Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
Hoofdstuk 3
 

Vertrek uit Scheut, op weg naar Marseille


 
“Altijd zullen wij Onze Lieve Vrouw van Lourdes in leed en nood aanroepen. De koningin der apostelen zal haar missionarissen niet in de steek laten”.
Hubert Kallen in Marseille, 12 september 1897
 

***

 
Elk jaar vertrok er uit Scheut een groep missionarissen naar het verre China. In 1897 was dat een zestal: vier Belgen – Jozef  Van Kerckhoven (geb. 27 februari 1871, St. Amands), Arthur Hustin (4 oktober 1872, Graide), Jozef Van Poeck (8 juli 1870, St. Niklaas), Cyriel Vervaecke (7 september 1871, Moorsele) – en de Nederlanders Jozef Jansen (23 februari 1872, Baarle-Nassau) en Hubert Kallen.
   Op dezelfde dag, 6 september, vertrokken bovendien nog twee missionarissen naar de Kongo, het andere gebied waar Scheut actief was: de Belgen Kamiel Aelgoet (geb. 4 september 1871, Ronse) en Kamiel Stroo (3 januari 1871, Moerkerke).
 
Vanuit Marseille, de Franse havenstad aan de Middellandse Zee, stuurde Hubert Kallen een eerste verslag aan zijn familie.
   “Onze reis door Europa begon op maandag 6 september. In ons vroom heiligdom van Onze Lieve Vrouw van Genade te Scheut droegen we het H. Misoffer op. Daarna werden de laatste schikkingen voor de lange reis ondernomen. De koffers werden een laatste keer nagezien en de reiszakken in orde gebracht. De bel van het missiehuis riep ons ter kerke.
   Weldra zaten wij met ons achten, zes missionarissen voor China en twee voor de Kongo, aan de voet van Maria’s altaar neergeknield. De overste van onze karavaan hief statig het Ave Maria Stella, ‘Wees gegroet Sterre der Zee’, aan, hetgeen door ons allen vervolgd werd. Daarna baden wij samen het reisgebed (itinerarium) om van God en zijn heilige moeder een voorspoedige reis te bekomen. Nu hoefden we niet meer bang te zijn om te vertrekken. Onze reis stond immers onder bescherming van zowel de heer van hemel en aarde als de koningin van zee en aarde.
   Nog een laatste vaarwel aan onze dierbare overste [Jeroom Van Aertselaer], nog een hartelijke afscheidsgroet aan onze jongere medebroeders en... wij zaten vol moed en opgeruimdheid in de rijtuigen die ons naar station Brussel-Zuid moesten brengen.       
   Met de vreugde van de Heer in het hart reden we door de hoofdstad die aan het ontwaken was. Vurig wensten we allemaal dat het katholieke geloof voor België behouden zou blijven. De koetsiers hielden eensklaps halt voor de spoorhal”.
   Na meer dan dertig jaar reizen naar China wisten ze bij Scheut langzamerhand wel hoe een en ander voor nieuwe missionarissen georganiseerd moest worden. “Weldra was alles geregeld. De kaarten tot Parijs werden genomen. De reiskoffers werden door enige knorrige bedienden ter plaatse besteld. Een flinke handdruk werd gegeven aan de confraters [medebroeders] die ons vergezelden [naar het station]. Meteen zaten we in de sneltrein naar Parijs”.
 

Naar Parijs

 
Als je het verslag leest had het begin van de treinreis een nogal plechtig karakter. In elk geval leek het zestal zich bewust begonnen te zijn aan een avontuur om in het verre China het katholieke geloof te gaan verbreiden. Hun reis was hun levensbestemming, beseften ze maar al te goed. Zouden ze, zoals ze daar zaten, hier ooit nog terugkomen?
   “Zodra het stoomgevaarte zich in beweging zette, hieven wij gezamenlijk de lofzang ‘Magnificat’ aan en bevalen ons door het bidden van drie weesgegroetjes nogmaals aan Maria’s goedheid aan. In Halle [onder Brussel] zongen we nog een godvruchtig ‘Onder uwe bescherming’ (Sub tuum praesidium) en daarna wat geliefkoosde liedjes van Scheut.
   Alvorens het vaderland te verlaten hieven wij het volkslied aan. In onze spoorwagon lieten we de ‘Leeuw van Vlaanderen’ weerklinken. Vaarwel dus België met al wat ons lief en dierbaar is. Vaarwel voor vele jaren. Vaarwel misschien voor enigen zonder weerzien, als God het zo wil”.
   Een van de jonge paters maakte een einde aan die sombere overpeinzingen. “Wie geen moed meer heeft moet er maar weer scheppen. Meteen haalde hij een verfrissing uit de reiszak.
   ‘Gezondheid’, riepen we, ‘op bloedverwanten en vrienden – wel bekome het ons allen!’”
   Wat ze overhielden gooiden de jonge priesters gewoon het raam uit. “De overblijfsels werden onder het verpletterend geraderte van het stoomtuig geworpen”.
  
Het passeren van de Belgisch-Franse grens leverde weinig problemen op. Het zestal maakte duidelijk dat ze als missionarissen op weg waren naar het Verre Oosten. Bovendien boden ze de grensbewakers sigaren aan. “Met één sprong zaten we weer op de rug van ons snoevend stoompaard”.
   Vroeg in de middag arriveerde het zestal in Parijs. Het doorsturen van de koffers naar Marseille verliep verre van soepel. “Geen missieleven zonder tegenkanting”, zeiden de paters tegen elkaar.
   Tijdens hun opleiding waren ze niet klaargestoomd om van het moderne, mondaine Parijs te genieten. Kallen duidde de Franse hoofdstad aan als een ‘verpestend hol’. De sfeer was er volgens hem ‘wulps’ en ‘goddeloos’. De koetsier die hen in de stromende regen naar hun logeeradres voor die dag bracht wist niet eens wat de ‘kerk der koningen’ was. “Hij meende dat wij een gereformeerde kerk zochten. Alsof de Vlaamse kerk een bijzondere secte was, zoals de Griekse, Russische of Turkse kerk”. Kallen walgde van Parijs.
   Gelukkig hadden ze een onderkomen bij een geestelijke. Dat was pastoor De Keyser (‘uit het bisdom Gent’). “Die staat in Parijs aan het hoofd van de katholieke Vlamingen. Hij deed ons een gulle ontvangst genieten. Ons Vlaams hart werd flink opgehaald. ’s Avonds herhaalden we voor onze gastheer met vreugde nog eens al onze Vlaamse gezangen”.
  

Lourdes

 
Aan het einde van de negentiende eeuw was Lourdes in het zuidwesten van Frankrijk een populair pelgrimsoord. Maria zou er in 1858 een aantal keren verschenen zijn aan de veertienjarige Bernadette Soubirous. Verhalen deden de ronde dat een bedevaart naar Lourdes tot wonderbaarlijke genezingen leidde.
   Een katholieke krant als de Gelderlander deed in 1890 verslag van een bedevaart naar de heilige plaats. Op 26 augustus was te lezen: “De Parijse processie naar Lourdes heeft al in Poitiers merkwaardige gebeds-verhoringen gekregen. Te midden van een algemeen gebed voor zieken begon een vierjarig kind, dat nooit kon lopen, plotseling de benen te bewegen. De moeder zette het op de grond. Het kind liep aanvankelijk enigszins aarzelend, maar weldra zo vlug dat de moeder het ternauwernood kon volgen.
   Een meisje, ongeveer achttien jaar, dat lam was in armen en benen, kreeg het gebruik van haar armen terug. Een man van vijftig, ongeneeslijk ziek verklaard, voelde zich eveneens plotseling genezen. Onder de pelgrims heerst een onbeschrijfelijke geestdrift”.
   Dat was nog maar het begin. Vier dagen later meldde de krant: “Zodra de processie was aangekomen werd het vertrouwen van de pelgrims terstond beloond met de totale en plotselinge genezing van een 19-jarige jongeling die in de hevigste graad aan ruggemergstering leed. De brancard-dragers die hem naar het badhuisje vervoerden, waren diep begaan met zijn deerniswaardige lot. Maar een ogenblik later was hij helemaal gelezen. Met het grootste gemak liep hij tussen de pelgrims rond”.
   In Lourdes liepen meer dan 30.000 pelgrims, onder wie duizend priesters, met fakkels in het donker mee in de processie. “De pelgrims riepen luid om barmhartigheid voor de honderden zieken die langs de weg geknield of op matrassen uitgestrekt lagen. Plotseling zag men vele gebrekkigen opstaan. Ze legden hun krukken in de grot en volgden jubelend de processie”.
 
Menige Scheutist reisde via Lourdes naar China. Zoals Karel Verellen in 1884, die er in hotel Soubirous logeerde. “Het is mij onmogelijk uit te drukken wat al aandoeningen, godsvrucht en eerbiedsluchten men voelt in die door de natuur gekloven tempel”, noteerde hij. “De menigvuldige krukken en breukbanden spreken aan het hart van de pelgrim en getuigen de kracht van Maria’s voorspraak. Die bron, die de natuur niet heeft gevormd maar die als een wonder voelt door Gods almacht – als de zegels die het verbond tussen de wereld en Maria bekrachtigt”.
   Missionarissen werden klaarblijkelijk ook zelf genezen door het bezoek. Toen de Scheutist Andries Jansen in 1888 ernstig ziek uit China moest terugkeren, legde overste Van Aertselaer vast: “Hij is teruggekomen uit Lourdes en schijnt genezen. Jansen kan zich weer bezig houden met zijn brevier, studie en correspondentie. Dat doet ons geloven dat de heilige maagd onze gebeden verhoord heeft”.
   Missionarissen op weg naar China lieten niet na het heilzame bronwater over zee mee te nemen. Menige zieke in China, missionaris of bekeerling, kreeg een kostbare slok Lourdeswater te drinken.
 
Geen wonder dat de jonge Scheutisten in 1897 de kans niet voorbij wilden laten gaan om er zelf heen te reizen. Kallen: “Zo gauw mogelijk verlieten we Parijs om ons naar het zegenrijke genade-oord van Lourdes te begeven. Die dag stoomden we in volle vaart naar Bordeaux. Onderweg hebben we alleen de steden Poitiers en Angoulême opgemerkt. Omdat we de feestdag van Onze Lieve Vrouw geboorte in Lourdes wilden doorbrengen, namen we ’s avonds om 11 uur in Bordeaux de nachttrein naar de hoge Pyreneeën.
   Vermoeid en uitgeput lagen wij weldra ieder in een hoek van de spoorwagen te ronken. We merkten niet dat onze wagon in Tarbes achter een andere trein gehangen werd. O zoete slaap, grote weldaad door de Allerhoogste gegeven om de zwakke krachten van de arme stervelingen te herstellen”.
 
Onverwacht kwamen ze op de plaats van bestemming aan. “Een luidruchtig geroep ‘Lourdes! Lourdes!’ deed ons op onze kussens recht springen. Gauw wreven we onze ogen uit. Gelukkig en tevreden betraden we de gezegende grond die de hemelse moeder uitgekozen heeft om haar macht en goedheid aan het lijdende mensdom te tonen”.
   De zes missionarissen genoten enkele dagen van hun verblijf. Ze droegen er niet alleen de mis op, maar maakten, als je ze mag geloven, zelfs echte wonderen mee. “Na ons wat opgeknapt te hebben smaakten we het onnoemelijk geluk enige minuten later Maria’s zoon te midden van de zieken op het heilig altaar te zien neerdalen in de kapel van het hospitaal. Het zelfde geluk mochten wij op 9 september genieten in de basiliek zelf en op 10 september in de kerk van de heilige rozenkrans. Maria kunnen wij nooit genoeg bedanken voor het zalig zielsgenot waarmee zij in Lourdes ons hart heeft overstelpt”.
   Lourdes maakte een aanzienlijk betere indruk dan Parijs. “We woonden de hoogmis van de aartsbisschop van Tours bij. Daarna bestegen we de kruisweg. Van op de kruin van de kruisweg hadden we een wonderwekkend uitzicht over de prachtige streek die het stadje omgeeft. Maria had geen mooiere plek uit kunnen kiezen om haar gunsten uit te delen. Lachende dalen met groene weiden, blinkende rotsen met de toppen van de Pyreneeën. Een betoverende streek”.
 

Zelf getuige van wonderen

 
“We begaven ons naar het gebed voor de zieken bij de grot. Of er daar gebeden en gesmeekt werd! Maria bleef niet achter en toonde nogmaals aan haar trouwe kinderen hoe lief zij hen heeft. Wij hadden het geluk getuigen te zijn van drie of vier wonderbaarlijke genezingen.
   De mooiste had plaats tijdens de heilige sacramentsprocessie. In een lange mand, die voor draagbed moest dienen, lag een juffrouw uit Tours. Als gevolg van een misvorming van de ruggegraat had ze al vijf jaar niet meer recht kunnen zitten. Het zag er slecht voor haar uit. Onderweg naar Lourdes had ze nog achttien aanvallen van verflauwing gehad. Maar op het ogenblik dat de bisschop van Tours het heilig sacrament op haar hoofd plaatste richtte zij dat zelf op. Daarna steunde ze op haar handen. Ze wilde bovendien de mand uit om te lopen. De mensen die bij haar waren hielden haar voor alle zekerheid toch maar tegen.
   U had de vreugde eens moeten waarnemen in de menigte. Welk gejubel! Welke dankgebeden en lofzangen! Maar ook welke smeekbeden van de andere zieken!
   Tussen een ontroerde menigte werd de juffrouw naar huis gebracht. De volgende dag kwam ze in een wagentje terug om haar genezing door de dokters te laten verifiëren. De geneesheren verklaarden dat de misvorming van haar ruggegraat verdwenen was. Haar lamheid zou binnenkort ook wel wegblijven. Dit is te hopen met de hulp van Maria! We hebben die gelukkige vrouw nog twee keer terug gezien voor ons vertrek uit Lourdes. Elke keer constateerden we nieuwe vooruitgang. Ziedaar de prijs van een vurig geloof en een onmeetbaar vertrouwen in Maria”.
 

Krukken niet meer nodig (Lourdes, 1914)

  
De priesters, die een paar dagen eerder nog in het klooster van Scheut verbleven, raakten maar niet uitgekeken in Lourdes. “Bij een processie van ruim zevenduizend man met flambouwen [fakkels] was de kerk elektrisch verlicht. De voorgevels, koepel en toren waren met de fraaiste kleuren afgetekend”.
   Het kon niet op. Nóg een wonder. “De laatste halve dag brachten we door in gezelschap van een groep Belgen op bedevaart. Hoe zoet was het voor ons nog een laatste keer Maria’s bescherming over landgenoten, bloedverwanten, vrienden en bekenden af te smeken. Een priester droeg twee missen op voor de Belgische pelgrims. Toen hij tijdens de tweede mis de heilige hostie ten hemel hief deed een blinde zijn ogen open en bedankte de H. Maagd voor zijn genezing”.
   Dat soort verhalen zal ongetwijfeld stimulerend gewerkt hebben op nieuwe pelgrimstochten.
 

Afscheid van Lourdes

 
Twee dagen later schreef Hubert Kallen een tweede brief naar zijn familie in Lanaken. Hij was nog steeds vol van de wonderen die hij voor eigen ogen had zien gebeuren - hoewel niet alle genezingen even goed afliepen. “Tijdens de tweede mis van de Belgen was een blinde ziende geworden. Er had nóg een genezing plaats. Na het baden droeg een Belg in zijn handen de krukken die hij eerder nodig had om te kunnen lopen. Maar weldra moest hij zijn krukken hernemen. Ongetwijfeld verlangde de H. Maagd dat hij zijn gebed nog wat zou voortzetten om volmaakte genezing te bewerkstelligen!”
 
Aan alles komt een eind, zelfs aan een bedevaart in Lourdes. “De tijd vloog voorbij. Vergeefs verzochten de pelgrims ons dat we in de basiliek nog een plechtige hoogmis zouden dienen. De tijd liet het niet toe. Wij haastten ons nog vóór de hoogmis afscheid te nemen van onze landgenoten. Vooral van de brave priesters van het bisdom Luik die de leiding hadden over de pelgrimstocht.
   Vooruit naar het hotel om alles voor ons vertrek in orde te stellen. Vaarwel gezegend Lourdes! Vaarwel zoete streek, waar ziel en hart met de goddelijkste, met de zaligste gevoelens vervuld worden. Nooit zullen wij u vergeten. Altijd zullen wij onze gedachten tot u terug brengen. Altijd zullen wij Onze Lieve Vrouw van Lourdes in leed en nood aanroepen. In tegenwoordigheid van duizend pelgrims baden wij op het laatste ogenblik nog een emotioneel ‘Ave Maria Stella’ om haar machtige inspraak over ons allen af te roepen. De koningin der apostelen zal haar missionarissen niet in de steek laten. Het is dan ook geenszins te verwonderen dat wij Lourdes met moed en sterkte verlieten”.
 

Van Lourdes naar de haven van Marseille

 
De paters zetten hun reis begin van de middag voort. In Toulouse stapten ze over op de nachttrein naar Marseille. Op 11 september arriveerden ze er in alle vroegte. “We reden door de lage Pyreneeën. Er was maar weinig vruchtbaar land te zien. We bevonden ons in die streek waar enkele weken geleden huiveringwekkende overstromingen plaats hebben gehad. Achter Tarbes moesten we over een hulpbrug rijden. De vorige brug was weggespoeld. Op die plaats had men eerst een ijzeren hulpbrug aangelegd maar toen de eerste lokomotief er over heen reed brak het ijzerwerk. De ingenieur, stoker en machinist bleven op de plaats dood.
   Van slapen kwam niet veel omdat we om twee uur ’s nachts van trein moesten veranderen. In Sète zagen we aan één kant de Middellandse Zee, aan de andere kant verschillende zoutmeren”.
 
Tegenover zijn familie verontschuldigde Hubert zich dat hij niet meteen op 11 september een brief op de post gedaan had. “Wij kwamen vermoeid in Marseille aan. Omdat we allemaal de heilige mis moesten lezen waren we zo uitgeput dat de ogen die dag weigerden de pen te bekijken. Van brieven schrijven kwam dan ook niets terecht”.
   Die dag hadden ze belangrijke religieuze activiteiten. “We maakten een uitstapje naar het aartsbisdom om vergunning te krijgen om op zee te mogen biechten”.
   Bovendien wilden ze de gelegenheid niet laten lopen om nog eenmaal de hulp van Maria te vragen voor de lange en verre reis naar China. Dat was gebruikelijk bij de missionarissen die de zeereis in de Franse havenstad begonnen.
   “Wij maakten een kleine bedevaart naar Onze Lieve Vrouw ter Wacht. Wat is dat, zult u mij vragen.
   Dat is een genadebeeld van de H. Maagd. Het wordt vereerd in een prachtige kerk die boven op een rots ligt. Alle vrome reizigers komen aan de voeten van dat beeld neerknielen om Maria’s  bescherming op zee af te smeken. Vandaar ook de naam ‘Notre Dame de la Garde’ of ‘O.L. Vrouw ter Wacht’. Wij missionarissen wilden Maria’s laatste wonderbeeld, dat wij op Europese bodem aantreffen, niet voorbij gaan”.
   Misschien voelde Hubert zich wel schuldig, maar omdat hij en zijn medebroeders nauwelijks geslapen hadden waren ze doodmoe. “Wij durfden onze stramme benen niet meer wagen aan het beklimmen van die berg. Met een ophaalbak rezen we recht naar boven tot op een hoogte van 140 meter en later op diezelfde manier naar beneden”.
   Het was tijd om onder de lakens te kruipen. Naar een hotel hoefden ze niet te zoeken. Alles was geregeld. Geld kwam er niet aan te pas. “Deze laatste nacht mochten wij eens goed uitrusten in het huis Bethanië. Deze weldoende inrichting is door enige brave [vrome] dames van Marseille gesticht om alle vertrekkende en aankomende missionarissen enige dagen te huisvesten”.
 


Onze Lieve Vrouw ter Wacht

 

Vertrek uit Marseille, 12 september 1897

 
De grote dag was aangebroken. De dag waarop de zes missionarissen Europa verlieten om over zee tot aan een haven ergens in het noorden van China weer definitief aan land te komen. In alle vroegte schreef Hubert de brief waarin hij zijn familie op de hoogte bracht van de reis vanuit Scheut naar Parijs, Lourdes en het zuiden van Frankrijk.
   “Na de heilige mis gelezen te hebben gingen wij ons in de stad voorzien van onze laatste reisbehoeften. Het weer was overheerlijk. In volle draf doorkruisten we de bonte, woelige straten. Bij het naderen van de haven zagen we van verre al onze boot, de Australien, met de Franse driekleur in top. Die stak boven de andere schepen uit”.
   Kallen was niet erg onder de indruk. “De haven van Marseille ziet er maar schamel uit in vergelijking met onze wonderwerken van Antwerpen. We hadden ons iets anders voorgesteld. ‘Klein België, wees fier op uw trotse haven’, zeiden we tegen elkaar”.
   Meer onder de indruk was Kallen van het schip dat hen ver weg zou brengen. Hij omschreef het als een ‘drijvende massa’. “Ik zeg massa en niet zonder reden. Het speeltuigje is maar eventjes 152 meter lang, 15 breed en 11 diep. Het monster kan 6.400 ton, 6.400.000 kilo laden. Het bezit een dubbele machine van 1.000 paardenkracht. De Australien is de grootste boot van de [Franse zeevaart-onderneming] Messageries Maritimes!”
 
Onder begeleiding liepen de Belgische en Nederlandse priesters over ‘dobberende ladingschuiten’ naar de Australien, het schip dat Kallen aanduidde als ‘onze zeeparochie’. “Een goedwillige matroos leidde ons naar ons kamertje. We namen het dingetje eens gauw in ogenschouw, legden er alle overtollige zaken neer en spoedden ons naar het bovendek. Hier ontmoetten we niet alleen veel passagiers maar ook vreemden die hun vrienden en kennissen uitgeleide kwamen doen”.
   Kallen had al snel contact met een collega-missionaris, een Lazarist. “Hij zal ons tot Port Saïd gezelschap houden. Hij reist voor de veertiende of vijftiende keer naar Damascus, naar de missie van Syrië”.
   Het schip stond op het punt van vertrek. “Wij wierpen een blik op het inladen. Een menigte bedekte de kade. De niet-passagiers kregen een teken dat ze de boot moesten verlaten. Weemoedig namen ze afscheid. Kennissen kregen een laatste handdruk. Familieleden werden voor het laatst omhelsd. Een traan biggelde soms”.
   Hubert Kallen plaatste het vertrek uit Frankrijk in de eeuwigheid. “Zo gaan alle betrekkingen hier op aarde voorbij. Zo zal ons leven eens verzwinden. Niets zal ons op het ogenblik van de jongste scheiding meer kunnen baten dan een zalig einde om de gelukkige eeuwigheid binnen te varen”.
   Hij vertrok immers als missionaris om het katholieke geloof in China te gaan verbreiden...
 
 
Harry Knipschild
8 januari 2014, 2 december 2014      
 
Literatuur

'Reis van eenen missionaris van Scheut [Karel Verellen, 1884]', Gazet van Antwerpen, 1893
'Circulaire Jeroom Van Aertselaer', over Andries Jansen in Lourdes, 4 juni 1888, archief Scheut
'Parijsche processie naar Lourdes', Gelderlander, 26 augustus 1890
'Groote nationale bedevaart van Parijs naar Lourdes', Gelderlander, 30 augustus 1890


Het eerste hoofdstuk, de proloog, vind je hier.

Het volgende, vierde hoofdstuk ('Op zee - vanuit Marseille naar de tropen') vind je hier.