgloed doorkruisen. Ze vormen een menigte figuren van allerlei aard en vorm: rotsen en bergen, torens en kastelen, mensen en dieren – en nog veel meer. Betoverend is het aanzicht, vooral als het laatste kwartier van de maan, met een bloedige krans omgeven, door de zwartgrauwe sluier dringt om haar bleke lichtstralen op de wijde waterplas te zien weerkaatsen”.
   Een dag later was hij in een andere stemming bij het vastleggen van zijn ervaringen. “De zee is kalm en bedaard. Zij laat ons toe de eerste vrijdag van de maand op goddelijke wijze te vieren en ook de opening van de rozenkransmaand op waardige wijze aan Maria op te dragen. Dit is voorzeker een groot geluk voor ons, die de moeilijke zeereis deze maand moeten voltooien”. Kallen liet niet na de ‘Algoede’ te bedanken voor deze gunst.
   Tijdens een concert aan boord viel hij in slaap.
 

Brits Singapore

 
Op de tweede dag van de rozenkransmaand bereikten de zes reizigers het Britse Singapore, een stad die Kallen niet voor niets de ‘koningin van het oosten’ noemde. Ze konden van de Oceaniën gewoon de kade opstappen. “Zeer groot is de haven, door de natuur zelf aangelegd. Heel veel schepen leggen hier geregeld aan, hetzij om nieuwe voorraad op te doen, hetzij om in of uit te laden”.
   In Singapore maakten de missionarissen voor het eerst kennis met Chinezen die er langzamerhand de baas waren gaan spelen. Chinezen waren, vond Kallen, even erg als joden. De oorspronkelijke inwoners waren gedegradeerd tot helpers van de Chinezen. Racisme was hem, zoals gebruikelijk in die tijd, niet vreemd. “Op kleine paardjes reden wij door Chinese straten met vuile winkels. Nooit zal ik iets kopen van die halfrotte waren van die Chinese joden. Ze liggen er de hele dag met hun bruin vel over uitgestrekt. De Chinezen trekken alle handel naar zich toe. De Maleiers, de eigenlijke inboorlingen van het land, zijn hun nederige dienaren geworden”.
 
Gelukkig konden ze zich terugtrekken op de missiepost van de Parijse missie. “We brachten er enige genoeglijke uren door. De procurator [administrateur] woont er in een ruim en luchtig huis. Men vindt er bescherming tegen de boze zonnestralen. Een afgemat mens kan er zich eens goed verfrissen”.
   Er lag hier bovendien een brief uit China op hen te wachten. “Onze procurator uit Shanghai [Steenackers] schrijft ons dat een medebroeder wegens ziekte op weg is naar Europa. Onze bisschop in Oost-Mongolië [Abels] zal op 17 oktober gewijd worden. Dat feest gaat aan onze neus voorbij”. Was dat wel zo, vroeg Kallen zich in tweede instantie af. “Wij hebben de papieren [uit Rome] voor Monseigneur bij ons. Zonder die papieren kan hij niet veel uitrichten”.
   Bij het vertrek uit Singapore namen ze afscheid van een groepje Nederlanders. “Van verre juichten de Hollanders. We hadden met hen menig vriendschappelijk uurtje aan boord gesleten. Ze waren zeer tevreden met ons Nederlands aan boord te kunnen spreken”. Er bleef echter wat afstand tussen de twee groepen: “Die heren hadden een andere mening op godsdienstig gebied”.        
   Op 3 oktober namen de missionarissen alle tijd voor religieuze activiteiten. “Wij vierden het feest van Onze Lieve Vrouw Rozenkrans. Wij hadden geen toestemming kunnen krijgen om het heilig misoffer in het publiek op te dragen. Wij deden het daarom in onze kajuit en in die van pater Boquel, een missionaris die terugreist naar de missie van Tonkin [in de omgeving van Hanoi]”.
   Nog diezelfde dag voelden ze zich van hogerhand beloond. Opnieuw was het ruw weer. “Een dame vloog met haar stoel onderste boven. Veel passagiers vluchtten naar beneden om een vaste schuilplaats te gaan opzoeken. Welke moed in die godsdienstloze zielen. Welke heldhaftigheid in die lege harten bij het naderen van een storm”.
   Van dat soort problemen hadden priesters een stuk minder last, verkondigden ze. “Wij integendeel, wij vertrouwden op God. Voor het overige dient zo’n kleine orkaan slechts om ons de nietigheid van het schepsel tegenover zijn Schepper te doen inzien”.
 

Frans Saigon



Kathedraal van Saigon (nu Ho Chi Minh-stad)
(foto oktober 2000, Margaretha Suman)

 

De tocht naar China leek soms een beetje op een busreis. Er waren vaste haltes. Na Colombo en Singapore kwam je automatisch terecht in Saigon. Die stad speelde in 1897 een centrale rol voor de Fransen in dat deel van de wereld. “Van verre zagen we de twee torens van de kathedraal en weldra ook de masten van de schepen die voor anker lagen. Links en rechts ontwaarden we bosjes met kreupelhout, groene weiden en rijstvelden. Een boerderij leek veel op die van het Maasland”. Bij de Maas in Lanaken hadden zijn ouders een boerderij gepacht.
   “Bij het naderen van de haven weerklonk een van de kanonnen op het dek om de bevolking aan te kondigen dat er een Frans schip aangekomen was. Saigon is immers een Franse bezetting. Behalve militairen verblijven er ten minste duizend Fransen. Iedereen klaagt over de overvloed van beambten. Toch wordt er niet veel uitgericht”.
   Voor het eerst op hun reis brachten de missionarissen de nacht aan land door. “Na een bezoek aan Mgr. Despierre, apostolisch vicaris van Cambodja, begaven we ons naar het inlands seminarie. Hoe gelukkig was het voor ons eens een nacht op het vasteland door te kunnen brengen – al was het dan ook maar op een bed dat slechts bestond uit een mat en een klein kussen”.
   Dat viel tegen. “Tot mijn spijt moest ik bekennen dat mijn leunstoel op het dek meer deugd deed. De hitte [in het seminarie] was stikkend. De muskieten staken me van alle kanten. Een geweldig onweer deed alles dreunen”.
   Tijdens hun verblijf in Saigon hoorden de paters hoeveel goed werk de Fransen in het zuiden van Vietnam verricht hadden. Ze hadden er immers de westerse vooruitgang geïntroduceerd. “Ze hebben de stad gezond gemaakt met bouwwerken en waterafleidingen. Vroeger heersten er dezelfde koortsen als in de [Belgische] Congo. In het begin was de gemiddelde leeftijd van de missionarissen hier niet meer dan zes jaar. Nu zijn ze er al veel meer dan 25, soms meer dan dertig jaar werkzaam. De stad Saigon is mooi gebouwd, dankzij de schaduwrijke lanen die de Fransen hebben aangelegd. De meeste woningen [van de Fransen] zijn ruim gebouwd met veranda’s”.
    
In Saigon leerden de jonge missionarissen al een beetje hoe het op een Aziatisch seminarie toeging. Arme, jonge ‘inlanders’ kregen de kans carrière te maken door middel van een priesteropleiding.
   Kallen: “Al vroeg werden we gewekt door de grote tamtam van het seminarie. [Tijd om op te staan]. De studenten waren gauw gekleed in een lichte broek en jas. Terwijl wij nog bezig waren ons aan te kleden hoorden wij hun al samen het morgengebed zingen in de kapel. Ik zeg ‘zingen’ en niet ten onrechte. Zij spreken gewoonlijk op een zangerige toon. Zo zingen zij ook alles wat zij in hun taal lezen of opzeggen. Zodra zij in een andere taal bidden, in het Frans of Latijn, dan houdt het gezang op”.
   De priesterstudenten zaten nog niet helemaal op westers niveau. Dat leek logisch. “Met hun eeuwigdurende rijstkost zijn ze niet sterk genoeg om zware studies te maken”. Het volk was bovendien, besefte Kallen, van nature niet erg actief. “Ieder land heeft zijn hoedanigheden. Hier zijn wij in [Frans] Indo-China, bij de Anamieten [Vietnamezen], een volk van goede inborst, maar lui en onbezorgd. De studenten hier hebben toch nog al lust en vermaak onder de speeltijden; maar in de studie, waar men nochtans nooit een muisje hoort verroeren, doen zij het op hun gemak”.
   Het duurde dan ook meestal heel wat jaren voor een student tot priester gewijd werd: “Zij mogen hier nog al enige broekjes verslijten, want gewoonlijk zijn zij dertig jaren, eer zij priester worden”.
   Kallen liet niet blijken enig begrip te hebben voor de cultuuromslag die de Vietnamese kinderen moesten doormaken. Hoe weinig begrepen ze van het christendom en het Latijn dat ze hadden te leren. Om een status te verwerven bij de Franse machthebbers werd nogal wat van hen verlangd.
   Voorlopig waren de studenten wel capabel genoeg om als misdienaar te functioneren. “Wij trokken naar de kapel om de heilige mis te lezen. Die werd op zeer voorbeeldige wijze door de studentjes gediend”.
 
De missionarissen maakten van de gelegenheid gebruik om Saigon als gewone toeristen te verkennen. “Van de pastorie begaven we ons naar het postkantoor, een fraai Europees gebouw, versierd met borstbeelden van beroemde Fransmannen. In de haven zagen we een honderdtal Anamietse schuiten, met een boogvormig dak van gespleten rietstokken er over. Een hele familie woont er. Die boot is alles wat ze bezitten. Die waterratten slijten hun hele leven op het water. Dat schijnt het genoegen van de Anamieten te zijn. Wij zagen dat ze hun hutten niet op een hoogte, maar liever in moerassen, ja tot in het water bouwen. ‘Dan worden wij gevrijwaard van luizen en vlooien’, zeggen ze zonder acht te geven op mogelijke jicht en koortsen”.
   Omdat het schip wegens problemen met de stoomketel een dag later vertrok hadden ze alle tijd om de activiteiten op het terrein van de missie nader gade te slaan. Teleurgesteld waren de priesters dat de Fransen in Saigon weinig of niets aan hun geloof deden. “Tegenover de post bezochten we de kathedraal, die daar te midden van het groot plein fier haar twee torens in het luchtruim verheft. De Fransen kunnen wel mooie kerken bouwen, om ze daarna leeg te laten”.
   In het Franse Saigon manifesteerde de katholieke missie zich tevens op andere terreinen. “Wij ondernamen een wandeling naar het gesticht van de heilige kindsheid, bestuurd door de moedige zusters van de heilige Paulus van Chartres. Dit is een zeer voorbeeldige inrichting, waar arme inlandse meisjes, door hun ouders verlaten, worden verzorgd en grootgebracht, totdat zij tussen 17 en 20 jaren, kunnen geplaatst worden”.
   De missie droeg er zorg voor dat katholieke jongens en meisjes dan met elkaar in het huwelijk traden. Zo kwamen er katholieke gezinnen, met automatisch katholieke kinderen. “Het is plezierig te zien hoe gelukkig die arme schepselen hier zijn. Eerst zeiden ze voor ons het Onze Vader in het Anamiets op. Voor de nieuwe Europese priesters maakten zij vervolgens de grote inlandse groeting [kowtow]. Voor deze groet zetten zij zich eerst met de benen gekruist op de grond en groetten door met het hoofd tot op de aarde te buigen”.
   De Vietnamese kinderen moesten na de kennismaking meteen aan de arbeid. “‘Nu naar de rijstbereiding en allen aan het werken!’ riep een zuster. Ze vlogen uiteen en stoven naar hun werkplaats. Vol zelfvoldoening toonden ze hoe ze de rijst stampten om er de schil [vlies] af te doen en vervolgens nog dubbel te ziften en wannen om hem helemaal schoon te maken”.
   De werkende Vietnameesjes riepen warme gevoelens op. “Moge de Algoede die brave kinderen de genade schenken om altijd in de godsdienst te blijven volharden. Hare meesteressen [de zusters] zullen hun kroon in de hemel niet missen!”
   Elders bezocht Kallen een katholieke kostschool. “Hier genieten de dochters van de Franse ambtenaren, alsmede jonge juffrouwen van gegoede Anamieten, [katholiek] middelbaar onderwijs”.
   Grote indruk maakte het bezoek aan een ziekenhuis met lepra-patiënten. “We zagen die arme melaatsen daar liggen, hetzij zonder handen, hetzij zonder voeten, hetzij zonder armen enzovoort. We hoorden dat die lieden opgepast worden door drie Europese en vijftien Anamietse zusters. Deze lenigen niet alleen hun lichamelijke smart maar verschaffen hen doorgaans vóór hun dood nog het leven van de ziel. De zusters onderwijzen de melaatsen zodanig dat ze [nog op tijd] gedoopt kunnen worden. Ziedaar het toppunt van naastenliefde en opoffering”.
   Het bezoek aan Saigon verloste de paters van Franse artiesten. Ook een Franse beul, die de reis gemaakt had om in den vreemde doodvonnissen te voltrekken, was aan land gegaan. “Zulk gezelschap konden we allerbest missen”, liet Hubert aan zijn familie weten.
 

Brits Hongkong

 
Langs de kust van Vietnam reisden de missionarissen door naar het Britse Hongkong. Overal op de Aziatische kust hadden de Europeanen hun havens. Het Portugese Macao liet de Oceaniën echter links liggen.
   “Op zondagmorgen, 10 oktober, kregen we Hongkong in het zicht. Alvorens er te komen vaart men tussen een menigte eilandjes door. Als een struise kolonel tussen de piotten [soldaten] verheft zich van verre de 1600 voet hoge berg van het eilandje tussen de heuvels er omheen. Tegen de helling ligt Victoria-stad met haar grote handelshuizen en ruime buitenverblijven. Het is een aangrijpend panorama, vooral wanneer men de tram langzaam door het groen de berg ziet beklimmen of afdalen. Het is bijna niet te geloven hoe er tegen de helling en aan de voet van de rotsen 300.000 mensen genesteld zijn. In andere kolonies kan men schone zaken ontmoeten, maar men moet toch vlak af bekennen dat de Engelsen de palm [grote prijs] van het kolonie stichten behalen”.


Entrée missiehuis van de paters van Parijs, Hongkong
(foto oktober 2012, Margaretha Suman)

 

De Scheutisten werden in Brits-China opgevangen door de procureur van de Parijse missie. Zo’n geestelijke hield zich bezig met de wereldse zaken op een missiepost. Voor het eerst zette Hubert Kallen voet op Chinese bodem. Maar hij waande zich gewoon in Brits gebied. Na de Opium-oorlog van 1839-1842 hadden de Engelsen de Chinezen immers gedwongen het eiland Hongkong aan de Europeanen af te staan.
   “Wij waren genoodzaakt met een kleine Chinese boot naar land te steken. Ook hier diende de boot voor een gans familiebedrijf. De Chinese stuurvrouw spande het zeil en zo dreven wij regelrecht naar de kade. Nu begon de aangename klim om het huis van de Parijse paters te bereiken. Een zieke pater werd in een Chinese draagstoel door twee geelhuiden naar boven gedragen. Gedwee volgenden wij de procureur. Op de procuur werden we gul ontvangen. Men bemerkte er vooral de verse en gezonde lucht. Geen wonder dat de Franse missionarissen hier een gezondheidshuis hadden opgericht waar ziekelijke missionarissen sterkte en gezondheid komen zoeken als ze na enige jaren [van missioneren] soms uitgeput en verzwakt zijn”.
   Lang konden de reizigers niet blijven. Hun schip bleef niet lang in de haven liggen. Kallen gaf tijdens het korte verblijf zijn ogen zo goed mogelijk de kost. “Tussen de Europese huizen, meestal bewoond door Engelsen en Portugezen, krioelt het van Chinese winkels. O, die Chinezen! Waar ze tussen kunnen kruipen, daar zijn ze genesteld – en eens genesteld, dan maken zij ook zaken, hoor!”, kon de familie in Lanaken nog datzelfde jaar lezen.
   Op de kade gingen de zes paters in kleine bootjes terug naar het stoomschip. Eén van de bootjes, met een zeil, laveerde niet goed tegen de wind in. Het scheelde niet veel of drie van de zes missionarissen zouden de aansluiting naar Shanghai gemist hebben.
   De Oceaniën vertrok bij het invallen van de duisternis. “We verwijderden ons langzaam van Hongkong. Nog lang bleven we turen op het betoverend uitzicht dat de elektrische verlichting van de stad ons aanbood”.
 

Shanghai, een internationale stad

 
De missionarissen hadden gehoopt dat ze onderweg nog een ontmoeting zouden hebben met Karel Verellen. “Men had ons gezegd dat onze zieke medebroeder op 9 oktober in Shanghai vertrokken was”.
   Wat ze niet wisten was dat Karel Verellen helemaal niet ziek was. Hun medebroeder had zich in de missie van West-Mongolië niet naar behoren gedragen. De hoogste geestelijke gedragsdrager ter plekke, Mgr. Ferdinand Hamer, had de missionaris uit zijn bisdom doen verwijderen. “Die man had nooit priester mogen worden”, schreef hij in een brief aan Van Aertselaer, overste van Scheut in België. Maar een dergelijk schandaal werd geheim gehouden, zelfs voor de medebroeders. Vandaar de ‘ziekte’ van Verellen.
   Kallen: “Het duurde niet lang of wij zagen van verre de boot aankomen waarop onze terugreizende confrater gezeten was. Helaas bleven de vaartuigen zo ver van elkaar dat de mensen zelfs met verrekijkers niet te herkennen waren. Wij konden dus niet het genoegen smaken pater Verellen een broederlijke groet toe te zwaaien”.
 
De Oceaniën bleef de Chinese kustlijn volgen. De missionarissen werden zich nu pas goed bewust dat ze China naderden. “Het water is vuil en geelachtig. Een Duitse medepassagier bestempelt het als ‘koffie met melk’ – een bewijs dat het land der geelhuiden nabij is. Het schijnt dat geel de kroon spant in China. Hun vlag is ook van die kleur, akelig genoeg voor Europeanen”.
   Bij aankomst in de haven van Shanghai merkte Kallen op dat het Westen de Chinezen aanzienlijk overtrof als het op bewapening aankwam. Zo konden ze hun macht uitoefenen. Dat was bovendien gunstig voor de verbreiding van het geloof van het westen. “In de Blauwe Stroom viel niet veel raars op te merken dan een rij oorlogsschepen van Europa en Amerika. Waarna ook een hele reeks Chinese oorlogsbootjes, die bij de westerse vaartuigen maar een armzalige figuur maakten. Toch menen die waanzinnige snuiters dat zij in de strijd alles kort en klein zullen kappen... met mond en tanden”.
   Hubert kon met eigen ogen de symbolen van de westerse vooruitgang waarnemen. “Weldra bemerkten wij de zwarte rook van de schoorstenen van de Amerikaanse en Europese fabrieken die Shanghai omgeven. Verheugd en verblijd naderden we de stad”.
 
De zes paters gingen er van uit dat ze na de lange tocht over zee in Shanghai wat konden uitrusten, alvorens verder naar hun missiegebied te reizen. In Shanghai hadden de Scheutisten hun procuur, die door twee Scheutisten gerund werd om de lopende zaken en financiën onder controle te houden. “We keken uit naar onze twee medebroeders, die beloofd hadden ons af te komen halen. In het begin was niemand te bespeuren. Maar zodra ik voet aan wal gezet had kwamen ze door de nieuwsgierige menigte heen gedrongen.
   Wat blij weerzien en welke zoete handdrukken als die van onze dierbare confraters [Jan-Baptist] Steenackers en [zijn rechterhand Alfons] De Cock, die een jaar geleden verzwakt en uitgeput uit de [missie van Scheut in] de Congo moest wederkeren. Zodra de koffers op een veilige plaats waren trokken we naar huis. Met z’n achten gingen we in een klein loopkarretje want dat was hier aan de orde van de dag. Onze procurator [Steenackers], met een grijsachtige baard, wilde dat zo en reed zelf aan het hoofd van de bende”.
   In Colombo walgde Hubert nog van die ‘Japanse sjeesjes’. Maar nu legde hij zich neer bij hetgeen de procurator voorschreef. “Zo rolden wij straat op en straat af tot aan het missiehuis dat Steenackers onlangs heeft aangekocht. Het is een mooi huis, waar nog veel terrein om heen ligt. Men is reeds bezig nieuwe huizen te bouwen. Die zullen binnen enige jaren een mooi interestje [huur] opbrengen”.
   Van uitrusten kwam niets, althans voor de twee paters die in de missie van Oost-Mongolië werkzaam zouden zijn. Koenraad Abels moest zo snel mogelijk tot bisschop gewijd worden, hoorden Kallen en Jansen. Dat kon alleen met de papieren uit Rome die zij bij zich hadden. Vanuit Shanghai schreef Hubert op 15 oktober aan zijn familie: “De wijding van Monseigneur kan niet plaats hebben voordat wij met de stukken daar zijn. Nu is zij uitgesteld tot 31 oktober. Daarom moet ik morgen met [Jozef] Jansen, die nogal moe is, vertrekken. Vier dagen op een kleine zeeboot naar Tientsin [Tianjin] en dan vier of vijf dagen over land. De anderen blijven hier nog tot morgen over acht dagen”.
  

Uitstapje in Shanghai

 
Op het laatste moment konden ze toch nog wat ondernemen. Hubert maakte bovendien van de gelegenheid gebruik om twintig postkaarten naar familie en bekenden te sturen.
   “Wij maakten een uitstapje naar de godsdienstige inrichting van Zikawei, op twee uur afstand van Shanghai”. Op die plek hadden de Jezuieten een missiepost met een sterrenwacht erbij.
   De paters waren zich ervan bewust dat ze in hun toekomstige missiegebied met extreme koude te maken zouden krijgen. “Onderweg maakten wij kennis met de wat-plant, waaraan donzige bloemen en dikke sneeuwvlokken hingen te wiegelen. Van die bloemen wordt het wat [watten] gemaakt dat in het noorden van China gebruikt wordt om de winterkleren te voeren”.
   Hubert gebruikte zijn verslag om nog een en ander te vermelden over de begrafenisrituelen van de Chinezen. “De velden met wat-beplantingen zouden een aantrekkelijk gezicht opleveren als de overdreven gekheid van de Chinezen het niet had bedorven. U weet dat die bijgelovige mensen van het hemels rijk een onredelijke verering tonen voor hun overleden familieleden. Gelukkig is de Chinees die al tijdens zijn leven in het bezit kan geraken van een fraaie doodskist. [De Chinese staatsman] Li Hongzhang had dat meubel zelfs bij zich toen hij op reis [in België bij koning Leopold II] was.
   Zodra de Chinezen voldoende geld bezitten kopen zij een klein stukje land om aan de voorouders een rustplaats in het veld te verschaffen. De kist wordt daar op gezet en met een grote hoop aarde overdekt. Niemand mag zulke grafplaats schenden of vernielen. Zou iemand die vermetelheid begaan dan wordt hij op de ergste wijze bestraft, meestal met ophanging. Vandaar dat wij het veld met ontelbare grafheuvels van allerlei vormen en grootte overdekt zagen. Bijna allemaal waren ze onverzorgd en bedekt met wild gras, netelkruid, wilde distels en doornen. Omdat de meeste van die grafheuvels een hoogte van één tot twee meter hebben levert zo’n algemene dodenakker een treurig uitzicht op”.
  
Hoe blij waren de missionarissen bij aankomst in Zikawei. “We traden het gesticht van de heilige kindsheid [weeshuis] binnen, dat bestuurd wordt door de Franse zusters van Onze Lieve Vrouw. Het is waarlijk bewonderenswaardig hoe die arme Chinese meisjes er opgevoed en later opgeleid worden tot echte christelijke [katholieke] huismoeders”. Zo verbreidde het geloof zich over stukken van China. “De meisjes leren er alle handwerk. Enige jonge dochters brengen het zelfs zo ver dat zij mooie kerkgewaden kunnen stikken en broderen. Enkelen waren een kasuifel aan het vervaardigen voor een kardinaal in Rome. Dat zegt dus genoeg”.
   De Chinese jongens in het gesticht bleven niet achter. “Ze vervaardigden welgekleurde schilderijen voor altaren, heiligenbeelden en kerksieraden – volgens Europese modellen”.
   Indirect gaf Kallen aan dat Europese missionarissen niet altijd geliefd waren in China. Het Westen, inclusief de opdringerige vertegenwoordigers van een ‘vreemd’ geloof, kreeg immers steeds meer te vertellen in het Aziatische keizerrijk. “De paters Jezuieten, wier algemene geleerdheid door onze ergste vijanden niet ontkend kan worden, besturen te Zikawei een goed-ingericht observatorium dat de officiële weersverwachtingen voor Shanghai geeft en de toon zet voor al dat soort inrichtingen in Oost-Azië. Een bijzondere vermelding verdient hun zeldzame verzameling van Aziatische dier- en steenkunde, die niet weinig zal bijdragen aan de wetenschap”.
   Bij de Jezuieten, in de openbare kerk, mochten de jonge missionarissen een heilige mis lezen. “Volgens Chinese gewoonte zette men ons een mishoed op, zoals men ziet op plaatjes van de heilige kindsheid. Die hoed misstaat niet, vooral bij welgebouwde mensen. Chinese missionarissen, met een geschoren schedel en een Chinese vlecht, zien er met zo’n sieraad zelfs fatsoenlijker uit”.
 
Alvorens te vertrekken gaf Hubert nog een laatste impressie van Shanghai voor zijn familie. “Men heeft er de grote Chinese stad, de Engelse stad, de Franse en de Amerikaanse stad. Deze drie laatste worden door bijzondere gemeenteraden bestuurd. Die hebben het voor het zeggen over alle blanken en gelen. Alle huizen en gebouwen, door Europeanen en Amerikanen opgetrokken, zijn zeer fraai. Velen hebben in de laatste tien jaar goede zaken gedaan. De rijken hebben rijtuigen met twee fijn-uitgedoste koetsiers vóór- en twee bont-geklede lakeien achterop.
   In deze wereldstad is het bijzonder druk met karren-lopers en Chinese kruiers. De Chinese kruiwagen heeft een groot wiel in het midden. Wij zagen bovendien een paar boeddhistische lama’s [monniken] in lange groene kleding en het hoofd helemaal geschoren”.
 
Hubert Kallen probeerde voor het eerst het dragen van Chinese kleding uit. Daarna was het tijd voor hem en Jozef Jansen om afscheid te nemen van hun reisgenoten. Ze beseften dat ze sommigen nooit meer zouden terugzien, in het leven tenminste. Het werd laat die dag. “Ons laatste samenzijn werd nog eens dapper gevierd, tot tien uur ’s avonds”.
   De volgende ochtend begaven ze zich met z’n allen naar de haven van Shanghai. Kallen en Jansen gingen aan boord van een Engels stoomschip met de Chinese naam ‘Wu Chang’. Ze moesten snel verder naar Tianjin bij Peking en dan over land naar de plek waar de uit het Limburgse Weert afkomstige Koenraad Abels tot bisschop gewijd zou worden: een Chinees missiedorp dat men Onze Lieve Vrouw der Pijnbomen noemde.
 
Harry Knipschild
16 januari 2014, 15 januari 2015
 
Literatuur
 
‘Reis van eenen missionaris van Scheut [Karel Verellen, 1884]’, Gazet van Antwerpen, 1893
Norman G. Owen (Ed.), The Emergence of modern Southeast Asia, Honolulu 2005

Het volgende en zesde hoofdstuk ('Eindbestemming: Onze Lieve Vrouw der Pijnbomen') vind je hier.

Wil je vanaf het begin lezen, hier vind je het eerste hoofdstuk, de proloog.