Zoeken

 
 
Gijs Benne, uit Den Bosch, sloot zich aan bij de missie van Mill Hill in Roosendaal. Zijn congregatie stuurde hem naar Oeganda, om er in het hartje van Afrika de nog onbeschaafde zwarte bevolking voor het katholieke geloof te winnen en te houden. Regelmatig trok hij in de tropen rond op zijn motorfiets. Maar die was stuk.
   Op 5 september 1931 schreef hij in zijn dagboek: “Het is mijn plan om voor een kleine drie weken op ‘safari’ te gaan, zoals we dat noemen. Safari betekent reis en hier bedoel ik een missiereis, nl. het bezoeken van een gedeelte van onze parochie. Ik zal ik de reis per fiets maken. Dat is wel een warm baantje, maar we moeten er toch wat voor over hebben om onze gelovigen te gaan bezoeken”.
 
 
53 1 safari
foto uit missietijdschrift Mill Hill (1931)
 
 
Benne had weinig reden tot klagen. Hij hoefde alleen maar te trappen. De pater had tien dragers bij de hand om al zijn spullen te vervoeren.
   “Een voor het ijzeren koffer, waarin ik alles heb voor de H. Mis. Een die de opvouwbare tafel en altaarblad draagt. Een voor de kist met levensmiddelenvoorraad. Een met een kist met potten en pannen, borden en kopjes, messen en vorken. Een die mijn bedzak met dekens draagt. Een die mijn koffer met mijn kleren te transporteren heeft. Een voor m’n opvouwbare stoel en het bundeltje dekens en slaapmat van mijn knechtje. Een met m’n ijzeren badkuip, waarin ook gepakt zijn een extra voorraad aardappelen en flessen met drinkwater.
   Voor dat alles moet mijn knechtje zorgen. Die aap! Hij is nu al groot, is in 1926 door mij zelf gedoopt en is altijd m’n knechtje geweest. Hij heeft al dikwijls van me willen weg lopen, want ik ben soms erg lastig, maar ik heb hem toch nog en ik zou hem ook niet graag missen, want hij kent z’n werk goed en is heel handig.
   Hij weet wat ik hebben moet en hoe ik het hebben wil. Hij weet precies wanneer hij het wagen kan om me iets te vragen en hij weet verduiveld goed wanneer ik het veiligste op afstand ben”.
 
 
Dagelijkse routine op missietocht
 
 
Het lijkt erop dat de Nederlandse pater goed besefte wat hem de komende weken te wachten stond. “De gewone loop van het safari-leven is altijd dezelfde. Zodra je dicht bij een dorpje komt, komen de christenen en catechumenen [nog niet gedoopte bekeerlingen] je tegemoet. De begroeting is een hele lange voorstelling. Dan wordt een welkomstliedje gezongen, dat overal het zelfde is.
   Ze hollen allemaal vóór, achter of naast de fiets mee. Intussen hebben ze bij het kerkje al gemerkt dat je in het dorp bent, en staan ze met geweld de trommel te behandelen. Dit doen ze om de hele heuvel van je aankomst bericht te geven. Bij de kerk aangekomen, ga je in de schaduw zitten en dan beginnen de begroetingen weer opnieuw. Na een tijdje komt de hoofdman van het dorp. Dan komt de safari binnen, d.w.z. de dragers arriveren en zetten de koffers en kisten neer.
   Mijn knechtje heeft intussen al kennis gemaakt met een paar schavuiten van het dorp, welke na hun eerste kennismaking een hele hoop werk voor hem doen. Mijn boy is slim. Hij weet het goed aan te leggen om de anderen te laten werken en zelf maar te commanderen.
 
Om twaalf uur krijg ik mijn eten en ga een dutje doen. Dan bid ik mijn brevier af en begin biecht te horen. De rest van de dag wordt gewoonlijk met wat kletsen doorgebracht. Met dat kletsen kunnen we ze gewoonlijk in vele christelijke gebruiken onderrichten. Als er zieken in het dorp zijn, die niet kunnen komen, gaan we ze opzoeken. Om een uur of zeven bidden we het rozenhoedje. Daarna ga ik me wassen en het avondmaal gebruiken.
   ’s Avonds bij het kampvuur blijf ik gewoonlijk tot twaalf uur opzitten. De meisjes blijven doordansen, en de jongens gaan worstelwedstrijden houden.
 
’s Morgens wordt mijn bed, wastafel en stoelen opgepakt en wordt het draagbaar altaar opgeslagen. De kerk wordt gezegend, ik lees de H. Mis en de gelovigen komen te communie. Na de H. Mis breng ik de H. Communie aan de zieken, soms een half uur ver. Dan worden de kleine kinderen gedoopt en als ik wat gegeten heb, kan iedereen die mij persoonlijk wil zien, een voor een komen.
 
Die arme stakkers hebben veel hulp en raad nodig, en het biechthoren en die morgen-audiëntie is een van de grootste middelen om hen op de rechte weg te houden en hun moed en sterkte te geven. In de audiëntie proberen wij ook de zondaars op de rechte weg terug te brengen. Soms gelukt het ons en soms, of meestal, moeten we weggaan met de hoop dat O.L. Heer hen op Zijn tijd de genade geven zal.
 
Mijn knechtje is in de weer om alles weer op te sluiten en op te pakken. Er worden weer dragers gekozen, om alles naar het volgende dorp te brengen. Zo ik ingehaald werd, zo word ik ook uitgeleide gedaan. Alles wat lopen kan holt met me mee, soms tot het volgende dorp, en soms tot ze zo moe zijn, dat ze niet meer kunnen”.
 
 
53 2 dragers in Afrika
dragers in Afrika
 
 
Mulania, 8 september 1931: thee, geen bier
 
 
Op 8 september 1931 ging de missionaris op pad en arriveerde in Mulania. “Ik kwam onverwachts het dorp binnen en U had de ontsteltenis en tegelijk ook de vreugde eens op die gezichten moeten zien! Ze waren allemaal heel hard bezig om een tijdelijk grashutje voor me te bouwen. Het was nog niet klaar, want niemand verwachtte mij zo vroeg. Het was een vrolijke menigte daar. Iedereen kwam zo nu en dan eens van zijn werk af en kwam naast me zitten.
   ’s Avonds werd ik bij een zieke protestantse vrouw geroepen. Zij was hard ziek, namelijk een flinke kou en koorts. Ik had wat medicijnen bij me en iedereen was dankbaar.
   Ik heb nu iedereen bijeengetrommeld en ze worden op thee getracteerd. Omdat ze geen kopjes hebben, drinken zij de thee zoals zij het bier drinken, n.l. met een rietje. De thee, evenals het bier, wordt in een grote aarden pot gekookt, dan de suiker erbij gedaan, en er worden drie of vier lange buigbare pijpen in gezet, waarmee zij de thee of het bier opzuigen.
 
De mensen in het dorp zijn erg aan het bierdrinken verslaafd en ik heb deze gelegenheid waargenomen hen tegen die misbruiken te waarschuwen. Het ergste is dat ook vrouwen en kinderen meedrinken en de taal die bij zulke drinkpartijen gebezigd wordt, is afschuwelijk”.
 
 
Kalamira 16 september 1931: uit dineren
 
 
Minder positief was de pater over zijn verblijf in Kalamira. Misschien kwam dat wel een beetje omdat hij moe was. “De fietstocht was geen aardigheid, vooral omdat wij meestal heuvel op moesten, en op sommige plaatsen was het helemaal los zand, die het fietsen onmogelijk maakt. En dan die zon!”
   De catechist, zijn plaatselijke helper die de catechismus moest onderwijzen, had zijn werk niet goed gedaan. “Het is hier een treurige boel! De catechist heeft weer een van die luie kuren. In december had hij bijna vijftig kinderen voor onderricht, en nu waren er nog geen vijftien. Wanneer zullen de mensen toch eens leren om door te zetten. In plaats van te werken gaat hij natuurlijk bezoekjes afleggen. Zodra hij dat gaat doen, denkt hij niet meer aan werken”.
 
De missie had het er moeilijk genoeg. “Wij hebben hier [pas] drie en vijftig christenen, na meer dan twintig jaar werken”. Benne had toch flink z’n best gedaan. “Hier heb ik in 1926 een flinke kerk gebouwd, tenminste wat wij hier een flinke kerk noemen. De kerk is van gedroogde stenen gebouwd en een dak van gras”.
   De Brabander liet zich niet ontmoedigen. “In de namiddag heb ik biecht gehoord. Ik zit in een hutje van gras en iedereen komt zo een voor een, knielt op de grond naast de stoel, er is helemaal geen biechtstoel of schuifje natuurlijk, en spreekt de biecht”.
 
Die dag legde hij contact met enkele dorpshoofden. Eén van hen, een protestant, nodigde de missionaris uit om bij hem te komen ‘dineren’.
   “Tegen de avond ging ik hem een bezoek brengen. Wij gingen per fiets. Ik heb er gegeten zoals zij zelf eten, n.l. met mijn handen. De aardappelen neem je een voor een in je handen, je knijpt ze in mekaar, duwt dat in de saus en de groenten en dan transporteer je dat zaakje naar de plaats, waar al het voedsel gemalen wordt. Voor en na het eten komt een jongetje en gooit water over je handen, omdat je met vuile handen niet mag eten.
   Ik heb er lang zitten kletsen, en veel verteld omtrent het geloof, hoe iedere vader en moeder hun kinderen groot moeten brengen, enzovoort, dingen waarvan hij nooit gehoord had”.
 
 
53 3 levensmiddelen
foto uit missietijdsachrift Mill Hill (1931)
 
 
Lwatama, 21 september 1931: succes met prentjes en medailles
 
 
Meer succes had Benne in Lwatama. “Vandaag heb ik een hele drukke dag gehad. Vanmiddag waren er ongeveer 150 christenen. Ik heb zeventig biechten gehoord. Wij hadden een gezongen H. Mis, gevolgd door een vergadering met alle christenen en toen hebben we een en ander besproken.
   Daarna gingen we op stap. Ik verzeker U dat de zon heet was. Wij hadden een tocht van ruim een uur voor de boeg. Thuis is dat van Den Bosch naar Tilburg, geloof ik. Het vorig jaar kwam ik hier om de nieuwe catechist te installeren. Toen zat ik maar in de schaduw van een grote boom. Nu telt het dorp al twintig christenen, en als de catechist zo doorwerkt, zal het spoedig een bloeiend christen-dorp worden.
   U had die mensen eens moeten zien, die rondom de potten thee kwamen zitten. De meesten waren in het begin erg schuw. Maar later kwamen ze mij groeten en een prentje halen. Zij zijn gek op prentjes en medailles. Ik gebruik die dingen om ze tot vriend te maken, en zodoende kunnen wij met God’s genade er een paar voor Hem winnen”.
 
 
Kisega, 23 september: pater Benne wordt gekeurd
 
 
Een gloednieuwe missiepost was Kisega. “De kerk is nieuw, de catechist is nieuw, zijn huis is nieuw, enz. Hij heeft veel kinderen op les, en ook grote mensen. De bekeerlingen vroegen mij om een voetbal voor hen te kopen, maar ik heb geen centen”.
 
Aan het kampvuur werd Gijs Benne aan een inspectie onderworpen. Was de pater uit het beschaafde Europa wel te vertrouwen?
   “Er waren heel veel mensen op de been om mij te komen bekijken, en als O.L. Heer dat hebben wil, kunnen wij heel veel christenen krijgen. ’s Avonds bij het vuur kwamen zij mij eens van top tot teen bekijken. Eerst werd mijn pijp bekeken en bewonderd. Iedereen vond het merkwaardig dat de pijp van hout was, en dat ik ze zo maar op een steen uitklopte. Hun pijpen zijn allemaal van klei.
   Toen werd mijn reisdeken betast en bevoeld. Oh! Wat zwaar is die. Ze zijn allemaal gewoon aan een soort dekens, die een bekende Hollandse firma hier verkoopt, en die goedkoop, maar ook heel licht zijn. Toen mijn schoenen, toen mijn haren, maar toen zij dat voelden, werden zij bang en zaten mij in bewondering aan te kijken”.
 
 
53 4 katholiek meisje
foto uit missietijdschrift Mill Hill (1931)
 
 
Kisoweni, 25 september: mieren en muggen
 
 
In Kisoweni schreef de voormalige inwoner van Den Bosch tevreden in zijn dagboek: “Hier heeft de catechist 23 kinderen onder instructie. Ik heb ze allemaal wat thee gegeven. Er wordt gedanst en gesprongen, dat het een lust is”.
   Van slapen was de afgelopen nacht niet veel terecht gekomen. “Gisterennacht kreeg ik behalve het lawaai van al die kinderen buiten, ook nog een bezoek van trekkende mieren ‘ensanafu’ genaamd. Die mieren trekken in duizendtallen tegelijk op. Zij trekken als een regiment, en spreiden zich uit over slechts drie of vier centimeter breedte. De lengte van die zwerm is soms wel een kwartier lopen lang.
   Gewoonlijk gaan zij op jacht naar het nest van een ander soort mier en stelen dan alle eieren weg. Als er een huis in hun weg ligt, gaan zij er recht doorheen. Immers daar is licht een klein gaatje in de kleimuur van die hutjes.
   Als je per ongeluk op zo’n trein van trekkende mieren stapt, ben je nog niet gelukkig. In een ommezien kruipen zij in je schoenen, je kousen en je broek. Dan moet je verduiveld vlug het hoge gras inspringen en je hemd en je broek uitschudden, want die dingen bijten verschrikkelijk.
   Vroeger gebeurde het wel, dat als iemand ter dood veroordeeld was, dat hij aan handen en voeten gebonden in de weg van de mieren werd gelegd, en na een vreselijke marteling stierf.
   In gewone omstandigheden is het niet zeldzaam, dat een kuiken, als het door die mieren onverwachts gegrepen wordt, er het leven bij inschiet. Wel, om op mijzelf terug te komen, ik kreeg ze op bezoek. Ik werd wakker en vond dat zij om de een of andere reden besloten hadden dat mijn bed in hun weg lag.
   Ik verzeker U, dat ik er vlug bij was en spoedig andere plunje had aangetrokken. Toen riep ik mijn knechtje en natuurlijk, al die kwajongens rondom het vuur waren wel klaar voor een lolletje. Mijn rommel werd naar buiten gedragen en een vuurtje in huis aangelegd. De mieren houden niet van as, want als zij in as terecht komen, zijn zij voor de haaien. Rondom het huis werd as gestrooid, om ze te beletten verder binnen te komen, want er waren er nog duizenden op komst.
   U begrijpt, dat er van slapen die nacht niet veel kwam. En toen alles weer eens voor mekaar gebracht was, voor die schavuiten weer eens rustig waren, en voor ik een beetje aan die rooklucht gewoon was, was het vier uur. Ik beloof U dat ik moe was”.
 
Terwijl hij zijn verhaal over de mieren opschreef had hij met andere insecten te maken. “Aan beide kanten van deze heuvel zijn modderpoelen, die broedplaatsen zijn voor de muggen. De muggen zijn erg lastig vanavond. Zij bijten mij van alle kanten. Het zijn die muggen, die gewoonlijk de koorts verspreiden, maar ik geloof dat het nu wel zal gaan. Ik geloof niet dat zij vanavond koortsdragend zijn”.
 
 
Budini, 27 september: terug van de gezellige kampvuurtjes
 
 
Op 27 september 1931 kon Gijs Benne zijn fiets weer neerzetten en nog eens overzien wat hij de afgelopen weken ervaren had. Zonder dat hij dat eerder duidelijk aangaf constateerde de missionaris nu ineens dat hij door een land gereisd had waar in het dagelijkse leven heel wat zonden begaan werden. Maar daar was wel iets aan te doen.
 
 “Ik ben weer terug thuis. Het is hier toch heel wat gemakkelijker dan op reis. Het voedsel wordt smakelijker bereid, de kamer is gezelliger, in één woord, safari is hard werken, maar ik doe het graag. Ik zal nog lang terug denken aan de gezellige kampvuurtjes en aan die arme christenen die zo ver weg zitten, en dagelijks zo’n harde strijd hebben te vechten tegen heidense gebruiken en vreselijke bekoringen, want hun bekoringen zijn groot.
   Hun dagelijkse omstandigheden zijn in en in slecht. Er gaat haast geen dag voorbij of zij zijn getuige van de meest afschuwelijke zonden. Dag in dag uit, moeten zij taal aanhoren, en dingen zien, die hen ongetwijfeld in het verderf zouden storten, indien Gods genade hen niet krachtdadig te hulp kwam”.
 
 
53 5 langs de weg in Oeganda
foto uit missietijdschrift Mill Hill (1931)
 
 
Aan het einde van zijn verslag, waarvan een paar maanden later in het missieblad van Mill Hill enkele gedeeltes afgedrukt werden, deed de Nederlandse missionaris, niet ongebruikelijk, een oproep aan zijn landgenoten óók missionaris te worden en met versterkingen naar Oeganda te komen.
   “Als wij nu maar priesters genoeg hadden, dan zouden wij meer kunnen helpen, maar nu wonen de (potentiële) christenen soms zeven of acht uur lopen van de kerk af. Sommigen moeten zelfs een hele dag lopen, en in de omstandigheden waarin zij verkeren, kan hen niets anders redden, dan de H. Mis en de H. Sacramenten. Doch hoe kunnen zij die ontvangen, als zij zo ver van de priester afwonen? Ik eindig dit stukje dagboek met deze wens, dat O.L. Heer ons spoedig heel veel priesters mag zenden.
   De mensen zijn bereid het H. Evangelie aan te nemen, doch er is niemand, die het hun prediken kan. Ik heb op mijn safari dertig kleine kinderen gedoopt van katholieke ouders. Die wonen veel te ver weg om hun kinderen naar de kerk te brengen. In Holland is het heel makkelijk, bijna niemand woont een vol uur van de kerk.
   Heel veel is er nodig in deze bloeiende missie van Budini, maar wat het hardste nodig is, is een goed getal sterke, gezonde, hard werkende, heilige priesters”.
 
Harry Knipschild
22 april 2018, 11 oktober 2013
 
Dit artikel werd eerder geplaatst op www.katholiek.nl
 
Literatuur
 
‘Dagboek van Father Gijs Benne, missionaris in Oeganda’, Annalen van Mill Hill, januari, februari, maart 1932
.