Zoeken


Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
hoofdstuk 4
 

Op zee – vanuit Marseille naar de tropen
 

 
“Twee hemden die ik gedragen heb kan ik rechtstreeks aan een Chinees overhandigen. Ze zijn zó blauwzwart van mijn pas geverfde toog dat er geen zeep meer aan te smeren zal zijn”.
Hubert Kallen, 21 september 1897
 

***


Aan boord van het stoomschip Australien legde Hubert Kallen het vertrek uit Marseille vast. “Zo gauw de stoomtromp haar akelig geluid liet horen zette de ontzaggelijke boot zich met plechtigheid in beweging. Dampend en snuivend doorsneed zij de stille wateren van de haven. Onderwijl kruisigden zich de laatste vaarwelkreten van boot en strand. Vrienden en bekenden moesten hun gevoelens door de steeds groter wordende afstand tevreden stellen door een laatste gewuif met een zakdoek. Het weer was prachtig, de zee vlak en effen. Het trotse vaartuig gleed vol majesteit vooruit”.
   De groep missionarissen beleefde het begin van de lange zeereis op hun eigen manier. “Wij baden een ‘Ave Maria Stella’ en drie weesgegroetjes voor een goede vaart. We stuurden nog een laatste groet tot Onze Lieve Vrouw ter Wacht. Geruime tijd tuurden we op het prachtig verguld bronzen beeld [van Maria] dat op de kerktoren troonde. Na verloop van tijd zagen we niets meer dan de eentonige rotsen van de Franse kust, onderbroken door de vuurtoren van Toulon”.
   Er moest een en ander georganiseerd worden. De paters hadden formeel toestemming om aan boord te biechten en biecht te horen. Maar er was meer nodig. “Nog diezelfde avond wilden wij alle voorzorgen nemen om geregeld de heilige mis op het schip te kunnen doen. We begaven ons naar de commandant van het schip die ons met de grootste hoffelijkheid ontving”.
   Het antwoord was positief. “Niet alleen sta ik zulks met genoegen toe. Door de week stel ik mijn kajuit tot uw beschikking en op zondag de grote zaal van de eerste klasse”.
   Kallen: “Zoveel goedheid hadden wij zelf niet verwacht. Zo konden vier zusters van de heilige Paulus iedere dag het heilig misoffer bijwonen. Wat waren ze blij dat te horen!”
 

Leven op zee

 
De missionarissen reisden als groep, maar iedereen moest zijn eigen draai zien te vinden tijdens de lange reis. Kallen met name vond het maar niets om met z’n zessen dicht bij elkaar te slapen. “We kuierden nog laat het dek op en af om de effen zeevlakte te bewonderen en het uitspansel met zijn schitterende lichten gade te slaan. Laat op de avond besloten we onze kajuit op te zoeken en een weinig rust te gaan genieten”.
   Van slapen kwam niet veel. “Dikwijls werden we gestoord door het geraas, geroep en geloop van wilde en ruwe scheepsjongens. Bovendien: wij moesten met ons zessen in één kajuit slapen. Buiten de hangbedjes was er nog juist plaats om rechtop te staan. De volgende dag besloot ik de nacht in mijn reisdeken op het dek door te brengen. Twee confraters deden dat ook”.
   Maar ook dat was niet ideaal. “Mijn eerste nacht op het dek is goed geweest. Het is wel jammer dat het er zo vroeg dag was. Om vier uur kwamen de sjouwers. Vóór zes uur moesten het bovendek, het onderdek, alle zalen en gangen schoongemaakt zijn”.
   Omdat de commandant zich versliep konden de missionarissen die eerste morgen niet vóór zes uur de mis in de kajuit lezen. “Na de tweede mis was het er zo heet dat we niet meer dan twee keer de mis deden. Onze Lieve Heer vereist niet het onmogelijke. Hij zal wel tevreden zijn met een heilige communie”.
 
De tocht over de Middellandse Zee verliep voorlopig naar wens. Kallen noteerde wat hij zag. “Een Frans oorlogsschip, dat van Kreta terugkwam, kruiste ons. Toen de twee boten dicht bij elkaar waren had de gewone begroeting plaats – een vlagje werd driemaal van op het dek tot op de top van de achterste mast geheven. Even later kwam er een grote koopvaardijboot voorbij. Begin van de middag bereikten we de zeeëngte die Corsica van Sardinië scheidt. Een troep zeekalven toonden hun koppen boven het water. Weldra plonsden ze weer in het blauwe sop”.
   Zo ging het door: “We kwamen langs Stromboli, een uitgedoofde vulkaan. Wij voeren de Straat van Messina binnen. Links ontwaarden we Italië, rechts Sicilië”.  
 
In de omgeving van Kreta begon de temperatuur op te lopen. “In onze kajuit was het al dertig graden. Het was dan ook geen wonder enkele reizigers blootsvoets het dek op te zien komen. Zijn er veel reizigers zult u misschien vragen?
   Ja, ongeveer 400 man, in drie klassen verdeeld. Er is nog een vierde klasse voor bedienden. Negers en inwoners van Brits-Indië worden er tevens geborgen. Wij bevinden ons in de tweede klasse. Er zijn veel Fransen, Engelsen, Hollanders en Italianen”.
   Behalve de passagiers was er 200 man personeel aan boord. “Ziedaar het volkje, waarmee wij zes weken moeten huizen”. Kallen zette zich al snel af tegen een gezelschap Franse artiesten, op weg naar Saigon in Frans Vietnam. Dat was niet het slag mensen waar hij mee wenste om te gaan. Hij vond ze ‘onbeschaamd’.
 
Op 16 september, vroeg in de nacht, terwijl Hubert weer op het dek lag te slapen, sloeg het weer om. “Ineens kreeg ik enkele druppels water in het aangezicht. Onthutst sprong ik recht overeind. De wind stak op, de golven werden groter en daarmee begon ook de zo geduchte schommeling van de boot”.
   Dat was nog slechts het begin. “Snel ging ik naar beneden en sliep verder op een bank van de eetzaal. Dat was niet van lange duur. Onbeschaamd sloeg er een golf naar binnen, recht op de benen van een medeslaper. Onvrijwillig liet deze een kreet. Een bediende kwam toegelopen. Alle vensters aan bakboord werden gesloten”
   Kallen had met een nieuwe realiteit te maken. “Het schip slingerde zo hevig dat het onmogelijk was de heilige mis te lezen”. Hij bleek naar eigen zeggen een van de weinige passagiers te zijn die niet zeeziek werd. “Op het dek was er bijna geen middel om zich recht te houden. In de gangen viel men voortdurend tegen deuren aan. Menige persoon moest met het bovenlijf over de leuning gaan hangen om de visjes wat voedsel te verschaffen. Maar weinigen hadden lust naar de eetzaal te komen. Sommigen moesten spoedig de eetzaal verlaten. Onwillekeurig glimlachte ik als weer iemand zijn zitplaats verliet om elders lucht in te ademen”.
   Aan het einde van de middag zat Kallen zijn brief naar de familie te schrijven. “Het is misschien wat stout. De drie confraters die in de kajuit bleven slapen beklommen tijdens de maaltijd ook één voor één ‘hogere sferen’. Om alle tafels had men touwen gespannen waartussen borden, glazen, kommen en flessen werden vastgezet”. Hubert nam zich voor zelf niet ziek te worden: “De schommeling duurt voort zonder mij kwaad te doen. Ik verbeeld mij dat ik weer in de wieg lig en dat mijn goede moeder ‘Slaap, kindje slaap’ neuriet”.
 

Port Saïd

 

Suez-kanaal ten tijde van de opening in 1869

 

 
Vanwege de storm arriveerde de Australien een paar uur later dan gepland bij de ingang van het tamelijke nieuwe Suez-kanaal. Dat was in 1869 feestelijk geopend door Eugénie, echtgenote van Napoleon III en keizerin van Frankrijk. Speciaal voor die gelegenheid componeerde Verdi de opera ‘Aida’.
 
Op 17 september 1897 kon Kallen schrijven: “Gisteravond zagen wij vanaf negen uur uit naar de haven van Port Saïd. Maar vergeefs. Wel bemerkten we rond die tijd de vuurbakens van Damiette [Damiate, waar kruisvaarders uit Haarlem in 1219 hevig gevochten hadden]. De vuurtoren van Port Saïd bleef aan ons verlangend oog nog tot elf uur verborgen. Eindelijk kwam het gewenste vuurteken aan de gezichtseinder opdagen. Wij voeren een seinboot voorbij en namen een loods aan boord. Ons stoomtuig voer langzaam tussen de in de haven liggende schepen door tot kort bij de kaaien”.
   De aankomst in Egypte maakte, hoe kan het ook anders, een exotische indruk op de jonge reiziger. “Het was al na middernacht. Het water in de haven was glad. Het uitspansel prijkte met duizenden vonkelstenen [sterren]. Iedereen begaf zich aan dek. Daar aanschouwden wij een vreemd tafereel. Honderden lichtjes schommelden op het stille vocht. Het waren de lichtjes van de boten waarmee de Arabieren ons kwamen afhalen om ons naar het strand te brengen”.
   Boten met brandende steenkool zorgden voor extra verlichting. De mensen op die scheepjes waren niet alleen te zien maar ook te horen. “Honderden Arabieren hadden zich om de brandende kolen geschaard. Op een eentonige manier zongen zij ter ere van Allah. Terzelvertijd probeerden ze zo kort mogelijk bij onze stoomboot te geraken. De Arabieren en ook de [moslim geworden] negers uit het binnenland van Afrika zongen oorlogs- of godsdienstgezangen om elkaar op te beuren tot samenwerking”.
   Hoe moest Hubert dat aan zijn familie uitleggen?
    “Ik kan het niet beter vergelijken dan bij de wijze waarop wij gedurende de heilige kruisdagen de litanie van Allerheiligen zingen”.
    De Europeanen aan boord waren op hun hoede voor de Egyptische bezoekers. “De hotelmeester had alle kajuiten gesloten om de lang-vingerige Arabieren er uit te houden. Maar toen de mannen bij de boot gekomen waren werden alle onderdeuren [van het schip] opengezet. Met dozijnen stoven ze de boot binnen. Iedereen droeg op het hoofd een mand vol met steenkool. De havenopzichters en politie van Port Saïd beklommen eveneens de boot, om toezicht te houden”.
 

Eerste kennismaking met het Oosten

 
Het zou nog minstens tien dagen duren alvorens een nieuwe stop gemaakt kon worden. Er werden op deze plaats dan ook inkopen gedaan. De mensen aan boord kregen de kans Port Saïd te bezoeken al was het midden in de nacht. De missionaris greep zijn kans.
   “De passagiers spoedden zich de trap af en voeren bijna allen naar het strand. Wij ook. We riepen een van die ‘bruinhuiden’ tot ons en gaven hem het teken ons over te zetten. Een kleine goed-gebouwde snaak kwam roeiend aangedreven. Hij maakte duidelijk dat we achter in het bootje moesten gaan zitten. Voorwaarts! Enige minuten later liepen we door de grootste straat van Port Saïd! Omdat de aankomst van ons schip bekend was, waren alle winkels open gegaan. De verlichting, met gas- en elektrische lampen, was voor ons aangestoken.
   Allerlei artikelen voor warme landen waren prachtig uitgestald. Overal kwamen bedienden uitgelopen. ‘Paters, hierlangs, voor het maken van mooie foto’s. Paters komt hier binnen. Lekkere sigaretten, goedkoop!’”
   Voor die sigaretten had Kallen niet de minste belangstelling. “Die vieze moren weten niet dat onze Hollandse en Belgische sigaren beter zijn dan hun Afrikaanse stinkstokken. Nee, wat wij moeten hebben zijn helmen tegen de sterke zonnestralen die weldra op onze arme hoofden terecht zullen komen”.
    De verkopers kenden de wensen van de reizigers die vanuit het hoge, koude Europese noorden gekomen waren en nog verder moesten. Het zou alleen maar warmer worden. “Wij belandden in een groot magazijn [winkel] waarvan de belangrijkste handelswaar bestond uit zonnehoeden, waaiers om zich af te koelen en lange leunstoelen om lui in te liggen. Drie zaken die het beste de gebruiken en bezigheden van de bewoners van warme landen vertolkten.
   Onze keuze was gauw gedaan. Iedereen nam een grote hoed van kurk, met wit linnen overtrokken. Het hoofdbeschutsel was niet alleen een onfeilbaar middel tegen zonnesteken, maar ook nog zeer licht om te dragen”.
 
In Port Saïd leerden de paters dat het er bij de handel in het oosten heel anders aan toeging dan in Scheut en omgeving. Over prijzen moest je keihard onderhandelen.
   “Zwarte rondventers, die voor geen Hollands joodje zouden onder doen, kwamen hun waar aanbieden. Wat onze verbazing het meest gaande hield was dat ze rozenkransen verkochten gelijk de Smousjes kruisen verkopen. We wilden die lastposten met een ‘loop naar de pomp’ zien weg te drijven”.
   Zo eenvoudig was dat niet. Een verkoper wist dat hij meer kans op succes had met het leren van wat Nederlandse woordjes: “O, mijnheer. Ook zo spreek. Koop mijnheer. Niet te duur, een halve frank, een kwartje gulden. Ik eten moet. Koop toch mijnheer”.
   De paters trapten in de val. “Wij moeten van die vent wat kopen. Hij spreekt zo dapper Vlaams”.
   Daarna volgde het loven en bieden op straat en in de winkeltjes. “Ik ga oude postzegels voor een weldoenster van de missie kopen. De snaak vroeg bijna drie franken voor Egyptische zegels. Ik was wijs genoeg ze mij aan één frank te laten. Ziedaar een karaktertrek van die aftroggelaars. Indien zulks in de koran staat, dan zal Mahomed het wel uit de Talmud hebben overgeschreven”.
   Na het doen van deze inkopen zouden Kallen en de andere vijf paters, die samen met hem de reis naar het verre oosten maakten, weer snel naar het schip terug moeten gaan. Want elke ochtend vroeg droegen ze de H. Mis op, ook voor de passagiers. In Port Saïd kwam daar niets van terecht. Bij een hotel sloten zij zich aan bij ‘gewone’ reizigers, leken. “Zij waren bezig een verversing te nemen. Men vergeve ons dat wij hetzelfde deden. Want de commandant [van het schip] had ons gezegd dat het onmogelijk zou zijn ’s morgens de H. Mis te lezen wegens al het kolenstof dat er dan op het schip zou liggen”.
   Schuldig of niet, Kallen nam ook een drankje.
 

De tocht door het nieuwe Suez-kanaal

 
Bij terugkomst was het aan boord nog lang niet rustig. “Die zwarte menigte had in minder dan vier uur tijd 800.000 kilo steenkool voor onze stoomketel binnengedragen. Heerlijk was het ogenblik waarop deze weer begon te dampen en de boot langzaam het beroemde Suez-kanaal in gleed”.
   Pater Kallen besefte dat ze op 17 september langzaam van noord naar zuid door het kanaal zouden varen. Het was de dag, noteerde hij, van de heilige Lambertus. “Het schip mag niet meer doen dan zeven kilometer per uur, ten einde niet de kanten [van het Kanaal] stuk te varen en het zo vol zand te laten glijden”. Aan zijn familie legde hij nog eens uit: “Het kanaal is 87 kilometer lang, 35 tot 40 meter breed en 7 à 8 meter diep. Het doorkruist meestal dorre zandwoestijnen, soms enige zoutmeren, waarop men duizenden troepen grote watervogels kan ontwaren”.
   Ondanks het tekort aan slaap en de toenemende hitte zoog de reiziger zo veel mogelijk indrukken op. De warmte viel de eerste uren trouwens nog enigszins mee: “Aan het plafond hangen grote waaiers – planken die door middel van dubbele katrollen door een neger in beweging worden gebracht”.
   In de omgeving van het kanaal was heel wat te zien. “Wij hebben troepen kamelen ontmoet. Die worden hier als last- en loopdieren gebruikt. Wij hebben er gezien met zakken beladen, anderen met riet, anderen met takkenbossen. Sommige kamelen ook voeren het slijk van het kanaal weg – met bakken aan weerszijden van de bult. Het is koddig om die te zien opladen. De kameel moet zich daarvoor altijd op de knieën zetten”.
   Kallen en de anders paters begonnen het langzamerhand heel warm te krijgen – het was nu veertig graden Celsius. Kinderen in de omgeving gingen, misschien uit armoede, wat beter met het klimaat om. Ze hadden alleen maar een lang hemd aan. “Die Adamskinderen zijn wat laat gekomen bij de algemene uitdeling van kleren. Zij hebben minder ongemak van de hoge temperatuur dan wij, wij met onze dikke togen”.
   De missionarissen werden geacht steeds deftig gekleed door het leven te gaan. Alleen door het dragen van kurken hoeden mochten zij zich tegen de zon beschermen. “Soms staat er langs het kanaal op een of ander vruchtbaar plekje een oosterse herberg, omringd met wat acacia-, olijf- en palmbomen. Deze laatste vooral zijn zeer schoon”.
   Het was mooi, maar in die dikke togen ook onaangenaam, bleek aan het einde van de brief die Huub Kallen later verzond naar zijn ouders, broers en zusters in Lanaken. “Ik wens er maar gauw door te geraken. Gelukkig dat wij een deftige hoed hebben. Ziet mijnen hoed. Hij is voor alles goed!”
 

Steeds warmer

 


Hubert Kallen (staand) met zijn confraters in de hitte op volle zee, september 1897 (foto aangeleverd door Henri Houben)
 

 
In de Rode Zee was de warmte niet meer uit te houden. En dan te bedenken dat de Europese missionarissen zich zodanig moesten kleden dat hun waardigheid niet in het geding kwam. Of leek te komen.
   “Waarschijnlijk zullen wij in ons leven nooit meer die buitengewone hitte krijgen die wij vandaag te verdragen hadden”, konden de familieleden later lezen. “Indien wij allen een zeebad genomen hadden, dan zouden wij niet meer doorweekt geweest zijn. Het zweet druipt onophoudelijk in hele beken af – niet alleen over het aangezicht maar over het hele lichaam. De voeten plassen zelfs in de schoenen”. De kinderen mochten blootsvoets over het dek lopen, zelfs in de eerste klasse. De temperatuur liep op tot 35 graden Celsius, in de volle zon zelfs 58 graden.
   De paters hadden zoveel moeite met de warmte dat ze zich wel praktisch moesten opstellen. “Door het gejeuk van de rode puistjes hadden wij nog dagen last van die hel-dag. Omdat we geen twintig zakdoeken op een dag konden verbruiken, gingen we elk half uur een natte zakdoek in de kajuit hangen om te drogen. De vorige namen we dan weer mee naar het dek”.
   Op zijn manier maakte Kallen duidelijk hoe warm hij het had. “Twee hemden die ik gedragen heb kan ik rechtstreeks aan een Chinees overhandigen. Ze zijn zó blauwzwart van mijn pas geverfde toog dat er geen zeep meer aan te smeren zal zijn”.
   De Europeanen aan boord konden zich met de grootste moeite enigszins redden. Het personeel, de stokers, het keukenpersoneel, de sjouwers, ze moesten allen doorwerken, hoe warm het ook was. Niet iedereen overleefde het.
   “In allerijl kwam de geneesheer [van het schip] aangelopen. Een keukenknecht, een jonge neger, was bijna stikdood neergevallen op het onderdek. Een paar uur later was hij een lijk. De arme jongen was katholiek. De zonnesteek had zo spoedig het einde bewerkt dat men zelfs niet de tijd had gehad om iemand van ons te roepen. Hij stierf zonder het heilig oliesel”.
   De missionarissen kregen nog een nuttige functie toebedeeld. “De begrafenis liet een eigenaardige indruk in het hart. Het lijk lag in de Franse vlag gewikkeld. Zodra wij op het voordek kwamen werd het te voorschijn gehaald. Wij deden de gebeden. Het was eerbiedig stil. Daarna gaf de commandant zijn bevelen. Het schip was al eerder gestopt met varen. ‘Zachtjes, zachtjes’, riep de opperbevelhebber. ‘Vijf toeren aan bakboord’.
   Terwijl de voorsteven een weinig rechtsom draaide om de kolken te vermijden deed de kapitein een somber gefluit horen. Eensklaps lieten de matrozen het lijk van de plank glijden. Plof! Voor altijd daalde het stoffelijk overblijfsel van de arme stumper in de onmeetbare waterplas”.
 
Om de stemming er een beetje in te houden was er ’s avonds vermaak. De geestelijken hielden zich zo veel mogelijk afzijdig. “We lieten ze maar springen en dansen. De muziek belette ons niet op onze vouwstoelen in te slapen en tot de volgende ochtend door te ronken. Men verzekerde ons dat de danspartij niet veel bijval had. Er waren enige gemaskerden. Een koddige Hollander won de eerste prijs [op het bal]. Hij had namelijk de kleren van een Arabische inboorling aangetrokken. Veel had hij daarvoor niet nodig: een zwembroekje en een stuk vest, enige arm- en beenringen. Zijn gezicht, armen en benen had hij met olie en roet bestreken. Na afloop heeft hij, alvorens naar bed te gaan, nog een half uur in een warm bad gelegen. Hij liever dan ik!”
   Ook bij een concert op de Indische Oceaan hielden ze zich afzijdig. Maar niet helemaal. Kallen: “Ik ben eens van verre gaan luisteren. De Franse artiesten bezitten een eigenaardige muzieksmaak. Ik hoor even graag een Maastrichter straatmuzikant op een boerderij midden tussen het gehinnik van paarden, het gebulk van koeien, het geknor van varkens, het geblaat van schapen, het gekraai van hanen en het gemiauw van katten. De Franse zangeressen schijnen voor het geluid van deze laatste dieren een bijzondere voorliefde te hebben”.
   Matrozen die een toneelstukje opvoerden konden op meer sympathie rekenen. “Alhoewel het zeer heet is deden de goede lieden hun best een prijs te krijgen. De winst van het bal en het concert werd hun immers toegekend. Een matroos werd beloond met veertig francs”.   
   Zo werd de tijd gedood in afwachting van de landing op het eiland Ceylon, het huidige Sri Lanka.
 

Ceylon

 
Aan boord had Hubert de gelegenheid lange brieven aan zijn familie te schrijven. Hoewel dat niet altijd even gemakkelijk was als het weer eens hard waaide. “Verontschuldigt op voorhand het slecht geschrift van deze brief, want ik moet aan de achtersteven op het dek schrijven, alwaar iedere schok de pen omhoog of opzij doet dansen”, legde hij op 27 september vast.
   Colombo, de hoofdstad van Brits Ceylon naderde. Waren ze niet al halverwege naar China, het land van hun bestemming? Wat Kallen op dat moment schreef kon nog met de post mee, terug naar Europa.
   Het was maandagmorgen. “Ik werd gewekt door het geloop van de matrozen. Ze rolden ankertouwen af om die uit te kunnen werpen. Ik wreef de laatste overblijfsels van het zandmanneke uit de ogen. Links en rechts bemerkte ik de lichten van de haven van Colombo. Een hele week hadden we tussen water en lucht, tussen hemel en zee gedobberd. Het genoegen om weldra weer vaste grond te bestijgen deed mij lustig opspringen. Ik maakte mijn makkers [aan dek] wakker en liep naar stuurboord (rechtse kant) om te zien wat er gaande was.
   De boot ging nog maar langzaam vooruit. De loods met zijn rood lichtje, die ons veilig op de bestemde plaats moest brengen, sprong op het schip en liep de brug op. Hij, die de haven op zijn duimpje kende, moest het vaartuig vanaf die plaats besturen om tussen de boeien door te varen en het op een geschikte plaats te doen aanleggen”.
 
Kallen bleek op de hoogte te zijn van de ontwikkelingen in het verre oosten. In 1894 had er een oorlog gewoed tussen China en het ogenschijnlijk onbeduidende Japan. In de slag bij Weihaiwei (begin 1895) werden vier Chinese kruisers en een van de slagschepen vernietigd. De twee hoogste Chinese admiraals pleegden zelfmoord. “Voor ons zwabbert een vervaarlijk [nieuw] Japans pantserschip, dat ze juist uit Engeland gehaald hebben”, legde Hubert voor zijn familie in Lanaeken vast. “Dat de Chinezen zich nu maar goed bedaard en gedwee houden. Anders zal het nog eens wat heviger om hun oren fluiten en vooral wat harder op hun ribbenkas bonzen!”
   Door dat zo neer te schrijven liet de missionaris, bestemd voor China, zien dat hij zich niet als een vriend van het Chinese keizerrijk opstelde.
 
In Colombo stapten de paters van Scheut over op een ander schip, de Oceaniën. Dat had tijdens de reis naar Shanghai ook Bombay aangedaan. Omdat in die stad (nu: Mumbai) de pest heerste mochten de passagiers van de Oceaniën in Colombo niet van boord. “Onophoudend wordt het schip bewaakt door een afdeling politiedienaars die er voortdurend heen en weer om varen. In top voert het de gele vlag. Het heeft de pest weliswaar niet aan boord, maar het komt uit de haven van Bombay waar de pest regeert”.
   Voor Kallen was het duidelijk: “Willen wij Ceylon bezoeken dan moeten wij maar eerst aan wal gaan. Want als wij op de Oceaniën zijn zullen wij er met geen ton goud meer af mogen. Dat geldt niet alleen voor de mensen. Zelfs geen briefje mag er vanaf. Een reiziger heeft een halve dag werk gehad om een briefje voor een andere boot doen door te smokkelen met een schuit die mondbehoeften aanbracht. Dat zijn gezondheidsmaatregelen waaraan men zich maar gedwee moet onderwerpen”.
 
Eenmaal aan land had Kallen ervaringen die hem aan Egypte deden denken. “Wij werden weer overvallen door een hoop rondleurders, gelijk in Port Saïd. Mij namen ze niet beet. Voor een verzameling postzegels van Ceylon betaalde ik maar een derde van hetgeen de sluwe koopman durfde te vragen”.
   De Scheutisten begaven zich naar het postkantoor om hun brieven te verzenden. Tevens maakten ze een wandeling door het Europese gedeelte van de stad. Vol afschuw keken ze naar de taxi’s (‘Japanse cheesjes’) door ‘inboorlingen’ getrokken. “Hier kan slechts één man plaatsnemen. Ik geef toe dat de last niet zwaar is. Maar hoe die beklagenswaardige slaven, soms in livrei uitgedost, zulke draf van een uur of twee kunnen volhouden, dat gaat mijn verstand te boven”. Met zo’n rijtuig wilde hij niet in Ceylon rondtrekken. “Ik misgun die lieden liever een zilverstuk, dan hun zulke dodende afmatting op het lijf te jagen”.
   Het was Hubert Kallen die namens de zes reizigers in gebrekkig Engels onderhandelde om in een rijtuig een tocht door de stad te kunnen maken. Dat had zijn Engelse leraar van school nog eens moeten meemaken. Het doel was duidelijk: een bezoek brengen aan de kathedraal van Colombo. De koetsier bracht hen overal, behalve naar de plek waar ze heen wilden. “We reden langs lachende villa’s, heerlijke plantsoenen, betoverende lusttuinen met palmbomen, dikke cocosnoten, welriekende kaneelstruiken, sinaasappel- en bananenbomen”. Een vergelijking met het paradijs lag op hun lippen.
   Kallen greep in. “Ik greep de domme koetsier bij de slippen van zijn jasje. Nogmaals probeerde ik hem aan het verstand te brengen dat wij de kathedraal wilden zien. De domoor bracht ons bij een arm kerkje. Toen wij daarbinnen een klein bezoek hadden afgelegd, zei ik: ‘Goed zo, nu grotere katholieke kerk, heel groot’. Deze keer was het raak. Tien minuten later waren we bij de kathedraal”.
   Dat viel tegen. “Het is een mooi groot gebouw, in Byzantijnse stijl opgetrokken. Maar ik twijfel of het de tand van de tijd zal tarten. De warme regens berokkenen veel schade aan de zachte stenen die met slappe kalk bij elkaar gehouden worden”. Toch vonden ze het wel een ‘waardige tempel’. Ze stapten naar binnen en ‘stuurden een vrome groet aan de goede Jezus in het Allerheiligste’.
  
In de korte tijd die hun nog restte legden de missionarissen nog contact met een collega uit Colombo: “Een pater Oblaat verzocht ons vriendelijk een kijkje in hun klooster te komen nemen. Hij vertelde ons van de troostende vooruitgang van de katholieke kerk op Ceylon. Zij bezaten al 40.000 katholieken in Colombo”.
   Na een ‘oosterse verversing’ moest het gezelschap snel vertrekken anders zouden ze de aansluiting van de Australiën op de Oceaniën nog missen. Gelukkig waren ze op tijd.
   “Wij beklommen onze nieuwe boot. Meteen gingen we de voornaamste medereizigers groeten – een oude Pater van Parijs [van de Franse organisatie Missions Etrangères de Paris], die naar zijn missie in Tonkin [Noord-Vietnam] terug ging. Daarbij twee jonge paters Oblaten die in het klooster van Luik gestudeerd hadden. En vijf zusters die voor Colombo bestemd waren. Vanwege de pest in Bombay konden ze niet aan wal komen. Nu waren ze genoodzaakt eerst een reis naar Singapore te maken en vandaar met een andere boot, uit een gezonde haven, naar Colombo terug te varen”.
 
Kort voor het vertrek uit Colombo, richting Shanghai, maakten de missionarissen nog een gebruikelijk toneel voor rijke Europese toeristen mee.
   “Op drie kleine vlotjes, elk van drie aaneengebonden balkjes, zaten drie of vier kleine Singalezen [inwoners van Ceylon] in zwemuitrusting. Ze maakten duidelijk dat we een zilverstukje in zee moesten werpen. Zodra een reiziger deze edelmoedige aalmoes verrichtte gleden ze van hun drijfbalkjes af. Ze doken naar beneden. Een paar minuten later kwamen ze weer naar boven met het muntje zegevierend tussen hun tanden. Ze gingen rechtop staan. Terwijl ze met hun vingers klepperden en met de ellebogen tegen de natte lendenen kletsten, zongen ze fier: ‘Tè-rè-rè boem tjee tè rè re boem tje tjee’”.
   Aan boord van het nieuwe schip besefte Hubert Kallen nog eens dat ze op 12 september in Marseille vertrokken waren en op 27 september in Colombo aangekomen waren. Het tweede gedeelte van hun reis naar China was begonnen...
 
Harry Knipschild
13 januari 2014, 24 december 2014

Het volgende hoofdstuk ('Op weg naar Shanghai in China') vind je hier.

Wil je vanaf het begin lezen, hier vind je hoofdstuk 1, de proloog.